Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:954
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
3,996 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 3 april 2025
Zaaknummer : 200.350.868/01
Zaaknummer eerste aanleg : C02/23/122 R
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant] ,
2. [appellante] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,
gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 23 januari 2025.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ontvangen op 30 januari 2025, hebben [appellanten] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair te bepalen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] wordt beëindigd met verlening van een schone lei;
subsidiair te bepalen dat de schuldsaneringen worden voortgezet en eindigen per 17 augustus 2025, althans een zodanige datum als het hof vermeent te behoren, althans zodanig te beslissen als het hof vermeent te behoren.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Mattheussens;
de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier van de advocaat van [appellanten] , ontvangen op 18 februari 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 9 januari 2025, ontvangen op 5 maart 2025;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 20 maart 2025;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellanten] , ontvangen op 24 maart 2025.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnissen van 17 augustus 2023 is ten aanzien van [appellanten] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder op 2 oktober 2024 tussentijds beëindigd, omdat [appellanten] een of meer van hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren nakomen en bovenmatige schulden doen of laten ontstaan.
Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeren [appellanten] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“3.3.2 Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat schuldenaren hun informatieverplichting nog steeds niet naar behoren zijn nagekomen, dat zij ook een boedelachterstand en nieuwe schulden hebben laten ontstaan en dat schuldenares gedurende de gehele looptijd van de regeling niet aan de op haar rustende sollicitatieverplichting heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het geen tekortkomingen die vanwege hun aard of geringe betekenis buiten beschouwing kunnen worden gelaten en kunnen de tekortkomingen ook aan schuldenaren worden toegerekend. De rechtbank neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de tekortkomingen tijdens het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris zijn besproken en dat schuldenaren er vervolgens niet voor hebben gekozen de (kennelijk noodzakelijke) hulp in de vorm van beschermingsbewind te continueren, maar deze hulp juist hebben afgestolen. Het beschermingsbewind is immers op 1 mei 2024 opgeheven. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat aan schuldenares de kans is geboden om de door haar gestelde (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid door middel van een keuring te laten vaststellen, maar dat zij deze kans voorbij heeft laten gaan door de keuring te annuleren. Op haar was daarom de sollicitatieverplichting van toepassing en daar heeft zij vanaf het begin van de WSNP niet aan voldaan. Voor de ontstane nieuwe schulden en de toch wel forse boedelachterstand, hebben schuldenaren naar het oordeel van de rechtbank ter zitting geen haalbare oplossing (bijvoorbeeld in de vorm van een betalingsregeling) kunnen aandragen.”
3.4.
[appellanten] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellanten] hebben in het beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellanten] niet hebben voldaan aan de inspanning- en informatieplicht en de sollicitatieverplichting. [appellanten] hebben wel voldaan aan de informatieverplichting door de stukken uit het verzoek tot tussentijdse beëindiging in het portaal over te leggen. [appellanten] hadden in het begin moeite met stukken aanleveren aan de bewindvoerder via het daarvoor bestemde online portaal. Later lukte het wel om de stukken op deze manier aan te leveren. Ook hebben [appellanten] de stukken als bijlagen bij het beroepschrift overgelegd aan de bewindvoerder.
Daarnaast heeft [appellante] wel voldaan aan haar sollicitatieverplichting door te solliciteren op een wijze en met een frequentie als van haar mocht worden verwacht. Zij heeft op dit moment een arbeidsovereenkomst voor acht uren per week, maar werkt feitelijk zestien uren per week. Ook is zij in gesprek om mantelzorger te worden van haar moeder. Hoeveel uren per week dit werk zou bedragen en welke vergoeding zij hiervoor zal krijgen, is nog onbekend.
De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat [appellanten] nieuwe schulden hebben laten ontstaan. De schuld aan het UWV is ontstaan zonder dat [appellanten] daarover iets te verwijten valt. Op het moment dat de schuld is ontstaan, stonden [appellanten] onder beschermingsbewind en het was daarom aan de beschermingsbewindvoerder om de financiële aangelegenheden te regelen. [appellanten] zijn direct na het ontvangen van de brief in contact getreden met het UWV en hebben een betalingsregeling afgesproken waardoor nu al € 524,25 is betaald. Verder zijn [appellanten] niet bekend met een boedelachterstand. Voor zover al sprake is van een tekortkoming, betreft het niet een zodanige tekortkoming die een tussentijdse beëindiging rechtvaardigt.
[appellanten] dienen een kans te krijgen om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling alsnog na te komen. [appellanten] hebben altijd geprobeerd om zo goed mogelijk de verplichtingen na te komen. Als dat niet altijd is gelukt, komt dat niet door onwil. [appellanten] zouden graag een laatste kans krijgen waarin zij zich volledig zullen inzetten om de verplichtingen na te komen. Zij beschikken over een bankrekening met een saldo van ongeveer € 12.000,00. Dit geld is te goeder trouw bewaard, want enkel het leefgeld van [appellanten] werd hiervan afgehaald. Gedurende een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden kunnen [appellanten] met het geld op de rekening de boedelachterstand inlossen en de nieuwe schulden aflossen.
3.5.
De bewindvoerder heeft in zijn brief van 19 maart 2025 en ter zitting – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
Er zijn nieuwe schulden ontstaan aan het UWV en aan de Belastingdienst. Het ontstaan van de schuld aan het UWV kan [appellante] worden verweten, omdat hij een WW-uitkering ontving op de beheerrekening, maar hij het inkomen uit zijn arbeid liet uitbetalen op de leefgeldrekening. De beschermingsbewindvoerder was hierdoor niet juist geïnformeerd over de inkomsten van [appellanten] en daardoor konden de inkomsten niet tijdig worden doorgegeven aan het UWV.
Het niet goed informeren van de beschermingsbewindvoerder valt [appellanten] eveneens aan te rekenen. De bewindvoerder beschikte niet over alle bankafschriften. Ook moest hij vaak vragen naar bepaalde informatie die maar niet werd aangeleverd.
[appellante] heeft daarnaast niet voldaan aan de sollicitatieplicht op een manier en met een frequentie die van haar mag worden verwacht. Er is door haar weliswaar gewerkt, maar vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling geen 36 uren per week, en vanaf juli 2024 in het geheel niet. [appellante] zou inmiddels een arbeidsovereenkomst voor gemiddeld acht uur per week hebben, maar ook dan heeft zij nog altijd een aanvullende sollicitatieplicht. Een keuring om een eventueel verminderde belastbaarheid vast te kunnen stellen is door [appellante] één dag van tevoren afgezegd.
Verder is er op dit moment een boedelachterstand van € 1.777,49.
Ten slotte wijst de bewindvoerder erop dat hij [appellanten] regelmatig heeft gewezen op de tekortkomingen en dat deze tekortkomingen ook tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris ter sprake zijn gekomen. De bewindvoerder kan zich wel vinden in een verlenging van de looptijd om de sollicitatieverplichting van [appellante] na te komen, maar alleen als eerst de boedelachterstand wordt ingelost en de nieuwe schulden worden afgelost.
Beoordeling
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellanten] , in het licht van de omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.
3.6.2.
Het hof is, met de rechtbank en de bewindvoerder, van oordeel dat [appellanten] niet hebben voldaan aan de informatieverplichting. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de bewindvoerder dat hij niet over alle relevante informatie beschikte. De informatieverplichting is een spontane verplichting, wat inhoudt dat [appellanten] uit zichzelf de relevante informatie aan de bewindvoerder moeten aanleveren. Dit hebben zij echter niet gedaan. Zij hebben zelfs geen informatie aangeleverd nadat de bewindvoerder daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. Mede naar aanleiding hiervan heeft op 30 januari 2024 een verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Tijdens dit verhoor zijn [appellanten] nogmaals gewezen op het feit dat de relevante informatie aan de bewindvoerder moet worden verstrekt. Toch werd ook na dit verhoor de informatieverplichting niet nagekomen. De relevante stukken zijn pas aan de bewindvoerder gegeven nadat het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling al was ingediend. Dit is naar het oordeel van het hof te laat, zeker gezien het feit dat [appellanten] gedurende de looptijd van de schuldsanering al meerdere keren uitdrukkelijk waren verzocht om die informatie te verstrekken.
3.6.3.
Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat [appellante] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling de op haar rustende sollicitatieplicht niet (voldoende) is nagekomen. [appellante] heeft vanaf het begin van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet de vereiste 36 uren per week gewerkt en vanaf juli 2024 tot het moment van indienen van het verzoek tot beëindiging van de schuldsanering door de bewindvoerder heeft zij in het geheel niet gewerkt. Aangezien [appellante] geen fulltime dienstbetrekking had, rustte op haar een aanvullende sollicitatieverplichting. [appellante] is door de bewindvoerder op de sollicitatieverplichting gewezen. Deze verplichting is ook besproken tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 30 januari 2024. Tijdens voornoemd verhoor heeft [appellante] aangegeven dat zij het niet aan kan om te werken. Om die reden is er na het verhoor een keuring aangevraagd om de mate van arbeids(on)geschiktheid van [appellante] vast te kunnen stellen, maar deze afspraak is door [appellante] zelf één dag van tevoren afgezegd. [appellante] was dus niet ontheven uit haar sollicitatieverplichting. Nadat de bewindvoerder het verzoek had ingediend om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, heeft [appellante] enkele sollicitatiebewijzen overgelegd. Deze sollicitaties dateren vanaf 29 oktober 2024. [appellante] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat zij ook in de periode vóór 29 oktober 2024 heeft gesolliciteerd, maar heeft daarvan geen bewijsstukken aangedragen.
3.6.4.
Het hof neemt verder in aanmerking dat [appellanten] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden aan het UWV en de Belastingdienst en een boedelachterstand hebben laten ontstaan. Het ontstaan hiervan kan [appellanten] worden aangerekend. [appellanten] hebben immers zelf de keuze gemaakt om te stoppen met het beschermingsbewind, waardoor de verantwoordelijkheid voor de financiën geheel voor hun eigen rekening kwam. Ook met het laten ontstaan van nieuwe schulden en een boedelachterstand zijn [appellanten] dus tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Deze tekortkomingen hadden hersteld kunnen worden, aangezien [appellanten] over het geld beschikten om de achterstanden in te lopen. Zij hebben de schulden echter niet afgelost, ook niet nadat de bewindvoerder [appellanten] op het bestaan van deze schulden heeft gewezen.
3.6.5.
Het hof ziet geen reden tot verlenging van de schuldsaneringsregeling. [appellanten] hebben een consistent gedragspatroon laten zien tijdens de schuldsaneringsregeling, waarin de hiervoor besproken verplichtingen, ook nadat zij erop waren gewezen, door hen niet werden nagekomen. In wat namens [appellanten] is aangedragen, ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de houding van [appellanten] ten opzichte van de schuldsanering en de daaruit volgende verplichtingen inmiddels is veranderd. Gelet op de tekortkomingen van [appellanten] tijdens het schuldsaneringstraject en het feit dat zij geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit een duidelijke gedragsverandering blijkt, heeft het hof niet het vertrouwen dat [appellanten] tijdens een verlenging van de looptijd wel zullen voldoen aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling. Het feit dat [appellante] per 28 maart 2025 een baan voor acht uur per week – volgens [appellante] zou het inmiddels zestien uur per week zijn geworden – bij [instantie] heeft aanvaard, maakt zulks niet anders. De eventueel betaalde werkzaamheden uit de mogelijke PGB-zorg aan haar moeder zijn nog te onduidelijk om daaraan betekenis te kunnen toekennen.
3.6.6.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden, zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.W. van Rijkom en T. van Malssen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.