Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:953
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,838 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 3 april 2025
Zaaknummer: 200.344.908/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/420120 / FA RK 24-1205
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw]
,
wonende op een bij het hof bekend geheim adres,
verzoekster in principaal appel,
verweerster in (voorwaardelijk) incidenteel appel,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Krijger,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal appel,
verzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Tiggelaar.
Deze zaak gaat over:- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013;- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015;- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018;
hierna te noemen: de kinderen.
Als informant merkt het hof aan:
Jeugdbescherming West Regio Zeeland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2024, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking voor wat betreft de beslissing over de zorgregeling en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te vernietigen en, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn sub A tot en met C geformuleerde, alsmede in zijn aanvullende / gewijzigde verzoeken d.d. 30 april 2024, dan wel deze af te wijzen, en voorts;
bij wijze van zelfstandig verzoek:
II. te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, staande en gelegen te [plaats] , gemeente [gemeente] , aan [adres] , zulks met ingang van de datum beschikking hof en met het bevel dat de man de woning dient te verlaten en gedurende de echtscheidingsprocedure niet meer mag betreden, en;
III. de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.
2.2.
Bij verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties, ingekomen ter griffie op 18 september 2024, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor wat betreft het principaal hoger beroep:
de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep en/of dit beroep alsmede het zelfstandige verzoek integraal af te wijzen, al dan niet met aanvulling van (rechts)gronden, en de voornoemde beschikking te bekrachtigen alsmede daarbij te bepalen c.q. te overwegen dat de vrouw gehouden is de in eerste aanleg overeengekomen en de bestreden beschikking na te komen;
voor wat betreft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:
voorwaardelijk, in geval het hof – ondanks het verweer van de man – het beroep van de vrouw op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod toewijst de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing over de zorgregeling te vernietigen en, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:een voorlopige zorgregeling tussen de kinderen en de ouders vast te stellen met ingang van de week waarin in hoger beroep de beschikking wordt gewezen, aldus dat de kinderen afwisselend een week bij de vrouw verblijven en een week bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op de woensdag in de oneven weken ophaalt van school (althans op een vrije dag om 12.00 uur) en de man de kinderen ophaalt van school in de even weken (althans op een vrije dag om 12.00 uur), alsmede de reguliere schoolvakanties alsmede erkende feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) voor ieder(e) dag(deel) dat de vrouw niet aan de in het kader van deze beschikking voorlopige voorzieningen vast te stellen zorgregeling voldoet, tot een maximum is bereikt van € 25.000,-;
subsidiair:met inachtneming van het primaire verzoek althans de onderbouwing van dit verzoek een zodanige voorlopige voorziening in goede justitie vast te stellen, waarbij op basis van een door het hof vast te stellen opbouwregeling wordt toegewerkt naar een genormaliseerde zorgregeling tussen de kinderen en de man;
alsmede de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.
2.2.1.
Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 24 januari 2025, heeft de vrouw verweer gevoerd. Ze verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, dan wel zijn verzoek tot wijziging van de voorlopige zorgregeling af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vrouw, bijgestaan door mr. Krijger;
de man, bijgestaan door mr. Tiggelaar;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (via beeldbelverbinding).
2.3.1.
De raad is met bericht van afmelding niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 maart 2024;
het V6-formulier d.d. 23 januari 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
het V6-formulier d.d. 27 januari 2025, met bijlage, van de zijde van de man;
het V8-formulier d.d. 3 februari 2025 van de zijde van de vrouw.
2.5.
Partijen zijn naar aanleiding van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de mondelinge behandeling aan het hof kenbaar te maken of er een mondelinge behandeling is gepland in de bodemprocedure bij de rechtbank en afhankelijk daarvan het hof te informeren wat dat betekent voor de voortgang van de procedure in hoger beroep.
2.5.1.
Bij V8-formulier van 20 februari 2025 is het hof van de zijde van de vrouw geïnformeerd dat - kort gezegd – in de bodemprocedure pas op zijn vroegst eind maart 2025 zal worden bepaald wanneer een mondelinge behandeling plaatsvindt en dat de vrouw er belang bij heeft dat het hof een inhoudelijke beslissing geeft op het hoger beroep.
2.5.2.
Bij V8-formulier van 20 februari 2025 is het hof van de zijde van de man geïnformeerd dat - kort gezegd – op dit moment nog niet bekend is op welke wijze de bodemprocedure wordt voortgezet en op welke termijn de verdere inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden.
Feiten
3.1.
Partijen zijn op 15 juni 2012 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn de kinderen geboren. Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig.
3.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen verblijven bij de vrouw.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank betreffende vaststelling voorlopige voorzieningen bepaald:- dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw;- dat tussen partijen een (opbouwende) zorgregeling geldt waarbij de man en de kinderen steeds wekelijks beeldbellen op dinsdagavond om 18.30 uur, en er de komende vier weken wekelijks contact zal zijn op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de man thuis in aanwezigheid van oma en na vier weken ook op woensdagmiddag vanaf 12.00 uur (ophalen vanuit school, zodat de man betrokken blijft bij de school van de kinderen) tot 19.00 uur. Na de eerste vier weken is de aanwezigheid van oma niet meer verplicht. In samenspraak met de betrokken hulpverlening dient deze voorlopige regeling steeds te worden geëvalueerd en stapsgewijs te worden uitgebreid waarbij uiteindelijk dient te worden toegewerkt naar de door de man gewenste co-ouderschapsregeling. De zorgregeling zal vervolgens telkens onder regie van de betrokken hulpverlening en in het tempo van de kinderen na een periode van vier weken worden uitgebreid, totdat een gelijkwaardige verdeling geldt waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw verblijven; - dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats] , aan [adres] , en de vrouw is bevolen die woning niet te betreden, behoudens voorafgaande toestemming van de man.Het meer of anders verzochte is afgewezen, waaronder het verzoek van de man om een dwangsom te verbinden aan het niet nakomen van de zorgregeling.
3.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI van 11 december 2024 tot 11 december 2025.
3.5.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2024 is – voor zover in hoger beroep relevant - de vrouw veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de bestreden beschikking, met dien verstande dat de kinderen met ingang van 3 januari 2025 14.00 uur steeds om de week bij de man verblijven van vrijdagmiddag na school, waarbij de man de kinderen uit school ophaalt, tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar school brengt, alsook iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur. Voorts zijn partijen overeengekomen dat:- oma (vz) niet meer bij de contactmomenten aanwezig hoeft te zijn;
- de vaste contactmomenten via beeldbellen komen te vervallen;- er tussen de man en de kinderen WhatsApp contact mag zijn;- op eerste Kerstdag, woensdag 25 december 2024, de kinderen bij de man verblijven van 10.00 uur tot 20.30 uur. De vordering van de man om een dwangsom te verbinden aan het niet nakomen van de zorgregeling is afgewezen.
4De omvang van het hoger beroep
De vrouw kan zich met de beslissing onder 3.3. niet verenigen voor zover het de zorgregeling betreft. De man kan zich in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet verenigen met deze beslissing voor zover het de zorgregeling en de dwangsom betreft.
Beoordeling
Bodemprocedure rechtbank
5.1.
Naar aanleiding van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen in de gelegenheid gesteld om het hof uiterlijk binnen twee weken na de mondelinge behandeling te informeren over de voortgang van de bodemprocedure en de eventuele invloed hiervan op (de voortzetting van) het hoger beroep (zie 2.5 e.v.). Nu gebleken is dat er vooralsnog geen nadere mondelinge behandeling is bepaald in de bodemprocedure en er gelet op de aard van de onderhavige procedure belang is bij een beslissing van het hof op de voorliggende verzoeken, bestaat er geen aanleiding om de behandeling van de zaak (langer) aan te houden in afwachting van het verloop van de bodemprocedure.
Intrekking verzoek echtelijke woning
5.2.
Op 3 februari 2025 heeft de vrouw haar verzoek in hoger beroep ingetrokken voor zover zij heeft verzocht dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, staande en gelegen te [plaats] , gemeente [gemeente] , aan [adres] , zulks met ingang van de datum beschikking hof en met het bevel dat de man de woning dient te verlaten en gedurende de echtscheidingsprocedure niet meer mag betreden. Het hof maakt hieruit op dat de vrouw de grief ten aanzien van dit verzoek niet langer handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vrouw in dit verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
De ontvankelijkheid van de vrouw in het hoger beroep
5.3.
Allereerst ligt de vraag voor of tegen de bestreden beschikking van de rechtbank waarbij op grond van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorlopige voorzieningen zijn getroffen hoger beroep openstaat. Op grond van artikel 824 lid 1 Rv staat tegen een zodanige beschikking geen hoger beroep open, behoudens cassatie in het belang der wet.
5.4.
Ondanks dit rechtsmiddelenverbod bestaat er de mogelijkheid in bepaalde situaties toch hoger beroep en cassatie in te stellen. Op grond van het ‘Enka/Dupont-criterium’ (ECLI:NL:HR:1985:AG:4989) is men - ondanks een dergelijk verbod - toch ontvankelijk en wordt het rechtsmiddelenverbod doorbroken, indien (1) de rechter het bewuste wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, (2) de rechter buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende wetsartikel is getreden, (3) de rechter het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of (4) de rechter het artikel met verzuim van essentiële vormen, zoals het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, heeft toegepast.
5.5.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om, als piketmediaton niet succesvol zou zijn, de rechtbank te voorzien van een update van de ontwikkelingen die zich sinds de mondelinge behandeling hebben voorgedaan, waarna de rechtbank een beschikking zou wijzen. In strijd met deze instructie heeft de man de rechtbank niet slechts geïnformeerd over de ontwikkelingen, maar heeft hij tevens gereageerd op de update van de vrouw, zijn eerder gevoerde verweer herhaald, niet eerder gedeelde producties in het geding gebracht, zijn inleidende verzoeken gewijzigd en aangevuld en heeft hij de rechtbank verzocht om een nieuwe zittingsdatum te bepalen. De rechtbank heeft de vrouw zowel in procedureel als materieel opzicht niet in de gelegenheid gesteld om op de brief van de man te reageren. Dit klemt nu de man voor het eerst bij de brief van 30 april 2024 een psychodiagnostisch onderzoek heeft overgelegd, terwijl de vrouw in de procedure bij de rechtbank juist als standpunt had aangevoerd dat de man zijn persoonlijkheidsproblematiek ontkent en dat professionele hulpverlening noodzakelijk is. Vanwege dit standpunt had de vrouw graag willen reageren op de stukken die de man heeft ingediend. Nu de rechtbank de vrouw hiertoe niet in de gelegenheid heeft gesteld, had de rechtbank geen acht mogen slaan op de brief met bijlagen van de man. De rechtbank heeft zich in diens beslissing desondanks gebaseerd op de brief van de man nu letterlijk in de beschikking is opgenomen dat de man zijn verzoek heeft gewijzigd en wordt verwezen naar de aanvullende zorgregeling die de man heeft verzocht in de betreffende brief, terwijl de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld om op dit gewijzigde verzoek te reageren.
De rechtbank heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door de vrouw niet in de gelegenheid te stellen op de brief en de stukken van de man te reageren en door die brief en stukken voorts wel ten grondslag te leggen aan de bestreden beschikking. Het beginsel van hoor en wederhoor is verankerd in de Nederlandse rechtsorde (artikel 19 Rv) en in de Europese (artikel 6 EVRM) en vormt daarmee een fundamenteel rechtsbeginsel. Schending van dit fundamentele rechtsbeginsel kan alleen via hoger beroep worden rechtgezet.
5.6.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De man betwist dat hij de rechtbank in strijd met de instructies heeft bericht. De rechtbank heeft partijen verzocht om een schriftelijke update over de stand van zaken alsmede over het gewenste verdere verloop van de procedure. Beide partijen hebben de rechtbank vervolgens bericht en daarbij aanvullende producties ingediend. De vrouw laat na te onderbouwen waarom de man in zijn reactie de rechtbank niet inhoudelijk zou mogen berichten over zijn kant van het verhaal met betrekking tot de incidenten die de vrouw in haar bericht van 16 april 2024 heeft gesteld. Daarnaast mag de man zijn verzoek of gronden schriftelijk veranderen of vermeerderen zolang de rechtbank nog geen eindbeschikking heeft gewezen (artikel 283 Rv jo 130 Rv).
De rechtbank is anders dan de vrouw stelt niet (wettelijk) verplicht om ambtshalve een verandering of vermeerdering buiten beschouwing te laten en/of de vrouw in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. In casu is er daarnaast sprake van een vermindering van het verzoek. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, als zij het niet eens was met de wijziging c.q. vermindering van het verzoek, hiertegen bezwaar te maken (artikel 130 Rv). Dat heeft de vrouw niet gedaan waardoor zij nu niet achteraf – nu in haar ogen sprake is van een onwelgevallige uitkomst – een beroep kan doen op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Daarnaast ligt het gewijzigde c.q. aanvullende verzoek in lijn van hetgeen eerder besproken is tijdens de mondelinge behandeling. Ook vloeit uit artikel 8 EVRM een positieve verplichting voor de rechter voort om omgang mogelijk te maken, hetgeen een actieve opstelling van de rechter vraagt. Dit brengt met zich mee dat de rechter een beslissing kan nemen ter zake van het recht op omgang die niet exact/woordelijk overeenkomt met de verzoeken die zijn geformuleerd, mede gelet op het belang om de uitspraak zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de specifieke feiten en omstandigheden in de zaak.
5.7.
Het hof dient te beoordelen of het beroep van de vrouw op de doorbrekingsgrond slaagt. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en licht dit oordeel als volgt toe.
5.7.1.
Anders dan de vrouw stelt is er geen sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het gewijzigde verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling. De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift een co-ouderschapsregeling verzocht in de vorm van een week-op-week-af regeling. In zijn brief van 30 april 2024 heeft de man dit verzoek verminderd tot het vaststellen van een regeling om te komen tot contactherstel met de kinderen bestaande uit wekelijks een beeldbelmoment en twee keer in de week een contactmoment. Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking had gegeven was de man bevoegd zijn verzoek te verminderen en hoefde de vrouw niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop te reageren (artikel 129 Rv jo. 283 Rv).
Dictum
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het verzoek in het hoger beroep ten aanzien van de echtelijke woning;
verklaart de vrouw ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep ten aanzien van de zorgregeling;
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024, doch uitsluitend voor zover het de voorlopige zorgregeling betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat tussen partijen een voorlopige zorgregeling geldt waarbij de kinderen steeds om de week bij de man verblijven van vrijdagmiddag na school, waarbij de man de kinderen uit school ophaalt, tot maandagochtend, waarbij de man de kinderen naar school brengt alsook iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur, en dat deze zorgregeling onder regie van de GI wordt uitgebreid totdat een gelijkwaardige verdeling geldt waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, met dien verstande dat de GI (tijdelijk) kan afzien van verdere uitbreiding als een uitbreiding in het belang van de kinderen onverantwoord is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, A.M. Bossink en G.M. Goes en is op 3 april 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
Wel is er naar het oordeel van het hof sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor als het gaat om de inhoud van de brief van 30 april 2024 en in het bijzonder om de inhoud van productie 6 waarbij de man een psychodiagnostisch onderzoek van hemzelf heeft overgelegd. Niet in geschil is dat de vrouw tijdens de procedure bij de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat de man zijn persoonlijkheidsproblematiek ontkent en dat er professionele hulpverlening nodig is en dat de man dit standpunt betwist. Pas bij de brief van 30 april 2024 heeft de man deze betwisting onderbouwd door overlegging van een psychodiagnostisch onderzoek. De vrouw is door de rechtbank vervolgens niet meer in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Uit de bestreden beschikking blijkt niet of en in hoeverre de brief van de man en productie 6 in het oordeel zijn meegewogen, maar duidelijk is wel dat de rechtbank (inhoudelijk) kennis heeft genomen van deze stukken, nu de brief van 30 april 2024, met bijlagen, in de bestreden beschikking is benoemd onder de ontvangen stukken. Hierdoor is vast komen te staan dat deze stukken door de rechtbank niet (ambtshalve) buiten beschouwing zijn gelaten. Omdat de brief en productie 6 een reactie van de man betroffen op een essentieel betoog van de vrouw en de vrouw niet meer in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren, is er sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De vrouw doet dan ook een geslaagd beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod waardoor zij kan worden ontvangen in haar verzoek in hoger beroep en het hof aldus toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gedane verzoeken in hoger beroep.
Zorgregeling (principaal en incidenteel hoger beroep)
5.8.
Voordat het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de gedane verzoeken stelt het hof vast dat zowel de vrouw als de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hun verzoeken in (incidenteel) hoger beroep hebben gewijzigd.
De vrouw heeft haar verzoek gewijzigd in die zin dat de bestreden beschikking ten aanzien van de voorlopige zorgregeling dient te worden vernietigd, dat het hof de zorgregeling vastlegt zoals laatstelijk bepaald in het kort geding vonnis en dat de zorgregeling onder regie van de GI zo nodig wordt uitgebreid, te weten een weekendregeling waarbij de kinderen om de week bij de man verblijven van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school en elke woensdagmiddag van 12.00 tot 19.00 uur. Daarbij is het voor de vrouw met name van belang dat in de beschikking niet wordt opgenomen dat moet worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling omdat nog niet duidelijk is of dit wel in het belang van de kinderen is. De vrouw verzoekt het hof alleen te bepalen dat de GI regie dient te voeren over een mogelijke uitbreiding van de zorgregeling indien dit in het belang van de kinderen is en dat de GI de bodemrechter dient te informeren over de stand van zaken.
De man heeft zijn verzoek gewijzigd in zoverre dat hij niet meer verzoekt om direct een co-ouderschapsregeling te bepalen, maar dat het hof wel een tijdpad opneemt binnen welke tijd naar een co-ouderschapsregeling moet worden toegewerkt.
5.9.
Aan de (gewijzigde) verzoeken hebben de vrouw en de man het volgende ten grondslag gelegd.
5.10.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. Sinds de bestreden beschikking en het instellen van hoger beroep is er veel veranderd. De kinderen staat inmiddels onder toezicht van de GI en er is een vonnis in kort geding gewezen ten aanzien van de nakoming van de zorgregeling die is bepaald in de bestreden beschikking. In het vonnis in kort geding is bepaald dat verdere uitbreiding van de zorgregeling onder regie van de GI dient plaats te vinden waarbij er ten aanzien van verdere uitbreiding gekeken moet worden naar het belang van de kinderen. Dat is een wezenlijk ander uitgangspunt dan de regeling die in de bestreden beschikking is bepaald waarbij de zorgregeling al is gekaderd en waarbij vaststaat dat dient te worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling. Co-ouderschap is de stip op de horizon, maar eerst moeten de uitkomsten van het onderzoek van de GI afgewacht worden naar wat de onderliggende (gezins-)dynamiek is, wat de behoefte van de kinderen is en wat de opvoedsituatie is bij de man thuis. De ouders hebben beiden hun eigen kant van het verhaal en deze verschillende visies dienen onderzocht te worden op juistheid: namelijk de visie van de vrouw dat sprake is van intieme terreur en de visie van de man dat sprake is van het ontbreken van emotionele toestemming vanuit de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw nog steeds veel zorgen, onder andere over het cannabisgebruik van de man. Ook is er bij het bepalen van de co-ouderschapsregeling onvoldoende oog geweest voor de rolverdeling van de ouders tijdens het huwelijk. De vrouw was twee dagen per week thuis, terwijl de man 60 uur per week werkte. Deze facetten zijn belangrijk voor de zorgregeling, met name hoe de zorgregeling praktisch vorm kan krijgen. Sinds het vonnis in kort geding is de situatie alleen maar verder geëscaleerd, in die zin dat de man de vrouw bombardeert met appjes en e-mails en dat het contact tussen de man en de kinderen belastend verloopt.
5.11.
De man voert – samengevat – het volgende aan. Het is voor de man een pittig jaar geweest. De man heeft drie maanden geen contact met de kinderen gehad en hij wist in die periode ook niet waar de kinderen verbleven. Het contact is inmiddels hersteld en sinds begin dit jaar, na het vonnis in kort geding, geïntensiveerd. Er is een fijn contact tussen de man en de kinderen. Desondanks heeft de man het gevoel dat hij zich moet verdedigen omdat door de vrouw het beeld wordt neergezet dat hij het slechtste met de kinderen voor zou hebben. De manier waarop de vrouw zaken voorspiegelt is niet juist. Voor wat betreft de zorgen van de vrouw betwist de man dat hij drugs gebruikt en hij heeft ook testen gedaan om dat aan te tonen. Ten aanzien van de rolverdeling tijdens het huwelijk was het zo dat de man een normale werkweek had, maar een deel van zijn werkzaamheden in de avond deed zodat overdag de zorgtaken konden worden gedeeld. De vrouw had een aanstelling van 0,8 FTE en was gemiddeld twee dagen thuis. Er is geen sprake van dat de man de vrouw bombardeert met berichten, de man heeft kenbaar gemaakt om - bijvoorbeeld - een keer per week contact te hebben.
Er is een raadsrapport, een ondertoezichtstelling en een veiligheidsplan waaruit blijkt dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen bij de man. Dat de kinderen het lastig hebben is een gevolg van de juridische strijd tussen de ouders. De raad heeft ook duidelijk de ouderonthechting en het gebrek aan emotionele toestemming van de zijde van de vrouw voor het contact tussen de man en de kinderen benoemd. Er is geen sprake (geweest) van intieme terreur, nog daargelaten dat de vrouw geen enkel bewijs van die stelling heeft geleverd noch zijn dergelijke signalen gekomen van andere partijen die betrokken zijn bij het gezinssysteem. Ondanks dat er dus geen zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen bij de man, ziet de man in dat het nu direct bepalen van een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen is. Het is wel belangrijk om hiernaartoe te blijven werken en dat dient ook als zodanig in de beschikking te worden opgenomen. Dit is van belang omdat gebleken is dat de vrouw het lastig vindt om mee te werken aan de uitbreiding van de zorgregeling. Het is voor alle betrokkenen, inclusief de GI, prettig als er een duidelijke opbouw in de zorgregeling zit zodat dit perspectief en duidelijkheid geeft. Omdat de GI inmiddels is betrokken in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen zij ingrijpen als er toch iets niet goed verloopt. Als het hof duidelijke stappen in de beschikking vastlegt die leiden tot een co-ouderschapsregeling geeft dat de GI ook handvatten om de zorgregeling uit te breiden.
Beoordeling
Daarnaast is de inzet van hulpverlening belangrijk, maar deze dient met name gericht te zijn op de ouders; hoe zij een gesprek kunnen voeren over de kinderen en afspraken kunnen maken.
5.12.
De GI informeert het hof – samengevat – als volgt. Er is nog geen zicht wanneer er vanuit de GI een vaste jeugdbeschermer wordt gekoppeld aan het gezinssysteem. Desondanks is er ouderschapsbemiddeling ingezet en begeleiding voor de kinderen. Een medewerker van de GI is op 30 december 2024 met de kinderen gaan praten. Hieruit bleek dat de kinderen geen moeite hadden met de uitbreiding van de zorgregeling. De kinderen hadden alleen kindeigen praktische vragen over zwemmen en scouting. In april 2025 dient de volgende stap gezet te worden naar verdere uitbreiding van de zorgregeling en de rol van de GI hierin is duidelijk.
5.13.
Het hof overweegt als volgt.
5.13.1.
Het hof stelt vast dat er sinds de bestreden beschikking sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zo heeft de raad onderzoek gedaan, staan de kinderen inmiddels onder toezicht van de GI, is het contact tussen de man en de kinderen hersteld en is er na de bestreden beschikking een kort geding procedure aanhangig geweest met betrekking tot (de nakoming van) de zorgregeling. Naast deze gewijzigde omstandigheden is gebleken dat beide ouders een co-ouderschapsregeling op dit moment (nog) niet in het belang van de kinderen vinden en dat (verdere) uitbreiding van de zorgregeling - kort gezegd - onder regie van de GI dient plaats te vinden. Het geschil tussen de ouders spitst zich in de onderhavige procedure dan ook alleen nog toe op de vraag in welk tempo deze uitbreiding dient plaats te vinden en of er al dan niet in de beschikking moet worden opgenomen dat er wordt toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling en zo ja, of hiertoe concrete stappen en tijdpad in de door het hof te wijzen beschikking dienen te worden opgenomen. Voor de beantwoording van deze vraag is voor het hof relevant dat de raad in diens onderzoek van 20 november 2024 heeft geconcludeerd dat de zorgregeling kan worden uitgebreid en dat onder regie van een jeugdbeschermer kan worden toegewerkt naar een co-ouderschaps-regeling. De uitbreiding van de zorgregeling die de raad heeft geadviseerd heeft de voorzieningenrechter neergelegd in het kort geding vonnis van 23 december 2024 (zie 3.5.) en deze zorgregeling wordt op dit moment feitelijk uitgevoerd. Hoewel de vrouw stelt dat het contact tussen de man en de kinderen belastend is, heeft zij dit standpunt niet voldoende onderbouwd noch is dit standpunt bevestigd door de GI. Integendeel, de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kenbaar gemaakt dat de kinderen positief stonden tegenover een uitbreiding van de zorgregeling en uit het Plan van Aanpak van de GI d.d. 17 januari 2025 blijkt dat er geen zorgen zijn over de (acute) veiligheid van de kinderen.Gegeven deze omstandigheden onderschrijft het hof het advies van de raad dat onder regie van de GI kan worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling en zal het hof dat ook als zodanig in het dictum van deze beschikking opnemen. Anders dan de man heeft verzocht acht het hof het niet wenselijk om de GI nu al concrete stappen voor te schrijven om toe te werken naar een dergelijke regeling. Niet alleen past een concreet stappenplan en tijdpad over het algemeen niet in een procedure voorlopige voorziening, maar ook is het hof van oordeel dat de GI het beste kan inschatten wanneer een volgende stap in de uitbreiding van de zorgregeling in het belang van de kinderen is of juist wanneer een verdere uitbreiding (op dat moment) in het belang van de kinderen onverantwoord is.
5.13.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de zorgregeling uit de bestreden beschikking nagekomen wordt door partijen zoals de voorzieningenrechter in de kort geding procedure heeft bepaald, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en deze regeling vastleggen op de wijze zoals in het dictum bepaald. Daarbij wordt voorts bepaald dat deze zorgregeling onder regie van de GI wordt uitgebreid totdat een gelijkwaardige verdeling geldt waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, met dien verstande dat de GI (tijdelijk) kan afzien van verdere uitbreiding als een uitbreiding in het belang van de kinderen onverantwoord is.
Dwangsom (incidenteel hoger beroep)
5.14.
Hoewel de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kenbaar heeft gemaakt dat hij liever geen dwangsom zou verbinden aan de nakoming van de zorgregeling heeft hij dit verzoek niet ingetrokken omdat hij twijfelt of de vrouw de zorgregeling blijft nakomen. Het hof ziet echter geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling. De vrouw komt de zorgregeling na en niet is gebleken dat zij voornemens is dat niet langer te doen. Er is daarom geen aanleiding om een financiële prikkel te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling, nog daargelaten dat een dergelijke prikkel naar verwachting niet zal bijdragen aan een verbetering van de situatie tussen de ouders. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover daarin het verzoek van de man om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling is afgewezen.
Afsluitende conclusie
5.15.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen doch uitsluitend voor zover het de zorgregeling betreft en beslissen op de wijze zoals in het dictum bepaald. Voorts zal de vrouw vanwege de intrekking van het verzoek ten aanzien van de echtelijke woning in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.