Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:947
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,749 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers : 200.343.920/01 en 200.345.607/01
zaaknummers rechtbank : C/02/405692 / FA RK 23-382 en C/02/409391 / FA RK 23-2189
beschikking van de meervoudige kamer van 3 april 2025
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 24 april 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 24 juli 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 april 2024. Het beroepsschrift bevat de prod. A tot en met O.
2.2.
De man heeft op 5 september 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep (met de prod. P tot en met R) ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 18 oktober 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V4-formulier van de advocaat van de man d.d. 11 december 2024;
- het V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 23 december 2024.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de advocaat van de vrouw, mr. Wouters
de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Schijvenaars.
De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
3.1.
In hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn op 7 juli 2014 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.
3.3
In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen onder meer overeengekomen:
“Inkomen
Artikel 8
Onder inkomen in deze huwelijkse voorwaarden wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.
Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of van het resultaat voor onttrekking in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld.
Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winst van een door een rechtspersoon uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komt, wordt die onderneming voor de toepassing van de vorige zin aangemerkt als een door die echtgenoot uitgeoefende onderneming. Onder winst uit onderneming wordt dan verstaan: de in de onderneming behaalde winst, verminderd met de daarover door de rechtspersoon verschuldigde belastingen. Bij het voorgaande wordt de mate waarin de echtgenoot tot de rechtspersoon is gerechtigd in aanmerking genomen.
Kosten van de huishouding
Artikel 9
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. De echtgenoten openen daartoe een gezamenlijke en/of rekening waarop de inkomens van de echtgenoten worden gestort.
Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen.
2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de kosten voor kinderopvang, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning.
Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto's.
Indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe.
3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.
4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.
5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
(…)
Verrekening van inkomsten
Artikel 11
1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.
2. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar.
3. De verplichting tot verrekening heeft alleen betrekking op het nominale bedrag van de bespaarde inkomens.
4. De winst van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 wordt niet in de verrekening betrokken.
De echtgenoten beogen met deze bepaling alleen te verrekenen hetgeen zij jaarlijks daadwerkelijk van hun inkomen besparen en hetgeen jaarlijks daadwerkelijk verdeeld kan worden. In verband hiermee wordt het begrip inkomen beperkt uitgelegd. Zo worden optierechten, uitkeringen die niet jaarlijks terugkeren en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking niet tot het inkomen gerekend.
De vordering tot verrekening vervalt, in verband met de complicaties die ontstaan bij handhaving van de vordering over een langere periode, drie jaar na afloop van elk kalenderjaar.”
3.3.
Het verzoekschrift van de man tot echtscheiding is op 27 januari 2023 door de rechtbank ontvangen.
3.4.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.5.
De echtscheidingsbeschikking is op 14 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld dat de stellingen van de vrouw dat partijen niet aan de periodieke verrekenplicht hebben voldaan en dat het vermogen van partijen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden niet opgaan. De rechtbank heeft daarom de verzoeken van de vrouw zoals geformuleerd in rov. 3.2 van die beschikking onder 5a, 5b en 5c afgewezen.
4.2.
De grief van de vrouw ziet op dit oordeel van de rechtbank. De vrouw verzoekt, nadat zij haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling nader heeft gespecificeerd, de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vrouw onder 5b en 5d zoals geformuleerd in rov. 3.2 van de bestreden beschikking tot verdeling en verrekening van de huwelijkse voorwaarden alsnog toe te wijzen. De vrouw heeft daar verzocht:
“5. de verdeling en verrekening van de huwelijkse voorwaarden alsmede de (eenvoudige) gemeenschappen vast te stellen als volgt:
(…)
b. de man te veroordelen om in verband met de verrekening c.q. verdeling van de (zeil)boten en scooter van de man, aan de vrouw te betalen een bedrag van € 25.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 27 januari 2023 tot de dag der algehele betaling;
(…)
d. de man te veroordelen om in verband met de verrekening c.q. verdeling van de bankrekeningen (die op partijen hun eigen naam staan), aan de vrouw te betalen een bedrag van € 13.065,88, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 27 januari 2023 tot de dag der algehele betaling.”
4.3.
De man heeft de grieven weersproken. De man heeft daarnaast incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij V4 formulier van 11 december 2024 heeft de man zijn verzoek in incidenteel hoger beroep ingetrokken. De vrouw heeft de intrekking van het incidenteel hoger beroep door de man bij V6 formulier van 23 december 2024 bevestigd. Het hof zal de man daarom in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Motivering
5.1.
De rechtbank overweegt:
“4.55. De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw stelt dat aan de bij huwelijkse voorwaarden door partijen overeengekomen periodieke verrekenplicht niet is voldaan (met als gevolg dat de bepalingen van artikel 1:141 lid 1 en 3 BW van toepassing zijn en de waarde van het gehele vermogen van partijen in de verrekening moet worden betrokken). De vrouw beroept zich op het rechtsgevolg van de niet-afrekening of het niet voldaan zijn aan de periodieke verrekening. Op haar rust de stelplicht en, zo nodig bij voldoende gemotiveerde betwisting daarvan, de bewijslast.
4.56.
Tussen partijen staat vast dat zij, zoals overeengekomen in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, bij aanvang van het huwelijk een gezamenlijke rekening hebben geopend, te weten de Rabobankrekening met rekeningnummer [nummer] , en dat zij hun salarissen op deze rekening lieten storten en daarvan - in ieder geval het merendeel van - de kosten van de gemeenschappelijke huishouding voldeden. Uit het door de man als productie 2 bij verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken overgelegde overzicht blijkt dat er in de jaren 2015 tot en met 2022 (dus tot en met het jaar waarin partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan) van die gezamenlijke rekening een aantal keren per jaar een bedrag werd overgemaakt naar de privérekening van de vrouw en de privérekening van de man en dat deze bedragen, overeenkomstig het in artikel 11 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden bepaalde, steeds gelijk waren aan elkaar. Ook blijkt uit dit overzicht dat er na deze overboekingen steeds een ruim positief saldo resteerde op de gezamenlijke rekening. Niet in geschil is tussen partijen dat, ondanks dat er na die overboekingen een ruim voldoende saldo op de gezamenlijke rekening bleef staan, partijen zo nu en dan ook kosten van de gemeenschappelijke huishouding van hun privérekeningen betaalden. Zo stelt de vrouw (onder andere) kleding voor de kinderen te hebben betaald van haar privérekening, omdat de door haar op die rekening ontvangen kinderbijslag daartoe veelal ontoereikend was. De man heeft erkend wel eens gereedschap en andere kosten voor het gezin van zijn privérekening te hebben betaald. De rechtbank volgt de vrouw echter niet in haar stelling dat op grond daarvan de conclusie moet worden getrokken dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het door hen overeengekomen periodiek verrekenbeding. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, nu zij zich beroept op het rechtsgevolg van het niet voldaan hebben aan de periodieke verrekenplicht, meer inzicht te geven in hetgeen zij stelt over de hoogte en omvang van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding die zij van haar privérekening heeft voldaan. De vrouw heeft nagelaten haar, door de man gemotiveerd betwiste, stellingen met stukken te onderbouwen. Dit had wel op haar weg gelegen. De rechtbank heeft dan ook geen inzicht in de mate waarin de vrouw over de huwelijkse jaren en tot aan het feitlelijk uitééngaan van partijen kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald van haar privérekening. De enkele omstandigheid dal ieder van partijen wel eens kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald van zijn c.q. haar privérekening maakt nog niet dat er geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding.
4.57.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende met verifieerbare stukken heeft onderbouwd dat partijen gedurende het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het door hen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodiek verrekenbeding. De vrouw heeft ter zake ook geen bewijs aangeboden (noch in de processtukken noch tijdens de mondelinge behandeling). De rechtbank volgt de man dan ook in zijn standpunt dat partijen
uitvoering hebben gegeven aan het door hen overeengekomen verrekenbeding. De stelling van de vrouw dat, wat daarvan overigens zij, partijen nooit hebben afgesproken dat het saldo van de privérekeningen van partijen privévermogen zou zijn en dat zij, indien zij hiervan op de hoogte zou zijn geweest, geen kosten van de gemeenschappelijke huishouding van haar privérekening zou hebben betaald, maakt het voorgaande niet anders. Partijen hebben naar de rechtbank mag aannemen weloverwogen en geïnformeerd de huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Uit de notariële akte van huwelijksvoorwaarden blijkt immers dat partijen bij de notaris hebben verklaard dat zij een ontwerpakte hebben ontvangen en van de akte hebben kennisgenomen. Voorts werd de vrouw bij de afspraak met de notaris, zo heeft de man onweersproken gesteld, bijgestaan door een tante op wiens initiatief een periodiek verrekenbeding is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Ter plekke heeft de notaris, zo blijkt ook uit de akte, de zakelijke inhoud van de akte opgegeven en toegelicht. Dat de vrouw desondanks niet heeft begrepen dat het gevolg van periodieke verrekening is dat daarmee privévermogens werden gecreëerd, komt voor haar rekening en risico.
4.58.
Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat, zo begrijpt de rechtbank, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de rechtbank het standpunt van de man volgt en oordeelt dat partijen tijdens het huwelijk uitvoering hebben gegeven aan het overeengekomen periodieke verrekenbeding, omdat de vrouw in dat geval slechts haar spaargeld zou hebben en de man meer spaargeld en boten ter waarde van € 50.000 =. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Zoals hiervoor al overwogen komt de omstandigheid dat de vrouw de gevolgen van het door partijen bij huwelijkse voorwaarden willens en
wetens overeengekomen periodieke verrekening wellicht niet of volledig heeft overzien voor haar rekening en risico. De vrouw heeft geen of onvoldoende omstandigheden gesteld die het beroep van de man op de periodieke verrekening onaanvaardbaar zouden doen zijn. Verschillen in omvang van de privévermogens is daartoe in ieder geval niet voldoende. Het beroep van de vrouw op (de beperkende werking van) de redelijkheid en de billijkheid (artikel 6:248 BW) gaat naar het oordeel van de rechtbank dus niet op.
4.59.
Nu de stelling van de vrouw dat partijen niet aan de periodieke verrekenplicht hebben voldaan niet opgaat, gaat evenmin haar stelling op dat het vermogen van partijen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De verzoeken van de vrouw gebaseerd op dit standpunt, zoals geformuleerd onder r.o. 3.2. van deze beschikking onder 5a., 5b. en 5c. zullen daarom worden afgewezen. Daarmee komt de rechtbank ook niet meer toe aan de subsidiaire verzoeken van de man, zoals geformuleerd onder r.o. 3.1. van deze beschikking onder e. en f.”
5.2.
De vrouw voert aan dat de rechtbank ten onrechte in rov. 4.55 heeft geoordeeld dat, omdat de vrouw zich beroept op het rechtsgevolg van de niet-afrekening of het niet voldaan zijn aan de periodieke verrekening, op haar de stelplicht en bewijslast rust. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte in rov. 4.56 geoordeeld dat niet geconcludeerd kan worden dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het door hen overeengekomen periodiek verrekenbeding en dat de vrouw meer informatie had moeten geven c.q. meer inzicht had moeten geven in hetgeen zij vanuit haar privérekening heeft gedaan. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat ieder van partijen wel eens kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald van zijn c.q. haar privérekening niet betekent dat geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding. In het verlengde daarvan zijn ook de rov. 4.57 – 4.59 onjuist.
Motivering
Ter toelichting op de grief voert de vrouw het volgende aan.
Als uitgangspunt geldt dat niet aan het periodiek verrekenbeding is voldaan, waardoor het vermogen van partijen verrekend moet worden.
Partijen zijn in art. 9 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen hoe zij de kosten van de huishouding verdelen. Zij hebben daartoe een gezamenlijke bankrekening geopend waaruit de kosten van de huishouding zouden worden voldaan. Echter, niet alle kosten van de huishouding zijn vanaf de gezamenlijke rekening voldaan. De vrouw kocht bijv. kleding voor de kinderen vanuit haar eigen rekening en de man geeft ook aan diverse kosten vanuit zijn eigen rekening te hebben voldaan. Partijen hebben niet (volledig) uitvoering gegeven aan art. 9 van de huwelijkse voorwaarden. De kosten van de huishouding zijn dus niet verdeeld middels de gezamenlijke rekening.
Als al is voldaan aan art. 9 van de huwelijkse voorwaarden, betekent dat niet automatisch dat is voldaan aan art. 11 van de huwelijkse voorwaarden. Art. 11 ziet op verrekening van hetgeen van het inkomen resteert na aftrek van de kosten van de huishouding. Er geldt een specifiek inkomensbegrip dat er op neerkomt dat alleen het regulier inkomen in de verrekening dient te worden betrokken. De vrouw heeft de kinderbijslag op haar privérekening ontvangen, terwijl dit wel te verrekenen inkomen is. Partijen hebben ook niet reguliere inkomsten op de gezamenlijke rekening ontvangen. Het is onredelijk dat de vrouw haar eigen bankrekening wel voor het gezin heeft gebruikt en de man veel minder, waardoor de man veel meer vermogen heeft dan de vrouw.
De man moet stellen en onderbouwen dat is voldaan aan art. 11. Daarvoor is onvoldoende dat de man stelt dat hij heeft voldaan aan art. 9. Het is onjuist dat door verdeling van het saldo op de gezamenlijke rekening privévermogens werden gecreëerd. Niet alle inkomsten zijn op de gezamenlijke rekening ontvangen en er geldt een beperkt inkomensbegrip waardoor ook niet alle inkomsten in de verrekening moeten worden meegenomen.
Van de vrouw wordt ten onrechte verlangd dat zij bankrekeningen toont om daarmee de omvang van de verrekenplicht in te kunnen schatten.
5.3
In reactie op de grief voert de man het volgende aan.
Het is aan de vrouw om aan te tonen dat niet aan de verrekenplicht is voldaan. Partijen hebben, anders dan de vrouw stelt, wel periodiek verrekend. Zij hebben overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden een gezamenlijke bankrekening geopend. Daarop hebben zij ieder hun inkomen laten storten. Periodiek hebben zij wat van hun inkomen resteerde na betaling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, verrekend. Zowel de man als de vrouw ontving hetzelfde bedrag op zijn/haar privébankrekening. Daarmee hebben partijen voldaan aan hun verrekenplicht in art. 11 van de huwelijkse voorwaarden. De man verwijst naar het overzicht van de (het hof begrijpt) verrekening van de bespaarde gelden (prod. 2 bij bijlage D bij het beroepschrift). Hieruit blijkt dat er na verrekening van het bespaarde geld een saldo op de gemeenschappelijke bankrekening resteerde dat ruimschoots toereikend was voor de betaling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het was dus niet nodig dat partijen ieder van hun privébankrekening incidenteel kosten van de huishouding betaalden. Maar zo was de praktijk en het ging bovendien om relatief geringe bedragen.
Als het inkomen van partijen niet voldoende zou zijn, zouden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Dat was strikt genomen niet noodzakelijk omdat er steeds voldoende saldo aanwezig was op de gemeenschappelijke rekening.
Bij aanvang van het huwelijk hadden partijen geen relevant vermogen. De man had een zeilboot, maar voor de aanschaf was hij een lening aangegaan die hij tijdens het huwelijk heeft afgelost met gelden van zijn privérekening. De kinderbijslag moet niet worden beschouwd als te verrekenen inkomen. Dat is niet in overeenstemming met art. 8 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft van aanvang af de kinderbijslag op haar privérekening laten storten. Daar was de man het niet mee eens, maar hij heeft zich daar verder niet tegen verzet. Dit maakt echter niet dat er geen verrekening van overgespaard inkomen heeft plaatsgevonden. De man betwist dat partijen ook niet-reguliere inkomsten op de gezamenlijke rekening hebben ontvangen. De vrouw heeft die stelling ook niet onderbouwd.
5.4.
Het hof overweegt als volgt.
Partijen zijn in art. 11 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen. De vrouw stelt dat het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd. Zij beroept zich op art. 1:141 lid 3 BW dat bepaalt dat, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De man heeft dit standpunt van de vrouw gemotiveerd betwist en aangevoerd dat partijen wél uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding.
Nu de vrouw zich beroept op het rechtsgevolg van art. 1:141 lid 3 BW rust op haar de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast dat aan de overeengekomen periodieke verrekenplicht van art. 1:141 lid 1 BW niet is voldaan. Pas als vaststaat dat het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd, kan worden toegekomen aan het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW.
Beoordeeld moet worden hoe partijen de verrekenplicht hebben bedoeld vorm te geven en vervolgens of zij daaraan uitvoering hebben gegeven.
Partijen hebben bij aanvang van het huwelijk een gezamenlijke rekening geopend zoals is bepaald in art. 9 van de huwelijkse voorwaarden. De inkomsten van partijen werden op deze gezamenlijke rekening gestort. De vrouw heeft weliswaar aangevoerd dat niet alle inkomsten van partijen op de gezamenlijke rekening binnenkwamen maar zij heeft dat niet nader onderbouwd anders dan aan te geven dat de kinderbijslag op haar privérekening werd ontvangen. In art. 8 van de huwelijkse voorwaarden hebben partijen een nadere uitleg gegeven aan het begrip inkomen. Het betreft het “besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen”. De kinderbijslag valt, gelet op dit inkomensbegrip, niet onder het tussen partijen overeenkomen inkomensbegrip en dus ook niet tot het te verrekenen inkomen als bedoeld in art. 11 van de huwelijkse voorwaarden. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat ook niet regulier inkomen op de gezamenlijke rekening werd gestort, hetgeen door de man is betwist. Welk inkomen de vrouw bedoelt en wat dit voor rechtsgevolgen heeft voor het overeengekomen periodiek verrekenbeding, heeft zij echter niet duidelijk gemaakt.
De kosten van de huishouding werden van deze gezamenlijke rekening voldaan. De vrouw heeft aangevoerd dat zij met geld afkomstig van haar privérekening ook kosten van de huishouding heeft voldaan, zoals kleding voor de kinderen. De man heeft tijdens de procedure bij de rechtbank erkend dat hij soms ook kosten van de huishouding met geld op zijn privérekening heeft voldaan. Waarom het nodig was om met geld van een privérekening van een van partijen kosten van de huishouding te voldoen, is niet duidelijk geworden. Uit het door de man als prod. 2 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg overgelegde overzicht blijkt dat op de gezamenlijke rekening telkens een (ruim) positief saldo aanwezig was.
Motivering
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard dat partijen altijd een minimumsaldo op de gezamenlijke rekening lieten staan ter voldoening van de kosten van de huishouding. Nu de noodzaak voor het voldoen van kosten van de huishouding vanuit privérekening niet is gebleken en evenmin duidelijk is geworden hoeveel kosten van de huishouding niet van de gezamenlijke rekening zijn voldaan, kan uit deze stelling niet worden afgeleid dat partijen het periodiek verrekenbeding niet hebben uitgevoerd
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de notaris tijdens het gesprek over de huwelijkse voorwaarden heeft gezegd dat partijen periodiek, minstens eens per jaar moesten verrekenen. Partijen hebben ook aan die verplichting voldaan. Zij zijn periodiek, in ieder geval minstens één keer per jaar en soms vaker (als het saldo op de betaalrekening volgens hen te hoog was) bij elkaar gaan zitten om te bespreken wat met het (volgens hen te hoge) saldo van de betaalrekening moest gebeuren. Vervolgens hebben zij het teveel aan ontvangen inkomen op de betaalrekening overgemaakt naar ieders spaarrekening, telkens voor ieder hetzelfde bedrag. Dit blijkt uit het door de man als prod. 2 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg overgelegde overzicht. Voor zover de vrouw betoogt dat er een restant saldo op de gezamenlijke rekening achterbleef zodat reeds daaruit volgt dat het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd, slaagt dat betoog niet. De man heeft immers onbetwist aangevoerd dat een minimumbedrag moest overblijven op de gezamenlijke rekening voor de betaling van de kosten van de huishouding. Naar het oordeel van het hof konden partijen op grond van deze feitelijke gedragingen redelijkerwijs verwachten dat deze handelwijze plaatsvond ter afwikkeling van het tussen hen overeengekomen periodiek verrekenbeding. Daarbij is van belang dat partijen niet de beschikking hadden over een gezamenlijke spaarrekening waar geld dat volgens partijen niet nodig was voor het bestrijden van de kosten van de huishouding naar kon worden overgemaakt.
De vrouw heeft ten slotte nog aangevoerd dat het onredelijk is dat zij haar eigen bankrekening wel voor het gezin heeft gebruikt en de man veel minder, waardoor de man veel meer vermogen heeft dan de vrouw. Voor zover de vrouw hiermee betoogt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien het standpunt van de man wordt gevolgd dat partijen tijdens het huwelijk uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding, wordt zij daarin niet gevolgd. De vrouw heeft geen of onvoldoende omstandigheden gesteld die het beroep van de man op de periodieke verrekening onaanvaardbaar zouden doen zijn. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen zijn verschillen in omvang van de privévermogens van partijen daarvoor onvoldoende.
Uit het voorgaande volgt dat de stelling van de vrouw, dat partijen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan art. 11 van de huwelijkse voorwaarden, niet is komen vast te staan. Het hof komt derhalve niet toe aan het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW.
De grief faalt.
6De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.
Het hof:
in de zaak 200.343.920/01:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 24 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
in de zaak 200.345.607/01:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, A.J.F. Manders en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025 door mr. G.M. Goes in tegenwoordigheid van mr. L. Kramer, de griffier.