Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:913
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
4,608 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.409/01
arrest van 1 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.A.R. van de Velde te Eindhoven,
tegen
Amvest RCF Custodian B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Amvest,
advocaat: mr. W.Y. Wong te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 november 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Amvest als eiseres.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 8 december 2022.
Procesverloop
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met productie 1;
de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag of de huurovereenkomst, op basis waarvan een woning is verhuurd waarin nadien een hennepkwekerij is gerealiseerd, door Amvest is gesloten met [appellant] als wederpartij.
3.1.2. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Amvest heeft met ingang van 1 februari 2020 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres A] (hierna: het gehuurde). De ten tijde van de inleidende dagvaarding geldende huurprijs bedroeg € 1.207,53 per maand (inclusief voorschot servicekosten). Amvest is verhuurder en tevens eigenaar van het gehuurde. Zij heeft het feitelijke beheer uitbesteed aan MVGM Vastgoedmanagement B.V. (hierna: MVGM).
b. Op de huurovereenkomst zijn de “Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte” (ROZ-model 2017) van toepassing verklaard.
c. In artikel 15.1 van de huurovereenkomst en in artikel 14.3.c van de algemene bepalingen is het de huurder uitdrukkelijk verboden om in het gehuurde hennep voorhanden te hebben en/of te kweken.
d. In de opgemaakte schriftelijke huurovereenkomst wordt als huurder de naam van [appellant] vermeld met daarbij zijn geboortedatum en woonplaats. De pagina’s van de huurovereenkomst zijn digitaal geparagrafeerd en de laatste pagina van de huurovereenkomst is digitaal ondertekend door middel van “DocuSign”. Hierbij is door de ondertekenaar gebruik gemaakt van het e-mailadres: [e-mailadres A] .
e. Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst heeft Amvest al dan niet via MVGM een kopie van een identiteitskaart, een ING-bankpas, een verhuurdersverklaring van de toenmalige verhuurder van [appellant] , een werkgeversverklaring van [bedrijf A] , een gewaarmerkt afschrift uit de basisregistratie personen en stukken van UWV over het arbeidsverleden ontvangen; al deze stukken vermelden de (persoons)gegevens van [appellant] .
f. Ten tijde van de sleuteloverdracht van het gehuurde heeft [appellant] de sleutels in ontvangst genomen en voor ontvangst daarvan getekend.
g. De huurbetalingen zijn gedaan vanaf twee bankrekeningen op naam van [appellant] .
h. Op 21 maart 2021 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij bestaande uit 536 hennepplanten met toebehoren aangetroffen in het gehuurde. Tevens is geconstateerd dat sprake is geweest van diefstal van elektriciteit.
i. Over de maanden april en verder van 2021 is geen huur meer betaald voor de woning.
j. Bij besluit van 11 mei 2021 heeft de burgemeester van [gemeente A] een last onder bestuursdwang opgelegd en het gehuurde met ingang van 25 mei 2021 voor een periode van drie maanden gesloten.
k. Bij brief van haar advocaat van 20 mei 2021, betekend bij deurwaardersexploot van 21 mei 2021, heeft Amvest jegens [appellant] een beroep gedaan op buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst per 1 augustus 2021. Na de (periode van) sluiting van de woning heeft de beheerder van Amvest de betekende brief van 20 mei 2021 ongeopend aangetroffen op de deurmat van de woning.
l. De advocaat van Amvest heeft de brief van 20 mei 2021 ook per e-mail aan [appellant] , althans aan het e-mailadres [e-mailadres A] , verzonden. Bij brief van 23 juni 2021 heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van Amvest onder meer het volgende meegedeeld:
“Tot mij wendde zich de heer [appellant] die mij verzocht zijn belangen te
behartigen en die mij ter hand stelde uw brief d.d. 20 mei jl.”
Procesverloop
3.2.1. In de onderhavige procedure vordert Amvest veroordeling van [appellant] tot betaling van:
I. € 6.037,65 aan achterstallige huur over de periode van 1 april 2021 tot 1 augustus 2021 en aan schadevergoeding ter hoogte van de huur over de maand augustus 2021;
II. € 20.684,95 aan kosten van herstel van schade aan de woning;
III. € 1.261,09 ter zake buitengerechtelijke kosten;
met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.2. Aan deze vordering heeft Amvest, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Amvest heeft met [appellant] een huurovereenkomst gesloten ter zake het gehuurde. [appellant] is in de nakoming van die overeenkomst tekortgeschoten doordat hij:
een huurachterstand heeft laten ontstaan;
hennep gekweekt heeft in het gehuurde, waarbij schade is toegebracht aan het gehuurde;
heeft nagelaten het gehuurde in de oorspronkelijke staat aan Amvest op te leveren.
Amvest heeft de huurovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden per 1 augustus 2021. Over de maand augustus 2021 heeft Amvest recht op een schadevergoeding gelijk aan de huur, omdat de woning in die maand nog gesloten was door de burgemeester zodat Amvest nog niet over de woning kon beschikken.
3.2.3. [appellant] heeft betwist dat hij de huurovereenkomst met Amvest is aangegaan. Volgens [appellant] is misbruik gemaakt van zijn identiteit om een woning te huren en een hennepkwekerij te exploiteren.
3.2.4. In het tussenvonnis van 8 december 2022 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling na antwoord bevolen. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2023. Van de mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt.
3.2.5. In het eindvonnis van 9 november 2023 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.
Op grond van alle omstandigheden hoefde Amvest er redelijkerwijs niet aan te twijfelen dat de woning werd gehuurd door [appellant] . [appellant] heeft vrijwel uitsluitend volstaan met een blote betwisting. Aangenomen moet daarom worden dat Amvest een huurovereenkomst heeft gesloten met [appellant] (rov.4.2).
[appellant] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de vordering ter zake achterstallige huur en aan schadevergoeding over de maand augustus 2021 van in totaal € 6.037,65, en evenmin tegen de hoogte van de vordering tot vergoeding van de herstelkosten aan de woning van € 20.684,95. Beide vorderingen worden daarom toegewezen (rov. 4.3).
Ter zake buitengerechtelijke kosten is € 1.042,23 toewijsbaar (rov. 4.4).
Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld om aan Amvest € 27.746,83 te betalen (hof: € 6.037,65 + € 20.684,95 + € 1.042,23) en [appellant] in de proceskosten veroordeeld, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
Procesverloop
3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van 9 november 2023. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Amvest, met veroordeling van Amvest in de proceskosten.
3.3.2. Amvest heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
Over de twee grieven: heeft Amvest de huurovereenkomst gesloten met [appellant] als wederpartij?
3.4.1. Het hof zal de twee grieven die [appellant] heeft aangevoerd, gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellant] naar de kern genomen dat bij het sluiten van de huurovereenkomst misbruik is gemaakt van zijn identiteit en dat hij niet als huurder van de woning kan worden aangemerkt.
3.4.2. Bij de beantwoording van de vraag of Amvest [appellant] als haar wederpartij bij de huurovereenkomst mag aanmerken, is de gang van zaken rondom het door Amvest ter huur verstrekken van de woning van belang. Vast staat dat er daarbij contact is geweest tussen [appellant] en Amvest, althans tussen [appellant] en de beheerder van Amvest. De kantonrechter heeft immers in rov. 4.1 en 4.2 van het vonnis, op basis van verklaringen van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling, vastgesteld dat [appellant] bij de aanvang van de huur de sleutel van het gehuurde heeft opgehaald bij (de beheerder van) Amvest. [appellant] heeft dat in de memorie van grieven niet betwist. [appellant] heeft ook niet gesteld dat hij bij deze gelegenheid aan (de beheerder van) Amvest heeft duidelijk gemaakt dat hij niet als huurder was aan te merken en dat hij de sleutel heeft opgehaald namens iemand anders.
3.4.3. Verder heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken dat hij (digitaal) contact heeft gehad met (de beheerder van) Amvest bij gelegenheid van de digitale ondertekening van de huurovereenkomst via het e-mailadres [e-mailadres A] .
[appellant] heeft weliswaar ontkend dat dit e-mailadres van hem is en beweert dat hij een ander e-mailadres heeft ( [e-mailadres B] ), maar [appellant] heeft die ontkenning op geen enkele wijze onderbouwd. Niet alleen staaft [appellant] geenszins dat beweerde andere e-mailadres, maar zelfs bij juistheid van die bewering zegt dat andere e-mailadres niets, althans onvoldoende, over het gebruik van e-mailadres [e-mailadres A] .
3.4.4. Daar komt nog het volgende bij. Amvest heeft er al in het geding bij de kantonrechter op gewezen dat de envelop met het deurwaardersexploot van 21 mei 2021, waarbij de brief van 20 mei 2021 inhoudende een beroep op buitengerechtelijke ontbinding aan [appellant] werd betekend, na de sluiting van de woning ongeopend in de woning is aangetroffen. Amvest heeft er voorts op gewezen dat haar advocaat de brief van 20 mei 2021 ook per e-mail aan [appellant] , althans aan het e-mailadres [e-mailadres A] , heeft verzonden, en dat de advocaat van [appellant] vervolgens bij brief van 23 juni 2021 op de brief van 20 mei 2021 heeft gereageerd, zodat het waarschijnlijk is dat [appellant] van het aan het e-mailadres [e-mailadres A] gezonden exemplaar van de brief kennis heeft genomen. [appellant] heeft dat betoog in het geheel niet betwist. Hij heeft ook om die reden onvoldoende bestreden dat hij toegang had tot het e-mailadres [e-mailadres A] . Het hof tekent hier ook bij aan dat [appellant] niet heeft bestreden dat de afspraak voor het ophalen van de sleutel via dat e-mailadres is gemaakt. Ook om die reden moet worden aangenomen dat [appellant] toegang had tot de berichten die naar dat e-mailadres werden verzonden.
3.4.5. [appellant] heeft ook onvoldoende betwist dat hij onder meer een kopie van zijn identiteitsbewijs ter beschikking heeft gesteld aan (de beheerder van) Amvest. De stelling van [appellant] dat dit identiteitsbewijs vals is, is onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft immers niet een kopie van het volgens hem echte identiteitsbewijs overgelegd. De stelling van [appellant] dat het identiteitsbewijs hem “ontfutseld” is, is eveneens onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft niet toegelicht hoe dit dan heeft kunnen gebeuren en heeft ook geen aangifte gedaan van diefstal of vermissing van zijn identiteitsbewijs. Ook in zoverre – de verstrekking van het identiteitsbewijs – is er dus contact geweest tussen [appellant] en (de beheerder van) Amvest.
3.4.6. Bij het voorgaande is ook van belang dat [appellant] (volgens rov. 4.1 van het vonnis) tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft verklaard:
dat aan hem door iemand van wie hij de naam niet kent, is gevraagd om de sleutel van het gehuurde in ontvangst te nemen;
dat hem tevens is gevraagd tegen betaling van € 500,-- euro per maand op het gehuurde te letten;
dat hij wist dat er een hennepkwekerij werd gebouwd in het gehuurde;
dat hij in het gehuurde is geweest.
[appellant] heeft in de memorie van grieven niet betwist dat hij de voorgaande verklaringen heeft afgelegd bij de kantonrechter. Voor zover die verklaringen al juist zijn, en [appellant] niet zelf de hennepkwekerij in het gehuurde heeft geïnstalleerd, kan hij dus niet worden aangemerkt als slachtoffer van identiteitsfraude, maar was hij op de hoogte van het feit dat er zaken speelden die niet in de haak waren, en heeft hij zich desondanks jegens Amvest als huurder van de woning gepresenteerd en op die wijze meegewerkt aan de ontoelaatbare activiteiten.
3.4.7. Dat [appellant] zich – kennelijk welbewust – jegens Amvest als huurder presenteerde, volgt ook uit de andere feiten. Het hof noemt de volgende feiten.
De huur is betaald van twee bankrekeningen op naam van [appellant] . [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat dit zijn bankrekeningen waren. Hij heeft niet gesteld over welke andere bankrekening hij dan zelf beschikte.
Er is een werkgeversverklaring van de werkgever van [appellant] verstrekt aan (de beheerder van) Amvest. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij over een bijstandsuitkering beschikte, maar de kantonrechter heeft geoordeeld dat die stelling niet onderbouwd is zodat daaraan voorbij moet worden gegaan. [appellant] heeft vervolgens in hoger beroep wel een toekenning van een bijstandsuitkering overgelegd, maar die heeft als ingangsdatum 17 juli 2021. Dat zegt niets over de datum van ingang van de huur, zijnde 1 februari 2020. Het hof concludeert dat [appellant] onvoldoende heeft betwist dat hij op die datum bij [bedrijf A] , de verstrekker van de werkgeversverklaring, werkzaam was.
Verder valt nog te wijzen op de verhuurdersverklaring van de toenmalige verhuurder van [appellant] . [appellant] heeft niet betwist dat hij destijds op het betreffende adres woonde en dat die verhuurdersverklaring op hem betrekking heeft. Ook die verhuurdersverklaring is aan (de beheerder van) Amvest verstrekt. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat dit door hem althans in elk geval met zijn instemming is gedaan.
3.4.8. In elk geval heeft [appellant] onvoldoende betwist dat de verstrekking van al de betreffende gegevens aan (de beheerder van) Amvest heeft plaatsgevonden met zijn medewerking en instemming. [appellant] zou immers – zo stelt hij zelf – € 500,-- per maand ontvangen om vervolgens op de woning met hennepkwekerij te letten.
3.4.9. De vraag of partijen, die voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst contact met elkaar hebben gehad, elkaar als partij bij die overeenkomst mogen aanmerken, is afhankelijk van hetgeen die partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.
Conclusie
3.5.1. Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen.
3.5.2. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van Amvest vaststellen op:
Griffierechten € 2.175,--
Salaris advocaat € 1.571,-- (1 punt x tarief III)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 3.924,--
3.5.3. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld onder “4. De uitspraak”.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10085910 \ CV EXPL 22-4066 tussen partijen gewezen vonnis van 9 november 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 3.924,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart de bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april 2025.
griffier rolraadsheer