Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:905
Civiel recht
Hoger beroep
11,891 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.106/01
arrest van 1 april 2025
in de zaak van
[appellante 1] , pro se alsmede in haar hoedanigheid van erfgenaam en medevereffenaar in de nalatenschap van [erflater],wonende te [woonplaats] ,
[appellante 2] , pro se alsmede in haar hoedanigheid van erfgenaam en medevereffenaar in de nalatenschap van [erflater],wonende te [woonplaats] (Zwitserland),
[appellante 3] , pro se alsmede in haar hoedanigheid van erfgenaam en medevereffenaar in de nalatenschap van [erflater],wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen [appellanten] ,
advocaat: mr. G.S. Ebbeng-Horstman te Nijmegen,
tegen
[geïntimeerde 1] , pro se alsmede in zijn hoedanigheid van erfgenaam en medevereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] , pro se alsmede in zijn hoedanigheid van erfgenaam en medevereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna te noemen [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. J.Th.M. Diks te Eindhoven
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 18 oktober 2022, 4 juli 2023 (in het incident ex artikel 843a Rv) en 1 oktober 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer C/01/328050 / HA ZA 17-784 gewezen vonnissen van 18 april 2018, 22 mei 2019, 15 april 2020 en 13 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 1 oktober 2024 (hierna: het tussenarrest) en de daarin genoemde stukken;
de memorie na tussenarrest aan de zijde van [geïntimeerden] , met producties 59 en 60;
de akte na tussenarrest aan de zijde van [appellanten] , met productie 9;
de antwoordmemorie na tussenarrest aan de zijde van [appellanten] ;
de antwoordakte na tussenarrest aan de zijde van [geïntimeerden] , met productie 61.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9De verdere beoordeling
De opdrachten van het hof in het vorige arrest
9.1.1. Het hof heeft in het tussenarrest ten aanzien van de stellingen van [appellanten] met betrekking tot de dubieuze overboekingen en opnames door [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] en de verplichting voor [geïntimeerde 2] om rekening en verantwoording af te leggen onder meer als volgt geoordeeld:
6.6.4. Er is tijdens het leven van erflaatster geen sprake geweest van een algehele financiële volmacht aan [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] . In het dossier bevinden zich naar het oordeel van het hof wel voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [geïntimeerde 2] erflaatster in ieder geval sedert ongeveer eind 2006 is gaan ondersteunen bij het doen van betalingen. Het hof wijst ten eerste op de brief van 26 december 2006 die [geïntimeerde 2] namens erflaatster aan de ABN AMRO Bank heeft gestuurd met het verzoek een aantal betalingen te doen, waaruit ook blijkt dat [geïntimeerde 2] al eerder overboekingen heeft laten uitvoeren, en op het feit dat hij sedert 29 maart 2007 als (internet)gemachtigde voor de ING-rekening van erflaatster staat geregistreerd. Op 28 april 2010 en op 2 mei 2010 heeft [geïntimeerde 2] – volgens hem op verzoek van erflaatster – voorts een tweetal grote bedragen (ad respectievelijk € 2.000,- en € 98.000,-) overgemaakt van de ABN AMRO bankrekening van erflaatster naar zijn bankrekening. Uit het rapport van [persoon D] blijkt dat [geïntimeerde 2] in het medische dossier bij de zorginstelling staat vermeld als eerste contactpersoon en financieel gemachtigde. Dit betreft geen kwalificatie van [geïntimeerde 2] als “financieel gemachtigde” door [persoon D] , zoals [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] menen, maar een weergave van een aantekening uit het medische dossier die op zichzelf door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] niet is weersproken. Hieruit blijkt genoegzaam dat [geïntimeerde 2] – en als enige – bemoeienissen heeft gehad met de vermogensrechtelijke zaken van erflaatster. Het gaat om een klaarblijkelijk langdurige ondersteuning in een familiaire relatie, terwijl gesteld noch gebleken is dat daarvoor een tegenprestatie is ontvangen.
6.6.5. Mede gelet daarop en op het ontbreken van wederkerigheid, vertoont de rechtsverhouding onvoldoende verwantschap met de in de wet geregelde gevallen van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW) en opdracht (artikel 7:400 BW). Onvoldoende staat vast dat erflaatster in de periode waarin [geïntimeerde 2] haar hielp met haar financiën, tot aan de gesloten opname eind 2008, de betalingen die [geïntimeerde 2] voor haar deed niet kon overzien of anderszins niet voor haar belangen kon opkomen. Ook is niet gebleken dat zij op enig moment heeft geprotesteerd tegen een of meer betalingen door [geïntimeerde 2] . Erflaatster was een vermogende vrouw en had een daarbij passend bestedingspatroon. Het stond haar vrij om haar vermogen naar eigen inzicht te besteden. De familierechtelijke relatie tussen erflaatster en [geïntimeerde 2] bracht kennelijk mee dat er tussen hen in vertrouwen werd gehandeld. Het feit dat [persoon D] het op basis van een beoordeling van de schriftelijke medische informatie achteraf moeilijk voorstelbaar acht dat erflaatster vanaf 2001 of 2004 (en dus ook vanaf 2006) nog in staat was haar financiële belangen te behartigen, is in het licht van de overige feiten en hetgeen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] daartegen als verweer hebben aangevoerd niet toereikend voor een ander oordeel. Het hof betrekt bij dat oordeel dat er in die periode door niemand, ook niet door [appellanten] , een beschermingsmaatregel is ingesteld, zoals een bewind of desnoods een levenstestament. Aangenomen wordt daarom dat erflaatster tot haar opname in De Vlinder zelf het beheer over haar vermogen voerde, waarbij [geïntimeerde 2] haar behulpzaam was. Onder deze omstandigheden bestaat er voor [geïntimeerde 2] geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording. Dat in die periode sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen door [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] is onvoldoende geconcretiseerd en toegelicht.
6.6.6. Dat alles ligt naar het oordeel van het hof echter anders voor de periode na de gesloten opname. Ook als sprake zou zijn geweest van een vrijwillige opname, zoals [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] betogen, dan nog staat vast dat erflaatster vanwege haar ziektebeeld (Alzheimer/dementie) verbleef op een gesloten psychogeriatrische afdeling die zij niet zonder begeleiding mocht verlaten. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] stellen wel dat zij is verhuisd naar een verzorgingstehuis en niet naar een verpleegtehuis, waar ze gewoon over contant geld mocht beschikken, maar zij weerspreken niet dat en om welke reden erflaatster op een gesloten afdeling is opgenomen. In ieder geval vanaf dat moment is zij (meer) van anderen afhankelijk geworden. Dat zij het daarvoor gehanteerde bestedingspatroon na die opname ongewijzigd zou voortzetten, ligt vanwege haar medische situatie en haar 24-uursverblijf in een instelling niet meteen voor de hand. Het bestedingspatroon van erflaatster in deze periode roept daarom vraagtekens op. Zelfs als zij nog de beschikking zou hebben gehad over haar bankpas, dan nog kon zij bijvoorbeeld de (wekelijkse) contante geldopnames en boodschappen niet zelfstandig doen.
Dictum
9.3.15. [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde 2] het terug te betalen bedrag bewust jarenlang heeft verzwegen, de kwestie jarenlang heeft getraineerd en geen openheid van zaken heeft geven. [geïntimeerde 1] was volgens hen van de onrechtmatige onttrekkingen op de hoogte. Zij voeren aan dat [geïntimeerden] om die reden hun aandeel in deze onrechtmatige betalingen verbeuren op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW. [geïntimeerde 2] heeft immers het oogmerk gehad om rechten van de deelgenoten te verkorten, zo stellen zij.
Het hof houdt deze beslissing aan in afwachting van de te houden mondelinge behandeling.
De notariskosten (grief 4)
9.4.1. [appellanten] hebben aangegeven zich te kunnen verenigen met de kosten die [de notaris] in het kader van het opstellen van de verklaring van executele in rekening heeft gebracht, te weten een bedrag van € 795,00. Zij maken hiertegen verder geen bezwaar meer. Dit punt behoeft derhalve geen nadere bespreking.
9.4.2. In het tussenarrest had het hof het andere deel van deze grief al verworpen (rov. 6.8.3 en 6.8.4). De grief slaagt niet.
Verdeling van het erfdeel van [erflater] (grief 9)
9.5.1. Dat de vereffening nog moet plaats vinden alvorens tot een verdeling kan worden overgegaan, is volgens [appellanten] een ‘gezocht’ argument. Zij hebben aangevoerd dat van de aanwezigheid van andere schuldeisers in de nalatenschap van [erflater] niet is gebleken. Ook als in rechte vast zou komen te staan dat [geïntimeerde 2] een vordering vanwege (vereffenings)kosten op de nalatenschap toekomt, kan desondanks overgegaan worden tot verdeling van het erfdeel uit de nalatenschap van moeder dat aan [erflater] toekomt. Het saldo op de bankrekening van [erflater] is immers ruimschoots voldoende om daarnaast nog een vermeende vordering van [geïntimeerde 2] met betrekking tot (vereffenings)kosten te voldoen. Voor de verdeling van het restant van zijn nalatenschap is intussen een dagvaarding uitgebracht. Daaruit blijkt dat het saldo op de bankrekening van Bennie nog zo’n € 73.000 bedraagt. Daarvan is in die procedure verdeling verzocht.
[geïntimeerden] menen dat de gevorderde partiële verdeling van het erfdeel van [erflater] prematuur is.
9.5.2. Het standpunt van [appellanten] komt er op neer dat in deze kwestie weliswaar formeel (nog) sprake is van vereffening, maar dat hier zich eenzelfde situatie voordoet als aan de orde in HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939 en dat er dus wel kan worden verdeeld. Het hof volgt hen daarin.
9.5.3. Artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een nalatenschap moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen. Volgens artikel 4:195 lid 1 BW zijn alle erfgenamen vereffenaar als een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard. Is een nalatenschap door een van de erfgenamen beneficiair aanvaard, dan rust dus op alle erfgenamen van die nalatenschap de verplichting tot vereffening en zijn zij allen vereffenaar.
9.5.4. De vereffenaar heeft tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen. De verplichting tot vereffening van de nalatenschap in geval van beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen, strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap (MvA I, Parl. Gesch. Boek 4, p. 945). Daarbij is van belang dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen in geval van beneficiaire aanvaarding in beginsel slechts op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen (artikel 4:184 lid 1 BW), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verhaal op het vermogen van een erfgenaam mogelijk is (bijv. artikel 4:184 leden 2 en 3 BW, en artikel 4:220 lid 2 BW).
9.5.5. Uitgangspunt is dat de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren te voltooien alvorens de nalatenschap te verdelen (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 979), teneinde te waarborgen dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan.
9.5.6. In het licht van het voorgaande rust op de erfgenaam die verdeling vordert van een nalatenschap die door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, in beginsel de plicht om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. De rechter kan een partij die niet voldoet aan die stelplicht bevelen haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid (artikel 22 Rv). Is de vereffening naar het oordeel van de rechter niet voltooid of is over de voltooiing onvoldoende uitsluitsel verkregen, dan dient de rechter in overleg met partijen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij kan worden gedacht aan het aanhouden van de zaak totdat alsnog vereffening heeft plaatsgevonden, aan een verdeling onder voorwaarden die de positie van schuldeisers waarborgt, of aan een gedeeltelijke verdeling die de rechten van schuldeisers van de nalatenschap onverlet laat. Voor zover deelgenoten in de nalatenschap schuldeisers van de nalatenschap zijn, bestaat eventueel de mogelijkheid dat hun aanspraken worden betrokken in de verdeling.
9.5.7. Het hof overweegt dat hier slechts de verdeling van een deel van de nalatenschap van [erflater] voorligt. [appellante 1] heeft intussen bij de rechtbank Midden-Nederland verdeling van de nalatenschap van [erflater] gevorderd. De vraag ligt voor of het hof, vooruitlopend op een uitspraak in die procedure, alvast kan overgaan tot verdeling van het erfdeel van [erflater] uit de nalatenschap van erflaatster. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.
9.5.8. Vast staat dat er geen boedelbeschrijving van de gehele nalatenschap is opgemaakt. Uit de stellingen van partijen blijkt echter dat er op dit moment slechts sprake is van één schuld, te weten de vordering van [geïntimeerde 2] van € 1.000,00 op de nalatenschap van [erflater] . [geïntimeerde 2] , die curator was, heeft niet gewezen op het bestaan van andere concrete schulden, zodat aannemelijk is dat die er niet zijn. Die schuld is blijkens de door partijen overgelegde processtukken onderwerp van discussie in de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland. Uit de stukken blijkt ook dat, naast het erfdeel van [erflater] uit de nalatenschap van erflaatster, nog banksaldi van in totaal ruim € 73.000,00 te verdelen zijn. Daarnaast speelt tussen partijen een discussie over het al dan niet kwijting en decharge verlenen aan [geïntimeerde 2] in zijn hoedanigheid als curator over het vermogen van [erflater] . Het hof begrijpt dat [geïntimeerde 2] daar uitsluitsel over wenst, maar dat is geen rechtens relevant argument dat in de weg kan staan aan de gevorderde partiële verdeling. De vraag die het hof immers moet beantwoorden is of mogelijke schuldeisers door een partiële verdeling benadeeld kunnen worden. Dat partijen mogelijk geconfronteerd worden met een nieuwe procedure en bijkomende kosten, is in dat verband niet relevant. [geïntimeerden] hebben er tot slot op gewezen dat het vanwege het onderlinge wantrouwen zo zou kunnen zijn dat een der partijen de rechtbank op de voet van artikel 4:203 lid 1 BW verzoekt een professionele vereffenaar te benoemen, hetgeen tot bijkomende schulden van de nalatenschap zal leiden. Op dit moment is dat echter nog niet het geval.
Inleiding
Gegeven het – niet weersproken – verslechterende ziektebeeld en de cognitieve beperkingen, kan het hof de conclusie van [persoon D] volgen dat erflaatster in ieder geval in die periode niet meer in staat moet worden geacht haar financiële zaken goed te overzien en om verantwoording te vragen aan degene die haar belangen behartigde. Voor de aanvang van de termijn wordt aangesloten bij het moment van opname van erflaatster op de gesloten afdeling, omdat dit nu eenmaal het meest objectieve aanknopingspunt is. Nu [geïntimeerde 2] de enige is geweest die bemoeienis heeft gehad met de financiële bankzaken van erflaatster, heeft hij naar het oordeel van het hof iets uit leggen. Het hof betrekt bij dat oordeel dat hij niet (meteen) open is geweest over de overboeking van € 98.000,- naar zijn bankrekening.
(…)
6.6.8. De wijze waarop door [geïntimeerde 2] rekening en verantwoording dient te worden afgelegd is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de aard van de relatie tussen beide partijen. In dit geval is sprake van een nauwe familierelatie, waarin [geïntimeerde 2] geldzaken regelde voor erflaatster. Het ligt voor de hand dat in een dergelijke relatie geen kwitanties worden verstrekt, geen bonnetjes worden afgetekend en niet steeds tot op de cent nauwkeurig wordt afgerekend. In zo’n geval kunnen aan de door [geïntimeerde 2] af te leggen rekening en verantwoording dan ook geen al te hoge eisen worden gesteld (vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5562).
Het hof heeft [geïntimeerde 2] in de gelegenheid gesteld om bij memorie na tussenarrest een toelichting te geven op de bestedingen en contante geldopnames vanaf de bankrekeningen van erflaatster in de periode van december 2008 tot aan het overlijden van erflaatster op 10 januari 2011. [appellanten] hebben daarop bij antwoordmemorie mogen reageren.
9.1.2. Verder heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld om bij akte na tussenarrest te reageren op de standpunten van [geïntimeerden] ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap van [erflater] (rov. 6.11.3 van het tussenarrest) en eventueel op de factuur van [de notaris] (rov. 6.8.3 van het tussenarrest). [geïntimeerden] hebben daarna een antwoordakte kunnen nemen.
Het verzoek om terug te komen op het tussenarrest en de uitbreiding van het debat
9.2.1. [appellanten] verzoeken het hof om terug te komen op de beslissing ten aanzien van de periode waarover rekening en verantwoording moet worden afgelegd.
9.2.2. De beslissing van het hof moet worden aangemerkt als een bindende eindbeslissing. Slechts indien een in een tussenuitspraak gegeven bindende eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is de rechter, gelet op de eisen van een goede procesorde, bevoegd om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag uitspraak zou doen. Hetgeen [appellanten] in dit verband hebben aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding de eindbeslissing ten aanzien van de periode waarover [geïntimeerde 2] verantwoording dient af te leggen, te heroverwegen. Het op het rapport van [persoon D] berustende standpunt dat erflaatster al veel langer dan sinds 1 december 2008 niet wilsbekwaam was, was al bekend en is door het hof verworpen. Ook het argument dat [geïntimeerde 2] in zijn memorie na tussenarrest heeft gesteld dat het bestedingspatroon van erflaatster gedurende de gehele periode ongewijzigd is gebleven leidt niet tot een heroverweging, omdat daaraan niet de door [appellanten] bepleite conclusie kan worden verbonden dat [geïntimeerde 2] al die tijd dezelfde meer indringende bemoeienissen met de financiën van erflaatster heeft gehad dan waar het hof vanuit is gegaan. Het hof herhaalt en blijft bij het oordeel dat er voor [geïntimeerde 2] geen verplichting is tot het doen van rekening en verantwoording over de periode voorafgaand aan december 2008.
Rekening en verantwoording (grieven 2 en 3)
9.3.1. [geïntimeerde 2] heeft eerst een algemene toelichting gegeven op het leven van erflaatster na de opname in De Vlinder. Erflaatster kreeg daar de zorg waarvan zij inzag dat zij die steeds meer nodig had, maar haar leven ging in De Vlinder op dezelfde voet door als daarvoor. Het ging weliswaar om een ‘gesloten afdeling’, maar dat betekende niet dat erflaatster niet meer van die afdeling afkwam. Dat bleef met de begeleiding die zij daarvoor ook al had – met name met haar [mantelzorgster] , die ook beschikte over de code om van de afdeling te gaan – heel goed mogelijk en dat gebeurde ook iedere dag, en wel op dezelfde wijze als toen zij nog in haar penthouse woonde. Erflaatster ging iedere dag op stap met [mantelzorgster] , die haar rondreed, met wie ze winkelde, koffietentjes bezocht, lunchte en uit eten ging. Met [mantelzorgster] deed ze boodschappen, kocht ze kleding, ging ze naar de kapper en de pedicure, bezocht ze terrasjes en ging ze op bezoek bij vrienden en kennissen voor wie ze dan graag een cadeautje of een bosje bloemen kocht. Erflaatster was erg blij met de betrokkenheid van [mantelzorgster] en vond het fijn om haar daarvoor te belonen en om steeds te betalen voor alles wat zij samen deden, ook in haar laatste twee jaar. Waar er (ook) in die periode gepind werd, zal erflaatster dat samen met [mantelzorgster] als haar begeleidster hebben gedaan. In ieder geval heeft [geïntimeerde 2] dat niet gedaan.
Ook uit de verklaringen van [mantelzorgster] (productie 53) en van [geïntimeerde 1] (productie 59) volgt dat in de periode van het verblijf in De Vlinder niets veranderd was in de wijze waarop erflaatster zich liet ondersteunen in haar dagelijkse leven en bij haar eigen bestedingen. Erflaatster was, ook na haar opname in De Vlinder, gul en vrijgevig en gaf haar geld gemakkelijk en graag uit, overeenkomstig het bestedingspatroon dat zij altijd gehad heeft. [geïntimeerde 2] weet ook, zoals ook [geïntimeerde 1] verklaart, dat erflaatster ook in De Vlinder steeds over contant geld beschikte en veelal daar haar uitgaven mee deed, al weet hij niet welke uitgaven dat precies waren omdat [geïntimeerde 2] er niet bij was als ze ging winkelen, op stap ging, of boodschappen deed samen met [mantelzorgster] .
De leefwijze van erflaatster is feitelijk pas echt veranderd toen ze op 4 november 2010 werd opgenomen in het ziekenhuis met een longontsteking en benauwdheid. Daarna is ze op 9 november 2010 verhuisd naar verpleeghuis Peppelrode, waar ze nog twee maanden gewoond heeft tot ze op 10 januari 2011 overleed, aldus nog steeds [geïntimeerde 2] .
9.3.2. [geïntimeerde 2] heeft vervolgens een toelichting gegeven op de bij- en afschrijvingen van de bankrekeningen van erflaatster.
De ING-rekening:
[geïntimeerde 2] heeft alle afschrijvingen gerubriceerd en codes aan de respectieve rubrieken toegekend en onder randnummer 17 van de memorie na tussenarrest toegelicht.
Dictum
Bovendien resteert na verdeling van het onderhavige erfdeel nogal altijd een bedrag dat ruimschoots voldoende is om eventuele kosten te dekken.
9.5.9. De grief slaagt. Het erfdeel van [erflater] zal tussen partijen gelijkelijk worden verdeeld.
De omvang van de nalatenschap en de verdeling (grief 6)
9.6.1. [appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank de omvang van de nalatenschap en de berekening van de erfdelen onjuist heeft becijferd.
[geïntimeerden] hebben aangegeven dat de rechtbank inderdaad een vergissing heeft gemaakt, maar dat partijen bij de uitvoering van het vonnis het saldo op de juiste wijze hebben verdeeld. Indien er desalniettemin een belang bij is dat door het hof een correctie gemaakt zal worden op de door de rechtbank weergeven berekening, dan kunnen [geïntimeerden] zich erin vinden dat daarbij uitgegaan wordt van de verdeling zoals uitgevoerd en weergegeven in het schema op de tweede pagina van productie 8 bij memorie van grieven.
9.6.2. De grief slaagt. Nu partijen het daarover eens zijn, zal het hof verder uitgaan van voormeld schema, zoals hierna weergegeven, en bepalen dat de nalatenschap van erflaatster dienovereenkomst zal worden verdeeld.
Erfgenaam
Vonnis
Correctie vonnis
Executeursloon
Restant rekening (ING)
Betaald
[geïntimeerde 1]
€ 31.464,29
- € 9.463,52
€ 24.602,60
€ 3.879,81
€ 50.483,18
[geïntimeerde 2]
€ 24.411,08
€ 3.879,81
€ 28.290,89
[erflater]
€ 31.709,38
€ 3.879,81
€ 35.589,19
[appellante 1]
€ 32.511,43
€ 3.879,81
€ 36.391,24
[appellante 2]
€ 32.511,43
€ 3.879,81
€ 36.391,24
[appellante 3]
€ 32.511,43
€ 3.879,81
€ 36.391,24
€ 185.119,04
€ 223.536,98
Al hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld leidt vooralsnog tot de navolgende aanvullingen op die verdeling.
9.6.3. De nalatenschap heeft een vordering op [geïntimeerde 2] van € 12.234,95, te vermeerderen met rente (rov. 9.3.14). Die vordering zal aan hem worden toebedeeld, onder de verplichting om wegens overbedeling aan [geïntimeerde 1] , [appellanten] ieder 1/5e deel van dat bedrag te voldoen. Gelet op rov. 9.5.9 zal het erfdeel van [erflater] meteen worden verdeeld.
9.6.4. De nalatenschap heeft een vordering op [geïntimeerde 1] van € 3.900,00 (rov. 6.9.5 van het tussenarrest). Die vordering zal aan hem worden toebedeeld, onder de verplichting om wegens overbedeling aan [geïntimeerde 2] , [appellanten] ieder 1/5e deel van dat bedrag te voldoen. Gelet op rov. 9.5.9 zal het erfdeel van [erflater] meteen worden verdeeld.
9.6.5. Het erfdeel van [erflater] ad € 35.589,19 zal gelijkelijk (ieder 1/5e deel) tussen [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] , [appellanten] worden verdeeld.
9.6.6. Het hof zal in het eindarrest de omvang van de nalatenschap vaststellen (vordering I) zoals hiervoor is weergegeven, met de na de mondelinge behandeling eventueel nog aan te vullen onderdelen, en de vordering tot het vaststellen van de wijze van verdelen (vordering III) van [appellanten] dienovereenkomstig in het te wijzen eindarrest toewijzen.
De proceskosten (grief 7)
9.7.1. [appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank hen ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van een deel van de proceskosten. Het feit dat er in eerste instantie niet gezamenlijk is geprocedeerd, heeft te maken met de eigen afweging die zij ieder voor zich hebben gemaakt en dat staat hen vrij. Zij hebben zich bovendien genoodzaakt gezien de nodige incidentele vorderingen en afzonderlijke procedures aanhangig te maken, omdat zij in alle opzichten werden tegengewerkt door [geïntimeerden] .
9.7.2. Ingevolge artikel 237 Rv wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten veroordeeld. De rechter mag de kosten ook geheel of gedeeltelijk compenseren tussen broers en zussen of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, maar dat hoeft niet. Het hof kan de rechtbank volgen in de motivering van het oordeel dat in dit geval een deel van de kosten tussen partijen is gecompenseerd in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen, en een deel ten laste van [appellanten] is gebracht. De grief slaagt niet.
Resumé
9.8.1. Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen om de zaak met partijen te bespreken, voordat het hof de zaak verder gaat beoordelen. Tijdens de mondelinge behandeling zal ook aan de orde komen of een oplossing (schikking) kan worden bereikt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zal [geïntimeerde 2] bij akte een nadere verantwoording in het geding kunnen brengen zoals hiervoor is overwogen in rov. 9.3.6.3 en rov. 9.3.10.4. Deze akte zal tijdens de te houden mondelinge behandeling kunnen worden genomen, maar [geïntimeerde 2] zal deze minstens 4 weken van tevoren aan het hof en aan [appellanten] dienen te overleggen, zodat zij voldoende tijd hebben om daar tijdens de zitting op te kunnen reageren.
9.8.2. De geplande duur van de zitting is circa twee uur maar er dient rekening gehouden te worden met een uitloop. De advocaten mogen aan het begin van de zitting de standpunten ten aanzien van de nog openstaande onderdelen van geschil toelichten gedurende maximaal tien minuten, eventueel aan de hand van spreeknotities.
Inleiding
De overschrijvingen naar zijn eigen bankrekening (vijf in de betreffende periode) heeft hij afzonderlijk toegelicht: het betreft twee keer (€ 500,00 en € 407,50) het terugboeken van kosten van een door [geïntimeerde 2] voorgeschoten etentje met familie, een betaling van € 9.000,00 uit het persoonsgebonden budget van erflaatster vanwege de door de ex-echtgenote van [geïntimeerde 2] geleverde mantelzorg, een retourbetaling van € 1.500,00 aan [geïntimeerde 2] van door hem voorgeschoten salaris van [mantelzorgster] en een retourbetaling van € 934,95 aan [geïntimeerde 2] van door hem voorgeschoten kosten van de autoverzekering via ZLM Verzekeringen van erflaatster.
Ten aanzien van de contante bankopnames heeft [geïntimeerde 2] het volgende gesteld:
1) hij heeft de bankpas niet gebruikt om er zelf mee te pinnen en was er ook niet bij als er werd gepind, zodat hij niet precies kan aangeven waar het geld aan is besteed;
2) erflaatster beschikte altijd over contant geld en betaalde daar graag mee, reden waarom veel uitgaven – waarvan [geïntimeerde 2] een groot aantal voorbeelden noemt – niet altijd terugkomen in de bankafschriften;
3) erflaatster was tot aan haar overlijden gul en vrijgevig, niet alleen naar [erflater] toe, maar ook naar [mantelzorgster] .
De ABN AMRO-rekening:
Het gaat om een beleggingsportefeuille (die door een private banker van ABN AMRO werd beheerd) en een daaraan gekoppelde spaar- en betaalrekening (tot welke rekeningen [geïntimeerde 2] niet was gemachtigd). Met betrekking tot de spaar- en betaalrekening gaat het in de betreffende periode (afgezien van rente-/dividendbijschrijvingen, afschrijvingen van bank- en beleggingskosten en interne boekingen) slechts om twee overschrijvingen, naar de bankrekening van [geïntimeerde 2] .
Ten eerste betreft het de overboeking van € 98.000,00 door erflaatster naar de bankrekening van [geïntimeerde 2] op 2 mei 2010, vanwege haar wens het erfdeel van [erflater] uit de nalatenschap van vader nog tijdens haar leven veilig te stellen. Deze overboeking is intussen geheel verrekend.
Ten tweede gaat het om een overboeking van € 2.000,00 naar de bankrekening van [geïntimeerde 2] op 28 april 2010: die heeft betrekking op de kosten die gepaard gegaan zijn met de verhuizing van erflaatster naar De Vlinder. [geïntimeerde 2] heeft de kosten voorgeschoten en heeft hier 16 jaar later geen bonnetjes meer van.
9.3.3. [appellanten] wijzen er op dat erflaatster gelet op de zorgindicatie tijdens haar verblijf in De Vlinder niet in staat was haar vermogen naar eigen inzicht te besteden. Volgens [geïntimeerde 2] zou erflaatster iedere dag “op stap gaan” met [mantelzorgster] , maar dit wordt geenszins door [geïntimeerde 2] onderbouwd, volgt ook niet uit de verklaring van [mantelzorgster] en was gezien de medische toestand van moeder bovendien onmogelijk. Het is ook onwaarschijnlijk dat [mantelzorgster] als mantelzorgster volle dagen bezig was met verzorging en vermaak van erflaatster, nu erflaatster volledig werd verzorgd door het personeel van De Vlinder. Uit de verklaring van [mantelzorgster] volgt helemaal niet dat zij nog intensief zorg verleende aan moeder en bijvoorbeeld met haar samen pinde. De verklaring van [geïntimeerde 1] is niet geloofwaardig, nu hij op goede voet met [geïntimeerde 2] verkeert. [appellanten] betwisten het door [geïntimeerde 2] geschetste bestedingspatroon en de kwalificatie van erflaatster als “gul en vrijgevig”. Het is ongeloofwaardig dat hij niets weet van de contante pinopnames op de [adres] waar ook zijn praktijk is gevestigd (in plaats van bij de dichtstbijzijnde pinautomaat). De bewoners van De Vlinder mochten geen contant geld hebben en alles liep via de betaalrekening van erflaatster met [geïntimeerde 2] als contactpersoon.
9.3.4. [appellanten] stellen vast dat [geïntimeerde 2] de gedane uitgaven niet voldoende toelicht en onderbouwt. De vermeende verantwoording door [geïntimeerde 2] wordt door hen betwist en [geïntimeerde 2] draagt onvoldoende bewijs aan ter onderbouwing ervan, waardoor deze opnames en overboekingen als onrechtmatig moeten worden beschouwd. Op de argumenten die zij per bankrekening in het bijzonder aanvoeren, zal het hof hierna bij de beoordeling verder ingaan.
9.3.5. Het hof overweegt als volgt.
[geïntimeerde 2] heeft de afschrijvingen toegelicht. Op enkele onderdelen achten [appellanten] die toelichting onvoldoende. Deze onderdelen worden hierna achtereenvolgens besproken. Daarbij geldt dat het aan [geïntimeerde 2] is om een deugdelijke rekening en verantwoording te geven die aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet (vgl. rov. 6.6.8 van het tussenarrest) en dat het aan [appellanten] is om die gemotiveerd te betwisten, zouden zij de verantwoording niet genoegzaam achten.
De ING- rekening:
Ad rubriek 1: betalingen aan [mantelzorgster]
9.3.6.1. [appellanten] wijzen erop dat [mantelzorgster] al geruime tijd voor het herseninfarct van erflaatster de huishoudelijke hulp was van [geïntimeerde 2] . Nu erflaatster op een gesloten afdeling compleet is verzorgd is het volgens hen onbegrijpelijk dat [mantelzorgster] nog loon zou ontvangen voor een enkel dagdeel dat zij met moeder op stap zou zijn gegaan: het betreft incidentele uitstapjes. Diverse overschrijvingen naar [mantelzorgster] hebben geen omschrijving en daarvan is het de vraag of die wel ten behoeve van moeder zijn gedaan of dat [geïntimeerde 2] de dienst van [mantelzorgster] voor zijn eigen huishouden op die wijze heeft bekostigd.
9.3.6.2. Het hof overweegt dat in de verklaring van [mantelzorgster] , neergelegd in een proces-verbaal van verhoor door de politie, onder meer het volgende is opgenomen:
“Getuige verklaart dat zij sedert een jaar hetzij twee jaren na de dood van de man van erflaatster in 2001 tot het overlijden van erflaatster in 2011 werkzaam is geweest voor erflaatster. Getuige verklaart dat zij een enorm goede relatie had met erflaatster, voor haar was erflaatster als een moeder. Getuige verklaart tevens dat zij elke dag bij erflaatster kwam. (…) Getuige verklaart daarnaast dat zij niet inzichtelijk had waar erflaatster haar geld aan uitgaf noch wie allemaal toegang had tot de bankrekeningen en bankpassen van erflaatster. Getuige verklaart dat zij daarentegen wel wist dat erflaatster in staat was om haar eigen financiën te regelen. Getuige verklaart daarnaast dat zij werd betaald van het persoonsgebonden budget.”
Die verklaring onderschrijft de toelichting door [geïntimeerde 2] zoals hiervoor in rov. 9.3.1 is weergegeven slechts ten dele. [mantelzorgster] verklaart wel dat zij tot aan het overlijden van erflaatster voor haar werkzaam is geweest en voor haar hulp werd betaald, maar met die enkele verklaring zijn de afschrijvingen vooralsnog niet voldoende verantwoord. Niet weersproken is dat [mantelzorgster] (ook) werkzaam was voor [geïntimeerde 2] . [appellanten] wijzen er terecht op dat de omschrijvingen bij de overboekingen niet alle duiden op salarisbetalingen. Daarbij komt dat de betalingen in regelmaat, bedragen en omschrijvingen variëren. Het hof wijst bij wijze van voorbeeld op de overboekingen van 24 juni 2009 ad € 500,00 met omschrijving ‘oma juni’, van 20 juli 2009 ad € 500,00 met omschrijving ‘JULI’, van 8 oktober 2009 ad € 750,00 zonder omschrijving en van 31 december 2010 ad € 1.125,11 met omschrijving ‘OMA’. Op 26 januari 2009 werd er nog een bedrag van € 620,09 afgeschreven met omschrijving ‘salaris’, zoals ook in de periode daarvoor voor veelal hetzelfde bedrag en met dezelfde omschrijving bedragen werden afgeschreven.
9.3.6.3. Het ligt voor de hand dat, als het juist is dat [mantelzorgster] ten behoeve van erflaatster uit het persoonsgebonden budget betaald werd, dat daar dan een verantwoording van aanwezig moet zijn, bestaande uit zowel loonstroken als in de administratie betreffende het persoonsgebonden budget van erflaatster.
Inleiding
Het hof heeft uit de bankafschriften ook niet kunnen herleiden dat er na de opname van erflaatster op De Vlinder nog persoonsgebonden budget aan haar is uitgekeerd dat betrekking heeft op de periode ná de opname. Dat er loonstroken zijn (geweest) blijkt bijvoorbeeld ook uit de overboeking op 19 maart 2009 waar in de omschrijving staat dat het een nabetaling betreft van het salaris van december, “zie loonstrook”. [geïntimeerde 2] zal in de gelegenheid worden gesteld een nadere onderbouwing van zijn verantwoording te geven, bij voorkeur voorzien van genoemde bewijsstukken. Het hof zal tevens een mondelinge behandeling bepalen, waarop een en ander nader besproken kan worden. Ook ten aanzien van een aantal hierna te bespreken onderdelen heeft het hof behoefte aan een nadere toelichting, die tijdens die mondelinge behandeling eveneens zal kunnen worden gegeven.
Ad rubrieken 3, 7, 20 en 38: Verzekering auto, wegenbelasting, autokosten, routemobiel
9.3.7.1. [appellanten] betogen dat het dubieus is dat alle bekeuringen, die veroorzaakt zijn door anderen (ad € 650,-), het routemobiel abonnement, wegenbelasting, verzekering en alle andere autokosten zoals benzine ten laste van erflaatster zouden moeten komen, helemaal als de auto door anderen werd gebruikt. Zij geloven niet dat [mantelzorgster] de auto mocht gebruiken. Het heeft er alle schijn van dat [geïntimeerde 2] deze auto in zijn gezin gebruikte.
9.3.7.2. Het hof heeft op dit onderdeel behoefte aan een nadere toelichting en houdt de beslissing op dit onderdeel aan tot na de hiervoor onder rov. 9.3.6.3 bedoelde zitting.
Ad rubriek 15: Boodschappen
9.3.8.1. [geïntimeerde 2] heeft aangegeven dat hij niet per boodschap kan zeggen waar dit betrekking op heeft: de boodschappen werden met of door [mantelzorgster] gedaan. In reactie daarop hebben [appellanten] erop gewezen dat boodschappen in de desbetreffende periode werden gedaan bij Gamma, Sligro, Makro, Lidl, Aldi, Prijstopper, Ikea, Hanos, Primera, Blokker, AH, Multimate, [---] Textiel, [bedrijf] (sigarenhandel), Feedback (muziek), sigaren magazijn Postiljon en [plaats] . Het gaat vaak ook om relatief grote bedragen, hetgeen gezien haar medische toestand onmogelijk was en ook niet in haar koelkastje paste. Het lijkt er eerder op dat dit boodschappen zijn geweest voor [geïntimeerde 2] en dat hij met de pas van erflaatster boodschappen voor zichzelf heeft gedaan.
9.3.8.2. Het hof heeft op dit onderdeel behoefte aan een nadere toelichting en houdt de beslissing op dit onderdeel aan tot na de hiervoor onder rov. 9.3.6.3 bedoelde zitting.
Ad rubriek 18: Kapperskosten
9.3.9.1. [geïntimeerde 2] heeft aangegeven dat erflaatster graag en vaak naar de kapper ging en dat zij dat soms giraal en soms contant betaalde. [appellanten] vinden de kosten veel te hoog en veronderstellen dat een bedrag van € 2.000,00 ten behoeve van [geïntimeerde 2] en zijn gezin is besteed.
9.3.9.2. [appellanten] erkennen dat de betreffende kapperszaak op hetzelfde adres is gevestigd als De Vlinder, zodat aannemelijk is dat erflaatster daar naar de kapper ging. Zij betwisten niet dat erflaatster graag en vaak naar de kapper ging. Dat zij de kosten hoog vinden, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet relevant. De verantwoording is toereikend.
Ad rubriek 41: Overboekingen naar [geïntimeerde 2]
9.3.10.1. Het gaat om een vijftal overboekingen, alle wegens volgens [geïntimeerde 2] door hem voorgeschoten bedragen. [appellanten] betogen dat de overschrijvingen onvoldoende zijn onderbouwd en niet van bewijsmiddelen zijn voorzien, bijvoorbeeld bankafschriften van [geïntimeerde 2] waaruit blijkt van de voorgeschoten bedragen.
9.3.10.2. Ten aanzien van de kosten van de etentjes (€ 500,00 en € 407,50) stelt het hof vast dat de toelichting door [geïntimeerde 2] past bij de omschrijving en voorts dat [geïntimeerde 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde 2] familiediners afrekende. Dat [appellanten] dat merkwaardig vinden omdat erflaatster zelf een bankpas had, is onvoldoende om daaraan te twijfelen.
9.3.10.3. Op 14 april 2009 is er een overboeking geweest van € 9.000,00 naar de bankrekening van [geïntimeerde 2] met als omschrijving “HV/PV?OBALG?OBVER 2008”. Het gaat volgens [geïntimeerde 2] om door erflaatster vóór de opname via haar persoonsgebonden budget ingekochte mantelzorg, die door de ex-echtgenote van [geïntimeerde 2] is geleverd. [appellanten] wijzen er naar het oordeel van het hof terecht op dat [geïntimeerde 2] deze overboeking naar zijn bankrekening onvoldoende heeft verantwoord. Als de betaling, zoals [geïntimeerde 2] toelicht, goedgekeurd en verantwoord zou zijn door het zorgkantoor én verantwoord zou zijn in de administratie van erflaatster, dan ligt voor de hand dat hij daarvan stukken uit de administratie had kunnen overleggen. Niet is toegelicht om welke reden hij dat niet heeft gedaan. Ook ontbreekt bewijs van de overboeking van het geld van zijn rekening naar de bankrekening van zijn ex-echtgenote, of een verklaring voor het feit dat – anders dan in een eerdere periode – niet aan haar rechtstreeks is betaald. Het hof oordeelt de verantwoording op dit onderdeel onvoldoende.
9.3.10.4. Ten aanzien van de retourbetaling van € 1.500,00 aan [geïntimeerde 2] van door hem voorgeschoten salaris van [mantelzorgster] overweegt het hof dat de beslissing op dit onderdeel wordt aangehouden tot na de mondelinge behandeling. Het hof wijst er op dat, anders dan [geïntimeerde 2] heeft verklaard, er in april 2009 wel een betaling aan [mantelzorgster] heeft plaats gevonden, namelijk op 23 april 2009 ad € 192,10. [geïntimeerde 2] zal dit nader kunnen toelichten en zal bankafschriften uit zijn eigen administratie kunnen overleggen waaruit de overboekingen in de periode februari-maart-april 2009 naar [mantelzorgster] ten behoeve van erflaatster blijken.
9.3.10.5. Betreffende de retourbetaling op 16 november 2009 van € 934,95 aan [geïntimeerde 2] van volgens [geïntimeerde 2] door hem voorgeschoten kosten van de autoverzekering via ZLM Verzekeringen van erflaatster overweegt het hof dat deze post onvoldoende is verantwoord. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk welke kosten erflaatster naast de rechtsreeks van haar rekening afgeschreven betalingen aan ZLM Verzekeringen dit zouden betreffen. Ook ontbreekt een bankafschrift van [geïntimeerde 2] waaruit van een dergelijke betaling zou blijken.
De contante opnames
9.3.11. Het hof heeft op dit onderdeel behoefte aan een nadere toelichting en houdt de beslissing op dit onderdeel aan tot na de hiervoor onder rov. 9.3.6.3 bedoelde zitting.
De ABN AMRO-rekening:
9.3.12.1. Over de overboeking van € 98.000,00 bestaat geen verschil van inzicht. Dit bedrag is door [geïntimeerde 2] al grotendeels terugbetaald en met de uitvoering van de verdeling volledig verrekend. Ten aanzien van de overboeking van € 2.000,00 voeren [appellanten] aan dat indien dit daadwerkelijk een compensatie zou zijn voor de kosten die [geïntimeerde 2] ten behoeve van de verhuizing van erflaatster zou hebben gemaakt, het dan uiterst merkwaardig zou zijn dat deze kosten pas anderhalf jaar na dato aan hem zouden worden terugbetaald.
9.3.12.2. Het hof is met [appellanten] van oordeel dat de door [geïntimeerde 2] gegeven verantwoording niet volstaat. Het betreft een overboeking zonder omschrijving die anderhalf jaar ná de verhuizing waar de kosten betrekking op zouden hebben, is uitgevoerd. Dat roept vragen op.