Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:876
Strafrecht
Hoger beroep
4,345 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002132-24
Uitspraak : 24 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-163980-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde. Door de raadsvrouw is voorts een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Geldigheid van de dagvaarding
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de dagvaarding van het tenlastegelegde feit nietig dient te worden verklaard, omdat de in de tenlastelegging gebruikte term ‘levensmiddelen’ onvoldoende geconcretiseerd is en daardoor het voor de verdachte onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich dient te verdedigen. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot de conclusie dat de dagvaarding nietig is, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is van oordeel dat de inleidende dagvaarding van het tenlastegelegde, bezien in samenhang met het dossier, voldoende duidelijk en concreet is, zodat de verdachte weet welke specifieke gedragingen hem worden verweten en waartegen hij zich dient te verdedigen, namelijk de op 16 mei 2024 gepleegde diefstal. Naar het oordeel van het hof is de daarvoor in de tenlastelegging gebruikte term ‘levensmiddelen’ een voldoende feitelijke omschrijving van de in de aangifte (pg. 5 t/m 7 van het dossier) omschreven weggenomen goederen.
Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat uit het thans voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting geenszins is gebleken dat de verdachte niet heeft begrepen op welke gedragingen de tenlastelegging ziet en waartegen hij zich heeft te verdedigen.
Het hof is derhalve, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de inleidende dagvaarding voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat voornoemde dagvaarding niet nietig is. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 mei 2024 te Vlissingen, diverse levensmiddelen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 mei 2024 te Vlissingen diverse levensmiddelen die aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar de pagina’s van het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratie-nummer PL2000-2024121908, gesloten d.d. 17 mei 2024 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 24).
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. De inhoud van alle gebezigde bewijsmiddelen is, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 mei 2024 (pg. 5 t/m 7), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangever] , die namens [benadeelde] aangifte deed:
Zij deed aangifte namens slachtoffer [benadeelde] , gevestigd te Vlissingen.
Ik doe aangifte van diefstal. Ik heb de diefstal zelf gezien. Vandaag, 16 mei 2024, heeft de verdachte goederen weggenomen. De verdachte deed de goederen uit het zicht brengen. Hij deed de fles drank (witte port) in zijn broek en 4 blikjes whisky cola in zijn zak. De verdachte passeerde de kassa zonder de goederen ter betaling aan te bieden. Hij heeft de blikjes die hij uit het zicht heeft gebracht afgegeven nadat er om gevraagd werd. Hij heeft vervolgens de winkel verlaten en heeft toen de fles witte Port wel meegenomen zonder deze te betalen.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 mei 2024 (pg. 8 t/m 10), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :
Winkeldiefstal 1, 15 mei 2024
Ik ben werkzaam als verkoopmedewerkster bij de [benadeelde] in Vlissingen.
Ik hoorde via mijn dochter, ook werkzaam bij de [benadeelde] , dat er iemand in de winkel allerlei spullen in zijn jas stopte. Hierop bekeek ik de camerabeelden. Ik kan de
man als volgt omschrijven:
- man,
- blanke huidskleur,
- kaal,
- tatoeage op zijn hoofd,
- ongeveer 1.70 meter lang.
Winkeldiefstal 2, 16 mei 2024
Ik herkende de bovengenoemde persoon direct van de eerdere winkeldiefstal van de
vorige dag, daarom sprak ik hem aan. Ik vroeg of ik in de tas mocht kijken van meneer bij de kassa. Ik mocht kijken bij meneer. Ik zag dat er zich nog vier blikken whisky cola in de tas bevonden. Ik hoorde dat hij zei dat hij hier geen geld voor had.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2024 (pg. 11 t/m 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 16 mei 2024, kregen wij een melding van een winkeldiefstal gepleegd in de
[benadeelde] te Vlissingen. De verdachte zou de winkel zijn uitgelopen met een fles drank in zijn broek. De verdachte zou kaal zijn, tattoo op zijn achterhoofd, blanke huidskleur, en +-1.75m lang zijn.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. G.C. Bos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 24 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. G.C. Bos zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Inleiding
Hij zou inmiddels in een portiek staan te schuilen voor de regen in [adres 2] . Ik, verbalisant [verbalisant 2] , weet dat [verdachte] een tattoo op zijn achterhoofd heeft en verder ook voldoet aan het signalement.
Ter plaatse zagen wij aan [adres 2] , de ons
ambtshalve bekende [verdachte] . Wij herkende direct de persoon ambtshalve.
Hierop liepen wij samen met [verdachte] terug naar de [benadeelde] en werden wij geleid naar een kantoor achter in de winkel. Medewerkster en meldster [aangever] herkende de [verdachte] direct als de persoon die de winkeldiefstal had gepleegd. Hierop hielden wij de verdachte [verdachte] aan ter zake winkeldiefstal.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2024 (pg. 14 t/m 17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 17 mei 2024 was ik belast met het uitkijken van bewegende camerabeelden met betrekking tot een winkeldiefstal gepleegd op 16 mei 2024 bij supermarkt
’ [benadeelde] ', gelegen aan [adres 3] . Ik zag dat de datum en tijd op de beelden waren aangeduid.
Ik zag dat de verdachte de supermarkt betrad. Ik kan de verdachte als volgt omschrijven:
- man,
- blanke huidskleur,
- kaal,
- tatoeage op de rechterzijde van zijn hoofd.
Ik zag dat de verdachte om 09.02 uur zich bij het schap van de alcoholische dranken bevond. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand één fles pakte. Ik zag dat de verdachte dit direct, in beeld van de camera, in de voorzijde van zijn broek stopte. Hierdoor was de fles niet meer zichtbaar.
Ik zag dat de verdachte zich om 09.04 uur bij het schap van de alcoholische dranken
bevond. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand twee zwarte blikken uit het
schap pakte en deze in een gele Jumbo bigshopper deed. Ik zag dat de verdachte deze actie nog eens herhaalde en opnieuw twee zwarte blikken in de Jumbo bigshopper stopte.
Ik zag dat de verdachte naar de kassa liep. Ik zag dat de verdachte geen artikelen aanbood bij de kassa. Ik zag dat de verdachte om 09.04 uur werd aangesproken door een medewerker van de [benadeelde] . Ik zag dat de medewerker van de [benadeelde] in de bigshopper van de man keek. Ik zag dat er door de medewerker van de [benadeelde] vier zwarte blikken werden aangetroffen in de bigshopper.
5. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2024, proces-verbaalnummer PL2000-2024121908-13, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 1 augustus 2024 kreeg ik van het Openbaar Ministerie het verzoek of de persoon, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994, die ik op 16 mei 2024 in de
[adres 3] aantrof, dezelfde persoon was die de winkeldiefstal heeft gepleegd en die op de beelden te zien was. Ik heb op diezelfde dag wederom de camerabeelden bekeken. Ik zag dat deze camerabeelden van 16 mei 2024 waren. Ik zag op het fragment een man lopen die ik herkende als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994. De man die ik buiten aantrof en de man die op de beelden staat is dus dezelfde persoon. [verdachte] is zeer herkenbaar vanwege een tatoeage die op zijn achterhoofd zit. Hij is een bekende dakloze die voor veel overlast geeft en die veel winkeldiefstallen pleegt. Hij is zodoende goed bekend bij de politie.
Bewijsoverwegingen
In hoger beroep is namens de verdachte vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal. Daartoe heeft de raadsvrouw allereerst betoogd dat op basis van het thans voorliggende dossier onvoldoende vastgesteld kan worden welke specifieke goederen op 16 mei 2024 uit de [benadeelde] zijn weggenomen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat slechts sprake is van een poging tot diefstal en niet van een voltooid misdrijf.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het betoog van de raadsvrouw dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de inhoud van de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, zodat het verweer geen verdere bespreking behoeft. Het hof ziet overigens geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 16 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijk handelen levert voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hindert hen in de bedrijfsvoering. Daarnaast houdt het hof rekening met de omstandigheid dat ook de maatschappij als geheel schade ondervindt van winkeldiefstallen als de onderhavige, doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen uiteindelijk door de consumenten worden betaald. Door zijn handelswijze heeft de verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen. De verdachte heeft voor die gevolgen kennelijk geen oog gehad en zich slechts laten leiden door eigen financieel gewin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft allereerst acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In geval van winkeldiefstal waarbij sprake is van veelvuldige recidive, gaan deze oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in strafverzwarende zin acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Bovendien is het hof gebleken dat aan de verdachte in 2017 een ISD-maatregel is opgelegd ter zake van vermogensfeiten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.