Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:854
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,266 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 maart 2025
Zaaknummer: 200.342.353/01 en 200.342.359/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/405312 / FA RK 23-196 en C/02/409786 / FA RK 23-2384
in de zaak in hoger beroep van:
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Huseinovic,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 8 maart 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 4, ingekomen ter griffie op 7 juni 2024, is de man in hoger beroep gekomen.
2.2.
De vrouw heeft op 20 augustus 2024 een verweerschrift hoger beroep met productie 1 ingediend.
2.3.
Bij V8-formulier van 12 februari 2025 heeft de man het hof verzocht om zonder mondelinge behandeling te beslissen op de verzoeken en verweren in hoger beroep. Tevens heeft de man bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het huurrecht van de volkstuin dat kan worden toegedeeld aan de man.
2.4.
Bij bericht van 12 februari 2025 heeft de vrouw ingestemd met een schriftelijke afdoening en heeft zij bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het huurrecht van de volkstuin.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 februari 2024;
het bericht met bijlage van de advocaat van de man van 6 februari 2025.
2.6.
Gelet op de correspondentie onder rov. 2.3. en 2.4. zal het hof zonder mondelinge behandeling beslissen op de verzoeken en verweren in hoger beroep.
Feiten
3.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn op 19 januari 2009 gehuwd in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen.
3.3.
Het verzoek tot echtscheiding is op 16 januari 2023 door de rechtbank ontvangen.
4De omvang van het geschil
Dictum
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, op 19 januari 2009 in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd;
de wijze van verdeling gelast van de huwelijksgemeenschap op de wijze zoals is vermeld in rechtsoverwegingen 4.41. tot en met 4.56. van de bestreden beschikking (waarbij het verzoek van de man om de gouden ketting en het potje met rode poeder aan hem toe te delen en het verzoek om te bepalen dat hij gerechtigd is de volkstuin in Tilburg te behouden, zijn afgewezen).
4.2.
De grieven van de man zien op:
de echtscheiding (grief 1);
de gouden ketting en het potje met rode poeder (grief 2);
de volkstuin (grief 3).
4.2.1.
Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daartegen beroep is ingesteld en opnieuw rechtdoende:
het verzoek tot echtscheiding van de vrouw af te wijzen bij gebreke aan voldoende duurzame ontwrichting;
de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen op de wijze zoals door de man onder alinea 18 tot en met 33 in zijn beroepschrift is verzocht, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht;
kosten rechtens.
4.3.
De vrouw verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven dan wel al zijn grieven af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.
Beoordeling
Standpunt van partijen
5.1.
Grief 1 keert zich tegen de beslissing van de rechtbank om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de daaraan ten grondslag gelegde overweging dat – kort samengevat – het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
5.2.
Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat er uitzicht is op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Partijen hadden enkel begin januari 2023 relationele problemen, die niet onoverkomelijk zijn. Hij is bereid de relatieproblemen op te lossen.
5.3.
In reactie daarop voert de vrouw aan dat de samenwoning van partijen al op 6 februari 2023 is geëindigd en dat hun relatie in de maanden daarvoor ook al slecht was. Vanaf het moment dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, is er beperkt contact en alleen over de kinderen. De man heeft in die tijd niet geprobeerd met de vrouw in contact te komen, Hij heeft ook niet eerder voorgesteld om de relatieproblemen op te lossen. De vrouw is niet bereid mee te werken aan het herstellen van de relatie van partijen.
5.4.
Het hof overweegt als volgt.
5.4.1.
Op grond van art. 1:151 BW wordt de echtscheiding op verzoek van één van de echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
5.4.2.
Een huwelijk is duurzaam ontwricht als de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden en er geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen is (MvT, Kamerstukken II, 10213, 3, p. 14). Het feit dat de echtgenoten al geruime tijd gescheiden leven en de ontbinding van het huwelijk door één van hen wordt gewenst is een sterke aanwijzing daarvoor. Of sprake is van duurzame ontwrichting moet worden beoordeeld op het moment van de uitspraak (HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2560).
5.4.3.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw persisteert in haar standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zij al ruim twee jaar geleden de echtelijke woning heeft verlaten, er beperkt contact is tussen partijen en de vrouw de relatie van partijen niet wil herstellen. Gelet op het voorgaande faalt de grief van de man. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking op dit onderdeel zal bekrachtigen.
De gouden ketting en het rode poeder (grief 2)
Standpunten van partijen
5.5.
Grief 2 richt zich tegen rov. 4.45 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank over de gouden ketting en het rode poeder heeft overwogen:
‘(...) Met betrekking tot het verzoek van de man tot toedeling van de gouden ketting aan hem is de rechtbank van oordeel dat dit een lijfsieraad is, die aan de vrouw toebehoort. De vrouw heeft in dat kader onbetwist gesteld dat deze ketting aan de vrouw is geschonken bij het huwelijk en dat het bovendien een damesketting is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de man een aanvullende voorwaarde heeft gesteld bij het geven van deze ketting in het kader van een mogelijke echtscheiding. Het verzoek van de man tot toedeling van de gouden ketting aan hem zal dan ook worden afgewezen.
Met betrekking tot het bij de gouden ketting behorende rode poeder overweegt de rechtbank dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat het poeder een religieuze/culturele betekenis heeft gehad tijdens de huwelijksvoltrekking. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende belang heeft gesteld bij afgifte van het poeder. Gelet hierop wordt het verzoek van de man tot toedeling van het poeder aan hem afgewezen.’
5.6.
Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. De gouden ketting en het potje met rode poeder vallen niet in de huwelijksgemeenschap, omdat ze aan de man zijn verknocht en daarom tot zijn privévermogen behoren. De gouden ketting en het potje met rode poeder zijn als symbool voor het religieuze/culturele huwelijk van partijen door de man aan de vrouw gegeven. Zolang partijen gehuwd zijn, kan de vrouw deze goederen in haar bezit hebben. Nu het culturele huwelijk door het indienen van het echtscheidingsverzoek van de vrouw is ontbonden, moet de vrouw de gouden ketting en het rode poeder teruggeven aan de man. Subsidiair heeft de vrouw de huwelijksgemeenschap benadeeld door de gouden ketting en het potje met rode poeder daaraan te onttrekken. De vrouw moet deze schade aan de huwelijksgemeenschap vergoeden.
5.7.
In reactie op grief 2 van de man voert de vrouw aan dat de man vele malen meer heeft ontvangen uit de verdeling van (de rest van) de huwelijksgemeenschap dan de vrouw. Daarom is het redelijk dat de gouden ketting en het rode poeder aan haar worden toegedeeld. Er is geen godsdienstige, religieuze of andere regel op grond waarvan de gouden ketting en het rode poeder door haar zouden moeten worden teruggegeven aan de man, laat staan dat dergelijke zaken verknocht zouden zijn aan de man. De gouden ketting is een damesketting, die zij regelmatig draagt. Zowel de gouden ketting als het rode poeder is aan haar cadeau gedaan. Deze goederen zijn daarom aan haar verknocht dan wel heeft de vrouw meer belang bij toedeling van beide aan haar. Door de gouden ketting en het rode poeder mee te nemen, heeft de vrouw geen goederen aan de huwelijksgemeenschap onttrokken. Er heeft geen benadeling van de huwelijksgemeenschap plaatsgevonden.
5.8.
Het hof oordeelt het navolgende.
5.8.1.
Artikel 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalt dat goederen die op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de huwelijksgemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich daartegen niet verzet. De man beroept zich op verknochtheid van de gouden ketting en het rode poeder. Hij verwijst daarbij uitsluitend naar de culturele en/of religieuze component van het huwelijk van partijen, waaruit de verknochtheid van deze goederen zou volgen. De vrouw heeft die stelling voldoende gemotiveerd weersproken. Gelet op die betwisting had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan en dat komt voor zijn rekening. De verknochtheid van de gouden ketting en het rode poeder is daarmee niet komen vast te staan, waardoor beide goederen in de huwelijksgemeenschap vallen.
5.8.2.
Daarnaast beroept de man zich [naar het hof begrijpt] op art. 1:164 BW. Dit artikel bepaalt dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in art. 1:88 BW heeft verricht zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. De man stelt dat de vrouw de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld, maar hij laat na om toe te lichten waar die benadeling uit bestaat. Hij heeft evenmin inzicht gegeven in de omvang van die schade zodat het hof die schade niet kan vaststellen. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 8 maart 2024, uitsluitend voor wat betreft het huurrecht van de volkstuin;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
deelt het huurrecht van de volkstuin toe aan de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en M.J. van Laarhoven, en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. G.J. Vossestein in tegenwoordigheid van de griffier.