Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:853
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,995 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 maart 2025
Zaaknummer: 200.343.800/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/03/309948 / FA RK 22-3701 en C/03/321677 / FA RK 23-3273
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I. Bakker,
tegen
[de pleegmoeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
en
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
verweersters in hoger beroep,
advocaat: R. van Engwegen.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2024, heeft de vader verzocht, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad,
voormelde beschikking te vernietigen waar het de afwijzing van het verzoek van de vader over het gezag betreft en toewijzing van het verzoek van de moeder en de pleegmoeder over het gezag en opnieuw rechtdoende:
- de moeder te ontheffen van het gezag, en;
- te bepalen dat de vader en de pleegmoeder voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 oktober 2024, hebben de moeder en de pleegmoeder verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen. Kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Bakker en een tolk, A. Hrazdij (tolkennummer 40213);
-de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Van Engwegen en een tolk, C. Shaljan, (tolkennummer 17767);
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Volgens haar advocaat was zij daartoe niet in staat omdat het voor haar te belastend is om met de vader te worden geconfronteerd.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 4 februari 2025;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 10 februari 2025;
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d.17 februari 2025.
Beoordeling
3.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder (zus van de moeder). Sinds januari 2022 verblijft [minderjarige] daar op basis van een pleegzorgindicatie.
3.2.
De vader verzocht de rechtbank (in de procedure met zaaknummer C/03/309948 / FA RK 22-3701) vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] , een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] en te bepalen dat het het gezag over [minderjarige] na de erkenning door de ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend.
De moeder voerde verweer en verzocht om de vader niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen.
3.3.
De moeder en de pleegmoeder verzochten de rechtbank (in de procedure met zaaknummer C/03/321677 / FA RK 23-3273) om de pleegmoeder gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten.
De vader voerde verweer en verzocht om het verzoek van moeder en pleegmoeder af te wijzen.
3.4.
Bij beschikking van 10 november 2022 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor zover thans van belang, in de zaak met zaaknummer C/03/309948 / FA RK 22-3701, een bijzondere curator benoemd.
3.5.
Bij beschikking van 20 januari 2023 heeft dezelfde rechtbank, voor zover thans van belang, in de zaak met zaaknummer C/03/309948 / FA RK 22-3701, aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] , de raad verzocht een onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen wat in het belang van [minderjarige] is zowel qua gezag, perspectief als welke verdeling van zorg - en opvoedingstaken of omgangsregeling passend is. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
3.6.
Bij beschikking van 20 december 2023 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, zijn de zaken met zaaknummers C/03/309948 / FA RK 22-3701
en C/03/321677 / FA RK 23-3273 gevoegd en is er een mondelinge behandeling bepaald van beide zaken op 1 februari 2024. Iedere verdere beslissing over het gezag is aangehouden.
3.7.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 18 april 2024 heeft de rechtbank, in de zaken met zaaknummers C/03/309948 / FA RK 22-3701 en C/03/321677 / FA RK 23-3273, voor zover thans van belang, het verzoek van de vader over het gezag afgewezen en het verzoek van de moeder en de pleegmoeder om voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit te oefenen toegewezen.
3.8.
De vader kan zich met deze laatste beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.1.
Deze zaak kent internationale aspecten. Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 5 oktober 2022. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op genoemde datum in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd.
4.1.2.
Ingevolge artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing.
Beoordeling
4.2.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek in hoger beroep desgevraagd toegelicht, verduidelijkt en gedeeltelijk gewijzigd.
Hij verzoekt nu primair te bepalen dat hij en de pleegmoeder voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover dit juridisch niet mogelijk is, verzoekt de vader subsidiair om het inleidende verzoek van de moeder en de pleegmoeder om voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit te oefenen, af te wijzen, zodat de moeder alleen het gezag over [minderjarige] behoudt.
De vader voert daartoe het volgende aan. Door de beslissing van de rechtbank wordt hem de kans ontnomen om nu of in de toekomst gezaghebbend ouder van [minderjarige] te zijn; hij wordt buitenspel gezet. Hoewel de vader kritiek heeft op de manier waarop de pleegzorg tot stand is gekomen en vindt dat dit ten onrechte buiten hem om is gegaan, meent hij dat de pleegmoeder haar rol goed vervult. Zij is gezien de omstandigheden geschikt als pleegmoeder en een voor de hand liggende keuze als iemand die mede het gezag over [minderjarige] uitoefent. De vader vindt dat de moeder niet geschikt is om met de pleegmoeder het gezag uit te oefenen. De moeder is hiertoe niet is staat, gelet op haar psychische gesteldheid. De vader wil dat hij tezamen met de pleegmoeder het gezag uitoefent over [minderjarige] . De vader vindt dit ook in het belang van [minderjarige] , omdat hij in beeld wil blijven van het leven van [minderjarige] . Hij meent bovendien dat, als hem die kans wordt geboden, hij [minderjarige] perspectief kan bieden. De vader is speciaal voor [minderjarige] in Nederland komen wonen en kan derhalve ook daarom een rol spelen in zijn leven. Hij is ervan overtuigd dat de pleegmoeder hem naar behoren zal informeren en zij in goede samenwerking gaan beslissen wat goed is voor [minderjarige] .
De vader verzoekt subsidiair om het verzoek, zoals gedaan in eerste aanleg door de moeder en de pleegmoeder, af te wijzen zodat de moeder alleen met het gezag belast blijft. Op termijn kan de vader dan alsnog mede met het gezag belast worden.
4.3.
De moeder en de pleegmoeder voeren in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder en de pleegmoeder belast blijven met het gezag. De vader heeft nooit een rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige] . Omdat de moeder, als gevolg van haar mentale toestand, niet voor [minderjarige] kon zorgen woont hij bij zijn tante (de pleegmoeder). Dit is in samenspraak met het [instantie] en pleegzorg gegaan. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij de pleegmoeder. Hij gedijt goed in haar gezin. De moeder speelt een grote rol in zijn leven. Er is contact en zij verblijft door de week vaak bij de pleegmoeder en [minderjarige] . [minderjarige] verblijft ieder weekend bij de moeder. Ook worden er geen belemmeringen gezien door de betrokken (vrijwillige) hulpverlening. Iedereen is het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat de pleegmoeder mede met het gezag wordt belast. Uit het raadsonderzoek blijkt dat de moeder en pleegmoeder goed contact hebben met elkaar en in principe feitelijk steeds samen het gezag over [minderjarige] hebben uitgeoefend. Verder geeft pleegmoeder de moeder een volwaardige plek in het leven van [minderjarige] en ziet erop toe dat het goed gaat met [minderjarige] , zeker wanneer de moeder last heeft van haar eigen problematiek. De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan en positief geadviseerd over het gezamenlijk gezag van de moeder en pleegmoeder. Dit advies heeft de rechtbank terecht overgenomen.
[minderjarige] zou klem komen te zitten als de pleegmoeder samen met de vader belast zou worden met het gezag. Er is geen goede communicatie en het zal voor de pleegmoeder niet mogelijk zijn om met de vader gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Daarbij komt dat de vader niet weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt en hij niet kan aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] . Gebleken is dat de vader hulpverleners diskwalificeert en adviezen van betrokken hulpverleners negeert. De vader heeft zich negatief uitgelaten over de pleegmoeder en diskwalificeert haar en de moeder. Ook laat hij zich hier niet op aanspreken. Tot slot heeft de vader eerder de wens uitgesproken dat [minderjarige] bij hem in het buitenland komt wonen. Uit het raadsrapport volgt duidelijk dat [minderjarige] vertrouwd is in het gezin van de pleegmoeder en de pleegmoeder het beste in staat is om de zorg voor [minderjarige] te dragen. Het zal schadelijk zijn voor [minderjarige] als zijn verblijf wordt gewijzigd. Door aan te geven dat dit volgens de vader tot de mogelijkheden behoort, laat de vader zien onvoldoende inzicht te hebben in hetgeen [minderjarige] nodig heeft.
Bovendien is de door de rechtbank in eerste aanleg bepaalde begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voortijdig beëindigd omdat de klachten van [minderjarige] verergerden en hij negatief op de omgang met de vader reageerde. Ook nu zijn de hulpverleners van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de omgang weer op te starten. Niet te verwachten is dat dit verandert binnen afzienbare tijd. Het is in het belang van [minderjarige] dat de huidige situatie wordt gecontinueerd.
Eenhoofdig gezag van de moeder is niet wenselijk. Er zal dan een gezagsvacuüm ontstaan; de pleegmoeder neemt (in overleg met de moeder) alle beslissingen. [minderjarige] woont bij de pleegmoeder en het is daarom van belang dat de pleegmoeder mede het gezag kan uitoefenen. Te meer gelet op het kwetsbare mentale welzijn van de moeder als gevolg waarvan zij mogelijk tijdelijk minder belastbaar en beschikbaar kan zijn.
4.4.
De raad adviseert om de beschikking waarvan beroep in stand te laten. De verzoeken van de vader dienen niet het belang van [minderjarige] . Wat de vader nu voorlegt in hoger beroep ziet de raad niet als een realistische mogelijkheid om te slagen zonder dat dat ten koste gaat van [minderjarige] . Gezamenlijk gezag met de pleegmoeder is geen optie omdat er geen sprake is van enige verstandhouding of samenwerking tussen de vader en de pleegmoeder op dit moment. Dat acht de raad niet in het belang van [minderjarige] . De raad ziet verder geen enkele aanleiding dat er naar het subsidiaire verzoek van de vader (waarbij de moeder weer alleen het gezag uitoefent en de vader op termijn samen met haar het gezag zal krijgen) kan worden toegewerkt.
[minderjarige] is een kwetsbaar kind dat bij de pleegmoeder woont en waarvoor hulpverlening is geregeld. Dat is voor hem een vertrouwde situatie en dat heeft hij nodig om veilig op te kunnen groeien. De raad had graag gezien dat de vader een grotere rol zou kunnen spelen in het leven van [minderjarige] , maar die mogelijkheid bestaat niet. De raad doet een oproep aan de vader om contact te zoeken met de hulpverlening en te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om hem te introduceren in het leven van [minderjarige] .
4.5.
Het hof overweegt het volgende.
4.5.1.
In artikel 1:253t lid 1 BW is bepaald dat indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder, die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind kan belasten. Op grond van artikel 1:253t lid 3 BW wordt het verzoek slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
4.5.2.
De vader verzoekt in hoger beroep primair om hem en de pleegmoeder gezamenlijk met het gezag te belasten over [minderjarige] .
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.M.C. Dumoulin en F. Dunki Jacobs en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.