Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:824
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
16,544 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.336.228/01
arrest van 25 maart 2025
in de zaak van
Bouwbedrijf Lymbouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Lymbouw,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema te Breda,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna, zowel gezamenlijk als individueel, aan te duiden als [geïntimeerden] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 november 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 augustus 2023, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Lymbouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een productie;
- de memorie van antwoord;
- de akte van Lymbouw met producties 2 en 3;
- de antwoordakte van [geïntimeerden] .
2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3
3. De beoordeling
Feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank in het bestreden vonnis heeft vastgesteld en waartegen geen grieven zijn gericht. Het hof zal deze, voor zover relevant, hierna weergeven.
Begin 2018 heeft Lymbouw op verzoek van A&S, die bouwmanagement voerde namens [geïntimeerden] , offertes uitgebracht voor verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [geïntimeerden] aan de [adres] te [plaats] .
Lymbouw heeft die offertes op naam gesteld van [geïntimeerden] en later, vanaf de offerte van 25 april 2018, op naam van A&S. In de offerte van 25 april 2018 staat een bedrag van € 437.423,87 inclusief btw. De inhoud van deze offerte is hetgeen partijen zijn overeengekomen.
Op 9 april 2018 is Lymbouw met de verbouwingswerkzaamheden bij [geïntimeerden] gestart en de planning van Lymbouw was dat het werk begin november 2018 gereed zou zijn.
Op 17 april 2018 heeft Lymbouw een factuur aan A&S gestuurd voor een bedrag van € 135.899,04 inclusief btw waarvan A&S op 17 mei 2018 een bedrag van € 55.899,04 heeft betaald.
Lymbouw heeft in een brief van 13 juni 2018 onder meer het volgende aan [geïntimeerden] c.s. gemeld:
“(…)
Middels deze brief verzoeken wij u nogmaals tot betaling van het resterende factuurbedrag over te gaan (…)
Naast dat u tot op heden niet aan uw betalingsverplichtingen heeft voldaan, heeft u tot op heden nagelaten ons verschillende werktekeningen en details te verstrekken. Meer in het bijzonder heeft u nagelaten detailtekeningen van de dakkapellen, aangepaste detailtekeningen van de puien ten behoeve van de serre en werk- en detailtekeningen met betrekking tot de keuken te verstrekken. (…)
Bij dezen stellen wij u ter zake van het voornoemde in gebreke en bieden wij u een termijn van 14 dagen om de benodigde gegevens alsnog te verstrekken. Totdat u
de benodigde gegevens en informatie aan ons heeft verstrekt, kunnen wij de bouwwerkzaamheden - voor een goede uitvoering waarvan voornoemde gegevens noodzakelijk zijn - niet starten dan wel voortzetten. Ook kunnen wij op diezelfde grond niet tot bestelling van de voor deze werkzaamheden benodigde onderdelen overgaan.
Uw betaling alsmede de voor de werkzaamheden benodigde gegevens zien wij graag tegemoet. (…)”.
Op 14 juni 2018 heeft A&S hierop gereageerd en onder andere aangegeven dat de termijnbetalingen afhankelijk zijn van de voortgang van het werk, dat een deel van de tekeningen (dakkapel) al ontvangen zijn door Lymbouw, en dat eventuele vertraging te wijten is aan Lymbouw omdat de beloofde planning uitblijft.
In een e-mail van 1 juli 2018 heeft [geïntimeerden] aan Lymbouw onder meer bericht dat Lymbouw met de ingebrekestelling en de eis tot betaling een en ander op scherp stelt, dat de bouw stilligt omdat Lymbouw weigert verder te gaan en dat [geïntimeerden] zich het recht voorbehoudt schade als gevolg daarvan op Lymbouw te verhalen.
In reactie daarop heeft Lymbouw in een brief van 2 juli 2018 betwist de bouw te hebben stilgelegd, toegelicht een aanzienlijk aantal werkzaamheden niet te kunnen uitvoeren omdat de benodigde werktekeningen en detailleringen ontbreken en zich het recht voorbehouden de overeenkomst te ontbinden vanwege het uitblijven van tekeningen, detailleringen en betalingen.
Bij e-mail van 3 juli 2018 heeft [geïntimeerden] aan Lymbouw medegedeeld:
“(…)
Helaas hebben wij moeten constateren dat u uw werkzaamheden gestaakt bent zonder met ons in goed overleg te treden. U verwijst naar het ontbreken van detailleringen en het uitblijven van betalingen als reden. Geen van beide redenen is terecht. Er zijn frequent via emails details aangedragen in de periode mei en begin juni, waar echter niet op gereageerd is door u. (…)
(…)
Ook het door u gestelde uitblijven van betalingen is geen reden voor het staken van de werkzaamheden. De facturen zijn verzonden aan de hand van een betalingsschema waarmee wij niet hebben ingestemd en er is méér gefactureerd dan de stand van het werk rechtvaardigt. (…)
(…)
Hierbij verzoeken wij u dringend om alsnog met ons in overleg te treden en daarnaast uw werkzaamheden conform de opdrachtbevestiging per ommegaande, maar in ieder geval uiterlijk vrijdag 13 juli te hervatten. Mocht u daartoe niet overgaan, dan komt u in verzuim te verkeren en pleegt u wanprestatie. (…)”
Als reactie heeft Lymbouw bij brief van 13 juli 2018 aan [geïntimeerden] medegedeeld:
“(…)
Werkzaamheden gestaakt?
(…) Allereerst geldt dat wij onze werkzaamheden – zoals we bij brief van 2 juli 2018 al hebben aangegeven – niet hebben gestaakt. Wel hebben wij noodgedwongen pas op de plaats moeten maken omdat diverse werktekeningen en detailleringen ontbraken (en nog steeds ontbreken), waardoor wij simpelweg niet verder konden (en kunnen). (…)
(…)
Betalingsschema
U geeft aan nimmer te hebben ingestemd met het door ons gehanteerde betalingsschema. Dit is juist. Wij zijn het betalingsschema immers met A&S overeengekomen. (…)
(…) A&S heeft op dit moment slechts een bedrag van € 55.899,04 voldaan. Het voorgaande brengt met zich dat, ook als inderdaad sprake zou zijn van een betalingsverplichting op grond van de stand van het werk, A&S ook dan tekort zou schieten in haar betalingsverplichtingen.
(…)”
Op 27 september 2018 heeft [geïntimeerden] het bouwterrein laten afsluiten met bouwhekken en sloten. Lymbouw heeft die dag om de bouwhekken heen haar eigen bouwhekken laten plaatsen en die afgesloten met een beroep op het retentierecht.
Op 1 november 2018 heeft Lymbouw naar aanleiding van een minnelijk overleg met [geïntimeerden] op 31 oktober 2018 het retentierecht opgeheven en heeft zij sindsdien weer toegang tot de werkzaamheden.
Op 26 november 2018 heeft een minnelijk overleg plaatsgevonden tussen [geïntimeerden] en Lymbouw waarbij [geïntimeerden] een overzicht met geleden vertragingsschade heeft verstrekt aan Lymbouw. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
Op 2 januari 2019 heeft de advocaat van [geïntimeerden] Lymbouw gesommeerd om het werk uiterlijk 14 januari 2019 te hervatten.
Als reactie heeft Lymbouw bij brief van 11 januari 2019 (onder meer) medegedeeld dat zij de werkzaamheden voortzet. Verder heeft Lymbouw medegedeeld dat [geïntimeerden] de stijging van kosten wegens de opschorting dient te betalen.
Op 17 januari 2019 heeft Lymbouw aan [geïntimeerden] drie facturen gestuurd, namelijk voor een “derde termijn” van € 84.290,91, voor een bedrag van € 12.626,53 (volgens het meegezonden calculatierapport “Reeds uitgevoerd meerwerk”) en voor een bedrag van € 32.793,93 (volgens het meegezonden calculatierapport “Verschil (…) EXCL. Reeds uitgevoerd meerwerk”).
Op 11 en 20 februari 2019 heeft [geïntimeerden] bedragen ter hoogte van € 80.000,-- respectievelijk € 74.828,24 aan Lymbouw betaald.
Op 19 maart 2019 heeft Lymbouw twee facturen aan [geïntimeerden] gezonden, namelijk een vierde en vijfde termijn van € 84.290,91 en € 18.207,25.
Bij e-mail van 28 maart 2019 heeft [geïntimeerden] aan Lymbouw meegedeeld:
“(…)
We zouden inmiddels al lang de profielen voor de kozijnen hebben kunnen bestellen, zodat dit in ieder geval door loopt en we tijdig de kozijnen kunnen plaatsen.
Feiten
Dus ook al hebben we (nog) geen besluit over welke puien het worden - zie ook mijn andere mail -, dan staat dat de bestelling van de kozijnen niet in de weg. (…)”
Bij e-mail van 29 maart 2019 heeft [geïntimeerden] aan Lymbouw meegedeeld:
“(…)
[geïntimeerde 1] is vanochtend naar [plaats] gereden en heeft daar een goed gesprek gehad met [persoon A] van Alisco. Die heeft de profielen van Heroal van Aliplast laten zien, vergeleken etc en we komen tot de conclusie dat die Heroal profielen mits opgesteld/ingebouwd conform hoe [persoon A] het schetste voor ons toch de keuze wordt. (…)”
Op 8 april 2019 heeft [geïntimeerden] een betaling gedaan aan Lymbouw van € 30.355,63 en bij e-mails van 9 en 10 april 2019 heeft [geïntimeerden] nog wijzigingen aan Lymbouw doorgegeven ter zake van de kozijnen en/of puien.
Bij e-mail van 15 april 2019 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan Lymbouw meegedeeld:
“(…)
Afgelopen vrijdag liet u mij telefonisch weten dat Lymbouw zou hebben vernomen dat kozijnenleverancier Alisco in “zwaar weer” zou verkeren. Om die reden zou, zo vertelde u mij, Lymbouw niet bereid zijn de kozijnen te bestellen bij Alisco, althans niet tegen de door Alisco voorgestelde termijnenregeling, omdat daarmee het (voor)financierings-risico te groot zou zijn. Lymbouw heeft aan Alisco voorgesteld om in te stemmen met betaling grotendeels achteraf (na levering en montage), maar dat wil Alisco niet, zo vertelde u mij. Dat is vervelend, maar niet de verantwoordelijkheid van [geïntimeerden] .
Lymbouw is gehouden kozijnen te bestellen (en te leveren en monteren), en dient nu daadwerkelijk tot bestelling over te gaan. (…)
Gelet daarop verzoek en voor zoveel nodig sommeer ik hierbij Lymbouw om per ommegaande, doch uiterlijk binnen 3 dagen na heden over te gaan tot het bestellen van de door [geïntimeerden] uitgezochte kozijnen en de schriftelijke bevestiging van die bestelling toe te zenden.
(…)”
Als reactie heeft de advocaat van Lymbouw bij e-mail van 18 april 2019 onder meer meegedeeld:
“(…)
Sommatie?
(…) Mijn cliënte is thans in overleg met Alisco over een termijnregeling die voorkomt dat voor puien en kozijnen moet worden betaald die mogelijk niet geleverd worden en die voorkomt dat uw cliënten nadeel ondervinden – al was het maar in tijd – van een eventuele deconfiture van Alisco. (…)”
Bij e-mail van 8 mei 2019 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan de advocaat van Lymbouw meegedeeld:
“(…)
Ik schreef eerder al dat de maat voor mijn cliënten vol is. Zij wensen niet langer in deze situatie te berusten en maken ter zake de levering en montage van de kozijnen niet langer aanspraak op nakoming door uw cliënte, maar op schadevergoeding, als bedoeld in artikel 6:87 BW. Mijn cliënten zullen de kozijnen derhalve zo spoedig mogelijk zelf gaan bestellen en (laten) monteren. De daardoor ontstane schade zal op uw cliënte verhaald worden, zodra de omvang daarvan duidelijk is.
Teneinde hierover geen ruis te laten ontstaan gaat het hierbij dus om de werkzaamheden die in de begroting van uw cliënte bedoeld zijn onder de post “Kozijnen, ramen en deuren” meer in het bijzonder:
1. Onder “Kozijnen aanbouw” de post “Leveren en plaatsen van schuifpuien e.e.a. hetzelfde profiel als overige kozijnen”;
2. Onder “Overige buitengevelkozijnen” de post “Leveren en plaatsen van nieuwe aluminium puien, e.e.a. zoals bemonsterd’;
3. Onder “Lichtstraat” de post “leveren en plaatsen houten lichtstraat, zonder tussenstijlen”;
(…)
Het voorgaande laat onverlet dat mijn cliënten voor de overige werkzaamheden voortvloeiende uit de overeenkomst tussen partijen onverkort aanspraak maken op nakoming. (…)”
Op 10 mei 2019 heeft [geïntimeerden] zelf puien en kozijnen gekocht bij het bedrijf Alument.
Bij e-mail van 14 mei 2019 heeft Lymbouw aan [geïntimeerden] meegedeeld:
“(…)
(…) We zijn los van eventuele aftimmerwerkzaamheden deze week zoals aangegeven voor het laatst op de bouw.
De detailleringen omtrent de schuifpuien dien ik vanmiddag te ontvangen, zodat we kunnen beoordelen of hier eventueel meerwerk op zit t.o.v. het aangenomen. Maar ook om de werkzaamheden deze week nog af te kunnen ronden.
Ter info: we zullen op basis van regie de volgende werkzaamheden uitvoeren:
-muur op de eerste verdieping bij de toilet afbreken en opnieuw opmetselen.
-Aanpassingen gordingen. E.e.a. zoals [persoon B] het heeft aangegeven.
Zoals aangegeven zullen we onze spullen deze week afvoeren (achtergebleven spullen, bouwkeet, toilet, onze bouwhekken etc.), voor de eventuele aftimmerwerkzaamheden in een later stadium hebben we dit niet meer nodig.
(…)”
Bij e-mail van 27 juni 2019 heeft Lymbouw aan [geïntimeerden] gevraagd om de gewijzigde detailleringen te verstrekken omdat ze die niet had ontvangen en aangegeven de werkzaamheden die week dan af te kunnen werken.
Als reactie heeft A&S bij e-mail van 4 juli 2019 details aan Lymbouw toegezonden en meegedeeld dat de vraag naar het gewicht van de pui bij de leverancier uitstaat en daarop terug wordt gekomen.
Bij e-mails van 5 en 9 juli 2019 heeft Lymbouw aan A&S gevraagd om het gewicht van de pui voor het plaatsen van ankers omdat zij volgende week nog ruimte heeft om een en ander uit te voeren of aan te passen en daarna er drie weken geen ruimte is.
Bij e-mail van 10 juli 2019 heeft [geïntimeerden] aan Lymbouw medegedeeld:
“(…)
Gezien je vorige reactie hebben we besloten om eea door iemand anders te laten uitvoeren. Na 4 weken komt er eindelijk een reactie met enkel extra vragen en maak je duidelijk dat het allemaal ‘moeilijk’ is qua timing etc.(…)
Zo wachten we al tijden op offertes voor verschillende stelposten die uiteindelijk gewoon nooit gekomen zijn:
-injecteren buitengevel (o.17)
-architraven
-hang & sluitwerk
-traptreden in de slaapkamer
-vloer isolatie
Jullie hebben er overduidelijk gewoon geen zin meer in. Effectief dwing je ons dus om alternatieven te zoeken en eea met anderen op te lossen als we ooit in ons huis willen wonen.
(…)”
Medio oktober 2019 hebben derden de verbouwingswerkzaamheden aan de woning afgerond en is de woning aan [geïntimeerden] opgeleverd.
Na een door Lymbouw aan [geïntimeerden] gezonden betalingsherinnering van 7 oktober 2019 heeft [geïntimeerden] bij brief van 18 oktober 2019 aan Lymbouw medegedeeld dat er sprake is van minderwerk en schade waardoor hij niets meer hoeft te betalen.
Op 6 juli 2022 heeft Lymbouw een creditfactuur verzonden aan [geïntimeerden] “I.v.m.
Feiten
uw opzegging van de pui” voor een totaalbedrag van € 96.800,00 (inclusief btw).
De eerste aanleg
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft Lymbouw in conventie gevorderd om
[geïntimeerden] hoofdelijk bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
een bedrag van € 86.413,22 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 mei 2019, althans 24 juli 2019 tot en met de dag der algehele voldoening;
een bedrag van € 1.983,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
de kosten van de procedure.
3.2.2.
Lymbouw heeft aan haar vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de restantaanneemsom van € 196.340,96 inclusief btw na de opzegging van [geïntimeerden] opeisbaar is en er na verrekening van meer- en minderwerk een door [geïntimeerden] te betalen bedrag resteert van € 86.413,22.
3.2.3.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie heeft [geïntimeerden] gevorderd om Lymbouw bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis aan hem te betalen een bedrag van € 25.919,95 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 juli 2019, met veroordeling van Lymbouw in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten.
3.2.4.
[geïntimeerden] heeft aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat na verrekening van de restantaanneemsom van € 196.340,96 met minderwerk, schade-vergoeding en meerwerk een door [geïntimeerden] te ontvangen bedrag resteert van € 25.919,95.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
3.2.6.
In het eindvonnis van 30 augustus 2023 heeft de rechtbank in conventie de vorderingen afgewezen en Lymbouw in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank Lymbouw veroordeeld om binnen zeven dagen na het vonnis aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 12.091,27 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 juli 2019 tot de dag der algehele voldoening. Voorts is Lymbouw in de proceskosten veroordeeld, met rente en nakosten.
De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
De omvang van het hoger beroep
3.3.1.
Lymbouw heeft in hoger beroep 29 grieven aangevoerd. Lymbouw heeft geconcludeerd tot
vernietiging van het beroepen vonnis,
het alsnog toewijzen van haar vorderingen en
het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] ,
een en ander met terugbetaling van hetgeen zij naar aanleiding van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van het hoger beroep.
3.3.2.
[geïntimeerden] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Lymbouw in het hoger beroep dan wel haar vorderingen af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.
3.3.3.
Lymbouw heeft onder meer vernietiging gevorderd van het bestreden vonnis. Tegen de daarin neergelegde beslissing dat haar meerwerkvordering onder post a (van productie 76 bij de dagvaarding in eerste aanleg) ter hoogte van € 2.376,89 wordt afgewezen, is echter geen grief gericht. Evenmin heeft Lymbouw een grief gericht tegen de beslissing dat de houten binnendeurkozijnen niet zijn geplaatst en daarvoor een bedrag van € 14.145,40 inclusief staartkosten en btw als minderwerk geldt en dus op de vordering van Lymbouw in mindering moet worden gebracht.
Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo heeft ook [geïntimeerden] de omvang van het hoger beroep verstaan - dat deze beslissingen niet worden bestreden.
Grief I: onduidelijkheid over opdrachtgeverschap
3.4.1.
Lymbouw stelt in grief I dat de rechtbank heeft miskend dat het naar objectieve maatstaven goed te begrijpen is dat Lymbouw ervan uitging dat niet [geïntimeerden] , maar A&S haar opdrachtgever was. Voor zover er vertraging is ontstaan als gevolg van het standpunt van Lymbouw dat [geïntimeerden] geen opdrachtgever was, dient dit voor zijn rekening en risico te komen, aldus Lymbouw.
3.4.2.
Het hof stelt vast dat de rechtbank bij de beoordeling van de vorderingen over en weer geen consequenties heeft verbonden aan een mogelijke vertraging als gevolg van de gestelde onduidelijkheid. Lymbouw heeft in haar grief niet althans onvoldoende toegelicht welke gevolgen aan haar stellingen moeten worden verbonden.
De grief wordt dan ook verworpen.
3.4.3.
Het hof memoreert op dit punt dat partijen het eens zijn over de inhoud van de aanneemovereenkomst zoals weergegeven in de offerte van 25 april 2018 met offertenummer 40065, en dat deze overeenkomt is gesloten met [geïntimeerden] , hoewel ze was gericht aan A&S. In de offerte is de aanneemsom weergegeven, namelijk € 437.423,87 (inclusief btw). Daarin zijn tevens, in het meegezonden calculatierapport, de werkzaamheden en het te verwerken materiaal weergegeven.
Grieven II tot en met IV: situatie na sommatie
3.5.1.
Lymbouw betoogt in grief II dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij vanaf juli 2018 haar werkzaamheden zou hebben gestaakt. Zij wijst op de levering van staal op 4 juli van dat jaar en deze levering kwalificeert zij, anders dan de rechtbank, als onderbouwing voor het feit dat zij daarmede haar werk heeft voortgezet. Lymbouw betoogt voorts dat de rechtbank haar beroep op schuldeisersverzuim ten onrechte heeft afgewezen. Zij geeft aan dat zij als gevolg van het niet ter beschikking stellen van bepaalde tekeningen en detailleringen geen werkzaamheden meer kon verrichten. In grief III betoogt Lymbouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij zich vanaf 27 september 2018 heeft beroepen op opschorting vanwege wanbetaling. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de afsluiting van het terrein door [geïntimeerden] ertoe leidde dat Lymbouw geen toegang meer had tot het bouwperceel. In grief IV betoogt Lymbouw dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk bevoegd was om haar werkzaamheden op te schorten wegens het uitblijven van betaling door [geïntimeerden] . Partijen zijn namelijk wel degelijk een betaalschema/termijnregeling overeengekomen, aldus Lymbouw, inhoudende 3 x 30% en 1 x 10%; zij verwijst naar de e-mail van 14 juni 2018 waarin de regeling is weergegeven.
3.5.2.
[geïntimeerden] betwist dat er een (onvoorwaardelijke) regeling is overeengekomen en stelt uitdrukkelijk te kennen te hebben gegeven alleen akkoord te gaan met een betaalschema dat gekoppeld zou worden aan de voortgang van de bouw. Hij wijst er voorts op dat Lymbouw in juli 2018 haar werkzaamheden heeft gestaakt in verband met het niet betalen van de factuur.
Feiten
Zo heeft Lymbouw dit gesteld in de inleidende dagvaarding maar ook in de brieven van 13 juni 2018 en 2 juli 2018. Dat nog staal is geleverd, doet daaraan niet af; dit was reeds eerder besteld en kennelijk had zij daarvoor geen opslagruimte. Vanaf juli 2018 zijn er geen nieuwe bestellingen meer gedaan. [geïntimeerden] betwist dat er geen werk meer kon worden verricht omdat er gegevens en tekeningen ontbraken. Hij wijst erop dat er op 3 oktober 2018 alle eventueel benodigde gegevens zijn verstrekt zodat er in ieder geval op dat moment geen reden was om het werk op te schorten. [geïntimeerden] betwist dat Lymbouw als gevolg van het plaatsen van hekken niet aan het werk kon. Zij heeft destijds ook niet verzocht om de bouwplaats te betreden maar heeft de bouwplaats zelf afgezet.
3.5.3.
Het hof kan de beslissing of partijen de door Lymbouw gestelde betalingsregeling zijn overeengekomen, in het midden laten. Ook als partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen inhoudende de termijnregeling zoals die is opgenomen in de e-mail van 14 juni 2018 van A&S aan Lymbouw, zijnde:
“Termijnregeling: 3 termijnen van 30% in week 16, week 23 en week 29 en 1 termijn van 10% op 1 november. Deze weeknummers zijn echter wel afhankelijk van de voortgang.”
gaat het beroep van Lymbouw op opschorting niet op. Het hof motiveert dit als volgt.
3.5.4.
Lymbouw heeft het recht om haar werkzaamheden op te schorten, als komt vast te staan dat zij op 13 juni 2018, de datum waarop zij de sommatie heeft verstuurd, jegens [geïntimeerden] recht had op betaling van 30% van de aanneemsom. Daarvoor is van belang in hoeverre het werk was gevorderd. [geïntimeerden] heeft betwist dat het werk al voor 30% was gevorderd. Het is dan aan Lymbouw om haar stelling nader te onderbouwen. Lymbouw stelt dat voor de bepaling of het werk met 30% was gevorderd, niet alleen moet worden gekeken naar het werk op de bouwplaats maar ook naar de door haar gedane investeringen. Het hof is van oordeel dat, ook als de betekenis van “de stand van het werk” moet worden uitgelegd op de wijze die Lymbouw voorstaat, het aan Lymbouw was om deze stelling concreet te onderbouwen. Zij verwijst nu enkel naar de betaling van [geïntimeerden] , zoals gedaan op 17 mei 2018 en het feit dat zij “op 4 juli 2018 voor vele duizenden euro’s aan staal in het werk heeft gebracht”. Daarmee kan evenwel in rechte niet worden vastgesteld dat op 13 juni 2018 of een paar weken later, voor een bedrag van ruim € 130.000,-- (zijnde 30% van de aanneemsom) aan werk was gedaan/besteed.
3.5.5.
Het hof concludeert dat [geïntimeerden] als gevolg van de sommatie tot betaling van 13 juni 2018 niet in verzuim is komen te verkeren, nu niet is komen vast te staan dat Lymbouw op dat moment recht had op de aanvullende betaling van de eerste factuur. Grief IV slaagt dan ook niet.
3.5.6.
Lymbouw betwist dat zij haar werkzaamheden heeft gestaakt in juli 2018 nu zij in deze maand nog een grote hoeveelheid staal heeft geleverd. Het hof stelt vast dat behoudens deze levering Lymbouw geen werkzaamheden meer heeft verricht. Deze situatie duurde voort totdat zij op 14 januari 2019 haar werkzaamheden heeft hervat. Grief II slaagt in zoverre dat de levering van staal wel heeft te gelden als een uitvoering van een onderdeel van het werk maar dat vervolgens in rechte is komen vast te staan dat zij daarvóór en daarna niet meer heeft gewerkt, een en ander zoals zij dat wel was overeengekomen. Lymbouw laat ook na aan te geven op grond waarvan deze grief zou moeten leiden tot een wijziging van het dictum.
3.5.7.
De volgende vraag die voorligt, is of Lymbouw gerechtigd was om haar werkzaamheden op te schorten. In haar brief van 13 juni 2018 stelt zij [geïntimeerden] op twee punten in gebreke, zijnde de niet tijdige betaling en het niet verstrekken van werktekeningen en details voor de dakkapellen, puien en de keuken. Als deze gegevens niet worden verstrekt, kunnen de bouwwerkzaamheden (voor een goede uitvoering waarvan deze gegevens nodig zijn) niet worden voortgezet of gestart én kan er ook niet tot bestelling van de voor deze werkzaamheden benodigde onderdelen worden overgegaan, zo schrijft Lymbouw. Lymbouw heeft de brief afgesloten met de mededeling dat ze de betaling en de voor de werkzaamheden benodigde gegevens graag tegemoet ziet.
Het hof is van oordeel dat uit deze brief volgt - en zo heeft [geïntimeerden] dat ook mogen begrijpen - dat Lymbouw eerst haar werkzaamheden zou gaan hervatten als [geïntimeerden] niet alleen zou zorgdragen voor betaling van de openstaande factuur maar ook voor de aanlevering van de noodzakelijke tekeningen. In de visie van Lymbouw was [geïntimeerden] immers in gebreke met zijn verplichting tot betaling van de openstaande rekening. Daarvoor had Lymbouw haar werk al verricht. Dit was dan ook de prestatie die (afgezet tegen het leveren van bepaalde tekeningen) als eerste moest worden verricht. Lymbouw heeft bovendien niet aangegeven dat zij, bij het verkrijgen van een bepaalde tekening, over zou gaan tot het verrichten van dat gedeelte van haar werk dat op basis van deze tekening kon worden uitgevoerd. Het enkele aanleveren van de tekeningen zou dus nog niet leiden tot hervatting van het werk. Dit heeft Lymbouw op 11 januari 2019 ook duidelijk aan [geïntimeerden] bevestigd, aangevende dat zij haar werk na de zomer van 2018 heeft opgeschort omdat sprake was van wanbetaling.
3.5.8.
Het hof verwerpt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep van Lymbouw op schuldeisersverzuim. Niet is komen vast te staan dat het staken van de werkzaamheden door Lymbouw uitsluitend is veroorzaakt door het niet verstrekken van tekeningen of andere informatie. Lymbouw had de werkzaamheden immers ook (op onterechte gronden) gestaakt omdat betaling uitbleef. Een beroep op artikel 6:61 BW gaat dan ook niet op.
3.5.9.
Partijen strijden over de vraag of voor hervatting van het werk het aanleveren van bepaalde tekeningen noodzakelijk was, maar een beslissing op dit punt is niet bepalend voor de beantwoording van de voorliggende vraag. Feit is immers dat, zoals hiervoor overwogen, Lymbouw geen recht had op enige aanvullende betaling. Zij heeft dan ook ten onrechte haar werkzaamheden opgeschort.
3.5.10.
Lymbouw betoogt dat het haar eind september 2018 onmogelijk is gemaakt om haar werk te verrichten nu [geïntimeerden] het bouwterrein had afgesloten met bouwhekken. Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat Lymbouw haar werkzaamheden ten onrechte had opgeschort totdat alsnog betaald zou worden, deze omstandigheid geen wijziging heeft gebracht in de verhouding tussen partijen. Grief III, die ziet op deze verhindering, slaagt dan ook niet.
3.5.11.
Na sommatie van [geïntimeerden] aan Lymbouw om haar werk te hervatten, hebben partijen met elkaar gesproken en heeft Lymbouw, getuige haar brief van 11 januari 2019, haar werkzaamheden hervat, deels op basis van voorlopige tekeningen en met een deelplanning voor de weken 3 tot en met 5.
3.5.12.
Het hof concludeert dat de grieven II tot en met IV niet slagen in die zin dat zij zouden leiden tot een wijziging van het dictum.
Grief V: puien en kozijnen en grief XXVI indexering
3.6.1.
Lymbouw betoogt in grief V allereerst dat de leverancier van de puien en kozijnen, door partijen aangeduid als De Wijsterd, een door A&S aangewezen leverancier was. [geïntimeerden] heeft deze stelling betwist en Lymbouw heeft aan haar stelling geen nadere onderbouwing gegeven en geen bewijs hiervan aangeboden.
Feiten
Haar stelling komt daarmee in rechte niet vast te staan.
3.6.2.
Lymbouw diende, als onderdeel van de aanneemovereenkomst, de puien en kozijnen te leveren en te monteren. Zij heeft daarvoor een prijs geoffreerd, voor de kozijnen € 20.591,90 en voor de puien € 59.586,31. Dit komt inclusief de staartkosten van 7,35% neer op een bedrag van ruim € 85.000,-- exclusief btw. Het feit dat deze prijs was gebaseerd op de aanschaf van deze puien en kozijnen bij een bepaalde leverancier en dat deze failliet was gegaan, maakt niet dat sprake is van kostprijsverhogende omstandigheden die voor rekening van [geïntimeerden] komen. Het ligt in de risicosfeer van Lymbouw als aannemer dat zij een deel van een werk offreert tegen een, achteraf gezien, té lage prijs.
3.6.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat Lymbouw voorstelde om de puien en kozijnen bij Alisco te bestellen. Vervolgens is [geïntimeerden] naar Alisco gegaan en heeft (uiteindelijk) een keuze gemaakt. Lymbouw voorzag problemen nu Alisco haar jaarcijfers al ruim drie jaren niet had gedeponeerd terwijl Alisco een voorfinanciering eiste. Lymbouw ging om deze redenen niet over tot de gewenste bestelling. [geïntimeerden] sommeerde haar op 15 april 2019 daartoe binnen drie dagen over te gaan en op 1 mei 2019 nogmaals om uiterlijk 6 mei 2019, 15:00 uur, te bevestigen daartoe te zijn overgegaan, aan welke sommaties Lymbouw geen gehoor heeft gegeven. Bij e-mail van 7 mei 2019 heeft [geïntimeerden] te kennen gegeven aanspraak te maken op vervangende schadevergoeding.
3.6.4.
Naar het oordeel van het hof is Lymbouw als gevolg van de sommaties in verzuim geraakt. De door haar aangegeven omstandigheden zijn niet van een zodanig gewicht dat zij geen gehoor mocht geven aan de sommaties. Lymbouw heeft in die periode ook geen alternatief aangedragen. De geboden termijnen om alsnog na te komen, acht het hof niet te kort. Het gaat om een bestelling die direct zou kunnen plaatsvinden. Dat [geïntimeerden] hieraan voorafgaand de tijd heeft genomen om zich op de bestelling te beraden en daarop nog wijzigingen had doorgevoerd, maakt dit niet anders. Lymbouw had Alisco aan [geïntimeerden] voorgedragen en had dan ook de verplichting om, zodra [geïntimeerden] haar definitieve wens had doorgegeven, deze ook uit te voeren.
3.6.5.
Het beroep van Lymbouw op opschorting verwerpt het hof. Lymbouw onderbouwt dit beroep met een verwijzing naar haar facturen. Feit is evenwel dat ten tijde van de sommatie [geïntimeerden] een bedrag van € 241.082,91 had betaald en een betalingsachterstand heeft betwist. Lymbouw stelt dat al haar facturen opeisbaar waren maar onderbouwt dit onvoldoende. De factuur van 17 april 2018 was betaald. Vervolgens wijst zij op de meerwerkfactuur van 17 januari 2019 ter hoogte van € 32.793,00, stellende dat deze zou zien op een duurdere en luxere uitvoering van de kozijnen en puien. Dit blijkt evenwel niet uit de bijlage bij de factuur (prod 37 bij inleidende dagvaarding), terwijl de opdracht om deze kozijnen en puien te bestellen veel later is gegeven dan de factuurdatum. Deze factuur kan daarom dan ook niet, althans niet zonder een nadere toelichting, zien. Tot slot verwijst Lymbouw naar haar andere facturen van 19 maart 2019. Het gaat hier om een “vierde” en “vijfde” termijn. De vijfde zou de slottermijn zijn, maar tussen partijen staat vast dat het werk nooit is opgeleverd. De vierde termijn zou verschuldigd zijn op het moment dat 90% van het werk gereed was. Lymbouw heeft niet althans onvoldoende gesteld dat dit op 19 maart 2019 het geval was. Kortom, naar het oordeel van het hof, heeft Lymbouw onvoldoende onderbouwd dat al deze facturen opeisbaar waren, zodat het beroep op opschorting hierop strandt.
3.6.6.
Nadat Lymbouw in verzuim was met het bestellen van de kozijnen en puien, heeft [geïntimeerden] de overeenkomst partieel ontbonden en aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding. Lymbouw stelt dat de schadevergoeding in de plaats komt van de verbintenis tot nakoming. Het moet gaan om een bestelling van dezelfde kozijnen en puien bij dezelfde leverancier en in ieder geval moet het gaan om puien en kozijnen van dezelfde prijs, aldus Lymbouw. Het profiel van Alisco is volgens Lymbouw anders, duurder en beter, dan het profiel zoals dat in de offerte is opgenomen.
3.6.7.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, komt het faillissement van De Wijsterd voor rekening en risico van Lymbouw. Het is aan Lymbouw om vervolgens een alternatief te zoeken en aan te dragen. Dit alternatief is gevonden bij de firma Alisco. Daar zouden de kozijnen en puien worden besteld. Lymbouw ging daartoe niet over, niet omdat de producten te duur waren, maar omdat zij bang was dat Alisco failliet zou gaan. Deze angst bleek overigens niet terecht, gelet op het feit dat Alisco na 2019 nog jaren heeft voortbestaan. Lymbouw was dan ook in verzuim met het bestellen van deze kozijnen en puien waarvoor door Alisco een offerte was verstrekt ter hoogte van € 88.123,-- exclusief btw (€ 106.628,83 incl btw). Het is dus deze prestatie die bij het bepalen van de vervangende schadevergoeding moet worden gewaardeerd.
3.6.8.
Lymbouw stelt dat het hier ging om meerwerk omdat de door Alisco geoffreerde producten duurder en beter waren dan geoffreerd door De Wijsterd. [geïntimeerden] heeft gesteld dat de aanvankelijk in de offerte opgenomen producten niet meer (tegen de geoffreerde prijs) verkrijgbaar waren. Hij heeft voorts betwist dat het alternatief bij Alisco beter of luxer zou zijn. Het hof stelt vast dat de producten niet veel duurder waren dan hetgeen aanvankelijk was geoffreerd, € 88.123,-- ten opzichte van € 85.000,-- (beide ex btw).
Daar komt bij dat Lymbouw stelde dat zij als gevolg van de vertraging in de uitvoering van het werk recht had op een verhoging van de prijs, opgenomen in haar indexeringsvordering. Zij betoogt dit in grief XXVI. Deze vordering is voor een bedrag van € 10.328,63 opge-nomen in haar eis in eerste aanleg. Lymbouw heeft ter zitting in eerste aanleg en in de toelichting bij deze grief aangegeven genoegen te nemen met een bedrag van € 4.889,45. Lymbouw neemt invoormelde grief dus kennelijk het standpunt in dat de vertraging heeft geleid tot hogere prijzen van het aan te schaffen materiaal.
Nu in rechte niet is komen vast te staan dat de vertraging aan [geïntimeerden] te wijten is, heeft Lymbouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het (later dan gepland) bestellen van de producten bij Alisco meerwerk betrof. Bewijs ervan heeft zij ook niet aangeboden.
Nu het hof in grief V heeft geoordeeld dat Lymbouw in de tweede helft van 2018 in verzuim verkeerde, heeft zij geen recht op de indexatievordering en slaagt grief XXVI dan ook niet.
3.6.9.
De prijs van de door [geïntimeerden] bij Alument gekochte puien en kozijnen (met montage) bedroeg € 91.000,-- ex btw (€ 110.110,-- incl btw). Lymbouw stelt dat het aan [geïntimeerden] is om haar schade nader te onderbouwen. Dit verweer slaagt deels, namelijk voor zover de gevorderde vervangende schadevergoeding de waarde van de prestatie, zijnde € 106.628,83 incl. btw (zie 3.6.7.), overtreft. [geïntimeerden] heeft enkel gesteld dat de prijzen van Alisco en Alument niet veel van elkaar afwijken maar heeft geen onderbouwing gegeven voor de stelling dat de vervangende schadevergoeding hoger zou moeten zijn dan de waarde van de te vervangen prestatie. De grief slaagt dus voor een beperkt deel.
Grief VI: opzegging of ontbinding en grief XVIII: minderwerk vs besparingen
3.7.1.
Met grief VI betoogt Lymbouw dat de rechtbank ten onrechte de e-mail van 10 juli 2019 heeft gekwalificeerd als een ontbindingsverklaring. [geïntimeerden] spreekt niet van een ontbinding of een ongedaanmaking van reeds geleverde prestaties.
Feiten
Lymbouw betoogt dat de e-mail een opzegging van de overeenkomst inhoudt.
3.7.2.
Er is geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat, nu in de e-mail de termen opzegging of ontbinding niet voorkomen, de bewoordingen van de e-mail moeten worden uitgelegd. De betekenis ervan moet dan worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.7.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de e-mail van 14 mei 2019 van Lymbouw moet worden gelezen als een mededeling van Lymbouw dat zij na die week haar werkzaamheden niet meer wilde uitvoeren. In het licht van deze verzuimsituatie dient de e-mail van 10 juli 2019 te worden beschouwd als een ontbindingsverklaring, aldus de rechtbank.
3.7.4.
Lymbouw stelt dat uit haar e-mail van 14 mei 2019 geenszins volgt dat zij haar werkzaamheden zou neerleggen. Zij wijst op het feit dat zij bij e-mail van 14 en 15 mei 2019 met spoed heeft verzocht om de gewijzigde detaillering van de puien en met name het gewicht van de pui. Zij krijgt op 4 juli de details, maar niet het gewicht van de pui. Op 9 juli 2019 vraagt zij hier wederom om en geeft zij aan de week erop nog een aantal dagen ruimte te hebben om een en ander uit te voeren c.q. aan te passen. Daarna heeft zij de eerste drie weken geen ruimte, zo geeft Lymbouw aan [geïntimeerden] te kennen.
3.7.5.
Het hof is van oordeel dat uit deze mededeling niet volgt - en zo had [geïntimeerden] dat ook niet mogen begrijpen - dat Lymbouw niet langer bereid was haar werkzaamheden voort te zetten. Zij vraagt juist om gegevens die zij nodig heeft om een bepaald werk uit te kunnen voeren. Dat er ook ander werk te verrichten was - zoals het verschaffen van offertes met betrekking tot bepaalde stelposten - doet hieraan niet af. Het had op de weg van [geïntimeerden] gelegen om Lymbouw ook ten aanzien van deze werkzaamheden in gebreke te stellen. Daartoe is zij evenwel niet overgegaan.
[geïntimeerden] betoogt juridisch een leek te zijn zodat van [geïntimeerden] niet verwacht mag worden om de juiste bewoordingen te kiezen. Feit is evenwel dat geen sprake is van een verzuimsituatie zodat ook een juist geformuleerde ontbindingsverklaring geen rechtsgevolg zou hebben gehad. Bovendien werd [geïntimeerden] een maand voorafgaande aan de in het geding zijnde mededeling, bijgestaan door een advocaat en heeft [geïntimeerden] toen de overeenkomst partieel ontbonden nadat Lymbouw in gebreke was gesteld. Het hof verwerpt dan ook de stelling van [geïntimeerden] inhoudende dat hij op dit gebied een leek was.
3.7.6.
De e-mail van 10 juli 2019 kwalificeert het hof als een opzegging. Middels deze mededeling is aan Lymbouw te verstaan gegeven dat zij haar werk niet meer mocht uitvoeren. Lymbouw mocht dit opvatten als een opzegging. Grief VI slaagt.
3.7.7.
Dit leidt eveneens tot het slagen van grief XVIII nu Lymbouw als gevolg van dit oordeel op grond van het bepaalde in artikel 7:764 lid 2 BW in beginsel recht heeft op de aanneemsom (ook voor het als gevolg van de opzegging niet uitgevoerde werk) minus de besparingen.
Grief VII: afrekening
3.8.
Grief VII bouwt voort op de vorige grief en richt zich tegen r.o. 4.14 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank de gevolgen van de ontbinding weergeeft. Deze grief behoeft geen zelfstandige beoordeling en slaagt, gelet op de beoordeling van de vorige grief, eveneens.
Grief VIII: waarschuwing
3.9.1.
Grief VIII richt zich tegen r.o. 4.15 van het vonnis waarin de stellingen van partijen worden weergegeven. Lymbouw betoogt dat de rechtbank aan deze stellingen had moeten toevoegen dat zij het meerwerk keurig had bijgehouden en erover met [geïntimeerden] had gecorrespondeerd.
3.9.2.
Nu Lymbouw in de toelichting bij deze grief nalaat aan te geven tot welk ander oordeel dit had moeten leiden, slaagt deze grief niet. In r.o. 4.16 oordeelt de rechtbank dat nu [geïntimeerden] werd bijgestaan door A&S, [geïntimeerden] bij een opdracht tot meerwerk, niet zijnde stelposten, een prijsverhoging behoorde te begrijpen. Nu hiertegen geen incidenteel hoger beroep is ingesteld, staat dit oordeel in hoger beroep vast. Een en ander neemt niet weg dat het aan Lymbouw is om per post aan te geven of zij daadwerkelijk van [geïntimeerden] een opdracht tot het te verrichten meerwerk heeft gekregen.
Voor zover in de grief melding wordt gemaakt van de stelposten, zal het hof dit in de volgende grieven beoordelen.
Grief IX: de stelposten
3.10.1.
Lymbouw betoogt in grief IX dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een stelpost iets anders is dan een richtprijs als bedoeld in artikel 7:752 BW. Zij stelt al van meet af aan te hebben gewaarschuwd voor het feit dat de stelposten veel te laag waren en onderbouwt dit met een verwijzing naar haar brieven van 9 en 26 februari 2018.
3.10.2.
[geïntimeerden] betoogt dat Lymbouw dient in te staan voor de prijzen die zij in de offerte voor de stelposten heeft vermeld. [geïntimeerden] betwist dat de prijzen afkomstig zouden zijn van A&S, maar ook al zou dat het geval zijn, dan had Lymbouw deze niet mogen overnemen. Bovendien stelt [geïntimeerden] dat Lymbouw niet een algemene waarschuwing voor de stelposten zou moeten geven maar dat per concrete stelpost had moeten doen.
3.10.3.
De rechtbank oordeelt in het bestreden vonnis dat stelposten te beschouwen zijn als een richtprijs als bedoeld in artikel 7:752 BW. De gegeven waarschuwingen voldoen naar het oordeel van de rechtbank niet aan het gestelde in lid 2 van voormeld artikel, nu [geïntimeerden] niet meer de mogelijkheid had om het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen. Bovendien was onduidelijk waarop de waarschuwingen zagen en tot welke prijsverhoging zij zouden leiden.
3.10.4.
Het hof zal hierna deze algemeen geformuleerde grief beoordelen bij de grieven die zien op de in hoger beroep te beoordelen stelposten, zijnde:
grief X: schoonhouden bouwterrein
grief XI: steiger
grief XII: noodvoorzieningen (bewijsaanbod in akte)
grief XIII: dakbedekkingen, nalopen dakpannen
Grief X: schoonhouden bouwterrein
3.11.1.
De rechtbank heeft ten aanzien van de stelpost “tussentijds schoonhouden van het bouwterrein” geoordeeld dat Lymbouw onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de overschrijding van deze post.
3.11.2.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat partijen over de post al in een vroegtijdig stadium hebben gecorrespondeerd. In de brief van 9 februari 2018 geeft A&S aan Lymbouw het volgende te kennen:
“(…)Graag de begroting met nummer 40038 aanpassen op de navolgende zaken:
Opdrachtgever vindt de totale post 2.0 aan de hoge kant.”
De offerte met voormeld nummer omvat in post 2.0 een bedrag van € 26.255,48 en daarin is de onderhavige post begroot op € 5.241,24.
Feiten
Na voormeld bericht van de opdrachtgever reageert Lymbouw met de mededeling:
“We kunnen de verrekenposten en stelposten naar beneden draaien, maar de tijd zal het uitwijzen of dat reëel is.”
Vervolgens stuurt Lymbouw op 26 februari 2018 aan A&S de aangepaste begroting waarbij zij aangeeft:
“We willen er wel bij vermelden dat de meeste Stelposten op dit moment zijn gecreëerd door u en uw opdrachtgever. We kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden wanneer achteraf blijkt dat bepaalde stelposten niet toereikend waren.”
3.11.3.
Het hof stelt voorop dat het hier een stelpost betreft die objectief in te vullen is. De invulling ervan is niet afhankelijk van keuzes die de opdrachtgever nog moet maken. Het moge zo zijn dat A&S er bij Lymbouw op heeft aangedrongen om de stelposten “naar beneden te draaien” maar het gaat hier wel om een stelpost waarop Lymbouw (als enige) toezicht heeft; zij bepaalt wanneer er een tussentijdse schoonmaak moet plaatsvinden en zij weet dus wanneer de kosten voor deze stelpost hoger zijn dan in de offerte aangegeven. Er is, onder deze omstandigheden, naar het oordeel van het hof, nog altijd de verplichting van Lymbouw om [geïntimeerden] en/of A&S te waarschuwen op het moment dat deze kosten de stelpost overschrijden. Dit geldt temeer nu Lymbouw zelf heeft aangegeven dat op het moment dat over deze stelpost werd gecommuniceerd, niet duidelijk was of er een overschrijding zou gaan plaatsvinden: de tijd zou het leren.
3.11.4.
De grief slaagt dan ook niet.
Grief XI: de steiger
3.12.
Voormeld oordeel geldt eveneens voor de post “steigerhuur, plaatsen etc.” Het lag op de weg van Lymbouw om, zodra haar kosten de omvang van de stelpost overschreden, dit expliciet aan haar opdrachtgever te melden. De grief slaagt om deze reden evenmin.
Grief XII: noodvoorziening
3.13.1.
De post “noodvoorzieningen” valt eveneens onder 2.0 en was door Lymbouw geoffreerd voor een bedrag van € 5.000,00. In de brief van 9 februari 2018 geeft A&S expliciet aan dat de stelpost moet worden aangepast naar € 1.000,00. De rechtbank heeft het bedrag boven de € 1.000,00, zijnde € 955,91, afgewezen omdat betwist was dat deze werkzaamheden nodig waren. Het lag op de weg van Lymbouw om nader te onderbouwen waarom dit werk noodzakelijk was en waarom het werk geen verband hield met de voor haar risico komende vertraging, aldus de rechtbank.
3.13.2.
Het werk betrof het dichtzetten van het gebouw met underlaymentplaten. Het werk was noodzakelijk omdat A&S de kozijnen té vroeg (voor het uitwisselen) uit het pand had laten slopen, aldus Lymbouw.
3.13.3.
Het hof beoordeelt deze grief als volgt. [geïntimeerden] heeft niet betwist dat het gebruikelijk is om kozijnen stuk voor stuk uit te wisselen. Als dan, voordat de nieuwe kozijnen geleverd zijn, de oude kozijnen worden verwijderd, ligt het voor de hand dat er noodvoorzieningen moeten worden getroffen. Dit had A&S kunnen en moeten weten. Een waarschuwing was dan ook overbodig.
[geïntimeerden] betwist de gestelde werkzaamheden. Deze betwisting acht het hof onvoldoende nu Lymbouw het werk aan de hand van een overzicht en de werkbonnen voldoende heeft onderbouwd.
3.13.4.
De grief slaagt en leidt tot toewijzing van een bedrag van € 955,91.
Grief XIII: dakbedekkingen nalopen dakpannen
3.14.1.
De rechtbank heeft de post “nalopen dakpannen” grotendeels afgewezen omdat voor de overschrijding van deze post niet is gewaarschuwd. Lymbouw stelt dat het hier gaat om een subjectief in te vullen stelpost. [geïntimeerden] en A&S kunnen meer of andere dakpannen aanwijzen dan alleen een paar gebroken pannen, zo betoogt Lymbouw in grief XIII.
3.14.2.
Het hof verwerpt deze grief. In de eerdere offerte waren meer werkzaamheden opgenomen dan alleen het nalopen van de dakpannen. Lymbouw heeft onvoldoende aangegeven hoe deze stelpost in de geaccepteerde offerte terecht is gekomen. Een vergelijking met de hieraan voorafgaande stelposten gaat dan ook niet op. Naar het oordeel van het hof gaat het hier niet om een subjectief in te vullen stelpost. Het was Lymbouw bekend hoeveel dakpannen zij moest nalopen althans dat had haar bekend kunnen zijn dus zij had de post objectief kunnen begroten.
Grief XIV: grotere spuwer plaatsen
3.15.1.
Lymbouw betoogt in grief XIV dat de rechtbank ten onrechte haar meerwerk-vordering inhoudende dat zij opdracht had om een grotere spuwer te plaatsen, heeft afgewezen. De rechtbank is hiertoe overgegaan omdat de gewijzigde opdracht niet was komen vast te staan.
3.15.2.
De grondslag voor de vordering uit hoofde van dit werk is gelegen in de stelling van Lymbouw dat dit werk is uitgevoerd na verkregen gewijzigde opdracht. Dit wordt door [geïntimeerden] betwist zodat het aan Lymbouw is om het bewijs van deze stelling te leveren. Dit biedt zij aan en het hof zal haar in de gelegenheid stellen om dit bewijs te leveren.
Grief XV: douchevloer uithakken
3.16.1.
Lymbouw voert in grief XV aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat zij niet heeft onderbouwd dat er aanvankelijk al voldoende afschot was en dat er sprake is van een gewijzigde opdracht. [geïntimeerden] erkent de kosten wel, maar brengt als bevrijdend verweer naar voren dat het afschot onvoldoende was. Het is dus [geïntimeerden] die bewijs moet leveren, aldus Lymbouw.
3.16.2.
Het hof verwerpt deze grief. Het is Lymbouw die de meerkosten vordert en daaraan ten grondslag legt dat zij een gewijzigde opdracht van [geïntimeerden] daarvoor heeft ontvangen. [geïntimeerden] heeft betwist dat zij een dergelijke opdracht aan Lymbouw zou hebben gegeven. Het is dan aan Lymbouw om het bewijs van deze stelling aan te bieden, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Grief XVI: GB ankers plaatsen tbv uitbouw
3.17.1.
Lymbouw stelt in grief XVI dat dit werk, het plaatsen van GB ankers, nergens in de overeenkomst wordt genoemd en dat het dus meerwerk is waarvoor [geïntimeerden] dient te betalen.
3.17.2.
De grief slaagt niet. De rechtbank heeft overwogen dat het plaatsen van een uitbouw onderdeel was van de opdracht aan Lymbouw en dat daarvoor het plaatsen van ankers nodig was. Tegen deze overwegingen heeft Lymbouw geen grief gericht zodat ze in hoger beroep komen vast te staan. [geïntimeerden] mocht er dan ook vanuit gaan dat de kosten voor dit werk in de offerte waren meegenomen, ook al was dit werk niet met zoveel woorden in de offerte genoemd. Het is geen meerwerk nu hiervoor geen aparte opdracht gegeven diende te worden. In beginsel zijn het kostprijsverhogende omstandigheden die voor rekening van de aannemer blijven.
Grief XVII: dakramen aftimmeren
3.18.1.
Lymbouw stelt in grief XVII dat de rechtbank de vordering onder de post “dakramen aftimmeren” ten onrechte heeft afgewezen. Lymbouw stelt dat dit werk, het aftimmeren van de dakramen, meerwerk betreft. Zij biedt bewijs aan van haar stelling dat daarmee een bedrag van € 699,56 gemoeid is.
3.18.2.
Het hof verwerpt deze grief. De rechtbank heeft dit deel van de vordering afgewezen omdat Lymbouw niet heeft uitgelegd waarom dit werk geen onderdeel van het geoffreerde werk was.
Feiten
Ook in hoger beroep heeft zij dat niet uitgelegd. Voor het toewijzen van een vordering uit hoofde van meerwerk dient vast te staan dat Lymbouw een aanvullende opdracht van [geïntimeerden] daarvoor heeft gekregen hetgeen alleen nodig is als het werk niet tot de overeengekomen werkzaamheden behoort. Het hof passeert het bewijsaanbod nu niet wordt toegekomen aan de vraag welke kosten met het gestelde werk gemoeid waren.
Grieven XIX tot en met XXV en XXVII: de na opzegging niet (geheel) uitgevoerde posten
3.19.1.
De grieven XIX tot en met XXV zien op posten uit de offerte die niet of niet volledig zijn uitgevoerd als gevolg van de opzegging door [geïntimeerden] . Krachtens lid 2 van artikel 7:764 BW heeft Lymbouw recht op de voor het gehele werk geldende prijs (dus de prijs in de offerte per post) verminderd met de besparingen die voor haar uit de opzegging voortvloeien.
3.19.2.
Lymbouw heeft per post het geoffreerde bedrag inclusief btw genomen en daarop in mindering gebracht het deel van het geoffreerde bedrag waarvoor nog geen arbeid en materialen waren geleverd. Als er in het geheel nog niet aan de post was gewerkt, dan voerde zij de post inclusief btw op als minderwerk en bracht daar dan op in mindering de besparingen zijnde de aannemersprovisie van 10%, de werkvoorbereiding van 2%, de uitvoeringskosten van 5% en de CAR-verzekering van 0,35% (in totaal 17,35 % aan staartkosten). Vervolgens werd daarover de btw berekend.
3.19.3.
[geïntimeerden] heeft betoogd dat Lymbouw geen recht had op enig bedrag per post; elke post diende in haar geheel als minderwerk op de aanneemsom in mindering te worden gebracht. Zij betwistte ook de stelling dat er voor bepaalde posten al werk of materiaal was geleverd.
3.19.4.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat [geïntimeerden] de stelplicht en bewijslast heeft van het bestaan en de omvang van besparingen. Lymbouw heeft een mededelingsplicht en daaraan heeft zij naar het oordeel van het hof in elk geval voldaan, voor zover het de staartkosten van 17,35% betreft.
3.19.5.
[geïntimeerden] heeft niet althans onvoldoende gesteld dat alle niet uitgevoerde posten in hun geheel besparingen betroffen. Hij heeft wel de omvang van de besparingen over een aantal posten ter discussie gesteld maar Lymbouw heeft daarop voldoende gemotiveerd verweer gevoerd voor zover het de staartkosten betreft en [geïntimeerden] heeft voor de onderbouwing van haar stellingen geen bewijs aangeboden. Het hof oordeelt dat de grieven “XIX metselwerk gevel injecteren”, “XX spouwisolatie en vloerisolatie”, “XXI overstek en overkapping”, “XXII binnendeuren architraven hang/sluitwerk en balustrade vastzetten”, “XIII nieuwe trap slaapkamer”, “XXV: vensterbanken nieuwe plinten smeerlatten” en “XXVII: lichtstraat” slagen voor zover het de staartkosten betreft. Terecht brengt Lymbouw deze posten slechts deels, namelijk voor zover het niet gaat om een besparing, op haar vordering (als minderwerk) in mindering. Voor zover Lymbouw met haar opmerking dat voor de posten “XX spouwisolatie en vloerisolatie” en “XXI overstek en overkapping” werkzaamheden zijn verricht, betoogt dat meer dan de opslag in mindering mag worden gebracht, verwerpt het hof dat betoog. Met de algemene opmerkingen, waaronder die dat offertes zijn gevraagd, naar oplossingen is gezocht en Lymbouw ervoor terug heeft moeten komen, heeft Lymbouw niet aan haar mededelingsplicht voldaan omdat daaruit onvoldoende kan worden opgemaakt welke kosten daarmee gepaard zijn gegaan.
Grief XXIV: tegelwerk
3.20.1.
Lymbouw betoogt in grief XXIV dat de rechtbank ten onrechte de volledige post “tegelwerk” als minderwerk op haar vordering in mindering heeft gebracht. Lymbouw stelt dat zij al veel voorbereidend werk aan de post “tegelwerk” had verricht op het moment dat [geïntimeerden] dit minderwerk opdroeg. Het betrof onder meer het inventariseren van de eisen en wensen van [geïntimeerden] en het tonen van voorbeelden.
3.20.2.
[geïntimeerden] betwist deze stellingen.
3.20.3
Het hof stelt vast dat de opdracht tot minderwerk is gegeven. In beginsel kunnen de kosten hiervoor dan ook niet bij [geïntimeerden] in rekening worden gebracht. Lymbouw stelt dat zij voorafgaande aan deze opdracht tot minderwerk, al aan dit deel van de offerte had gewerkt en zij begroot de tegenprestatie kennelijk op de staartkosten. Het hof verwerpt deze grief. Het is aan Lymbouw om te stellen en te onderbouwen hoeveel arbeid (en evt materiaal) zij al had besteed voordat de opdracht tot minderwerk was gegeven. Lymbouw kan niet volstaan met een enkele begroting die geen relatie heeft met deze arbeid.
Grief XXVII: de lichtstraat
3.21.1.
Lymbouw betoogt in grief XXVII dat de rechtbank ten onrechte de post “lichtstraat” als vervangende schadepost beschouwt en deze waardeert op een bedrag van € 5.256,74. Lymbouw meent dat zij recht heeft op de staartkosten nu deze geen besparing zijn.
3.21.2.
Deze grief slaagt. [geïntimeerden] vordert dit bedrag als een onderdeel van de vervangende schadevergoeding als gevolg van de partiële ontbinding die op 8 mei 2019 door [geïntimeerden] is ingeroepen. Deze ontbinding zag niet alleen op de kozijnen en puien maar ook op de lichtstraat, aldus [geïntimeerden] . Naar het oordeel van het hof was Lymbouw enkel in verzuim met het bestellen van de puien en kozijnen en heeft [geïntimeerden] niet althans onvoldoende toegelicht waarom deze verzuimsituatie zich ook uitstrekte tot het werk dat zag op de lichtstraat. Nu niet is komen vast te staan dat de ontbinding gerechtvaardigd was voor dit werk, heeft [geïntimeerden] geen recht op een vervangende schadevergoeding daarvoor. Lymbouw heeft dus recht op de staartkosten over deze post. Het hof verwijst voorts naar hetgeen onder 3.19.5 is overwogen.
Grief XXVIII: vertragingsschade
3.22.1.
Lymbouw betoogt in grief XXVIII dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [geïntimeerden] uit hoofde van artikel 6:85 BW ten bedrage van € 18.577,46 heeft toegewezen. De rechtbank overweegt dat Lymbouw vanaf 13 juli 2018 tot half januari 2019 en vanaf half mei 2019 in verzuim was; zij berekent de vertragingsperiode op 6,5 maand en komt dan op vergoeding van kosten vervangende woonruimte, parkeerkosten en kosten gas/water/licht over deze periode van voormeld toegewezen bedrag.
3.22.2.
Lymbouw stelt dat de verbintenis tot oplevering van het werk pas opeisbaar was medio november 2018 en dat medio januari 2019 het verzuim is geëindigd. Lymbouw wijst voorts op het feit dat de woning in de zomervakantie van 2019 volledig gereed was en dat enkel relevant is wanneer de aan haar opgedragen werkzaamheden zouden zijn voltooid. Tot slot betwist zij de omvang van de gestelde schadeposten.
3.22.3.
[geïntimeerden] geeft aan dat zij destijds al beschikte over vervangende woonruimte in verband met de verbouwing. Een verhuizing kan dan van hem in alle redelijkheid niet worden gevorderd. Hij wijst er voorts op dat hij dubbele kosten heeft moeten maken.
3.22.4.
Deze grief slaagt. Gelet op de aard van de gevorderde schadevergoeding geldt dat [geïntimeerden] de kosten voor de vervangende woonruimte c.a. zonder verzuim van Lymbouw ook had moeten maken over de periode tot, in ieder geval, 1 november 2018. De uitgave van deze bedragen kan dan ook niet als schade aan het verzuim worden toegerekend.