Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:802
Strafrecht
Hoger beroep
4,513 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002432-24
Uitspraak : 21 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 6 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-161949-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van (t.a.v. feit 1) “het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd en (t.a.v. feit 2) “diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Verder is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schadevergoeding en is voor hetzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten zal bewezen verklaren en aan hem zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen en daarnaast voor hetzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich voor wat betreft (het bewijs voor) de feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Wel heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 16 februari 2024 tot en met 29 februari 2024, te Middelburg in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf aan [adres] , bij een ander, te weten bij [benadeelde] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 16 februari 2024 tot en met 29 februari 2024, te Middelburg, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere muziekinstrumenten en toebehoren en/of een of meerdere elektronische apparaten en toebehoren en/of een blok zilver, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode 16 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Middelburg in de woning aan [adres] , bij een ander, te weten bij [benadeelde] , in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.hij in de periode 16 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 te Middelburg, in een woning aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere muziekinstrumenten en toebehoren en meerdere elektronische apparaten en toebehoren en een blok zilver, die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024052104, gesloten d.d. 4 juni 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 48). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 maart 2025, voor zover inhoudende: “Ik beken de aan mij onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en heb daarom geen bezwaren tegen een bewezenverklaring van beide feiten.”
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 februari 2024, met bijlage, pagina’s 8 tot en met 11, inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde] .
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 12 maart 2024, pagina’s 12 tot en met 15, inhoudende de aanvullende verklaring van aangever [benadeelde] .
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 februari 2024, pagina’s 16 tot en met 18, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] .
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 februari 2024, pagina’s 45 tot en met 47, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] .
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 februari 2024, pagina’s 19 tot en met 21, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
Het proces-verbaal van bevindingen betreffende aantreffen gitaren d.d. 25 mei 2024, pagina’s 22 en 23, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 mei 2024, pagina’s 26 tot en met 32, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan woningvredebreuk en diefstal uit een woning.
Ongeveer een jaar voor de bewezenverklaarde periode van 16 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 heeft aangever de verdachte, die op dat moment dakloos was en financiële problemen had, onderdak geboden door hem in huis te nemen. Echter, na een voorval zo’n twee weken voor het bewezenverklaarde heeft aangever de verdachte het huis uit gezet en de sloten van zijn huis vervangen. Desalniettemin heeft de verdachte in de bewezenverklaarde periode, zonder medeweten en zonder toestemming van aangever, in de woning van aangever verbleven, waarbij hij de woning via een raam is binnengeklommen. Gedurende zijn verblijf in de woning heeft de verdachte meerdere muziekinstrumenten, elektronische apparaten en een blok zilver uit de woning van aangever gestolen. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangever en hem materiële schade berokkend; ook heeft de verdachte het vertrouwen van aangever – in de verdachte in het bijzonder en in de medemens in het algemeen – ernstig aangetast en ervoor gezorgd dat aangever zich niet meer veilig voelde in zijn eigen huis, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die aangever in eerste aanleg heeft overgelegd en in hoger beroep heeft gehandhaafd. Daarbij weegt het hof ook mee dat aangever voor de verdachte feitelijk een weldoener is geweest, omdat hij hem een jaar in huis heeft genomen. Dat beantwoorden met de bewezenverklaarde feiten acht het hof extra ernstig. Het hof rekent het de verdachte daarom aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 december 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder, ook in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Uiteindelijk heeft verdachtes strafblad in de straftoemeting maar een zeer beperkte rol gespeeld.
Het hof heeft meer gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is hieromtrent gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde dakloos was en veel problemen had, maar daarna een positieve persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij sinds vorig jaar een vaste kamer heeft bij het Legers des Heils in [plaatsnaam] en een vast contract als schipper op het binnenvaartschip [naam schip] , alwaar hij het grootste gedeelte van zijn tijd doorbrengt. Hij heeft bovendien de verantwoordelijkheid genomen voor hetgeen hij heeft gedaan en naar eigen zeggen, heeft hij ook weer contact met aangever.
De advocaat-generaal heeft bij het bepalen van haar strafeis (oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren) rekening gehouden met de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, alsmede een taakstraf van 60 uren.
Bij zijn beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten zoals neergelegd in het document ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een insluiping in een woning met een bewezenverklaring op grond van artikel 310 of artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht schrijven de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voor.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden in beginsel passend en geboden. Echter, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die hiervoor zijn beschreven, ziet het hof in deze zaak reden om een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf toe te passen. De positieve wending die verdachtes leven heeft genomen, hoeft daarmee niet te worden doorkruist.
Alles afwegende, acht het hof passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Het hof ziet geen aanleiding om daarnaast, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.
Het hof is van oordeel dat uit het dossier, waaronder de schriftelijke slachtofferverklaring van aangever, en het verhandelde ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 21 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.A. van Roosmalen en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.