Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:792
Strafrecht
Hoger beroep
5,174 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001459-24
Uitspraak : 11 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-081475-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als:
- ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1)’,
- ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd (feit 2)’, en
- ‘een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet, dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd (feit 3)’,
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 166 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank de volgende – samengevat weergegeven – bijzondere voorwaarden verbonden:
- een meldplicht bij de reclassering,
- meewerken aan een ambulante behandeling, en
- een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] .
Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021, tot aan de dag der algehele voldoening. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] is tevens de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum opgelegd. Tot slot is de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot dan begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf alsmede behoudens de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij dezelfde bijzondere voorwaarden als opgenomen in het beroepen vonnis, en met een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot het bedrag van € 12.500,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Door de verdediging is verzocht om het vonnis van de rechtbank integraal te bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het bewijsmiddel inhoudende de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 mei 2024 – gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting van de rechtbank op voornoemde datum – verbetering behoeft. Het hof vervangt de op pagina 3 van het vonnis, in de vierde alinea opgenomen zin (bevattende een weergave van de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg) ‘Het was geen gelijkwaardige relatie’ door de zin zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, te weten: ‘In zekere mate zag ik het niet als een gelijkwaardige relatie.’
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich in de periode van 1 november 2018 tot 1 maart 2021 meermalen schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met aangeefster (geboren in [geboortedatum] ), die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, zoals in de bewezenverklaring omschreven. Tevens heeft de verdachte meerdere keren naaktfoto’s naar die [slachtoffer 1] verstuurd. Het hof acht dit zeer kwalijke feiten en rekent de verdachte dit dan ook aan.
De rechtbank heeft met betrekking tot de op te leggen straf het volgende overwogen:
“De verdachte heeft als 26-jarige man (toen het begon) gedurende een periode van (ongeveer) drie jaren seksuele handelingen verricht met een meisje dat jonger dan 16 jaar was. [slachtoffer 1] (het hof begrijpt en hierna telkens: [slachtoffer 1] ) was nog geen 13 jaar oud toen de seksuele relatie begon. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Dat deze handelingen niet of niet geheel tegen de wil van het slachtoffer hebben plaatsgevonden, maakt de verdachte niet minder strafbaar. De wetgever heeft er juist voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen, omdat jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om zelf hun seksuele integriteit te bewaken en/of zelfstandig de (emotionele) gevolgen van seksueel contact in te schatten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de op te leggen straf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland ( [adres 2] / [telefoonnummer] ) meldt. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;
dat de veroordeelde meewerkt aan een intake en zich laat, indien geïndiceerd, behandelen door de [zorginstelling 2] ambulant of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met mevrouw [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de hiervoor onder 1 en 2 vermelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 11 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. drs. M.C.C. van de Schepop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Het is een feit van algemene bekendheid dat het plegen van ontucht vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid en de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer.
Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en haar moeder blijkt dat het voor [slachtoffer 1] buitengewoon ingrijpend is geweest en ook nu nog is, evenals voor haar familie.
Dat de verdachte er niet op uit leek te zijn om een seksuele relatie met een minderjarige te hebben, het feit dat er tussen de verdachte en het slachtoffer een affectieve relatie bestond en de proceshouding van de verdachte waarin hij verantwoordelijkheid lijkt te nemen, weegt de rechtbank wel ten voordele van de verdachte mee bij het bepalen van de straf. Daarbij heeft de verdachte een baan en heeft hij zijn leven op orde. (…)
Hoewel de ernst van de feiten in principe een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, zoals de officier van justitie eist, acht de rechtbank dat in dit specifieke geval - gelet op voornoemde omstandigheden - voor deze verdachte niet passend. Het gaat desalniettemin nog steeds om ernstige feiten (…).
Door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen aan de verdachte, wil de rechtbank enerzijds de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds de verdachte ervan weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden, gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport, bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals die door de reclassering zijn geformuleerd. (…)”
Het hof sluit zich geheel aan bij de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank. Het hof neemt die overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Echter, in het bijzonder gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat de straffen zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd, niet passend zijn en dat een langere, deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. Oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof aan die strafmodaliteit voorbijgaat. De eis van de advocaat-generaal acht het hof echter te zwaar.
Alles afwegende acht het hof – gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte – zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Met betrekking tot de aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden bijzondere voorwaarden overweegt het hof als volgt.
De reclassering heeft in het rapport d.d. 27 oktober 2023 geadviseerd om aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden die gericht zijn op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten, te weten: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan een intake en indien geïndiceerd ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer 1] . Het hof ziet aanleiding om de bijzondere voorwaarden, die in het voornoemde reclasseringsadvies zijn opgenomen, aan de voorwaardelijke straf te verbinden en de reclassering de opdracht te geven tot het houden van toezicht op de naleving daarvan.
Het hof zal anders dan gevorderd door de advocaat-generaal niet de dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod bevelen nu naar zijn oordeel aan de voorwaarden daarvan niet wordt voldaan.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces tegen de verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 31.000,00 (bestaande uit € 18.500,00 aan materiële schadevergoeding en € 12.500,00 aan immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 (bestaande uit immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De advocate van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat de gevorderde proceskosten (te weten € 10,00 reiskosten) in hoger beroep niet langer worden gevorderd.
De verdediging heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen inclusief de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat niet zonder meer is vast te stellen dat de gestelde studievertraging van de benadeelde partij een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. In het leven van de benadeelde partij speelden op het moment van de bewezenverklaarde feiten namelijk nog andere zaken, waaronder het overlijden van haar stiefvader. In een Eindverslag van [zorginstelling 1] d.d. 19 september 2023 wordt hierover opgemerkt: " [slachtoffer 1] kan aangeven dat het misbruik niet meer zo zwaar weegt als voorheen. [slachtoffer 1] geeft aan dat het gemis van haar plots overleden stiefvader [naam] sterker is." Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij tot een nadere onderbouwing levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden kan de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet worden ontvangen en kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Het hof is voorts van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] door de ontuchtige handelingen van de verdachte, die mede hebben bestaan uit seksueel binnendringen, zoals onder 1 en 2 bewezen is verklaard, in haar persoon is aangetast en dat zij als gevolg daarvan leed heeft ondervonden. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, brengen naar het oordeel van het hof reeds mee dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die seksueel zijn misbruikt daar in de toekomst nog veel last van kunnen ondervinden. Bovendien is bij de benadeelde partij sprake van klachten die passen bij een Posttraumatische Stressstoornis, waarvoor een behandeling geïndiceerd is. Aan het leed van [slachtoffer 1] en de doorwerking daarvan is in de verklaring die in eerste aanleg in het kader van het spreekrecht is afgelegd ook uiting gegeven.
Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 10.000,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021, zijnde laatste dag van de bewezenverklaarde periode.