Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-21
ECLI:NL:GHSHE:2025:786
Strafrecht
Hoger beroep
3,615 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001300-24
Uitspraak : 21 februari 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 mei 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-245286-22 en 02-011371-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren in het jaar 1979 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van:
(parketnummer 02-245286-22)
1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
2. diefstal;
3. primair: diefstal;
(parketnummer 02-011371-23)
verduistering,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Voorts heeft de politierechter beslist met betrekking tot het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-011371-23 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 02-245286-22 onder 1 en 3 tenlastegelegde en heeft vrijspraak bepleit van het in die zaak onder 2 tenlastegelegde. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
zaak met parketnummer 02-245286-22
Aan de bewijsmiddelen die reeds ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring door de politierechter van het in de zaak met parketnummer 02-245286-22 onder 2 tenlastegelegde wordt toegevoegd:
Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van verbalisant [verbalisant 1] , opgenomen op pagina 59 van het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022275566 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De aandachtvestiging bevatte videobeelden. Hiervan is 1 still gemaakt.
- still 1
Ik zie de verdachte door een fietsenstalling lopen en hier een fiets meenemen. De persoon op still 1 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1979
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Ik ben werkzaam op basisteam Roosendaal en heb de verdachte meerdere keren gesproken en aangehouden. Ik ken de verdachte goed.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herken de verdachte aan zijn postuur, gezichtsvorm en zijn uiterlijk.
Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: Ik herken hem aan de vorm en stand van zijn ogen, mond en loopje.
Ik herkende hem onmiddellijk. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
zaak met parketnummer 02-011371-23
Het hof heeft voorts geconstateerd dat bewijsmiddel 3.12 op pagina 7 van het vonnis, het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgenomen op pagina 12 en 13 van het eindproces-verbaal nr. PL2000-2022222102 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, aanvulling behoeft, aldus dat voor de zin ‘Ik heb [verdachte] gevraagd of hij mijn voertuig op 20 augustus 2022 op wou halen bij de garage.’ wordt ingevoegd: ‘Op woensdag 21 augustus [het hof begrijpt: 2022] zag ik op mijn camerabeelden, via mijn telefoon, dat de politie aan mijn deur was geweest. Ik heb toen gebeld en er werd mij gevraagd waar mijn bestelauto voorzien van het kenteken [kenteken] was. Ik heb toen tegen de politie gezegd dat deze voor de deur van mijn woning stond. Ik hoorde vervolgens van de politie dat mijn personenauto na een achtervolging in beslag was genomen. Ik kan u het navolgende verklaren:’
Bewijsoverwegingen
Het hof vervangt de bewijsoverwegingen van de politierechter, opgenomen op pagina 8 van het vonnis, door het navolgende.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-245286-22 onder 2 tenlastegelegde feit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte dit feit heeft gepleegd. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.Uit de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt, dat hun herkenningen van de verdachte hebben plaatsgevonden op basis van een foto (still) van de camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 2] schrijft dat hij de verdachte herkent aan zijn manier van lopen, draaien en kijken. Verbalisant [verbalisant 1] schrijft het loopje van de verdachte te herkennen. Dat is allemaal onmogelijk op basis van een foto (still) van de camerabeelden. De herkenningen van verdachte door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn dan ook onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebruikt. Uitsluitend de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 3] , die volgens zijn proces-verbaal op basis van de camerabeelden heeft plaatsgevonden, is – met kanttekeningen – bruikbaar voor het bewijs. Dat laatste proces-verbaal levert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-245286-22 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt met betrekking tot de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] het volgende vast. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] is vermeld: “Op de camerabeelden zie ik een man lopen (…).” In het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar schrijft verbalisant [verbalisant 1] : “Ik zie de verdachte door een fietsenstalling lopen en hier een fiets meenemen.” Verbalisant [verbalisant 3] geeft in zijn proces-verbaal van bevindingen aan: “Ik bekeek de camerabeelden waarop een diefstal van een fiets was te zien.” Gelet hierop is voor het hof genoegzaam duidelijk dat de herkenning van de verdachte door verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] op basis van de camerabeelden van de diefstal heeft plaatsgevonden en niet uitsluitend op basis van een foto (still). Dat blijkt ook uit de herkenning door verbalisant [verbalisant 2] van de manier van lopen, draaien en kijken van de verdachte en de herkenning van het loopje van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] , nu deze uiterlijke kenmerken alleen op bewegende beelden kunnen worden waargenomen en herkend. Verbalisant [verbalisant 2] schrijft weliswaar dat hij de verdachte op ‘de foto’ herkende en verbalisant [verbalisant 1] schrijft dat hij de persoon op ‘still 1’ als de verdachte herkent, maar dat wil niet zeggen dat de herkenning door deze verbalisanten uitsluitend op basis van een foto (still) heeft plaatsgevonden. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] , is van de videobeelden in de aandachtvestiging een foto (still 1) gemaakt. Deze foto (still) is als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] .
Het hof neemt voorts in aanmerking dat alle drie de verbalisanten in hun processen-verbaal vermelden dat zij de verdachte ambtshalve kennen. Verbalisant [verbalisant 1] geeft aan de verdachte goed te kennen omdat hij hem meerdere keren heeft gesproken en aangehouden. Verbalisant [verbalisant 2] vermeldt dat hij de verdachte veelvuldig tegenkomt op straat. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het hof dan ook geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen die door de drie genoemde verbalisanten bovendien in een ambtsedig proces-verbaal zijn vastgelegd.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de strafoplegging door de politierechter, bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van
4 maanden.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de politierechter aan de verdachte is opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vier strafbare feiten. De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal van een elektrische fiets. Voorts heeft de verdachte ingebroken in een container die was ingericht als een restaurantbar, door de sloten van deze container met een slijptol door te slijpen. Nadat de verdachte zich op die manier toegang had verschaft tot de container heeft hij uit deze container de inhoud van de fooienpot ten bedrage van ongeveer € 100,00 en een flesje Fristi en een flesje Chocomel weggenomen.
Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van anderen en heeft hij blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een personenauto. Een dergelijk feit brengt over het algemeen schade teweeg aan de eigenaar van het verduisterde goed en veroorzaakt overlast en ergernis bij de gedupeerde.
Dit alles weegt het hof bij de strafoplegging mee in het nadeel van de verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel van 31 pagina’s blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, waaronder in 2017 één maal voor diefstal, in 2018 drie maal voor telkens (gekwalificeerde) diefstal, in 2019 één maal voor diefstal, in 2020 één maal voor diefstal en in 2021 één maal voor twee gevallen van schuldheling. Het hof weegt deze veroordelingen, die maken dat sprake is van veelvuldige recidive, in strafverzwarende zin mee. Voor winkeldiefstal heeft de verdachte in 2018 een ISD-maatregel opgelegd gekregen, die in 2019 is verlengd en kennelijk onvoldoende effect heeft gehad op het risico op recidive, gezien onder meer de veroordelingen voor schuldheling in 2021.
Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van diefstal van een elektrische fiets terwijl er sprake is van veelvuldige recidive.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
gelast de teruggave aan [aangever 2] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Fiets Dames, Merk/type Batavus (Goednummer: PL2000-2022256693-2507941);
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Fietstassen zwart (Goednummer: PL2000-2022256693-2507941);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Dit arrest is gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 21 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.