Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:775
Strafrecht
Hoger beroep
5,560 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000069-24
Uitspraak : 12 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-265219-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans volgens opgave van zijn raadsman verblijvende in Venezuela en bereikbaar middels het adres: [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van:
- feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
- feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en
- feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair:
- vrijspraak bepleit van feit 2;
- bepleit dat ten aanzien van feit 1 de tenlastegelegde periode dient te worden ingekort;
- bepleit dat ten aanzien van feit 3 de hoeveelheid hennep dient te worden gematigd.
Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij, op een of meerdere momenten, in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1695 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 9 oktober 2023 te Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7116 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij, op momenten in de periode van 1 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij op 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1695 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en 29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.hij op 9 oktober 2023 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7116 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 2. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad met betrekking tot de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs in de woning van [medeverdachte] . Het feit dat de verdachte op de hoogte was van de hennep die aanwezig was, is niet voldoende om de wetenschap voor de harddrugs aan te nemen.
Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen.
Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de door de politierechter bewezenverklaarde concrete hoeveelheid van 7.116 gram hennep. De verdachte heeft een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij 5 kilo hennep moest ophalen en afleveren. Er is onvoldoende onderzoek gedaan dat uitsluit dat de verdachte meer wist dan de opdracht waarvoor hij naar de woning toe gestuurd was, hetgeen betrekking had op die 5 kilo.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Feit 1
Met de raadsman is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een telefoonautomaat (Omschrijving: G2645428, Iphone).
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier,
en op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Het hof zal, gelet op de verklaring van verdachte, uitgaan van een kortere pleegperiode en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft gepleegd in de periode van 1 september 2023 en 9 oktober 2023.
Algemene bewijsoverweging feit 2 en feit 3
Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij op 9 oktober 2023 in de woning van [medeverdachte] aan de [woonadres] opzettelijk aanwezig heeft gehad 1695 gram MDMA en 29 gram cocaïne. Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij op 9 oktober 2023 in bovengenoemde woning opzettelijk aanwezig heeft gehad 7.116 gram hennep. Deze verdovende middelen zijn aangetroffen in een niet afgesloten slaapkamer van de woning.
Vast staat dat de verdachte op genoemde datum, terwijl de politie de woning aan het doorzoeken was, de voordeur van de woning heeft geopend met een sleutel en de woning heeft betreden. De verdachte was in het bezit van een sleutel van het pand en had toegang tot de ruimte waar de drugs zijn aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de kamer had verhuurd en dat er wekelijks personen met tassen de woning in- en uitgingen. Verder is in de telefoon van de verdachte een filmpje aangetroffen met daarop tassen met drugs in de woning, waarop de stem van de verdachte te horen is, die door een verbalisant wordt herkend. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 9 oktober 2023 5 kilo hennep moest ophalen in de woning van [medeverdachte] en dat hij deze hennep naar coffeeshops in Tilburg en Breda moest brengen. Tot slot heeft de verdachte verklaard meerdere keren in de woning te zijn geweest.
De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of de verdachte de MDMA en cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet en de tenlastegelegde hoeveelheid van 7.116 gram hennep – zijnde meer dan de 5 kilo zoals de verdachte heeft verklaard – opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen én dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Volgens bestendige jurisprudentie is sprake van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
Voor “opzettelijk aanwezig hebben” is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
Kort samengevat is voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist: a) dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, en b) dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
Bijzondere bewijsoverweging feit 2
Het hof is gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de MDMA en de cocaïne zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden en dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de MDMA en cocaïne in de slaapkamer in de woning. De verdachte had toegang tot de woning met een sleutel, is meerdere keren in de woning geweest en kwam in de slaapkamer waar de drugs zich bevonden. In deze slaapkamer stonden onder andere een weegschaal, een bak met hennepresten, resten van wit poeder op de vloer en een bakje met wit poeder. De verdachte moet bij het betreden van de slaapkamer zicht hebben gehad op onder meer de aangetroffen weegschaal en de aanwezigheid van wit poeder. Dat de verdachte naar eigen zeggen enkel in de slaapkamer kwam voor de hennep en niets te maken zou hebben gehad met harddrugs, doet niet aan dit oordeel af.
Het hof betrekt bij dit oordeel tevens dat op de telefoon van de verdachte een lijst met hoeveelheden harddrugs en plaatsnamen is aangetroffen, waarover de verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat ‘een persoon’ soms zijn administratie over harddrugs naar hem toestuurt. De verdachte heeft, gezien de voorliggende aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat met zijn aanwezigheid in de slaapkamer in de woning van [medeverdachte] hij, naast de hennep, ook de harddrugs aanwezig had.
Bijzondere bewijsoverweging feit 3
Het hof is gelet op het feit dat de verdachte heeft bekend dat hij hennep moest vervoeren, een sleutel had van de woning en heeft bekend dat hij vaker in de slaapkamer in de woning kwam, van oordeel dat de hennep zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden. Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ten aanzien van de hoeveelheid van 5 kilo, is er naar het oordeel van het hof sprake van vol opzet op de hoeveelheid van 5 kilo hennep. Het hof is bovendien van oordeel dat de verdachte, gezien de voorliggende aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er meer hennep aanwezig zou zijn en op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van meer hennep dan de afgesproken 5 kilo, te weten 7.116 gram. Dat er volgens de verdediging onvoldoende onderzoek gedaan zou zijn dat uitsluit dat de verdachte meer wist dan de opdracht waarvoor hij naar de woning toe gestuurd was, hetgeen betrekking had op die 5 kilogram, doet aan dit oordeel niet af.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging ten aanzien van feit 2 en feit 3 in alle onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaard wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Inleiding
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte de maximale taakstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven – volgens de nieuwe oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een strafmatigende omstandigheid – en dat op grond van de oriëntatiepunten van het LOVS een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend zou zijn – hetgeen ruimte geeft voor een taakstraf. Daarbij heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij zich thans in Venezuela bevindt in het kader van de zoektocht naar zijn vermiste moeder.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in de periode van 1 september 2023 tot en met 9 oktober 2023 opzettelijk hennep heeft afgeleverd en vervoerd en dat hij op 9 oktober 2023 opzettelijk een hoeveelheid MDMA en cocaïne en een grote hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad. Het bezit en het gebruik van deze middelen brengt maatschappelijk onwenselijke effecten met zich en is bovendien schadelijk voor de volksgezondheid. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Daarbij komt dat de handel in dergelijke drugs leidt tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, doch niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
In het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hiermee sluit het hof aan bij de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, noch in hetgeen overigens ter terechtzitting is aangevoerd, aanleiding om in dit geval van de in de oriëntatiepunten van het LOVS opgenomen vertrekpunten voor straftoemeting af te wijken.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal en de politierechter, een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggeven mobiele telefoon, iPhone, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is naar het oordeel van het hof vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften