Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:774
Strafrecht
Hoger beroep
6,326 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001971-24
Uitspraak : 12 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant Breda, zittingsplaats, van 16 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-340439-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘opzettelijk in vereniging handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.200,00 euro verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 200,00. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 16 september 2021 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 16 september 2021 te Roosendaal opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 29 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal algemeen dossier Bielefeld van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, teamrecherche Oosterscheldebekken, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer PL2000-2021248086, gesloten d.d. 21 december 2021, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 185 en met ongenummerde bijlagen (in totaal 216 pagina’s). De inhoud daarvan is hierna telkens zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2021, dossierpagina’s 45-48, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 16 september 2021 heeft er een doorzoeking ter inbeslagname plaats gevonden in de woning die gelegen is op het adres [adres 2] .
Op de begane grond van de woning bevonden zich de woonkamer en keuken. Verder zat er aan de achterzijde aan halletje richting de achtertuin waar de wc en de trap naar boven zaten. Op de eerste etage waren 4 ruimtes. Dit betroffen 3 slaapkamers en 1 badkamer.
Goednummer: PL2000-2021248086-2376846
Categorie omschrijving: amfetamine
Totale hoeveelheid: 29,5 gram netto
Specificatie: 2.1.1 aangetroffen in vriezer in keuken.
Goednummer: PL2000-2021248086-2376844
Categorie omschrijving: amfetamine
Totale hoeveelheid: 53 gram netto amfetamine
Specificatie: 2.3 aangetroffen in vriezer in keuken.
Goednummer: PL2000-2021248086-2376714
Categorie omschrijving: geld
Totale hoeveelheid: 1200 euro in verschillende coupures
Specificatie: 3.1 aangetroffen in slaapkamer 3 op de kast in zwart doosje
2. Het proces-verbaal van bevindingen PL2000-2021248086-34, d.d. 16 september 2021, dossierpagina’s 57-58, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
In het kader van het onderzoek naar de inbeslagname van inbeslaggenomen goederen in
een woning gelegen aan [adres 2] , gemeente Roosendaal werd op
16 september 2021, verklaar ik, verbalisant [verbalisant 2] , het volgende:
Door mij werd deze stof, voorzien van het goednummer 2376846, later verpakt in sealbag
72227762. Na een indicatieve scan met voornoemde TruNarc zag ik dat de uitslag van
deze scan amfetamine betrof. Na weging betrof het netto gewicht van de amfetamine 29,5 gram.
3. De eigen waarneming van het hof van de fotomap als bijlage bij het proces-verbaal PL2000-2021248086-34, dossierpagina’s p. 51-56, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] :
Beschrijving van de foto’s op p. 53, 55 en 56:
het hof neemt op de foto op p. 53 waar dat bakjes met witte brokken en wit poeder duidelijk in het zicht op de afzuigkap in de keuken aanwezig zijn;
het hof neemt op de foto’s op p. 55-56 waar dat twee plastic zakjes met wit poeder voor in het vriesvak van de koelkast, volledig zichtbaar op het bovenste gedeelte liggen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, dossierpagina’s 62-63, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Omschrijving stukken van overtuiging:
aantal: 1
soort: monster
kleur: wit
gewicht bronpartij: 29 gram
resultaat indicatieve test: amfetamine
SIN: AAMJ9240NL
goednummer monster : 2377995
goednummer bronpartij : 2376846
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2021, dossierpagina’s 64-66, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 28 september 2021 onderzocht ik de navolgende monsters met vermoedelijk verdovende middelen:
Goednummer: PL2000-2021248086-2377995
Categorie omschrijving: Medicamenten/hulpmiddelen
Object: Verdovende mid (Amfetamine)
Aantal: 1 stuks
Totale hoeveelheid: 1 g
Land: Nederland
Bijzonderheden: Monster uit goednummer 2376846
6. Het NFI-rapport NFiDENT d.d. 29 september 2021, dossierpagina 67, opgemaakt door ing. N.
Conclusie
Aanvullende informatie: Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de amfetamine in de vriezer in haar woning. Daarbij betrekt de raadsman onder meer dat allerminst valt uit te sluiten dat de drugs kort voorafgaand aan het binnentreden door de politie in de woning zijn geplaatst, immers heeft de verdachte in de loop van de ochtend op 16 september 2021 de woning verlaten. Op 16 september 2021 om 10:10 uur vindt het contact met de medeverdachte en zoon van de verdachte, [medeverdachte] , plaats op het adres [adres 3] , waar een lab waar amfetaminepasta wordt vervaardigd wordt aangetroffen. Om 12:52 uur vindt de inval in de woning van de verdachte pas plaats. Gelet op bovenstaande is het mogelijk dat de zoon van de verdachte in de tussentijd verdovende middelen heeft geplaatst in de woning van de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 16 september 2021 werd in de vriezer in de woning van de verdachte aan [adres 2] amfetamine aangetroffen. Blijkens de foto’s genomen tijdens het onderzoek in de woning lagen de twee plastic zakjes met wit poeder, wat later bleek amfetamine, voor in het vriesvak van de koelkast, volledig zichtbaar op het bovenste gedeelte. Na onderzoek blijkt het om in totaal ongeveer 82 gram amfetamine te gaan.
Bij de doorzoeking van de woning zijn in de keuken van de woning, blijkens de foto’s genomen tijdens het onderzoek op de afzuigkap – en aldus in het zicht – kunststof bakjes met daarin witte brokken en wit poeder te zien. Uit onderzoek blijken de resten in deze bakjes amfetamine te bevatten. In een slaapkamer in de woning worden onder meer meerdere telefoons en € 1.200,00 in grote coupures aangetroffen.
De woning aan [adres 2] betrof de woning van de verdachte. De verdachte heeft zich tijdens het verhoor van de politie beroepen haar zwijgrecht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij ten tijde van het tenlastegelegde veel tijd doorbracht in haar bed op de bovenverdieping, vanwege haar gezondheid. Zij kwam nauwelijks op de benedenverdieping en heeft de verdovende middelen in de keuken en de vriezer dan ook niet gezien.
Aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen aan [adres 2]
Het hof stelt vast dat de aan de verdachte tenlastegelegde hoeveelheid van ongeveer 82 gram uit twee partijen bestaat, te weten een partij van 53 gram en een partij van ongeveer 29 gram. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, op pagina 62 van het dossier, is onder stukken van overtuiging van de verdovende middelen die zijn aangeboden aan het NFI voor nader onderzoek, opgenomen dat ten aanzien van de bronpartij met een gewicht van 53 gram het goednummer van het monster 2376790 zou zijn en het goednummer van de bronpartij 2377981 zou zijn. Hier is SIN-nummer AAMJ9241NL aan gekoppeld. De partij met SIN-nummer AAMJ9241NL is onderzocht door het NFI, met de conclusie dat de partij amfetamine bevat.
In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2021, op pagina 37 van het dossier, is te zien dat goednummer van het monster 2376790 is gekoppeld aan een andere aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen, te weten een hoeveelheid van 206,1 gram wit poeder/pasta, aangetroffen op [adres 3] .
Het goednummer dat is gekoppeld aan de partij van 53 gram, welke partij onder meer aan de verdachte ten laste is gelegd, is blijkens het proces-verbaal bevindingen d.d. 17 september 2021, op pagina 46 van het dossier, 2376844. Dit goednummer komt niet terug in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2021, op pagina 62 van het dossier, onder stukken van overtuiging van de verdovende middelen die zijn aangeboden aan het NFI voor nader onderzoek.
Het hof komt tot de conclusie dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de door het NFI onderzochte partij met SIN-nummer AAMJ9241NL afkomstig is uit de hoeveelheid van 53 gram. Dientengevolge kan het hof niet tot een bewezenverklaring komen ten aanzien van de hoeveelheid van 53 gram en zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op de hoeveelheid van 53 gram.
De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of de verdachte de hoeveelheid van ongeveer 29 amfetamine, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Medeplegen
Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag die in de onderhavige strafzaak centraal staat, is of de verdachte zo nauw en volledig met een of meer anderen heeft samengewerkt ter zake van het aanwezig hebben van de tenlastegelegde amfetamine, dat van medeplegen kan worden gesproken. Het hof oordeelt dienaangaande dat het op grond van de voorliggende bewijsmiddelen onvoldoende bewijs voorhanden acht om tot bewezenverklaring van het medeplegen van het aanwezig hebben van de amfetamine te komen. De verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken.
Opzettelijk aanwezig hebben
Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf indien wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Als dat opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard, of als de situatie van artikel 11 lid 6 of lid 7 Opiumwet zich voordoet, levert het handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet een overtreding op.
Volgens bestendige jurisprudentie is sprake van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
Voor “opzettelijk aanwezig hebben” is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1200 EUR (IBN 16-09-2021) (Omschrijving: G2376714).
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier,
en op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Conclusie
HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
Kort samengevat is voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist: a) dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, en b) dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
Het enkele feit dat iemand bewoner is van een woning waar drugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat hij of zij hier wetenschap van had. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat neemt niet weg dat het hof voorop stelt dat een verdachte als eigenaar en gebruiker van een woning, behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, geacht mag worden weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen (vgl. HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498). Daarnaast mag de feitenrechter bij de bewezenverklaring betekenis toekennen aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.2. en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.2). Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij geen weet had van de aanwezigheid van de amfetamine, omdat zij bijna nooit in de keuken kwam en het dus niet heeft gezien, ongeloofwaardig. Het hof heeft op de foto’s en de plattegrond in het dossier waargenomen dat de keuken in de woning een open keuken betreft. Op de foto’s in het dossier zijn de bakjes met witte brokken en wit poeder duidelijk in het zicht op de afzuigkap in de keuken aanwezig. Daarnaast lagen de plastic zakjes met wit poeder, wat later bleek amfetamine, volledig zichtbaar op het bovenste gedeelte voor in het vriesvak van de koelkast. Al zou de verdachte al veelal verblijven op de eerste verdieping van de woning, betekent dit nog niet dat zij nooit op de benedenverdieping en in de keuken kwam en dan kan zij niet gemist hebben dat deze verdovende middelen in de keuken aanwezig waren. Onder deze omstandigheden kan het scenario van de verdachte naar het oordeel van het hof als onaannemelijk terzijde worden geschoven.
Het hof acht het scenario van de raadsman dat iemand op 16 september 2021 de drugs in de woning heeft geplaatst, eerst nadat de verdachte de woning die ochtend had verlaten, niet aannemelijk. Daarbij betrekt het hof dat uit de bewijsmiddelen noch het dossier blijkt dat er aanleiding is om aan te nemen dat iemand de woning heeft betreden nadat de verdachte de woning heeft verlaten en voordat de politie de woning is binnengetreden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte gelet op de omstandigheden van het geval zowel de verdovende middelen in haar machtssfeer had, maar zich ook bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Minst genomen heeft zij de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid daarvan, gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond, bewust aanvaard.
Het verweer van de raadsman wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals is bewezenverklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft te kampen met de nodige gezondheidsproblematiek, waardoor 1 uur werken voor de verdachte zwaarder is dan voor een willekeurig ander persoon.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 16 september 2021 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 29 gram amfetamine. Het bezit en het gebruik van deze middelen brengt maatschappelijk onwenselijke effecten met zich en is bovendien schadelijk voor de volksgezondheid. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Daarbij komt dat de handel in dergelijke drugs leidt tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat verband heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij veel gezondheidsproblemen heeft, waardoor zij altijd pijn heeft en haar energielevel lager is. De verdachte krijgt hiervoor fysiotherapie en is hierdoor veelal aan huis gebonden. Zij krijgt een uitkering, omdat zij niet mag werken vanwege de medische klachten. Het contact met haar zoons gaat langzaam beter.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht tussen de 10-50 gram uit van een taakstraf voor de duur van 80 uren. Gelet op voornoemde actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder haar gezondheidsklachten, ziet het hof aanleiding om in plaats daarvan een lagere taakstraf op te leggen. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging echter onvoldoende aangetoond dat de verdachte helemaal niet in staat zou zijn om een taakstraf te verrichten. In de brief van de fysiotherapeute [naam] d.d. 16 augustus 2024 is opgenomen dat de verdachte niet in staat is om bepaalde zwaardere fysieke activiteiten uit te voeren. Het uitvoeren van andere dagelijkse activiteiten dient zij te doseren en met behulp van fysiotherapie wordt geprobeerd het bewegen zoveel mogelijk te bevorderen.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.