Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-20
ECLI:NL:GHSHE:2025:755
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,504 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 20 maart 2025
Zaaknummers: 200.334.455/01 en 200.334.456/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/381834 / FA RK 22-1937
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. El Aqde,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.A.M. Verkuijlen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in art. 810 Rv is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) in de procedure gekend.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De vrouw is op 9 november 2023 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
2.2.
De man heeft op 23 januari 2024 een verweerschrift hoger beroep tevens incidenteel beroep en aanvulling verzoek met bijlage 1 ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 6 maart 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het bericht met bijlagen (prod. 1 tot en met 3) van de advocaat van de vrouw van 31 januari 2025.
2.5.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vrouw, bijgestaan door mr. El Aqde;
de man, bijgestaan door mr. Verkuijlen;
de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
Voor de vrouw is de heer A. Belkassem opgetreden als tolk in de Arabische taal, ingeschreven als beëdigd tolk onder Wbtv-nummer 11090.
Feiten
3.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2002 gehuwd in [plaats] (Marokko).
3.3.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004, en
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012.
De kinderen verblijven bij de vrouw.
3.4.
Ten tijde van de huwelijkssluiting had de man de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit en had de vrouw de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft op 25 februari 2012 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
3.5.
De man had zijn gewone verblijfplaats voor en na de huwelijkssluiting in Nederland. De vrouw had ten tijde van de huwelijkssluiting haar gewone verblijfplaats in Marokko en staat sinds 19 mei 2003 in Nederland ingeschreven.
3.6.
Het verzoek tot echtscheiding is op 6 mei 2022 door de rechtbank ontvangen.
3.7.
Daarop is bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken.
3.8.
De echtscheidingsbeschikking is op 22 april 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
Dictum
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank verder, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in hoger beroep van belang:
- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de ouder waar [minderjarige] verblijft [minderjarige] naar de andere ouder brengt wanneer er gewisseld wordt;
- bepaald dat de vrouw de huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
- de wijze van verdeling gelast van het onroerend goed in Marokko, bestaande uit een appartement in de stad [plaats] , zijnde een deel van het registergoed met nummer [identificatienummer] alsmede een stuk grond te [plaats] in de gemeente [gemeente] , waarvan de koopakte is opgenomen in het register van eigendommen op 12 december 2012 nr. [identificatienummer] onder nummer [identificatienummer] , als volgt:
bepaalt dat voornoemd onroerend goed aan derden dient te worden verkocht en veroordeelt partijen tot medewerking aan het verkooptraject;
machtigt de man om mede namens de vrouw alle rechtshandelingen en feitelijke handelingen te verrichten om deze verkoop te effectueren, waaronder doch niet uitsluitend het geven van opdracht aan een verkoopmakelaar/bemiddelaar, het sluiten van een koopovereenkomst met de kopers, het verrichten van alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen die voor de levering van deze onroerende zaken aan de kopers(s) nodig zijn, alsmede de betaling van de met de verkoop samenhangende kosten;
bepaalt dat alle kosten die gepaard gaan met de verkoop van het onroerend goed door partijen gezamenlijk, ieder bij helfte, worden gedragen;
bepaalt dat het saldo van de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;
- het verzoek van de man afgewezen om de auto van het merk Volkswagen voor een waarde van € 3.500,-- aan hem toe te delen.
4.2.
De grieven van de vrouw zien op:
- het halen en brengen van [minderjarige] (grief I);
- het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht (grief II);
- het onroerend goed in Marokko (grief III).
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daartegen beroep is ingesteld en opnieuw rechtdoende:
te bepalen dat, in het kader van de omgang en het halen en brengen van [minderjarige] , de vrouw bij aanvang van de omgang, [minderjarige] naar de ouders van de man brengt en de man [minderjarige] daar ophaalt en voorts dat de man [minderjarige] , aan het einde van de omgang weer naar de vrouw terugbrengt;
voor recht te verklaren dat het huwelijksgoederenregime van partijen primair tot 19 mei 2013 werd beheerst door het Marokkaanse recht en vanaf 19 mei 2013 door het Nederlandse recht en subsidiair dat tot 25 februari 2012 het Marokkaanse recht van toepassing was en vanaf 25 februari 2012 het Nederlandse recht;
te bepalen dat het onroerend goed in Marokko in alle onderdelen geen onderdeel uitmaakt van de te verdelen gemeenschap van goederen van partijen en derhalve privé-eigendom is van de vrouw;
kosten rechtens;
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
4.3.
De grieven van de man zien op:
- de auto (grief 1);
- het huurrecht van de woning (grief 2).
De man verzoekt de vrouw in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man de bestreden beschikking op de door de man bestreden onderdelen te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de auto van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] aan de man toe te delen met bepaling dat hij aan de vrouw de helft van de waarde van de auto dient te vergoeden, zijnde een bedrag van € 1.750,--, en op voorwaarde dat de auto zonder schade en mankementen aan de man wordt geleverd en de vrouw verplicht is te zorgen dat het kenteken op naam van de man gesteld kan worden en hem de sleutels van de auto ter hand te stellen;
te bepalen ex artikel 7:266 lid 5 BW dat de man alleen huurder zal zijn van de woning aan [adres] , zulks met ingang van 6 maanden nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
voor recht te verklaren dat tussen partijen vanaf de datum van hun huwelijk, zijnde 12 augustus 2002, sprake is van een huwelijksgemeenschap, subsidiair vanaf de datum dat de vrouw zich in Nederland vestigde, zijnde 19 mei 2003;
kosten rechtens.
4.4.
De vrouw verzoekt de man in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.
Beoordeling
Rechtsmacht
5.1.
Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet het hof eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken.
Het halen en brengen van [minderjarige] (grief I vrouw)
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) rechtsmacht om van het verzoek tot verdeling van een zorgregeling kennis te nemen.
5.3.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Omdat hiertegen geen grieven zijn gericht, zal ook het hof Nederlands recht toepassen (HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Standpunt van partijen
5.4.
De grief van de vrouw richt zich tegen rov. 2.6.7. van de bestreden beschikking waarin de rechtbank heeft overwogen dat de ouder waar [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder zal brengen wanneer er gewisseld wordt.
5.5.
Ter toelichting op de grief voert de vrouw aan dat het op en neer reizen tussen haar woning in [plaats] en de woning van de man in [plaats] haar kostbare tijd kost. Met name in de gevallen dat de man na het brengen van [minderjarige] met hem terugrijdt naar zijn ouders in [plaats] . De vrouw en [minderjarige] hebben de hele reis dan voor niets afgelegd. Bovendien werkt de man in [plaats] en kan hij [minderjarige] na zijn werk in [plaats] bij de vrouw of zijn ouders ophalen. Zijn ouders wonen vlakbij haar. Het is daarom in het belang van [minderjarige] en ook praktisch dat zij [minderjarige] naar de ouders van de man brengt en dat de man [minderjarige] daar ophaalt en hem aan het einde van de omgang weer naar de vrouw terugbrengt.
5.6.
In reactie op de grief van de vrouw voert de man het volgende aan. De rechtbank heeft beslist conform het verzoek van de vrouw. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek. Daarnaast geeft een gelijke verdeling van het halen en brengen een sterk signaal af richting [minderjarige] en voorkomt het spanning of zelfs een loyaliteitsconflict, omdat [minderjarige] mogelijk het gevoel krijgt tussen de ouders in te zitten of tussen hen te moeten kiezen.
5.7.
De raad heeft ter zitting verklaard dat het van belang is dat de ene ouder het kind brengt en de andere ouder het kind terugbrengt. Omdat beide ouders tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat [minderjarige] geen last heeft van de huidige gelijke verdeling van het halen en brengen, ziet de raad geen aanleiding om daarvan af te wijken.
5.8.
Het hof overweegt als volgt.
5.8.1.
Het hof stelt voorop dat ook in het geval dat de partij van wie het verzoek door de rechter in eerste aanleg is toegewezen, voldoende belang kan hebben bij een hoger beroep (Hoge Raad 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:968).
5.8.2.
Het hof stelt vast dat partijen nauwelijks in staat zijn met elkaar te communiceren, hetgeen door partijen tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd. Aan hun toezegging bij de rechtbank (rov. 2.6.5. van de bestreden beschikking) om zich zo spoedig mogelijk te wenden tot het wijkteam van de gemeente [gemeente] met het verzoek hen te verwijzen naar hulpverlening om hun communicatie te verbeteren, is door partijen geen gevolg gegeven. Gelet hierop acht het hof in het belang van [minderjarige] dat het verzoek van de vrouw wordt behandeld, omdat dit anders een discussiepunt tussen partijen kan blijven. [minderjarige] heeft belang bij duidelijkheid over de invulling van de zorgregeling. Het hof oordeelt daarom dat de vrouw voldoende belang heeft bij haar verzoek in hoger beroep en dat zij om die reden ontvankelijk is in haar verzoek.
5.8.3.
Het uitgangspunt is dat het halen en brengen van een kind tussen de ouders wordt verdeeld. Deze verdeling is ook in het belang van [minderjarige] omdat hiermee wordt bevestigd dat de vrouw de contactregeling tussen [minderjarige] en de man ondersteunt. Op dit moment brengt de vrouw [minderjarige] naar de man en brengt de man [minderjarige] weer terug naar de vrouw. Volgens partijen heeft [minderjarige] geen last heeft van deze verdeling. Ook de raad ziet geen aanleiding om van die verdeling af te wijken. Dit leidt ertoe dat het hof het niet in het belang van [minderjarige] acht de regeling voor verdeling van het halen en brengen te wijzigen. De grief van de vrouw slaagt niet. Het hof zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
Het op het huwelijksvermogensregime toepasselijk recht (grief II vrouw)
Rechtsmacht
5.9.
Ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding hadden partijen beiden de Nederlandse nationaliteit. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen over de echtscheiding vanwege de Nederlandse nationaliteit van beide partijen, heeft hij ook rechtsmacht over de verzoeken ten aanzien van het huwelijksvermogensregime (art. 5 lid 1 van de Huwelijksvermogensverordening (Verordening (EU) 2016/1103) van de Raad van 24 juni 2016).
Standpunt van partijen
5.10.
De grief van de vrouw richt zich tegen rov. 2.9.7. tot en met 2.9.10. waarin de rechtbank heeft overwogen dat:
partijen bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk hadden;
partijen na de huwelijksvoltrekking hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde staat hebben gevestigd;
op grond van art. 4 lid 2 aanhef en sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV 1978). vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het Marokkaanse recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime van partijen;
op basis van art. 7 lid 2 van het HHV 1978 vanaf 19 mei 2003 het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen omdat de vrouw zich vanaf die datum in Nederland heeft gevestigd en het Marokkaanse recht uitsluitend op grond van art. 4 lid 2 aanhef en sub 3 HHV 1978 van toepassing was.
5.11.
De vrouw richt haar grief tegen de overweging van de rechtbank dat vanaf 19 mei 2003 het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Na de huwelijkssluiting is op grond van HHV 1978 het Marokkaanse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de gemeenschappelijke Marokkaanse nationaliteit van partijen. Omdat partijen meerdere gemeenschappelijke nationaliteiten hebben, geldt op grond van art. 15 lid 2 HHV 1978 dat zij geacht moeten worden geen gemeenschappelijke nationaliteit te hebben. Artikel 7 lid 2 sub 1 HHV 1978 is daarom niet van toepassing. Daaruit volgt, zo heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht, dat Marokkaans recht tot op heden van toepassing is. Voor zover het hof daaraan voorbij zou gaan, is het toepasselijke recht pas tien jaar nadat de vrouw naar Nederland is verhuisd, te weten op 19 mei 2013, gewijzigd van het Marokkaanse recht naar het Nederlandse recht. Subsidiair is het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen vanaf 25 februari 2012 omdat de vrouw vanaf dat moment de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
5.12.
In reactie hierop voert de man het volgende aan.
Dictum
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 9 augustus 2023, voor wat betreft het perceel grond in Marokko en de auto;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
deelt de auto van het merk Volkswagen en kenteken [kenteken] toe aan de vrouw tegen een waarde van € 3.500,--, onder de verplichting een bedrag van € 1.750,-- aan de man te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat het perceel grond in [plaats] (Marokko) geen onderdeel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgemeenschap van partijen en privé-eigendom is van de vrouw;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Beoordeling
Omdat de man geen effectieve of reële band met de Marokkaanse nationaliteit heeft moet deze buiten beschouwing blijven en hadden partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit. Aangezien ook een eerste huwelijksdomicilie ontbreekt wordt het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het recht van het land waar het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst mee verbonden is en dat is Nederland. Primair is daarom Nederlands recht van toepassing vanaf de datum van het huwelijk. Subsidiair is het Nederlands recht conform de overweging van de rechtbank van toepassing vanaf 19 mei 2003 (datum vestiging vrouw in Nederland).
5.13.
Het hof overweegt als volgt.
5.13.1.
Aangezien partijen op [huwelijksdatum] 2002 zijn gehuwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels van het HHV 1978.
5.13.2.
Het hof stelt voorop dat de vrouw haar grief uitsluitend heeft gericht tegen de datum vanaf wanneer het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Daarmee staat het volgende vast:
- partijen zijn geen huwelijkse voorwaarden overeengekomen;
- partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt;
- er is geen sprake van een eerste gewone verblijfplaats;
- het huwelijksvermogensregime van partijen wordt vanaf de datum van huwelijkssluiting door het Marokkaanse recht beheerst.
Het hof zal daarvan uitgaan.
5.13.3.
Op het moment van de huwelijkssluiting hadden partijen enkel de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk. Bij gebrek aan een eerste gewone verblijfplaats is op grond van art. 4 lid 2 onder 3 HHV 1978 het Marokkaanse recht als het recht van hun gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Omdat partijen op 19 mei 2003 alsnog hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben gevestigd, geldt op grond van art. 7 lid 2 onder 3 HHV 1978 vanaf die datum niet langer het recht van hun gemeenschappelijke nationaliteit, maar het recht van het land van hun gewone verblijfplaats, dus het Nederlandse recht. Dit heeft alleen gevolgen voor het vermogen dat partijen vanaf 19 mei 2003 hebben verkregen. Op het al aanwezige vermogen blijft het Marokkaanse recht van toepassing (art. 8 lid 1 HHV 1978). Hetgeen partijen hebben aangevoerd kan niet tot een andere beslissing leiden. Dit betekent dat zowel de grief van de vrouw als van de man niet slaagt en dat het hof de verzoeken van partijen zal afwijzen.
Onroerend goed in Marokko (grief III vrouw)
5.14.
De grief van de vrouw richt zich tegen rov. 2.9.19. en 2.9.20. van de bestreden beschikking. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat door de vrouw niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat de uitzonderingen van art. 1:94 lid 2 BW (oud) zich in dit geval voordoen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onroerend goed in Marokko tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort en voor verdeling in aanmerking komt en gelast de door de man verzochte wijze van verdeling.
5.15.
Ter toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat het onroerend goed in Marokko niet in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en daarom niet verdeeld hoeft te worden. Het onroerend goed in Marokko staat op haar naam en bestaat uit een perceel grond dat in 2012 is gekocht en een appartement dat in 2016 is gekocht. Het perceel grond is volledig gefinancierd met voorhuwelijks privévermogen van de vrouw en het appartement gedeeltelijk. Daarnaast is de aankoop van het appartement gefinancierd met een hypothecaire lening. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft zij in hoger beroep de prod. 1 tot en met 3 overgelegd.
5.16.
In reactie op grief III van de vrouw voert de man aan dat beide onroerende zaken zijn gekocht in de periode dat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De vrouw beschikte niet over privévermogen. Beide onroerende zaken in Marokko zijn dus verworven met middelen die tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Daarom vallen zowel het perceel grond als het appartement in de huwelijksgemeenschap van partijen en moeten beide onroerende zaken verdeeld worden.
5.17.
Het hof overweegt het navolgende.
5.17.1.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het onroerend goed in Marokko bestaat uit een perceel grond en een appartement en dat beide zijn gekocht na 2003. Dat betekent dat het Nederlands recht van toepassing is. Daaruit volgt dat beide onroerende goederen in de huwelijksgemeenschap vallen, tenzij één of beide goederen anders dan om niet door de vrouw zijn verkregen en bij de verkrijging voor meer dan de helft ten laste zijn gekomen van het privévermogen van de vrouw (art. 1:95 lid 1 BW (oud)).
5.17.2.
De vraag die beantwoord moet worden is of de onroerende zaken in Marokko zijn gefinancierd met vermogen dat de vrouw heeft verkregen voordat het Nederlandse recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen. Uit de door de vrouw overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de vrouw een bankrekening met nummer eindigend op [nummer] had bij [bank] (bijlage 2 van de vrouw). Op 31 juli 2002 bedroeg het saldo van die bankrekening 150.000,-- Marokkaanse Dirham (MAD). Op dit voorhuwelijkse vermogen is en blijft het Marokkaanse recht van toepassing (zie hiervoor rov. 5.13.3).
5.17.3.
Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht kent een stelsel van algehele scheiding van goederen tussen de echtgenoten. Door het huwelijk als zodanig ontstaat dus geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt.
5.17.4.
Het bovenstaande betekent dat het voorhuwelijkse vermogen van de vrouw haar privévermogen is en niet in de op [huwelijksdatum] 2003 ontstane huwelijksgemeenschap is gevallen.
Perceel grond
5.17.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel grond is gekocht voor 137.500,--MAD. Uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de vrouw op 31 oktober 2012 een bedrag van 150.000,-- MAD heeft opgenomen van haar bankrekening. Het perceel grond is op 13 november 2012 gekocht. Gelet op die feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd, heeft de vrouw daarmee voldoende aangetoond dat het perceel grond is betaald met haar privévermogen. Het perceel grond valt daarom niet in de huwelijksgemeenschap. Voor wat betreft het perceel grond slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal haar verzoek in zoverre toewijzen. Wat de man bij de rechtbank heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
Appartement
5.18.
De vrouw stelt dat het appartement in 2016 is gekocht en deels is betaald met haar privévermogen en deels is gefinancierd met een hypothecaire lening. De man betwist dat. De enige onderbouwing voor de stelling van de vrouw is het overgelegde eigendomsbewijs (bijlage 2 van de man bij de rechtbank) waaruit blijkt dat op 5 januari 2018 een hypotheek is geregistreerd. De vraag die beantwoord moet worden is – net als bij het perceel grond – of het appartement is betaald met privévermogen van de vrouw. Op voornoemde bijlage 2 na heeft de vrouw geen stukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Een relatie tussen het privévermogen van de vrouw en de betaling van de aankoopprijs van het appartement ontbreekt. Gelet op de betwisting door de man ligt het op de weg van de vrouw om haar stelling nader te onderbouwen. Dat heeft de vrouw niet gedaan.
Beoordeling
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat het appartement (deels) is betaald met privévermogen van de vrouw. Het appartement behoort daarom tot de huwelijksgemeenschap van partijen en moet verdeeld worden. De grief van de vrouw voor wat betreft het appartement slaagt dus niet. Het hof zal het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen.
De auto (grief 1 man)
5.19.
Grief 1 van de man keert zich tegen rov. 2.9.23. De rechtbank heeft als volgt overwogen:
‘2.9.23. (...) Partijen hebben hun verzoek om toedeling van de auto niet onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank daardoor niet vaststellen wat het belang van ieder van partijen is bij toedeling van de auto aan hem of haar. Ook hebben partijen zich niet voldoende onderbouwd uitgelaten over de waarde van de auto, noch hebben zij voldoende gesteld en onderbouwd met betrekking tot de huidige staat en kilometerstand van de auto. Gelet hierop is de rechtbank niet in staat op dit punt een beslissing te nemen en zal zij daarom de verzoeken van beide partijen afwijzen.’
5.20.
De man licht grief 1 als volgt toe. De auto van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) behoort tot de huwelijksgemeenschap van partijen en moet verdeeld worden. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw verzocht de auto aan hem/haar toe te delen voor een waarde van € 3.500,--. Er is voldoende gesteld om de verdeling van de auto te kunnen vaststellen.
5.21.
De vrouw voert hiertegen het volgende aan. De waarde van de auto is onbekend, aangezien de man de waarde van de auto niet met stukken heeft onderbouwd. De auto is op dit moment minder waard dan dat hij tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank was. De oudste zoon van partijen gebruikt de auto en de vrouw heeft de auto nodig om [minderjarige] te kunnen brengen.
5.22.
Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw niet heeft betwist dat de auto tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort en verdeeld moet worden. Aangezien de verdeling van de auto door (één van) partijen aan het hof is voorgelegd (art. 3:185 BW) is het hof niet gebonden aan de verzoeken van partijen. Omdat de man over een andere auto beschikt, zal het hof met het oog op het halen en brengen van [minderjarige] de auto tegen een waarde van € 3.500,-- aan de vrouw toedelen. Gelet op haar eigen standpunt bij de rechtbank en het feit dat de auto bij de vrouw in gebruik is, heeft zij de waarde onvoldoende gemotiveerd weersproken. De vrouw moet de helft van de waarde aan de man vergoeden. In zoverre slaagt de grief van de man. Omdat het hof anders dan door de man is verzocht zal beslissen, zal hij het verzoek van de man afwijzen. Hetgeen de vrouw bij de rechtbank heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
Het huurrecht (grief 2 man)
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.23.
Omdat de voormalige echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van art. 4 lid 3 aanhef en onder a Rv bevoegd te beslissen over het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de woning aan de man. Omdat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en daartegen geen grief is gericht, zal het hof op dit verzoek ook het Nederlands recht toepassen.
Standpunt van partijen
5.24.
Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank in rov. 2.7.4. het volgende overwogen:
‘2.7.4. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw meer belang heeft bij het huurrecht van de voormalig echtelijke woning dan de man. Doorslaggevend hiervoor is dat zowel [minderjarige] als [jongmeerderjarige] [sic] met de vrouw in de woning verblijven en dat de vrouw het grootste deel van de zorg voor [minderjarige] heeft. Bovendien huurt de man op dit moment een woonruimte, terwijl de vrouw geen andere woning tot haar beschikking heeft. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen en het verzoek van de man afwijzen.’
5.25.
De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en grief 2 van de man is tegen deze beslissing gericht. Huurwoningen zijn schaars en hij heeft belang bij een betaalbare huurwoning in [gemeente] . Op dit moment huurt hij een extreem dure huurwoning in [plaats] , ver weg van zijn kinderen, werk en sociale omgeving. De kinderen hebben hem nodig om hen te begeleiden met huiswerk, sport en school. Ook daarvoor is het van belang dat hij in [gemeente] in een betaalbare woning woont. Het lukt hem niet, zolang (een van) de kinderen niet op zijn adres zijn ingeschreven, een andere, geschikte woning in [gemeente] te huren.
5.26.
De vrouw voert aan dat zij meer belang heeft bij het huurrecht van de woning. Inmiddels woont de man al geruime tijd in [plaats] en heeft hij bij het zoeken naar een andere woonruimte financieel meer ruimte dan de vrouw. De man komt ook niet in aanmerking voor een sociale huurwoning. Daarnaast heeft hij een uitgebreid netwerk in [gemeente] . De vrouw heeft met uitzondering van de kinderen niemand. Als het huurrecht aan de man wordt toegewezen, zijn zij en de kinderen dakloos.
5.27.
Het hof overweegt het volgende.
5.27.1.
Op grond van art. 827 lid 1 sub f Rv in samenhang met art. 7:266 lid 5 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De beantwoording van de vraag aan wie van partijen het huurrecht van de woning dient te worden toegekend, vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van zowel de vrouw als de man bij toekenning van dit huurrecht. Bij die belangenafweging moet de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd.
5.27.2.
Evenals de rechtbank vindt het hof het van doorslaggevend belang dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw heeft en ook de (jongmeerderjarige) [jongmeerderjarige] op het adres van de vrouw is ingeschreven. De vrouw draagt voor het grootste deel van de tijd de zorg voor [minderjarige] . Daarmee is de toekenning van het huurrecht aan de vrouw ook in het belang van [minderjarige] . Bovendien heeft de man, anders dan de vrouw, de beschikking over vervangende woonruimte. Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek van de man afwijzen. De grief van de man slaagt niet.
6De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn.