Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:722
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
969 tokens
=== VOLLEDIG ===
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.348.806/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. B.C.A. Reijnders te Venlo,
tegen
Stichting Antares Woonservice,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. N. van Heeckeren van Brandsenburg te Venlo,
als vervolg op de door de rolraadsheer gewezen rolbeslissing van 24 december 2024 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats
Roermond, onder zaaknummer 11295025 \ CV EXPL 24-4784 gewezen vonnis van
12 november 2024.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de rolbeslissing van 24 december 2024;
de akte uitlaten van appellant;
de akte niet-ontvankelijkheidsverklaring appellant van geïntimeerde.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Uit de rolbeslissing blijkt dat uit het eindvonnis waarvan beroep kan worden opgemaakt dat appellant in eerste aanleg niet is verschenen. Indien dat het geval is, heeft voor appellant op grond van artikel 335 Rv het rechtsmiddel van verzet opengestaan en niet dat van hoger beroep. Partijen hebben zich over deze rolbeslissing uitgelaten.
2.2.
Appellant stelt dat het juist is dat hij in het bestreden vonnis bij verstek is veroordeeld. Na het instellen van het hoger beroep is er een overleg tussen partijen opgestart en na het verstrijken van de verzettermijn heeft geïntimeerde het hof verwittigd dat het verkeerde rechtsmiddel was gebruikt.
Appellant refereert zich aan het oordeel van het hof op het punt van de niet-ontvankelijkheid.
2.3.
Volgens geïntimeerde heeft appellant het verkeerde rechtsmiddel ingesteld en zal hij daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard met een veroordeling in de proceskosten.
2.4.
Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat appellant in de procedure in eerste aanleg niet is verschenen en dat hij de enige gedaagde in die procedure was. Ook staat vast dat appellant nadat hij bekend is geworden met het verstekvonnis niet het rechtsmiddel van verzet heeft ingesteld.
Ingevolge artikel 143 lid 1 jo 335 Rv staat van een bij verstek gewezen vonnis voor de niet verschenen gedaagde niet het rechtsmiddel van hoger beroep open, maar in beginsel enkel dat van verzet. Nu niet is gebleken van een uitzondering als genoemd in artikel 335 Rv staat het rechtsmiddel van hoger beroep voor appellant niet open.
2.5.
Gelet op het vorenstaande zal appellant niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep en worden veroordeeld in de proceskosten.
3De uitspraak
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde tot op heden begroot op € 798,00 aan griffierecht en € 607,00 aan salaris advocaat (0,5 x punt tarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer