Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:715
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
3,773 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.329.367/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellante] , handelend onder de naam [XX] Financiële Zorg, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] (hierna: [persoon A] ),
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de bewindvoerder,
advocaat: mr. R.J. Laatsman te Oss,
tegen
Stichting Mooiland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,hierna aan te duiden als Mooiland,
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 september 2023 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 9940457 CV EXPL 22-2793 gewezen vonnis van
6 april 2023.
5 Het verloop van de procedure
5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 5 september 2023 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen van 14 november 2023;
de memorie van grieven met producties 3 en 4;
de memorie van antwoord met producties 12 en 13;
de akte uitlatingen van de bewindvoerder met productie 5;
de antwoordakte van Mooiland.
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
6.1.
Met ingang van 6 augustus 2019 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen
Mooiland als verhuurder en [persoon A] als huurder, met betrekking tot de woning gelegen te
[adres A] . Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden
van toepassing. De maandelijkse huurprijs inclusief servicekosten bedraagt € 620,41. Bij de
woning hoort ook een vrijstaande schuur.
6.2.
Op 20 augustus 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant op vordering van Mooiland de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toegewezen vanwege een huurachterstand van op dat moment meer dan vijf maanden. Hoewel de ontruiming aangezegd was tegen 22 oktober 2020 is Mooiland bereid geweest om de ontruiming bij wijze van allerlaatste kans op te schorten om zo aan [persoon A] de kans te geven om zich alsnog als goed huurder te gedragen.
6.3.
Met ingang van 15 oktober 2020 zijn de (toekomstige) goederen van [persoon A] onder
bewind gesteld met benoeming van [appellante] tot bewindvoerder. Op 20 oktober 2020
zijn partijen een laatste-kans overeenkomst aangegaan voor de duur van 12 maanden.
Gedurende deze periode heeft [persoon A] zich als goed huurder gedragen.
6.4.
Op 13 december 2021 heeft de politie een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk
aangetroffen in de auto van de (ex)partner van [persoon A] , [persoon B] (hierna:
[persoon B] ). Bij de doorzoeking in de woning van [persoon A] is in de schuur eveneens een
grote hoeveelheid zwaar en illegaal vuurwerk (hierna: het vuurwerk) aangetroffen. Daarvan
is op 9 februari 2022 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (productie 6 bij
dagvaarding), inhoudende:
‘Er zijn een aantal verbalisanten naar de woning aan [adres A] gegaan. (…) Halverwege de tuin stond een schuurtje. In deze schuur stonden meerdere dozen met daarop de tekst "Cobra ". Een gedeelte van dit vuurwerk lag "open en bloot " in het zicht. Ook lagen er losse cobra pakketten in de kinderwagen welke in de schuur stond. Er lagen diverse sigarettenpeuken in de schuur, net zoals een lange aansteker. De gerookte sigaretten lagen hierbij in een blikje wat gebruikt werd als asbak. De tussenafstand tussen de sigarettenresten en het vuurwerk betrof circa 1 meter. In de vrijstaande schuur van de woning werd door ons een aanzienlijke hoeveelheid, in totaal 642 Cobra's 6 aangetroffen in meerdere dozen en een illegale honderdduizendklapper in een doos. In de schuur stond naast de kinderwagen een in werking zijnde wasmachine, een kleine vriezer met inhoud en een hoeveelheid oud papier. Dit lijkt erop te wijzen dat de schuur regelmatig bezocht wordt.’
6.5.
Per brief van 20 januari 2022 is [persoon A] door Mooiland verzocht om de huurovereenkomst voor 31 januari 2022 op te zeggen. Dit heeft [persoon A] niet gedaan.
Beoordeling
7.1.
Het hof verwijst naar de volgende overweging (4.4) in het vonnis van de kantonrechter van 6 april 2023.‘De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een tekortkoming. Het vuurwerk dat is aangetroffen door de politie eenheid Oost-Brabant is van dien aard dat het reëel gevaar veroorzaakt voor de veiligheid van omwonenden van het gehuurde en alle anderen die zich in de omgeving bevinden. Dat gevaar blijkt ook uit het rapport van [bedrijf A] . Dat dit niet het geval zou zijn, is door [appellante] en [persoon A] weliswaar gesteld maar de daaraan ten grondslag gelegde uiteenzetting vindt de kantonrechter onvoldoende overtuigend. Er worden wel vragen gesteld bij de bevindingen van de deskundige die het [bedrijf A] rapport heeft opgesteld, maar daar blijft het bij. Enige onderbouwing van een andersluidende visie dan de visie die in het [bedrijf A] rapport onderbouwd uiteen is gezet, ontbreekt. Daarbij volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie dat naast het vuurwerk, ook sigarettenpeuken in de directe nabijheid van het vuurwerk zijn aangetroffen. Dit maakt de situatie nog gevaarlijker. Dat [persoon A] stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid van het vuurwerk in haar schuur en de hoeveelheid daarvan, kan haar niet baten. Uit artikel 7:219 BW volgt namelijk dat [persoon A] , als huurder, op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van de personen die met haar goedvinden de woning gebruiken of zich daarin bevinden. Dat de schuur is gebruikt voor de opslag van het vuurwerk komt in beginsel dus voor haar rekening en risico, ook al had ze hier geen weet van. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor een geslaagd beroep op artikel 7:219 BW beslissend is of de huurder zich, in het licht van de gedragingen van derden, zelf niet als goed huurder heeft gedragen. Daarvan is in dit geval sprake, vindt de kantonrechter. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat de deur naar de tuin overdag altijd open staat en bij de schuur de sleutel van de schuur hangt. Hiermee heeft [persoon A] een situatie geschapen waarin een ieder vrijelijk toegang had tot de schuur. Verder heeft [persoon A] verklaard dat zij nooit heeft gecheckt wat [persoon B] in haar woning en schuur uitvoert als hij zich in haar woning bevond en dat zij [persoon B] hier ook niet over heeft bevraagd. Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [persoon A] onvoldoende toezicht heeft gehouden op het gehuurde en de gevaarlijke situatie (mede) in de hand heeft gewerkt, althans (mede) mogelijk heeft gemaakt.’
7.2.
De kantonrechter oordeelde dat de ernst van de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De daartoe strekkende vordering van Mooiland is toegewezen met veroordeling van de bewindvoerder ervoor zorg te dragen dat [persoon A] het gehuurde ontruimt.
Beoordeling
8.1.
De eerste grief keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat volgens [persoon A] slechts sprake was van een opslag gedurende enkele dagen. Met verwijzing naar productie 3, een bladzijde uit het proces-verbaal van politieverhoor van [persoon B] , wordt betoogd dat slechts sprake was van opslag van één dag. Mooiland heeft terecht daartegen ingebracht dat dit juist niet uit de verklaring van [persoon B] blijkt, waar hij heeft verklaard over het aangetroffen vuurwerk in de schuur van het gehuurde: ‘Ze stonden er denk ik 3 dagen.’ Het hof is bovendien van oordeel dat het enkele feit dat dat gevaarlijk vuurwerk, in dit geval 642 Cobra’s, volgens het onbestreden rapport van [bedrijf A] verboden Classificatie F4 vuurwerk, in de schuur is opgeslagen voldoende is om een ernstige tekortkoming aan te nemen. Daarom kan deze grief niet slagen.
8.2.
In het voetspoor hiervan faalt ook grief 2, waarmee de bewindvoerder aanvoert dat de kantonrechter haar had moeten toestaan [persoon B] als getuige te laten horen. Het bestaan van een ontoelaatbaar gevaarlijke situatie staat met de aanwezigheid van het vuurwerk immers vast en de kantonrechter heeft terecht overwogen dat [persoon A] daarvoor in beginsel aansprakelijk is. De kantonrechter heeft voorts terecht aangenomen dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden (zie overweging 4.4). Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft [persoon A] immers over de schuur verklaard: ‘Iedereen komt wel eens in de schuur. Ik heb daar geen toezicht op gehouden’. De daartegen gerichte grief 4 faalt daarom eveneens. Ook al zou [persoon B] de sleutel buiten medeweten van [persoon A] hebben gepakt, dan blijft het verwijt dat zij in haar hoedanigheid van huurder onvoldoende toezicht heeft gehouden overeind staan, in welk verband relevant is dat zij blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling verklaarde: ‘Bij mij komt iedereen achterom en dan kom je langs de schuur. Die laat ik open totdat ik zelf naar bed ga. Ik heb de sleutel altijd op de schuur zitten aan de buitenkant.’ Dat is niet in overeenstemming met de zorg die van een goed huurder op grond van artikel 7:213 BW mag worden verwacht. Er is daarmee sprake van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. En ten slotte acht het hof niet geloofwaardig dat een grote hoeveelheid vuurwerk in de schuur kan worden opgeslagen zonder dat [persoon A] dat heeft kunnen (dan wel moeten) zien.
8.3.
Ook grief 3 heeft geen succes. De aanwezigheid van sigarettenpeuken duidt erop dat in de schuur is gerookt in de nabijheid van gevaarlijk vuurwerk.
8.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook grief 5 tevergeefs wordt voorgesteld. Deze grief berust op de stelling dat [persoon B] het vuurwerk gedurende één nacht buiten medeweten van [persoon A] heeft opgeslagen in de schuur. Die stelling strookt niet met de verklaring van [persoon B] zelf tijdens zijn verhoor door de politie, zoals hiervoor (rov. 8.1) is vastgesteld. Mede gelet op de grote hoeveelheid, de periode van opslag (tenminste enkele dagen) en de manier waarop [persoon A] de schuur gebruikte (o.a. als rookplek, fietsenstalling en was/droogruimte) kan het hof moeilijk geloven dat [persoon A] daarvan niets heeft gemerkt, en als ze dat al niet heeft gemerkt, komt dat omdat ze onvoldoende toezicht op de schuur heeft gehouden.
8.5.
Anders dan met grief 6 wordt betoogd, is sprake van een ernstige tekortkoming. De opslag van illegaal vuurwerk in het gehuurde, dan wel het als huurder onvoldoende toezicht houden op de gehuurde schuur als gevolg waarvan een ander daar ongezien een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk in heeft kunnen opslaan, vormt een ernstige schending van de verplichting zich als een goed huurder te gedragen.
8.6.
De kantonrechter heeft – terecht – aangenomen dat het belang van [persoon A] om met haar kinderen in de woning te kunnen blijven wonen groot is. Het hof onderschrijft echter ook het oordeel dat het belang van Mooiland bij ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval zwaarwegender is in verband met de ernst van de tekortkoming. Daarop behoort de zware sanctie van ontbinding te volgen, omdat een dergelijke tekortkoming van een huurder niet kan worden geduld. Het hof voegt daaraan toe dat [persoon A] een gewaarschuwd mens was, omdat Mooiland haar na eerdere tekortkomingen een laatste kans had gegeven. Het beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) kan [persoon A] bij gebreke van enige concrete onderbouwing niet baten. Op grond hiervan verwerpt het hof grief 7.
8.7.
Daarmee is ook het lot van grief 8 bezegeld.
8.8.
Het bewijsaanbod onder IV van de memorie van grieven is niet voldoende specifiek. Bovendien ziet het hof geen feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel dan dat van de kantonrechter, kunnen leiden.
8.9.
Nu de grieven niet slagen, behoeven de stellingen van Mooiland over artikel 21 Rv geen bespreking.
8.10.
Het vonnis van de kantonrechter, dat voor het overige niet is bestreden, zal worden bekrachtigd. Dit betekent dat de bewindvoerder zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Het hof ziet in het betoog van Mooiland over de schending van artikel 21 Rv door de bewindvoerder geen aanleiding om voor de vaststelling van de hoogte van die kosten af te wijken van het daarbij gebruikelijk te hanteren liquidatietarief. Van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, is geen sprake. Deze kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Mooiland worden daarom op de gebruikelijke wijze als volgt begroot:
- griffierecht € 783,--
- salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x appeltarief II)
totaal € 2.604,--
8.11.
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.
Dictum
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
9.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 april 2023;
9.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van dit hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van Mooiland begroot op een bedrag van € 2.604,--, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
9.3.
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, J. de Graaf en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer