Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:712
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
4,727 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.321.129/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ( [gemeente A] ),
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. M.G. Spijker te Boxmeer,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ( [gemeente B] ),
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: P.J.F.M. de Kerf te Nijmegen,
op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 oktober 2022, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 28 februari 2023; waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen op 14 juni 2023;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlating van [appellant] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
2.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten, zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld en die in hoger beroep niet bestreden zijn:
2.2.
[XX] Holding B.V. (hierna: [XX] ) is op 24 januari 2019 opgericht. Tot 31 mei 2019 was [geïntimeerde] enig aandeelhouder. Daarna is de Stichting Administratiekantoor [YY] (hierna [YY] ) de enig aandeelhouder van [XX] . Tot 1 juli 2019 was [geïntimeerde] bestuurder van [XX] . Sinds 1 juli 2019 is [YY] als bestuurder van [XX] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en vanaf 1 augustus 2019 is ook [appellant] bestuurder van [XX] . Dit laatste is op 19 augustus 2019 bij de Kamer van Koophandel geregistreerd.
2.3.
[YY] is op 31 mei 2019 opgericht door [geïntimeerde] en [persoon A] (hierna: [persoon A] ). [geïntimeerde] was hiervan bestuurder van 31 mei 2019 tot 1 juli 2019. Sindsdien is [persoon A] alleen / zelfstandig bevoegd bestuurder van [YY] .
2.4.
Bij akte van levering aandelen van 31 mei 2019 heeft [YY] certificaten van aandelen [XX] toegekend aan [geïntimeerde] . De wijze van levering van deze certificaten, namelijk, onder meer, door middel van een onderhandse akte van levering en mededeling aan [YY] door de vervreemder en/of de verkrijger, is vastgelegd in artikel 3 van de administratievoorwaarden.
2.5.
In een op 6 augustus 2019 gedateerde overeenkomst, waarin [geïntimeerde] (als verkoper) en [appellant] (als koper) staan vermeld, is onder meer het volgende opgenomen:
“OVEREENKOMST
OVERDRACHT CERTIFICATEN OP DE AANDELEN
[geïntimeerde] […]
Hierna: Verkoper
En
[appellant] […]
Hierna: Koper
[…]
Ondergetekenden verklaren in gezamenlijk goedvinden te zijn overeengekomen:
De certificaten op de vennootschap [XX] Holding B.V. (KvK nr. [nummer A] ) Gevestigd te [vestigingsplaats] aan [adres A] , [postcode A] zullen middels deze overeenkomst worden overgedragen aan koper
De vennootschap heeft deelnemingen in diverse andere vennootschappen:
- [QQ] B.V. KvK [nummer B] (33.3%)
- [RR] Group B.V. KvK [nummer C] (50%)
- [geïntimeerde] & [persoon A] Uitgevers B.V. KvK [nummer D] (50%)
- [ZZ] Nederland B.V. KvK [nummer E] (50%)
3. Verkoper is bereid de certificaten op [XX] Holding, met bijbehorende vennootschappen over te dragen op koper.
4. Koper draait al enige tijd derhalve 2 maanden voor oprichting [QQ] B.V. (20-06-2019 oprichting) mee op de locatie [adres A] te [vestigingsplaats] .
5. Koper is tevens (indirect) aandeelhouder van [QQ] B.V. En tevens bekend met de overige onderneming(en) welke hij overneemt.
6. Het huidige kapitaal van de vennootschappen is koper bekend en blijkend uit de huidige administratie.
7. Verkoper verkoopt zijn volledige bezit van certificaten op aandelen aan koper.
8. Koper neemt de vennootschappen danwel de winstrechten over met lusten en lasten en is reeds bekend met de vennootschap(pen).
Koopprijs
9. De koopprijs is vastgesteld op € 53.952,00 (zegge: drieënvijftigduizend negenhonderd tweeenvijftig euro en nul cent)
En als volgt worden voldaan:
6.000 euro (zesduizend euro) zal in 12 termijnen worden voldaan op iedere vijftiende van de maand startend op 15 september 2019. Dit betreffen 12 gelijkwaardige termijnen van 500 euro.
Het restant zal in 6 termijnen worden verloond door [XX] Holding B.V. Met een bruto maandsalaris van 7.400 euro excl. 8% vakantietoeslag. De eerste salaris betaling is uiterlijk voor of op de laatste dag van november 2019 en zal maandelijks gelijkblijvend zijn voor de komende 6 maanden.
10. Indien niet aan de loonbetaling wordt voldaan is koper maandelijks verplicht het bruto bedrag van: 7.400 euro excl. Vakantie toeslag (€ 7.992 incl. vakantietoeslag) op de bankrekening van verkoper te voldoen.
[…]”
2.6.
Er is tweemaal € 500,00 aan [geïntimeerde] overgemaakt, namelijk op 31 augustus 2019 en op 10 september 2019.
Geschil
3.1.
In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
[appellant] zal veroordelen tot betaling van een bedrag ter grootte van € 5.461,61, (zegge vijfduizendvierhonderdeenenzestig euro en 61 cent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art 6:119a BW over € 5.000,00 vanaf 20 juli 2020 tot aan de dag der algehele betaling;
3.1.2.
[appellant] en [XX] Holding B.V. hoofdelijk, des dat de ene betalende de ander is gekweten, zal veroordelen tot betaling van een bedrag ter grootte van € 50.279,43 (zegge vijftigduizendtweehonderd zevenennegentig euro en 43 cent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art 6:119a BW over € 47.592,00 vanaf 15 juli 2020 tot aan de dag der algehele betaling;
3.1.3.
[appellant] en [XX] B.V. hoofdelijk, des dat de ene betalende de ander is gekweten zal veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder uitdrukkelijk begrepen.
3.2.
Bij mondeling vonnis van 27 mei 2021 liet de rechtbank [appellant] toe tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezenverklaarde feit dat [appellant] en [geïntimeerde] de overeenkomst van 6 augustus 2019 over de verkoop van certificaten van aandelen in [XX] hebben gesloten.
3.3.
In het (bestreden) eindvonnis oordeelde de rechtbank dat [appellant] niet geslaagd is in het leveren van het tegenbewijs. De rechtbank oordeelde dat [XX] geen partij is bij de overeenkomst. De rechtbank wees de vordering op [XX] af en veroordeelde [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 55.741,04 (hoofdsom I € 5.000,00 + hoofdsom II € 47.952,00 + wettelijke handelsrente tot 15 juli 2020 € 1.474,52 + buitengerechtelijke incassokosten € 1.314,52), een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 52.952,00 vanaf 15 juli 2020 tot aan de dag van betaling en veroordeelde [appellant] in de proceskosten;
Geschil
4.1.
[appellant] richt vier grieven tegen de het eindvonnis en vordert in hoger beroep dat het hof het eindvonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
Grief I
4.2.
Met grief 1 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte dwingende bewijskracht heeft toegekend aan de overeenkomst, die alleen in kopie is overgelegd.
4.3.
Juist is dat de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte alleen toekomt aan het origineel (art 160 Rv). [appellant] betwist echter niet dat de handtekening onder het stuk (een kopie van) zijn handtekening is. Hij betwist wel dat hij “specifiek deze overeenkomst” heeft ondertekend, maar onderbouwt die betwisting alleen met de verklaring dat hij het stuk dat hij getekend heeft niet gelezen heeft en “geen benul” had wat er in de akte stond die hij heeft getekend. Dat is geen voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling dat het als productie 3 bij de inleidende dagvaarding overgelegde stuk een kopie is van de door [appellant] ondertekende akte. Daarmee staat – in deze procedure – vast dat dit de (tekst van de) overeenkomst is, zoals die door [appellant] is ondertekend. Grief I faalt daarom.
Grief II
4.4.
Met grief II betoogt [appellant] dat zijn wil niet gericht was op het overnemen (tegen betaling van een koopsom) van de certificaten op aandelen.
4.5.
[geïntimeerde] vordert nakoming van de overeenkomst en heeft dus de stelplicht dat tussen partijen de overeenkomst tot stand is gekomen. [appellant] voert aan dat zijn wil er uitsluitend op gericht was om de vennootschap [ZZ] Nederland BV (hierna: [ZZ] ), althans één kapsalon te verkrijgen, tegen betaling van (per saldo) € 250,00 aan hem, na een “kasrondje”. Hij voert echter geen enkel concreet feit of concrete omstandigheid aan waaruit zou kunnen blijken dat ooit met [geïntimeerde] besproken was of (anderszins) voor [geïntimeerde] kenbaar had kunnen zijn, dat [appellant] die bedoeling had. [appellant] onderbouwt onvoldoende waaruit zou kunnen blijken dat zijn wil gericht zou zijn geweest op overdracht van een kapsalon aan hem en evenmin legt hij uit waarom hij desondanks – zonder de overeenkomst te lezen – een overeenkomst heeft getekend die inhield dat hij niet een kapsalon zou overnemen, maar de certificaten op aandelen in [XX] , waardoor hij uiteindelijk een belang zou verwerven in verschillende ondernemingen, waaronder die in [ZZ] , tegen betaling van € 53.952,00. Daarbij weegt zwaar dat [appellant] na het sluiten van de overeenkomst ook eraan heeft meegewerkt dat hij als bestuurder van [XX] werd geregistreerd bij de kamer van koophandel. [geïntimeerde] beroept zich ook (bij akte na enquête in eerste aanleg) op een whatsapp-bericht van [appellant] aan [geïntimeerde] op 21 september 2019: “[geïntimeerde]
Gezien jij geen onderdeel meer bent van het bedrijf, hebben wij maandag een besloten bijeenkomst richting personeel
Gr [appellant] .”
In hoger beroep heeft [appellant] de echtheid van het bericht en de conclusie dit [geïntimeerde] aan dit bericht verbindt, dat [appellant] met het overnemen van de certificaten ook het bedrijf [XX] had overgenomen, niet weersproken. De stelling van [geïntimeerde] dat de wil van [appellant] was gericht op het sluiten van de overeenkomst, zoals ook blijkt uit de ondertekening van die overeenkomst, is daarom onvoldoende gemotiveerd betwist. Grief II slaagt daarom ook niet.
Grief III
4.6.
Met grief III betoogt [appellant] dat zijn beroep op dwaling ten onrechte is verworpen.
4.7.
Artikel 6:228 BW bepaalt:
“Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:
indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.”
4.8.
[appellant] stelt wel dat hij in een onjuiste veronderstelling verkeerde, maar hij stelt niet dat die dwaling te wijten is aan een inlichting van [geïntimeerde] . Zijn betoog is dat [geïntimeerde] hem had moeten inlichten over de vele schuldeisers die [ZZ] kennelijk had. [appellant] stelt echter ook zelf (MvG onder randnummer 42): “ had geen enkele reden om aan te nemen dat [ZZ] Nederland er financieel goed voor zou staan. Hij heeft immers nimmer inzage gehad in de financiële administratie van deze vennootschap, maar wist wel dat deze kort voordien schulden had gemaakt bij verkoper [geïntimeerde] , ter aflossing van andere schulden. Hij ging er zodoende vanuit dat de overname van [ZZ] Nederland een erg risicovolle aangelegenheid zou zijn.” Het betoog van [appellant] is zodoende innerlijk tegenstrijdig waar hij enerzijds (kort gezegd) stelt dat hij wist dat de koop van [ZZ] (en dus van de certificaten van [XX] ) een risicovolle aangelegenheid zou zijn omdat hij wist van schulden van [ZZ] , zodat zijn wil niet gericht zou zijn op het betalen van een koopsom van meer dan € 50.000,00, zoals in de overeenkomst neergelegd, terwijl hij ook stelt dat [geïntimeerde] behoorde te weten dat [appellant] niet voldoende op de hoogte was van de schuldenlast van [ZZ] , zodat hij op dit punt gedwaald zou hebben. Uit het faillissementsverslag van [ZZ] blijkt dat het faillissement uiteindelijk onvermijdelijk is geworden doordat de enige rendabele kapsalon in de onderneming is verkocht aan [QQ] B.V. [appellant] betwist op dit punt alleen dat er sprake is van paulianeus handelen, maar betwist niet dat hij na het sluiten van de overeenkomst bewerkstelligd heeft dat de enige rendabele kapsalon van [ZZ] is overgegaan naar [QQ] BV. Over die vennootschap verklaarde [appellant] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg: “[QQ] B.V. was wel mijn BV.”. Tegen die achtergrond stelt [appellant] onvoldoende over het aantal schuldeisers van [ZZ] , de hoogte van de schuldenlast en wat [geïntimeerde] hierover wist of behoorde te weten en aan hem behoorde mee te delen, om het beroep op dwaling te kunnen dragen.
Bij akte (en dus in beginsel in strijd met de twee conclusie regel) stelt [appellant] ook dat hij heeft gedwaald, omdat de winstrechten in [XX] niet de koopsom waard zouden zijn. Ook hier stelt hij niet dat de dwaling te wijten is aan een mededeling van [geïntimeerde] en ook niet wat [geïntimeerde] concreet wist over de dwaling en wat [geïntimeerde] in dit verband aan [appellant] had behoren mee te delen. Tegelijkertijd blijkt voldoende uit het feitelijk handelen van [appellant] na het sluiten van de overeenkomst dat (kennelijk) als gevolg van de overeenkomst verschillende ondernemingen, waaronder de kapsalons van [ZZ] , maar ook een drukkerij, zijn overgaan naar [appellant] . In ieder geval is [appellant] medebestuurder geworden van [XX] en heeft hij – voorafgaand aan het faillissement – bij [ZZ] de overdracht van een kapsalon naar [QQ] B.V. bewerkstelligd. Ook hier stelt hij dus onvoldoende om – als het hof al aan deze stellingen toe zou komen – het beroep op dwaling te kunnen dragen.
Conclusie
4.12.
De grieven van [appellant] slagen niet. De vordering van [geïntimeerde] is toewijsbaar. [appellant] is daarom terecht in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld, zodat grief IV niet slaagt. Het hof zal het bestreden eindvonnis bekrachtigen en [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.
4.13.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op:
- griffierecht
€
783,00
- salaris advocaat
€
2.213,00
(1 punt × appeltarief IV)
- nakosten
€
173,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
€
3.169,00
5De uitspraak
Het hof:
recht doende in hoger beroep:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2022;
5.2.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.169,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 90,00 en de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. de Graaf, H.K.N. Vos en G.M. Menon en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer