Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:711
Civiel recht; Goederenrecht
Hoger beroep
7,215 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.320.795/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,2. [geïntimeerde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] , [gemeente A]
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ,
advocaat: mr. S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 augustus 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/298096 / HA ZA 21-557 in conventie gewezen vonnis van 28 september 2022.
5Het vervolg van de procedure in hoger beroep
Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
het tussenarrest van 8 augustus 2023;
de door [appellant] genomen memorie van grieven;
de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genomen memorie van antwoord met producties 29 tot en met 31;
de door [appellant] genomen akte;
de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genomen antwoordakte.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6De verdere beoordeling
Het tussenarrest van 8 augustus 2023 en het vervolg van de procedure in hoger beroep
6.1.1. Bij het tussenarrest van 8 augustus 2023 heeft het hof:
de incidentele vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in dit hoger beroep afgewezen;
Dictum
de hoofdzaak naar de rol verwezen voor een uitlating van partijen over een mogelijke mondelinge behandeling na aanbrengen;
iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aangehouden.
6.1.2. De partijen hebben vervolgens kenbaar gemaakt geen mondelinge behandeling na aanbrengen te wensen. Tussen de partijen zijn daarna een memorie van grieven, een memorie van antwoord, een akte en een antwoordakte gewisseld. Het hof kan nu overgaan tot een beoordeling van de hoofdzaak.
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
6.2.1. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag over het verhoogde deel van de gevelmuur tussen twee woningen, welk verhoogde deel ontstaan is toen de hogere woning van de rechtsvoorganger van [appellant] tegen de lagere woning van de rechtsvoorganger van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is aangebouwd, mandelig is.
6.2.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten
a. [appellant] is bij notariële akte van 1 april 1994 eigenaar geworden van de woning aan [adres A] te [woonplaats] .
b. De woning is een kleine 30 jaar eerder, bij de leveringsakte van 12 november 1965, overgedragen aan de rechtsvoorganger van [appellant] . In die leveringsakte staat onder meer het volgende:
“De gevel tussen het verkochte en het naastgelegen aan verkoper verblijvende pand, [adres B] , staat op de hart der scheidingslijn en zal een gemeenschappelijke gevel zijn.”
c. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn sinds 27 juli 2018 elk voor 1/2e aandeel eigenaar van de woning aan [adres B] te [woonplaats] .
d. De genoemde woningen zijn naast elkaar gelegen, en zichtbaar op de foto die op blz. 2 van het beroepen vonnis is weergegeven. De woning aan de rechterzijde (de wat hogere woning) is de woning van [appellant] met [huisnummer A] . De woning aan de linkerzijde (de wat lagere woning) is de woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] met [huisnummer B] .
e. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn in 2018 begonnen met verbouwen van hun woning. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben in het kader van die verbouwing twee dakkapellen op de zolderetage aangebracht. Hierbij zijn stalen balken in de zijgevel/muur, zijnde de muur tussen de woningen van partijen, bevestigd. De staalconstructie is op twee plaatsen in voornoemde zijgevel vastgemaakt. Voorts hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] een stukje regenpijp, dat niet meer in gebruik was, verwijderd. Hierdoor is er schade in het trappenhuis van [appellant] ontstaan. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] erkennen aansprakelijk te zijn voor deze schade en hebben zich bereid verklaard deze te (laten) herstellen.
f. Op 31 oktober 2019 zijn de werkzaamheden aan de dakkapellen door de gemeente stop gezet, omdat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet beschikten over de benodigde vergunning.
g. Die vergunning is op 21 mei 2020 alsnog verleend. [appellant] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. In het advies van de bezwaarbehandelaar van 15 oktober 2020 staat, onder meer het volgende:
“Er wordt overigens niet ingezien waarom de uitvoering van het voorliggende plan appellant zou beperken in de mogelijkheden om zijn woning uit te breiden of te verduurzamen. Dit is verder ook niet toegelicht of aannemelijk gemaakt.
In dat kader kan nog worden verwezen naar de ter zitting door vergunninghouder overgelegde rapportage van [XX] Konstruktie- en Adviesburo V.O.F. van 5 oktober 2020 waarin onderbouwd aannemelijk is gemaakt dat de veiligheid van de gezamenlijke muur tussen beide panden aan [adres B] en [huisnummer A] niet in het geding is en dat de bouwkundige werkzaamheden aan het pand aan [adres B] gunstige effecten zullen hebben voor de belending aan [adres A] in termen van isolatie, akoestiek, waterkering en waterdoorslag.”
h. De gemeente heeft het bezwaar van [appellant] bij besluit van 27 oktober 2020, verzonden op 3 november 2020, ongegrond verklaard.
i. Op 18 maart 2020 heeft [bedrijf A] Nederland B.V. in opdracht van [appellant] een onderzoek uitgevoerd. In de rapportage van 27 mei 2020 staat dat tijdens de sloop- en herstelwerkzaamheden van [geïntimeerde sub 1] schade is ontstaan aan de woning van [appellant] en dat het schadebedrag € 3.250,00 (inclusief btw) is. De kosten van het onderzoek van [bedrijf A] Nederland B.V. bedragen € 1.210,00 (inclusief btw). In het rapport staat voorts onder meer het volgende:
“Niet alle schade is te relateren aan de door wederpartij uitgevoerde werkzaamheden; een deel van met name de scheuren betreft oudere gebreken. In verband hiermee hebben wij in de schadevaststelling rekening gehouden met verbetering na herstel.”
j. Bij brief van 28 september 2020 (productie 10 bij dagvaarding) heeft [appellant] aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] (nogmaals) laten weten schade te lijden door onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 1] . [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn bij die brief gesommeerd € 4.910,10 te betalen en aangemaand om de stalen balken binnen 15 dagen te verwijderen.
k. Bij brief van hun gemachtigde van 12 oktober 2020 hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aansprakelijkheid met betrekking tot de stalen balken afgewezen, omdat het een gemeenschappelijke gevel betreft en de stalen balken in de eigen helft van [geïntimeerde sub 1] zijn bevestigd. In de brief is hierbij verwezen naar hetgeen in de notariële akte van 12 november 1965 staat, te weten dat de gevel een gemeenschappelijke gevel zal zijn.
l. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben voorts een rapport van 30 april 2020 laten opmaken door [persoon A] van [YY] Bouwadvies en Bouwmanagement. In dat rapport staat op blz. 11 onder meer het volgende.
“
2 Gat trappenhuis naar de verdieping
Stelling verzekeringsexpert [bedrijf A] :
“In het trappenhuis naar de verdieping is een gat aanwezig, dat volgens client ontstaan is doordat men een oude goot/hwa gesloopt heeft en naar binnen heeft gestoten.”
Toelichting [YY] Bouwadvies (naar aanleiding van inspectie):
(…)
Tijdens onze inspectie stelden wij vast dat er een gat in de buitengevel t.p.v. het trappenhuis is.
(…)
Verder staat op blz. 28 van het rapport onder meer het volgende
“
Kostenraming herstel vastgestelde schades:
(…)
2. Gat trappenhuis naar de verdieping € 423,50”
- m. In het proces-verbaal dat de rechter heeft opgemaakt van de plaatsopneming en bezichtiging van 27 juni 2022 staat op blz. 4 onder meer het volgende:
“De rechter constateert dat (zie foto’s 5 tot en met 9) de buitenmuur van [huisnummer A] op de originele buitenmuur van [huisnummer B] staat. De buitenmuur van [huisnummer A] is op de buitenmuur van [huisnummer B] omhoog getrokken. Gelet op de aanwezige ramen in de muur (foto’s 2, 3 en 4), de spiegelbeeldige bouw van de achtergevel van [huisnummer B] , en het feit dat de buitenmuur van [huisnummer A] gebouwd is op de muur van [huisnummer B] moet [huisnummer B] er eerst hebben gestaan, omdat anders [huisnummer A] niet op deze manier gebouwd had kunnen worden. Kort gezegd: [huisnummer A] stort in als de muur van [huisnummer B] wordt weggehaald.”
Procesverloop
6.3.1. [appellant] heeft [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Bij die dagvaarding vorderde [appellant] in conventie, samengevat:
1. Een verklaring voor recht dat het gedeelte van de zijgevel van de woning van [appellant] dat boven de woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uitsteekt, volledig in eigendom toebehoort aan [appellant] ;
2. Een verklaring voor recht dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] door zonder toestemming van [appellant] dat gedeelte van de zijgevel van de woning van [appellant] , dat volledig in eigendom toebehoort aan [appellant] , voor hun verbouwingswerkzaamheden te gebruiken;
3. Veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om te verwijderen en verwijderd te houden, al hetgeen, dus alle materialen/zaken/balken, die zij in dan wel aan dat gedeelte van de zijgevel van de woning van [appellant] , dat uitsluitend in eigendom toebehoort aan [appellant] , hebben aangebracht, dan wel hebben laten aanbrengen, onder verbeurte van een dwangsom;
4. Hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om aan [appellant] € 3.250,-- te betalen ter zake de schade die [appellant] door de (verbouwings)werkzaamheden van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft geleden, zoals vastgesteld in het deskundigenrapport van [bedrijf A] , alsmede een bedrag van € 1.210,-- ter zake de kosten van het deskundigenrapport;
5. Een verklaring voor recht dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] lijdt door de voortgezette verbouwingswerkzaamheden, welke schade bestaat uit de aanvullende herstelkosten van de gevel van de woning van [appellant] , en derhalve veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om aan [appellant] te betalen de aanvullende schade aan de gevel van de woning van [appellant] , die zij hebben veroorzaakt door nadere verbouwingswerkzaamheden en die niet is meegenomen in de rapportage van [bedrijf A] , welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt;
met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
6.3.2. Aan deze vorderingen heeft [appellant] primair, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De gevel waar [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de stalen balken in hebben gelegd, is alleen gemeenschappelijk tot de hoogte waarop de woningen tegen elkaar aanstaan, maar dat is niet het geval daar waar [geïntimeerde sub 1] de stalen balken heeft bevestigd. Ingevolge het oud BW wordt verondersteld dat indien gebouwen niet even hoog zijn, de scheidsmuur slechts gemeen is tot de hoogte van het laagste gebouw. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben dus onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld, door:
twee stalen balken te plaatsen in de zijgevel van de woning die eigendom van [appellant] is;
een hemelwaterafvoer te verwijderen.
[appellant] heeft voor die handelingen geen toestemming gegeven en [appellant] heeft schade geleden door de handelingen. Subsidiair, voor het geval ook het bovenste deel van de scheidsmuur wel mandelig is, stelt [appellant] dat [geïntimeerde sub 1] niet aan artikel 5:67 BW heeft voldaan.
6.3.3. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen en geconcludeerd dat de kantonrechter de zaak moet doorverwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht. [appellant] heeft geantwoord in dit bevoegdheidsincident. De kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht heeft vervolgens bij vonnis in het incident van 27 oktober 2021 (zaaknummer 9310568 en rolnummer CV EXPL 21-3223), samengevat:
De vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in het incident toegewezen;
[appellant] in de proceskosten van het incident veroordeeld;
De hoofdzaak in de stand waarin zij zich bevindt verwezen naar de civiele rolzitting voor de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank, voor het door partijen stellen van advocaten.
6.3.4. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben vervolgens in het geding bij de rechtbank in conventie verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.3.5. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben voorts een eis in reconventie ingesteld. Die eis is door de rechtbank afgewezen en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn daar in hoger beroep niet tegen opgekomen. De eis in reconventie hoeft daarom in dit hoger beroep niet besproken te worden.
6.3.6. Bij tussenvonnis van 5 januari 2022 heeft de rechtbank vervolgens een plaatsopneming en bezichtiging bevolen, te combineren met een mondelinge behandeling. Ook heeft de rechtbank bij dit tussenvonnis [appellant] in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in reconventie te nemen.
6.3.7. [appellant] heeft vervolgens een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Daarna heeft de rechtbank de plaatsopneming en bezichtiging, gecombineerd met de mondelinge behandeling gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.
6.3.8. In het beroepen eindvonnis heeft de rechtbank in conventie, samengevat, als volgt geoordeeld.
De woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ( [huisnummer B] ) is gebouwd omstreeks 1920/1921 en de woning van [appellant] ( [huisnummer A] ) is omstreeks 1926 tegen de woning van [geïntimeerde sub 1] aangebouwd. De gevelmuur van de woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is toen ten behoeve van de bouw van de woning van [appellant] hoger opgetrokken (rov. 4.3).
Op grond van artikel 681 oud BW is de gevelmuur in elk geval ten dele (naar het hof begrijpt: tot de hoogte van het minst verheven gebouw) mandelig geworden (rov. 4.4).
Tot 1965 behoorden beide percelen met beide woningen in eigendom toe aan één en dezelfde persoon, zodat in ieder geval tot dat moment niet de vraag gerezen is in hoeverre (naar het hof begrijpt: tot welke hoogte) de muur mandelig is. De tweede zin van artikel 681 oud BW houdt een bewijsvermoeden in op grond waarvan in beginsel aangenomen moet worden dat het verhoogde deel van de gevelmuur toekomt aan de eigenaar van de woning met [huisnummer A] . Tegen dit wettelijk bewijsvermoeden staat echter tegenbewijs open. De wederpartij zal daartoe moeten aantonen dat het verhoogde deel van de gevelmuur niet uitsluitend toekomt aan de eigenaar van de woning met [huisnummer A] (rov. 4.5).
Volgens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] komt in de leveringsakte van 1965 tot uitdrukking dat de rechtsvoorgangers van partijen destijds zijn overeengekomen dat de gevelmuur in zijn geheel mandelig is. De rechtbank volgt deze door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aangevoerde uitleg van die akte. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben aldus het tegenbewijs geleverd tegen het wettelijk vermoeden dat het verhoogde deel van de gevelmuur toekomt aan de eigenaar van de woning met [huisnummer A] . Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de gehele gevelmuur, inclusief het verhoogde deel daarvan, mandelig is (rov. 4.7).
De bewijslast van zijn stelling dat het verhoogde deel van de gevelmuur niet mandelig is, komt daarmee weer bij [appellant] te liggen. [appellant] heeft dat bewijs niet geleverd. Daarom staat vast dat de gehele gevelmuur mandelig is.
Beoordeling
6.4.1. [appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het in conventie gewezen eindvonnis. Op basis van die grieven heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog geheel toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten van beide instanties.
6.4.2. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot – kort gezegd – bekrachtiging van het beroepen vonnis in conventie met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
Over de grieven I en II: is het verhoogde deel van de gevelmuur mandelig?
6.5.1. Het hof zal de grieven I en II gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gevelmuur die tussen beide woningen staat, in zijn geheel mandelig is, dus ook het verhoogde deel van die muur dat is aangebracht toen, terwijl woning [huisnummer B] al was gebouwd, woning [huisnummer A] omstreeks 1926 werd gerealiseerd.
6.5.2. Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ( [huisnummer B] ) is gebouwd omstreeks 1920/1921 en de woning van [appellant] ( [huisnummer A] ) omstreeks 1926 tegen de woning met [huisnummer B] is aangebouwd. De gevelmuur van woning [huisnummer B] is ten behoeve van de bouw van (de hogere) woning [huisnummer A] in 1926 verhoogd.
6.5.3. Tussen partijen staat verder vast dat bij de beoordeling of en in hoeverre de muur mandelig is, toepassing gegeven moet worden aan artikel 681 (oud) BW. De twee leden van dit artikel luiden als volgt:
“1. Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen landerijen hoven en tuinen worden gerekend gemeene muren te zijn ten ware er een titel of teeken het tegendeel aanduidende mogt bestaan.
2. Indien de gebouwen niet even hoog zijn wordt de scheidsmuur slechts voorondersteld gemeen te zijn tot de hoogte van het minst verhevene gebouw.”
Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de gevelmuur op grond van lid 1 in elk geval ten dele (tot de hoogte van het minst verheven gebouw) mandelig is geworden.
6.5.4. Het komt bij de beoordeling van de grieven I en II met name aan op de vraag of [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] erin zijn geslaagd tegenbewijs te leveren tegen het in lid 2 van artikel 681 oud BW neergelegde bewijsvermoeden, dat het verhoogde deel van de gevelmuur toekomt aan de eigenaar van de hogere woning (in dit geval: de woning met [huisnummer A] ). Voor tegenbewijs is niet voldoende dat de wederpartij het vermoeden ontzenuwt, in die zin dat voldoende is dat twijfel wordt gezaaid. De wederpartij kan het vermoeden weerleggen door bewijs van het tegendeel te leveren. Zij zal het dus – met andere woorden – moeten bewijzen (aantonen, aldus de toelichting Meijers, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 172).
6.5.5. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] er in zijn geslaagd om dat tegenbewijs te leveren. Zij hebben gewezen op de leveringsakte van 12 november 1965. Bij die akte heeft de toenmalige eigenaar van woning [huisnummer B] en woning [huisnummer A] , één van die woningen, te weten woning [huisnummer A] , geleverd aan een rechtsvoorganger van [appellant] . In die leveringsakte zijn deze partijen het volgende overeengekomen:
“De gevel tussen het verkochte en het naastgelegen aan verkoper verblijvende pand, [adres B] , staat op de hart der scheidingslijn en zal een gemeenschappelijke gevel zijn.”
Het gaat hier een om een beding in een notariële leveringsakte dat mede van invloed kan zijn op de rechtspositie van derden, te weten de rechtsopvolgers van de bij de levering betrokken partijen. Bij de uitleg van het beding komt het daarom aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Naar het oordeel van het hof volgt uit de hier toe te passen uitlegmaatstaf dat volgens de akte van 12 november 1965 de gehele muur, dus ook het al ongeveer 40 jaar eerder aangebrachte verhoogde deel daarvan, mandelig zal zijn. Het hof acht daarbij het volgende van belang:
Er staat in de tekst van de bepaling zonder voorbehoud dat de betreffende gevel op het hart der scheidingslijn staat en een gemeenschappelijke gevel zal zijn. Daarbij is in de tekst geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het bovenste deel van de gevel.
Dat is de bepaling wordt gesproken over de gevel “tussen” het verkochte en het naastgelegen aan verkoper verblijvende pand, brengt het hof niet tot een andere uitleg. Ook het verhoogde deel van de gevel was kennelijk nog steeds lager dan de nok van de woning met [huisnummer B] (zoals zichtbaar op de foto op blz. 2 van het beroepen vonnis), en ook dat verhoogde deel van de gevel bevond zich in zoverre “tussen” beide woningen. Bovendien is in de bepaling aangeknoopt bij de omstandigheid dat de gevel “op de hart der scheidingslijn staat” en kennelijk daarom een gemeenschappelijke gevel zal zijn. Dat de gevel “op de hart der scheidingslijn staat”, geldt ook voor het omstreeks 1926 verhoogde deel van de gevel.
Als partijen destijds in 1965 hadden willen regelen dat het verhoogde deel van de gevel niet mandelig zou zijn, dan had het voor de hand gelegen om ofwel geen bepaling hierover op te nemen – zodat het wettelijk vermoeden van artikel 681 lid 2 (oud) BW niet zou worden ontkracht door de in de leveringsakte getroffen afspraak – ofwel in de bepaling op te nemen dat het verhoogde deel van de gevel niet mandelig zou zijn. Geen van beide is gebeurd. Ook dit wijst erop dat de bepaling – overeenkomstig haar bewoordingen – aldus moet worden uitgelegd dat de hele gevel mandelig zal zijn.
6.5.6. Het in artikel 681 lid 2 (oud) BW neergelegde bewijsvermoeden moet in dit geval dus wijken voor de in 1965 tussen de betrokken partijen uitdrukkelijk bij rechtshandeling getroffen regeling, inhoudende dat de hele gevel mandelig is.
6.5.7. [appellant] heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die van dien aard zijn dat zij meebrengen dat het bovenste deel van de gevel toch uitsluitend aan hem zou toebehoren en niet mandelig zou zijn. Het hof verwerpt daarom de grieven I en II.
Over de grieven III en IV: hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig gehandeld en moeten zij de door hen in het verhoogde deel van de gevelmuur aangebrachte zaken verwijderen?
6.6.1. [appellant] heeft in het geding bij de rechtbank subsidiair gesteld dat, voor het geval ook het bovenste deel van de scheidsmuur wel mandelig is, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij de uitvoering van hun verbouwingswerkzaamheden niet aan artikel 5:67 BW hebben voldaan.
De rechtbank heeft die stelling verworpen in de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het beroepen vonnis. Tegen die overwegingen heeft [appellant] geen grieven gericht.
6.6.2. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.12 van het vonnis geconcludeerd:
dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet onrechtmatig hebben gehandeld;
dat vordering 3 dus niet toewijsbaar is;
dat vordering 4 niet toewijsbaar voor zover die vordering samenhangt met het plaatsen van twee stalen balken in het verhoogde deel van de gevelmuur.
6.6.3. De grieven III en IV zijn tegen deze rechtsoverweging gericht.
Conclusie
6.9.1. Omdat het hof in het voorgaande alle grieven heeft verworpen, zal het hof het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, bekrachtigen.
6.9.2. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, met uitzondering van de kosten van het ontvankelijkheidsincident. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zullen in de kosten van dat incident worden veroordeeld, aangezien zij in dat incident in het ongelijk zijn gesteld.
6.9.3. De kosten voor het ontvankelijkheidsincident zal het hof aan de zijde van [appellant] vaststellen op € 607,-- voor salaris advocaat (0,5 punt maal tarief II). Het hof zal [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijke tot betaling van deze kosten veroordelen. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt immers als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen.
6.9.4. De kosten voor de overige procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal het hof vaststellen op:
Griffierechten € 343,--
Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 2.342,--
6.9.5. Het bovenstaande leidt tot de hieronder te geven uitspraak.
7De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/298096 / HA ZA 21-557 in conventie gewezen vonnis van 28 september 2022;
veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in proceskosten van het ontvankelijkheidsincident ten bedrage van € 607,--;
veroordeelt [appellant] in de overige proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer