Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:710
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
6,007 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.316.806/02
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
1De vennootschap onder firma [XXX] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A] ,
2. [appellant sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [appellant sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [XXX] c.s., en afzonderlijk als [XXX] , respectievelijk [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur,
tegen
Dutch Civil Projects B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als DCP,
advocaat: mr. D.M. Uithol te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/390508 / HA ZA 21-586 gewezen vonnis van 29 juni 2022.
8Het verloop van de procedure
8.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 27 augustus 2024;
de mondelinge behandeling van 16 december 2024, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de akte houdende overlegging producties, met producties, zoals deze bij de mondelinge behandeling door DCP in het geding zijn gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
8.2.
Tegen de door DCP tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bij akte in het geding gebrachte producties heeft [XXX] c.s. bezwaar gemaakt op de grond dat de producties te laat in het geding zijn gebracht. Ter zitting heeft de advocaat van [XXX] c.s. aangegeven dat de producties door hem wel gelezen waren. Ook is ter zitting in hoger beroep gereageerd op de producties, maar de advocaat van [XXX] c.s. heeft aangevoerd dat er onvoldoende tijd was om deze producties op voorhand te bespreken met zijn cliënten. Het hof laat de producties toe, zodat deze deel uitmaken van het procesdossier. Indien gewenst kan [XXX] c.s. op deze producties nog ingaan bij de na dit tussenarrest te nemen akte.
Beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
Ten aanzien van de vorderingen van DCP
9.1.
De vorderingen van DCP zien op de voldoening van openstaande facturen ter zake de herbouw van de deels afgebrande loods. Het gaat daarbij enerzijds om de slotfactuur van 5% van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst en daarnaast om een viertal meerwerkfacturen. DCP vordert nakoming door [XXX] c.s. van de overeenkomst en van de gestelde meerwerkopdrachten. Volgens DCP heeft [XXX] c.s. deze facturen ten onrechte onbetaald gelaten.
9.2.
[XXX] c.s. betwist dat de facturen verschuldigd te zijn. Volgens haar heeft DCP haar werkzaamheden gebrekkig verricht. Zij beroept zich daarom op opschorting en stelt daarnaast dat zij aanspraak kan maken op ontbinding van de overeenkomst.
9.3.
Allereerst zal het hof de verschuldigdheid van de slotfactuur van 5% van de aanneemsom beoordelen. Deze slotfactuur is in beginsel verschuldigd op het moment dat DCP het aangenomen werk heeft opgeleverd. Het moet er voor worden gehouden dat het werk in elk geval op 1 mei 2020 klaar was voor oplevering (zie ook eindvonnis, r.o. 4.4.) [XXX] c.s. heeft echter gesteld - en DCP heeft ook in hoger beroep onvoldoende betwist - dat sprake is van een lekkage door hemelwater (bij de aansluiting tussen de oude en de nieuwe hal). Dit betekent dat [XXX] c.s. zich terecht op opschorting heeft beroepen. DCP zal deze lekkage eerst dienen te verhelpen, althans zij zal hiertoe in de gelegenheid gesteld moeten worden. Ter zitting in hoger beroep heeft DCP aangegeven dat zij na het eindvonnis tot tweemaal heeft getracht om de daklekkage te gaan verhelpen, maar dat [XXX] c.s. haar niet de gelegenheid heeft geboden deze werkzaamheden uit te voeren. Wat [XXX] c.s. ter zitting over de onderlinge communicatie op dit punt heeft aangevoerd, acht het hof onvoldoende steekhoudend. [XXX] c.s. had DCP in de gelegenheid moeten stellen om de daklekkage te verhelpen en dat is niet gebeurd. Het voorgaande is voor het hof aanleiding om - voor zover [XXX] c.s. uiteindelijk gehouden is om de slotfactuur te voldoen - daarop in mindering te brengen het door DCP bespaarde netto bedrag ter zake de (niet verrichte) herstelwerkzaamheden van de daklekkage.
9.4.
De hoogte van het door DCP bespaarde netto bedrag (kostprijs) ter zake de (niet verrichte) herstelwerkzaamheden van de daklekkage zal moeten worden bepaald na voorlichting daaromtrent door de door het hof aan te stellen gerechtelijke deskundige (zoals bepaald in rov. 9.11 hierna). Het hof houdt het oordeel over de verschuldigdheid van de slotfactuur verder aan totdat beslist wordt op de vorderingen van [XXX] c.s. (waarover hierna meer).
9.5.
Naast de slotfactuur heeft DCP een viertal facturen verzonden aan [XXX] c.s. ter zake meerwerk ter hoogte van in totaal € 31.555,97 inclusief btw. Dit betreffen de volgende facturen:- factuur 20216 van 20 maart 2020 ter hoogte van € 19.837,22 inclusief btw (metselwerken);
- factuur 20218 van 25 maart 2020 ter hoogte van € 1.355.15 inclusief btw (aansluiting hemelwaterafvoer op de riolering);
- factuur 20219 van 25 maart 2020 ter hoogte van € 1.848,29 inclusief btw (extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op bovenverdieping);
- factuur 20247 van 11 juli 2020 ter hoogte van € 8.515,31 inclusief btw (levering en het aanbrengen van dakisolatie voor het platdak).Op de totstandkoming van deze facturen zijn partijen zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep ingegaan en ook ter zitting in hoger beroep is dit aan de orde gesteld.
9.6.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:755 BW de aannemer slechts meerwerk in rekening kan brengen wanneer: (i) er sprake is van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen, (ii) de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Per factuur zal het hof moeten beoordelen of DCP recht heeft op voldoening van het desbetreffende meerwerk. Ten aanzien van de gevorderde meerwerkfacturen is door partijen over en weer – in de kern – het navolgende naar voren gebracht.factuur 20216 van 20 maart 2020 (metselwerken)DCP stelt dat tijdens het opstellen van de aannemingsovereenkomst partijen ervan uitgingen dat de onderste muurtjes konden blijven staan, maar dat tijdens de uitvoering van het werk bleek dat er veel muurtjes gescheurd waren. DCP heeft aangegeven, dat deze muurtjes afgebroken en opnieuw opgemetseld moesten worden. [XXX] heeft hierop gezegd: “doe maar”, aldus DCP. Ter zitting in hoger beroep heeft de heer Vergouwen namens DCP verklaard dat hij duidelijk heeft gemaakt dat hiermee extra geld gemoeid was. DCP betoogt voorts dat in de meerwerkspecificatie bij de factuur van 20 maart 2020 diverse posten worden berekend die niet in de aanneemsom zitten. [XXX] c.s. heeft een en ander betwist onder meer door er op te wijzen dat de afspraak was gemaakt dat de kosten van de aannemingsovereenkomst binnen het budget van de verzekering zouden blijven.
factuur 20218 van 25 maart 2020 (aansluiting hemelwaterafvoer op de riolering);
DCP stelt ten aanzien van de aansluiting hemelwaterafvoer dat [XXX] de opdracht daartoe per telefoon heeft gegeven, maar [XXX] c.s. heeft dit betwist. Verder stelt DCP dat [XXX] de prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen omdat het aanvullingen en toevoegingen betreffen ten opzichte van het overeengekomen werk en [XXX] zelf werkzaam is in de bouwwereld. [XXX] c.s. betwist dat zij uit zichzelf de prijsverhoging had moeten begrijpen, waarbij zij aanvoert dat de afspraak was gemaakt dat de kosten van de aannemingsovereenkomst binnen het budget van de verzekering zouden blijven.
factuur 20219 van 25 maart 2020 (extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op bovenverdieping)
DCP stelt ten aanzien van het extra staal voor de raamkozijnen dat zij dit werk op 16 september 2019 heeft gemeld bij [XXX] c.s. , maar [XXX] c.s. betwist dit. Ook ten aanzien van de constructie voor de raamkozijnen stelt DCP dat [XXX] c.s. de prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen omdat het aanvullingen en toevoegingen betreffen ten opzichte van het overeengekomen werk en [XXX] c.s. zelf werkzaam is in de bouwwereld. [XXX] c.s. betwist dat zij uit zichzelf de prijsverhoging had moeten begrijpen, waarbij zij aanvoert dat de afspraak was gemaakt dat de kosten van de aannemingsovereenkomst binnen het budget van de verzekering zouden blijven.
factuur 20247 van 11 juli 2020 (levering en het aanbrengen van dakisolatie voor het platdak)
Over de levering en het aanbrengen van dakisolatie stelt DCP dat dakplaatisolatie op het platte dak niet in de oorspronkelijke offerte zat opgenomen omdat [XXX] c.s. dat door een derde zou laten uitvoeren. Volgens DCP heeft deze derde [XXX] c.s. laten zitten, waarna DCP dit voor [XXX] c.s. heeft opgelost. De dakplaatisolatie op het platte dak zat niet in de offerte, aldus DCP. Ook ten aanzien van de dakplaatisolatie stelt DCP verder dat [XXX] de prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen omdat het aanvullingen en toevoegingen betreffen ten opzichte van het overeengekomen werk en [XXX] c.s. zelf werkzaam is in de bouwwereld. [XXX] c.s. betwist dat zij uit zichzelf de prijsverhoging had moeten begrijpen, waarbij zij aanvoert dat de afspraak was gemaakt dat de kosten van de aannemingsovereenkomst binnen het budget van de verzekering zouden blijven.
9.7.
Gelet op het voorgaande heeft DCP ten aanzien van de meerwerkfacturen voldoende gesteld dat zij met [XXX] c.s. heeft gesproken over het uitvoeren van het meerwerk, de daarmee gemoeide extra kosten en / of dat [XXX] c.s.
Beoordeling
de noodzaak van de daarmee gemoeide kosten uit zichzelf had moeten begrijpen. [XXX] c.s. heeft een en ander gemotiveerd betwist. Dit betekent dat DCP zal worden toegelaten tot bewijslevering. Zij zal daartoe ten aanzien van de meerwerkfacturen het navolgende dienen te bewijzen:-factuur 20216 van 20 maart 2020 (metselwerken): dat [XXX] c.s. akkoord is gegaan met het uitvoeren van extra metselwerk en dat DCP de extra kosten die daarmee waren gemoeid met [XXX] c.s. heeft besproken;
-factuur 20218 van 25 maart 2020 (aansluiting hemelwaterafvoer op de riolering): dat [XXX] c.s. per telefoon de opdracht heeft gegeven tot aansluiting van de hemelwaterafvoer op de riolering en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk;
-factuur 20219 van 25 maart 2020 (extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op bovenverdieping): dat [XXX] c.s. het aan te brengen extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op de bovenverdieping op 16 september 2019 heeft gemeld bij [XXX] c.s. en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk;
-factuur 20247 van 11 juli 2020 (levering en het aanbrengen van dakisolatie voor het platdak): dat DCP met [XXX] c.s. heeft afgesproken dat DCP dakplaatisolatie zou aanbrengen voor [XXX] c.s. en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk.
9.8.
Bewijs kan door DCP geleverd worden door het overleggen van stukken en / of door het horen van getuigen. Indien en voor zover DCP slaagt in haar bewijslevering, zal het hof de meerwerkfacturen in beginsel toewijzen nu DCP in die omstandigheden mocht begrijpen dat [XXX] c.s. akkoord was met het uitvoeren van het meerwerk en de daarmee gemoeide kosten (dit geldt voor factuur 20216), althans de noodzaak van de daarmee gemoeide kosten uit zichzelf had moeten begrijpen (dit geldt voor facturen 20217, 20219 en 20247). Het hof weegt daarbij mee dat [XXX] c.s. geen consument is maar een bedrijf dat zelf bij het uitvoeren van haar laswerkzaamheden verondersteld mag worden ervaring te hebben met het uitvoeren van extra werkzaamheden en de kosten die daarmee gemoeid zijn.
Ten aanzien van de vorderingen van [XXX] c.s.
9.9.
Het hof behandelt allereerst de vordering van [XXX] c.s. van € 2.078,78,- zoals opgenomen in de door haar aan DCP gezonden factuur van 7 mei 2020. [XXX] c.s. vordert dit bedrag vanwege een verdwenen lasdoos en elektrakabel en 6 verdwenen bouwlampen. Aan deze vordering legt [XXX] c.s. ten grondslag dat deze zaken door DCP zijn weggenomen uit de loods. DCP betwist dat door haar zaken zijn weggenomen van het terrein van [XXX] c.s. en zij wijst erop dat in hoger beroep geen grief is gericht tegen de afwijzing van dit onderdeel van de vordering door de rechtbank. Voor zover al kan worden geoordeeld dat [XXX] c.s. een grief heeft gericht tegen afwijzing van bedoelde vordering geldt het volgende. Zij heeft ook in hoger beroep geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot toewijzing van deze vordering.
Het hof zal de afwijzing van deze vordering handhaven.
9.10.
Het hof komt nu toe aan de overige vorderingen van [XXX] c.s. (zoals weergegeven onder rov. 6.3.1. en 6.5.2 van het tussenarrest). Deze vorderingen baseert [XXX] c.s. op een toerekenbaar tekortschieten door DCP in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Op grond daarvan dient volgens [XXX] c.s. de aannemingsovereenkomst te worden ontbonden met veroordeling van DCP tot vergoeding van schade (van in elk geval € 45.908,79). [XXX] c.s. wijst ter onderbouwing van haar vordering op de bevindingen van de door haar ingeschakelde partijdeskundigen. Zij heeft daartoe een rapport in het geding gebracht van [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) en een tweetal rapporten van [persoon A] (hierna: [persoon A] ) eerst als bouwkundig inspecteur van [bedrijf B] en later van [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C] ), zoals ook vermeld in het tussenarrest onder h., l., n. en o. Elk van deze rapporten bevat tientallen door de partijdeskundigen geconstateerde gebreken. Door DCP worden de gestelde gebreken gemotiveerd betwist. Daarbij voert DCP onder meer aan dat een aantal gebreken geen gebreken zijn. Andere gebreken zien op onderdelen van het pand waarover geen afspraken zijn gemaakt in de aannemingsovereenkomst en/of waar DCP geen werkzaamheden heeft verricht. Weer andere gebreken zouden niet door DCP zijn veroorzaakt, maar door anderen of door [XXX] c.s. zelf. Voorts betoogt DCP dat inmiddels diverse jaren zijn verstreken zodat mogelijk geconstateerde gebreken ook kunnen zijn veroorzaakt vanwege het gebrek aan onderhoud door [XXX] c.s. Daarnaast wijst DCP erop dat zij niet in gebreke is gesteld en dat derhalve geen sprake is van verzuim.
9.11.
Zoals ook ter zitting in hoger beroep aan de orde is gesteld is de onderlinge verhouding tussen de drie partijdeskundigenrapporten en de koppeling van de geconstateerde gebreken met de geaccordeerde offerte niet altijd gemaakt of duidelijk. Tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting van de gebreken door DCP is het hof - mede gelet op het grote aantal gestelde gebreken en de verschillende bedragen aan herstelkosten die door de partijdeskundigen worden genoemd - voornemens om een gerechtelijke deskundige de gestelde gebreken te laten beoordelen. Ter zitting in hoger beroep is namens [XXX] c.s. verklaard dat inspectie van alle gestelde gebreken in het pand nog mogelijk is.
9.12.
Teneinde deze gerechtelijke deskundige een overzichtelijke opsomming van de gestelde gebreken te kunnen voorleggen beveelt het hof [XXX] c.s. om bij akte één gestructureerde opsomming van alle gestelde gebreken in het geding te brengen waarbij per post:
(i) verwezen wordt naar de relevante onderdelen van de offerte waaruit volgens [XXX] c.s. volgt dat de bewuste werkzaamheden zijn overeengekomen;
ii) verwezen wordt naar de omtrent dat gebrek vermelde bevindingen in de rapporten van CED, [bedrijf B] en [bedrijf C] ; en,
(ii) wordt aangegeven welke herstelkosten volgens [XXX] c.s. met het herstel gemoeid zijn.
DCP zal in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren bij akte.
Hieronder volgen nog enkele andere onderwerpen waarover een of beide partijen zich dienen uit te laten. Partijen dienen deze akte gelijktijdig te nemen, waarbij zij twee weken voorafgaand aan de voor de akte geldende roldatum hun eigen akte aan de wederpartij dienen toe te sturen. Die kan dan in de eigen akte een korte reactie opnemen op de akte van de wederpartij.
9.13.
Het hof is voornemens om de te benoemen gerechtelijk deskundige de volgende vragen voor te leggen:
1) Kunt u bij ieder gesteld gebrek op de lijst aangeven of DCP de overeengekomen werkzaamheden correct heeft uitgevoerd of dat hier volgens u op basis van uw deskundigheid sprake is van een gebrek?
2) Kunt u per door u vastgesteld gebrek vermelden welke herstelkosten met herstel van dit gebrek gemoeid zijn?
3) Kunt u vermelden welk netto bedrag (kostprijs) DCP heeft bespaard ter zake de (niet verrichte) herstelwerkzaamheden van de daklekkage (bij de aansluiting tussen de oude en de nieuwe hal)?
4) Heeft u voor het overige nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?
[XXX] c.s. en DCP dienen zich bij akte uit te laten over deze voorgenomen vraagstelling en over de persoon van de te benoemen gerechtelijk deskundige.
9.14.
[XXX] c.s. heeft voorts in hoger beroep € 45.908,79 gevorderd aan minderwerk. Daartoe heeft zij zich beroepen op het rapport van 12/14 april 2022 van [persoon A] van [bedrijf C] (prod. 4 bij akte van 4 mei 2022, zie ook tussenarrest in 6.1. onder o.).
Beoordeling
DCP heeft dit minderwerk betwist, maar ter zitting in hoger beroep is ten aanzien van het punt minderwerk voor dakbedekking (geïsoleerd staaldak) ad € 30.449,74 namens DCP aangegeven dat in de administratie nog moest worden nagegaan of de vierkante meters dak waarvan bij de offerte is uitgegaan wel juist zijn. Het hof beveelt DCP om bij akte zich uit te laten over de vraag of de in de offerte vermelde prijs (van € 60.477,74) en de weergave van vierkante meters (717m2 ten opzichte van de in het rapport genoemde 356 m2) juist zijn is. Ook dient DCP daarbij aan de hand van genoemd rapport van [persoon A] nauwgezet te controleren en in haar akte te vermelden of er ook sprake is van andere mogelijke grote verschillen tussen in de offerte genoemde en daadwerkelijke aantallen vierkante meters, uren en dergelijke.
overig
9.15.
Het voornoemde brengt met zich dat er in deze procedure nog in ieder geval nadere aktes, bewijslevering en een deskundigenbericht nodig is voordat het hof kan komen tot een eindarrest. Met de in te dienen aktes, de bewijslevering en het uit te voeren gerechtelijke deskundigenonderzoek zullen tijd en kosten gemoeid zijn. Vandaar dat het hof partijen in overweging geeft om, mede ter voorkoming van verdere proceskosten, te bezien of een minnelijke regeling alsnog tot een oplossing van hun geschillen kan leiden. Daarbij merkt het hof voorts op, dat desgewenst het hof daarbij behulpzaam kan zijn tijdens een daartoe specifiek met het oog op een te bereiken regeling te houden (enkelvoudige) mondelinge behandeling. Partijen kunnen zich daarover, indien van toepassing, bij akte uitlaten.
9.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
laat DCP toe tot het leveren van bewijs ter zake de navolgende meerwerkfacturen:
-factuur 20216 van 20 maart 2020 (metselwerken): dat [XXX] c.s. akkoord is gegaan met het uitvoeren van extra metselwerk en dat DCP de extra kosten die daarmee waren gemoeid met [XXX] c.s. heeft besproken;
-factuur 20218 van 25 maart 2020 (aansluiting hemelwaterafvoer op de riolering): dat [XXX] c.s. per telefoon de opdracht heeft gegeven tot aansluiting van de hemelwaterafvoer op de riolering en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk;
-factuur 20219 van 25 maart 2020 (extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op bovenverdieping): dat [XXX] c.s. het aan te brengen extra staal ten behoeve van de constructie voor toekomstige raamkozijnen op de bovenverdieping op 16 september 2019 heeft gemeld bij [XXX] c.s. en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk;
-factuur 20247 van 11 juli 2020 (levering en het aanbrengen van dakisolatie voor het platdak): dat DCP met [XXX] c.s. heeft afgesproken dat DCP dakplaatisolatie zou aanbrengen voor [XXX] c.s. en dat deze opdracht een aanvulling of toevoeging betreft ten opzichte van het overeengekomen werk.
bepaalt, voor het geval DCP bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A.C. van Campen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2025 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden mei tot en met oktober 2025;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van DCP tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
bepaalt dat indien DCP bewijs wil leveren door het indienen van schriftelijke stukken, zij dit bewijsmateriaal ter rolzitting van 6 mei 2025 in het geding dient te brengen;
bepaalt dat partijen op de rolzitting van 6 mei 2025 ieder een akte moeten nemen met de in r.o. 9.12 tot en met r.o. 9.14. genoemde inhoud, waarbij iedere partij de eigen akte twee weken voorafgaand aan genoemde datum aan de wederpartij zal sturen, zodat ieder van partijen in de eigen akte een korte reactie op de akte van de wederpartij kan geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, A.C. van Campen en G.M. Menon en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer