Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:699
Strafrecht
Hoger beroep
9,116 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001499-24
Uitspraak : 14 maart 2025
TEGENSPRAAK (279 Sv.)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 juni 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-054600-24 en 03-125990-24, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Namens de verdachte heeft de raadsvrouw aangegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen de vrijspraak van feit 3 onder parketnummer 03-054600-24. Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 onder parketnummer 03-054600-24 is vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 03-125990-24 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd en is verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Ontvankelijkheid hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Limburg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans nog van belang, tenlastegelegd dat:
parketnummer 03-054600-24
1.hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Roermond [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan en/of door een slipper tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te gooien;
2.hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Roermond opzettelijk en wederrechtelijk een bus, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of Huur een woonruimte.nl, in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd;
parketnummer 03-125990-24
hij op of omstreeks 12 april 2024 te Roermond, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Vrijspraak
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe dat naast de aangifte onvoldoende overig bewijs voorhanden is om te oordelen dat de verdachte de gestelde beschadiging aan de zijkant van de transportbus heeft aangebracht op de ten laste gelegde datum.
Immers, uit de beschrijving van de camerabeelden volgt enkel dat de verdachte een fiets vóór de transportbus gooide en dat de bestuurder van de bus vervolgens om hem heen reed en wegreed. Ook de aangever heeft verklaard dat hij zag dat de man de fiets half op de stoep en half op de weg gooide en dat hij er met een bocht omheen reed. Weliswaar hoorde de aangever bij het wegrijden meerdere malen een doffe knal tegen de zijportier aan de bijrijderskant, maar op de camerabeelden is niet zichtbaar of de verdachte daarvoor verantwoordelijk was. Bovendien is op de foto van de zijkant van de bus naar het oordeel van het hof geen duidelijke schade zichtbaar.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 en het in de zaak met parketnummer 03-125990-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
parketnummer 03-054600-24
1.hij op 13 februari 2024 te Roermond [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan;
parketnummer 03-125990-24
hij op 12 april 2024 te Roermond opzettelijk en wederrechtelijk een raam die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Parketnummer 03-054600-24 feit 1
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 februari 2024 (pg. 7-10), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:
Op 13 februari 2024, omstreeks 21.00 uur ging ik naar [adres] voor het repareren van een waterlekkage. Ik wist waar dat ik moest zijn voor de reparatie. Ik liep rechtstreeks naar de algemene ruimte, een keuken, in het pand, gelegen op de eerste verdieping. Ik liep de keuken binnen en zag meteen wat het probleem was. Ik draaide de slang aan en toen hoorde ik dat er een man uit zijn kamer kwam en de keuken binnen kwam gelopen. Ik hoorde dat de man aan mij vroeg wat ik daar kwam doen. Ik zei tegen de man dat ik voor de lekkage kwam. Meneer gaf aan dat hij ontevreden was over het pand. Ik zei tegen de man dat ik dat door zou geven op het kantoor. Toen hij merkte dat ik daar voor de rest niks aan deed werd hij enorm boos. Ik pakte mijn gereedschapskist en liep de trap af. Ik voelde toen ik de trap afliep dat ik een klap tegen mijn achterhoofd aankreeg en voelde meteen de pijn hiervan en kreeg hoofdpijn. Toen ik nog verder van de trap afliep voelde ik dat ik met iets achter tegen mijn hoofd werd geslagen en voelde weer direct pijn.
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2024 (pg. 11-14), voor zover inhoudende als weergave van het aanvullend (telefonisch) verhoor van aangever [slachtoffer 1]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord aangever
V: Ik heb een foto van uw nek, waar een rode striem te zien was, gezien.
A: Ik ben bij de huisarts geweest, zij hebben er naar gekeken en hebben een zwelling geconstateerd.
V: Kunt u zich nog herinneren wat de verdachte gisteravond droeg qua kleding?
A: Ik weet dat hij een wit hemdje droeg zonder mouwen.
Als bijlagen zijn bij dit proces-verbaal gevoegd:
- (…)
- Medische verklaring [slachtoffer 1] .
3. De als bijlage bij het zojuist genoemde proces-verbaal gevoegde medische verklaring d.d.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
parketnummer 03-054600-24 onder 1
Zijdens verdachte is vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 03-054600-24 onder 1 tenlastegelegde. De verdachte ontkent [slachtoffer 1] mishandeld te hebben. Het opgegeven signalement komt niet overeen met de verdachte en er waren ook andere personen in de woning aanwezig. Niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] heeft geslagen.
Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde mishandeling zijn weerlegging vindt in de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt dat het slachtoffer heeft verklaard dat hij op 13 februari 2024 door een man in de woning waar hij een reparatie uitvoerde is mishandeld. De man was ontevreden over de woning en werd boos op hem, omdat hij enkel voor de lekkage kwam. Toen het slachtoffer weg wilde gaan en de trap afliep, is hij tegen zijn achterhoofd en nek geslagen. Hij heeft daardoor letsel bekomen. De verbalisanten hebben bij het slachtoffer op het achterhoofd diverse rode vlekken waargenomen en zagen dat er een rode striem over zijn nek zat. De huisarts van het slachtoffer heeft bij hem een zwelling geconstateerd en een hematoom in de nek.
De verdachte heeft verklaard dat hij op 13 februari 2024 in de woning waar hij verbleef een werknemer van de verhuurder heeft gezien en dat hij deze man heeft aangesproken over de staat van de wc. De man gaf aan dat hij enkel voor de waterlekkage kwam en daarop is de verdachte boos geworden.
Over de man die hem heeft geslagen heeft het slachtoffer verklaard dat hij een wit hemdje zonder mouwen droeg. Bij zijn aanhouding en verhoor bleek dat de verdachte een wit hemd aan had.
Alles afwegende en in onderling verband bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de persoon is geweest die het slachtoffer op 13 februari 2024 in de woning [adres] heeft mishandeld.
Het verweer wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 03-125990-24 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Door de verdediging is aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft 4 dagen in verzekering gezeten en is tijdelijk naar Turkije om zijn familie te bezoeken, maar wil zich later dit jaar weer in Nederland vestigen. Hij heeft echter nog geen verblijfadres.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij [slachtoffer 1] , die in de woning waar verdachte op dat moment verbleef een reparatie kwam uitvoeren, heeft mishandeld door hem tegen het hoofd en nek te slaan toen hij de trap afliep om de woning te verlaten. Hierdoor heeft aangever pijn en letsel opgelopen. Het hof overweegt dat een mishandeling inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer daarvan en het op aangever een diepe indruk heeft achterhalen.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van de woning. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar. Daarnaast vergt de afwikkeling van een dergelijke vernieling tijd en moeite, hetgeen frustrerend is voor de eigenaar.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 december 2024 betreffende verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder, zij het in 2016, onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het hof heeft daarnaast gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Alles overziende, acht het hof het opleggen van een taakstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof merkt op dat tevens rekening dient te worden gehouden met de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht in de zaak onder parketnummer 03-054600-24, te weten in totaal 2 dagen (van 14 februari 2024 tot en met 15 februari 2024). In de zaak met parketnummer 03-125990-24 is de verdachte enkel opgehouden voor verhoor en niet in verzekering gesteld.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 663,44, bestaande uit een bedrag van € 163,44 aan materiële schade (opname verlofuren) en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade (lichamelijk letsel en psychische gevolgen), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Vanwege de bepleite vrijspraak van het onder parketnummer 03-054600-24 onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. Subsidiair is matiging van de immateriële schade bepleit.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 03-054600-24 onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Materiële schade
De gestelde kostenpost “opname verlofuren” is door de verdediging niet betwist en voorts voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Immateriële schade
Het hof acht het, gelet op het door de verdachte veroorzaakte lichamelijke én psychische letsel, billijk om het verzochte bedrag ad € 500,00 aan immateriële schade toe te wijzen. Het hof acht dit bedrag niet bovenmatig en ziet ook overigens geen aanleiding om tot matiging van dit bedrag over te gaan.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-125990-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-125990-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 663,44 (zeshonderddrieënzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 163,44 (honderddrieënzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-054600-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 663,44 (zeshonderddrieënzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 163,44 (honderddrieënzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-125990-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 288,85 (tweehonderdachtentachtig euro en vijfentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-125990-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 288,85 (tweehonderdachtentachtig euro en vijfentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 14 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, zaaksregistratienummer PL2300-2024024494, sluitingsdatum 19 maart 2024, pg. 1 tot en met 66. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2024059111, sluitingsdatum 17 april 2024, pg. 1 tot en met 47. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Inleiding
15 februari 2024 (pg 65-66), voor zover inhoudende:
Medisch dossier [slachtoffer 1]
14-02-2024 hoodpijn
14-02-2024 hoofd: drukgevoelig, minimale zwelling, hematoom nek.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2024 (pg. 24-26), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 13 februari 2024, waren wij, verbalisanten belast meteen noodhulpdienst in Roermond. Omstreeks 21.55 uur, kregen wij een melding van de meldkamer om te gaan naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 1] ) voor het opnemen van een aangifte. Wij hoorden dat het slachtoffer zei dat hij achter tegen het hoofd geslagen was. Wij zagen dat op het achterhoofd diverse rode vlekken zaten. Wij zagen dat er op de nek een rode striem zat horizontaal over zijn nek. Wij zagen dat er meerdere rode vlekken zichtbaar op de hoofdhuid zaten. Dit konden we zien omdat meneer kort geknipt haar had. Wij hoorden slachtoffer [slachtoffer 1] constant klagen over hoofdpijn tijdens het opnemen van de aangifte.
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 14 februari 2024 (pg. 47-52), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Waar woon jij?
A: In [adres] .
V: Huur jij een kamer in dat pand?
A: Ik huur een kamer ja.
V: Was jij gisteravond (het hof begrijpt: op 13 februari 2024) omstreeks 21.00 uur alleen in jouw kamer?
A: Ik was alleen in mijn kamer.
V: Is er rond 21.00 tijdstip iemand in het pand gekomen zover jij weet?
A: Ja ik heb daar iemand gezien. Volgens mij een werknemer van de verhuurder.
V: Er is aangifte gedaan dat er op 13 februari 2024 omstreeks 21.00 uur in de avond iets is voorgevallen in het pand [adres] . Wat kun jij daar over verklaren?
A: Het enige dat ik heb gedaan is die man aanspreken over de wc, met de vraag of die zou worden schoongemaakt. Die man zei nee, dat hij enkel voor de lekkage kwam. Daarop werd ik boos eerlijk gezegd en zei tegen die man dat hij mocht oprotten.
A: Ik zei oprotten en ben bij de trapjes gebleven.
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 14 februari 2024 (pg. 53-55), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Welke kleding droeg u gisteren (het hof begrijpt: op 13 februari 2024)?
A: (…)
V: En dat witte hempje wat u nu aanheeft?
A: Ja.
Parketnummer 03-125990-24
7. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 april 2024 (pg. 5-6), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2]:
Op 12 april 2024, omstreeks 20.45 uur kreeg ik te horen van een medewerker van de politie dat er een raam vernield was en dat iemand een van mijn appartementen binnen was gegaan. Het appartementencomplex is gelegen aan [adres] . Ik ben verhuurder van meerdere appartementencomplexen, waaronder dit appartementencomplex.
Ik wist direct dat dit [verdachte] betrof. Dit omdat hij dit vaker heeft gedaan de afgelopen twee weken. 4 april is [verdachte] uit de woning gezet door middel van een rechtelijke uitspraak, sindsdien probeert hij op verschillende manieren het appartementencomplex alsnog te betreden. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft geen sleutel meer.
Ik hoorde van een andere medebewoner, [getuige 1] , dat hij, [verdachte] , vanavond daadwerkelijk in het appartementencomplex heeft gezien. [getuige 1] zei daarbij ook dat hij bloed op de handen had gezien bij [verdachte] en hem had geholpen met het verzorgen daarvan.
8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 april 2024 (pg. 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1]:
Op 12 april 2024, omstreeks 20.00 uur, ging ik naar de [supermarkt] tegenover mijn woning op [adres] . Toen ik klaar was bij de [supermarkt] liep ik terug naar mijn woning op [adres] . Toen ik naar de voordeur liep, zag ik dat [verdachte] naar mij toe liep. Ik zag dat zijn rechterhand vol bloed zat. Ik hoorde dat hij zei dat hij probeerde naar binnen te komen. Ik hoorde dat hij zei dat hij naar binnen wilde. Ik wilde hem helpen door hem binnen zijn handen schoon te laten spoelen. Ik nam hem mee naar binnen. Ik liep samen met hem naar de keuken, hier hebben wij zijn handen schoongemaakt.
9. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 april 2024 (pg. 12-14), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2]:
Ik ben woonachtig op [adres] . Ik huur daar een kamer op de eerste etage. Ik heb mijn kamer naast de kamer die van [verdachte] is geweest. Ik weet dat [verdachte] uit deze kamer is gezet en dat hij niet meer in huis mag komen.
Op 12 april 2024, tussen 20.30 uur en 21.00 uur, zat ik op mijn kamer. Ik hoorde dat er iemand op de centrale voordeur van het pand klopte. Ik heb daar niet op gereageerd. Kort hierna hoorde ik dat er iemand op een raam klopte. Dit geluid kwam vanaf een raam van de kamer naast mij, vermoedelijk de voormalige kamer van [verdachte] . Vervolgens hoorde ik glasgerinkel. Kort hierna hoorde ik [verdachte] praten in het pand op de gang. Ik herkende zijn stem. Ik hoorde vanuit mijn kamer [verdachte] allerlei onsamenhangende dingen zeggen. Ik heb toen de huurbaas benaderd en hem een bericht gestuurd dat [verdachte] in het pand was. Enige tijd later ben ik toch gaan kijken en zag ik dat de politie [verdachte] meenam.
10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2024 (pg. 15-16), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
Op 12 april 2024, omstreeks 22.40 uur, reden wij, verbalisanten, naar [adres] . Wij kregen de opdracht van onze politiecollega's om op dit adres samen met de aangever de schade van de vernieling te bekijken.
Omstreeks 22.45 uur, kwamen wij aan op [adres] . Wij zagen dat de aangever bij de woning stond. Wij zagen dat de aangever samen met een andere man was. Ik, [verbalisant 3] , hoorde dat deze man zei dat hij berichten had ontvangen van een andere bewoner genaamd [getuige 1] . Ik zag dat hij mij het Whats App gesprek liet zien. Ik zag dat dit een gesprek met [getuige 1] betrof. Ik zag dat [getuige 1] een bericht stuurde met hierin de tekst: "Heey Die [verdachte] zit hier binnen weer." Ook zag ik dat [getuige 1] een bericht stuurde met hierin de tekst: "Ja hij had een flinke snee in zn hand."
Wij liepen samen met de aangever naar de kamer waar de ruit was vernield. Wij zagen dat de ruit (vanuit de buitenzijde) rechts onderin was vernield. Wij zagen dat het glas van de ruit op de grond van de kamer lag.
Ik, [verbalisant 3] , hoorde dat de getuige [getuige 1] zei dat de keuken onder het bloed van [verdachte] zat. Wij liepen naar de keuken en zagen hier verschillende bloeddruppels op de muur en op de wasmachine.
11. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d. 12 april 2024 (pg. 17-20), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8]:
Op 12 april 2024 om 21:30 uur, werd door ons aangehouden als verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1993
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Bevindingen
Op 12 april 2024, waren wij, verbalisanten, belast met de wijkgerichte noodhulpdienst in Roermond. Wij kregen omstreeks 20.55 uur de opdracht om te gaan naar [adres] , aldaar zou een persoon op een dak zijn geklommen en aan het proberen zijn een woning binnen te komen. Omstreeks 21.09 uur, kwamen wij ter plaatse op genoemd adres. Wij reden de straat in en zagen een persoon van ons weglopen. Wij,
verbalisanten, hebben deze man staande gehouden.
Dictum
Verdachte is tot vergoeding van voornoemde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering geheel toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024, zijnde de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 663,44. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 463,85, bestaande uit een bedrag van € 288,85 ter zake “reparatie ruit” en een bedrag van € 175,00 ter zake “gemaakte uren”, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof begrijpt beide kostenposten als gestelde materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 288,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en bepaald is dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De verdediging heeft enkel verweer gevoerd ten aanzien van de gestelde kostenpost “gemaakte uren” en gesteld dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 03-125990-24 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Materiële schade
De gestelde kosten ter zake “reparatie ruit” is door de verdediging niet betwist en voorts afdoende met stukken onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
De gestelde kosten ter zake “gemaakte uren” is evenwel niet nader onderbouwd en nader onderzoek naar de gegrondheid van deze schade zou een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024, zijnde de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 288,85. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften