Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:692
Strafrecht
Hoger beroep
4,104 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002192-24
Uitspraak : 7 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 augustus 2024, parketnummer 03-143318-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, met parketnummers 08-213777-23 en 09-042251-24, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te: [adres]
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – naar het hof begrijpt – zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft zij gevorderd de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf af te wijzen.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft zij geconcludeerd om deze volledig toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en verzocht een slechts voorwaardelijke straf op te leggen. De twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf moeten in zijn visie worden afgewezen.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, nu de verdachte bereid is de gevorderde schade te vergoeden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 27 april 2024 te Venlo, althans in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] (agent van Politie Eenheid Limburg) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van Politie Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: ‘You motherfuckers’ en/of ‘Don’t touch me you motherfuckers’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 27 april 2024 te Venlo, althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn en/of haar / hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte voor artikel 266 Wetboek van Stafrecht en/of ter voorgeleiding aan de hulp officier van justitie, door te trekken en/of te duwen in tegengestelde richting en/of te trappen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bult op het scheenbeen bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies, waaronder de onjuiste spelling van de naam ‘ [verbalisant 1] ’ in het onder 2 tenlastegelegde, zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 27 april 2024 te Venlo opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (agent van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van Politie Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: ‘You motherfuckers’ en ‘Don’t touch me you motherfuckers’;
2.hij op 27 april 2024 te Venlo zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte voor artikel 266 Wetboek van Stafrecht, door te trekken in tegengestelde richting en te trappen, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bult op het scheenbeen bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, een strafmaatverweer gevoerd. Deze gronden komen er in de kern op het volgende neer.
Ten tijde van de tenlastegelegde feiten ging het niet goed met de verdachte. Inmiddels gaat het wel goed met hem. Hij heeft zich definitief in Roemenië gevestigd en heeft daar een baan. Het is niet te verwachten dat hij nog een keer met politie en justitie in aanraking zal komen. Mogelijk heeft de verdachte in eerste aanleg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gekregen in plaats van een taakstraf, omdat hij destijds als arbeidsmigrant geen woning in Nederland had.
De raadsman verzoekt aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen. Ook heeft hij betoogd dat de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf moeten worden afgewezen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan het beledigen van twee politieambtenaren. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, waarbij een van de politieambtenaren zelfs lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en dat hij in zijn handelen zelfs bereid is zo ver te gaan dat daardoor letsel wordt toegebracht. Met deze gedragingen heeft de verdachte hinderlijk gedrag vertoond, het werk van de verbalisanten bemoeilijkt en de lichamelijke integriteit van een van die verbalisanten geschonden. Dit rekent het hof de verdachte dan ook ernstig aan.
Bij de strafoplegging heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met het feit dat hij blijkens het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 6 juli 2024 reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te begaan.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Anders dan de advocaat-generaal en de verdediging, ziet het hof geen aanleiding om de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, omdat dat geen recht zou doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]
De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 170,00 ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [verbalisant 2] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (immateriële schade), nu zij lichamelijk letsel heeft opgelopen en in haar eer en goede naam is geschaad. De benadeelde partij heeft daarom recht op schadevergoeding, welke vergoeding het hof naar billijkheid vaststelt op het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met vergoeding van de proceskosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verbalisant 2] is toegebracht tot een bedrag van € 170,00, bestaande uit nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (immateriële schade), nu het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen en in haar eer en goede naam is geschaad. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vorderingen tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 4 maart 2024 onder parketnummer 08-213777-23.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 170,00 (honderdzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 170,00 (honderdzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 april 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 4 maart 2024, parketnummer 08-213777-23, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024, parketnummer 09-042251-24, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,
en op 7 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.