Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:689
Strafrecht
Hoger beroep
4,417 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002852-24
Uitspraak : 11 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-241093-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit (diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking) bewezenverklaard en is ter zake daarvan aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] hoofdelijk toegewezen en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van het toegewezen bedrag (€ 112,84), beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair aan de verdachte tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dier zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ofwel – indien deze in hoger beroep is gehandhaafd – hoofdelijk zal toewijzen en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag zal opleggen, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, ofwel – indien deze in hoger beroep niet is gehandhaafd – zal afwijzen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit van de onder het primaire feit tenlastegelegde bestanddelen braak en verbreking. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Tot slot heeft de raadsvrouw het hof verzocht de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 25 juli 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen fiets onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 25 juli 2024 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak primaire feit
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit van het primair aan de verdachte tenlastegelegde feit, omdat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging.
Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de fiets van [benadeelde] heeft gestolen en zich schuldig heeft gemaakt aan het haar primair tenlastegelegde feit (diefstal in vereniging), zodat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 25 juli 2024 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, een fiets voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024188274, gesloten d.d. 28 juli 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 80). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2024, pagina’s 15 tot en met 17, voor zover inhoudende (als de verklaring van aangeefster [benadeelde] ):
Omschrijving aangifte
Feit: Diefstal fiets
Plaats delict: [adres 1]
Pleegdatum/tijd: tussen donderdag 25 juli 2024 om 10:55 en donderdag 25 juli 2024 om 14:00
“Tijdens een vergadering met lunch is mijn fiets (Cortina TRANSPORT U4 met framenummer [nummer] ) gestolen bij Bosch en Duin, Udenhout.”
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 juli 2024, pagina’s 8 tot en met 10 van het aanvullend proces-verbaal (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 33), voor zover inhoudende als de verklaring van aangeefster [benadeelde] :
Ik was vandaag 25 juli 2024 bij Bosch en Duin in Udenhout. Ik had rond 10.55 uur mijn fiets daar op slot weg gezet, in de daarvoor bestemde rekken. Ik ontdekte omstreeks 14.00 uur dat mijn fiets was gestolen.
Op het moment dat ik thuiskwam, ben ik toch maar eens op Marktplaats gaan kijken. Tegen alle verwachting in stond mijn fiets daar al te koop. Op de foto’s zag ik een hand met paarse nagellak.
Een vriend van ons bood aan dat zijn schoonvader wel een afspraak wilde maken. Ik had daar gebruik van gemaakt, en er werd een afspraak gemaakt om omstreeks 21.00 uur op [adres 2] af te spreken.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. drs. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 11 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Deze aangifte is niet ondertekend omdat hij digitaal (via internet) is opgemaakt. De aangever was ingelogd via DigiD of ingelogd bij Aangifte voor bedrijven en organisaties.
Inleiding
Op het moment dat we daar aankwamen zagen we een man en een vrouw oversteken. Op het moment dat ik bij de fiets stond wist ik zeker dat het mijn fiets [was]. Ik zag dat de man het moest zijn op de foto met de paarse nagellak.
Maar de vrouw kwam met de oplossing je mag er wel even op gaan fietsen. Ik ben daar ook op ingegaan en ben gaan fietsen. Uit het zicht van de man en vrouw, heb ik weer mijn telefoon gepakt die steeds verbinding had me de politie. De vrouw van de politie vertelde mij waar ik het framenummer kon vinden. Na controleren van het framenummer zei ik haar dat het inderdaad mijn fiets was.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juli 2024, pagina’s 20 en 21, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op donderdag 25 juli 2024 omstreeks 21:00 uur hoorde ik de melding van het operationeel centrum om te gaan naar de van [adres 2] . Aldaar zou een melder haar gestolen fiets hebben aangetroffen welke eerder deze dag gestolen was. Ter plaatse trof ik een 3-tal personen. Ik zag dat een vrouw naar mij toe kwam gelopen. Dit betrof aangeefster [benadeelde] . Tevens toonde ze mij een bewijs van de fietsenmaker met daarop het framenummer van de fiets.
Ik zag dat een man naar ons toe kwam gefietst, waarvan de meldster aangaf dat het haar partner betrof. Ik vroeg de partner om de fiets te kantelen. Hierbij stelde ik vast dat het framenummer overeenkwam met het bewijs van de fietsenmaker.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d., pagina’s 43 tot en met, voor zover inhoudende als de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
O: Zoals al eerder aangegeven, word je in dit onderzoek verdacht van heling van een fiets, gepleegd op donderdag 25 juli 2024.
V: Wat kun en wil je verklaren over wat er is gebeurd?
A: Ik heb samen met mijn vriendin gekocht op straat voor een prikkie. Ik heb hier toen foto’s van gemaakt en wilde deze doorverkopen.
O: Ik laat je nu een foto zien van de fiets van de advertentie.
V: Herken jij deze fiets?
A: Ja ik herken deze fiets. Die heb ik voor een prikkie overgekocht.
V: Weet je nog voor hoeveel geld je deze fiets hebt overkocht?
A: Ongeveer 40 a 50 euro.
V: Weet jij van wie deze fiets was?
A: Nee, de jongen van wie ik hem had gekocht gaf aan dat hij van hem eigen was.
V: Heb je de jongen waarvan je de fiets hebt gekocht vaker gezien?
A: Nee die kende ik niet.
V: Hoe ben je dan met hem in contact gekomen?
A: Via op straat hij vroeg rond of iemand het wilde kopen.
V: Is er een fiets online aangeboden / te koop gezet door jou of jullie?
A: Ik heb de foto’s gemaakt, maar niet zelf online gezet.
V: Wie heeft ze online gezet?
A: Een vriend van mij heeft dat gedaan.
V: Weet jij hoe het contact tot stand is gekomen met een eventuele koper via Marktplaats?
A: We hebben een belletje gehad dat we ergens naar toe moesten komen.
V: Waar moest je naar toe komen?
A: [adres 2] .
V: Wie heeft jou dit verteld dat je daar naar toe moest komen?
A: De jongen die de advertentie op Marktplaats had gezet.
V: Heeft de jongen nog meer verteld buiten dat je naar [adres 2] moest komen?
A: Hij heeft mij verteld dat er 280 euro afgerekend moest worden.
V: Je gaf wel aan dat je met een vriendin was, hoe heet deze vriendin?
A: Zij heet [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit van de aan de verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van het subsidiaire feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets in kwestie afkomstig was van enig misdrijf. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de fiets voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen. Ook het tenlastegelegde medeplegen kan volgens de raadsvrouw niet worden bewezen.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. In de avond van 25 juli 2024 treffen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster [benadeelde] en haar partner op [adres 2] . Deze ontmoeting vond plaats naar aanleiding van een Marktplaatsadvertentie, waarin een fiets te koop werd aangeboden die [benadeelde] had herkend als haar eigen fiets die in de ochtend van 25 juli 2024 was gestolen. Nadat de verdachte aan aangeefster had voorgesteld om een proefritje op de fiets te maken, stelde aangeefster aan de hand van het framenummer vast dat de fiets inderdaad haar fiets betrof die die ochtend was gestolen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij de desbetreffende fiets samen met de verdachte voor “een prikkie” op straat had gekocht van een jongen die hij niet kende en die op straat aan mensen vroeg of iemand de fiets wilde kopen.
Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de fiets in kwestie hebben gekocht, zoals daarover door laatstgenoemde bij de politie is verklaard – op straat, voor een prikkie, van iemand die hij niet kende en die op straat aan mensen vroeg of iemand de fiets wilde kopen – is het hof van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat deze fiets van misdrijf (diefstal) afkomstig was. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de fiets samen gekocht en arriveerden samen op de afspraak met aangeefster en haar partner. Hoewel medeverdachte [medeverdachte] de fiets feitelijk voorhanden had, was het de verdachte die aan aangeefster aanbood een proefritje met de fiets te maken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat beide verdachten met betrekking tot het voorhanden hebben van de fiets tezamen en in vereniging hebben gehandeld, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De hiervoor genoemde verweren van de raadsvrouw worden verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzetheling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzetheling. Dit is een vervelend feit. Het bevordert diefstal en zorgt voor het verplaatsen van gestolen goederen in een illegaal circuit en levert veel schade op. De reguliere, eerlijke (detail)handel in goederen wordt hierdoor verstoord. Met haar handelen heeft de verdachte daaraan een bijdrage geleverd.