Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:687
Strafrecht
Hoger beroep
4,095 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000932-24
Uitspraak : 11 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 maart 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 02-120497-21 en 02-017602-21 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-120497-21 onder 2 primair tenlastegelegde feit, en veroordeeld ter zake van, in de zaak met parketnummer 02-120497-21:
feit 1: “een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een beroep of gewoonte wordt gemaakt”;
feit 2 subsidiair: “poging tot door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting”;
feit 3 primair: “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”;
feit 4: “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen”,
en in de zaak met parketnummer 02-017602-21:
feit 1: “een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een beroep of gewoonte wordt gemaakt”;
feit 2: “een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben”,
tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden. Voorts zijn de vier onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen (drie harddisks en één computer) onttrokken aan het verkeer, de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedeeltelijk toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van het toegewezen bedrag, beide te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partijen zijn voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en tevens is bepaald dat de vorderingen voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 1.599,00, bestaande uit € 599,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vordering deels toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat in hoger beroep de vordering nog slechts voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen – te weten tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding – aan de orde is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, die vordering in het geheel zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van het toegewezen bedrag, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en een standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met aanvulling van de strafmotivering, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . In zoverre wordt het vonnis vernietigd. Om misverstanden te voorkomen neemt het hof ook de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij hieronder op.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan het vonnis gehecht. Het onder “Feiten 2 en 3” opgenomen “proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 17 juli 2014, opgenomen op pagina 183 van voornoemd Belgisch dossier” wordt als volgt aangevuld. Tussen “V: Ja. Je hebt uzelf één keer gevingerd.” en “M: Ja. M: Eén keer of twee keer.” wordt de volgende tekst ingevoegd:
“V: En met wat zijt ge dan in uw vagina geweest?
M: Gewoon met mijn vinger en dan ja.”
Voorts worden de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aangevuld met het volgende bewijsmiddel:
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 25 februari 2025, voor zover inhoudende:
In de tenlastegelegde periode heb ik erotische webcamcontacten gehad waarbij erotische handelingen hebben plaatsgevonden, onder meer met [slachtoffer 1] . Tijdens één van die contacten heb ik gezien dat zij haar vingers in haar vagina deed. Ik wist dat [slachtoffer 1] destijds 11 jaar oud was. Meestal vroeg ik de mensen met wie ik online contact had wel naar hun leeftijd. Het klopt dat ik tijdens de webcamcontacten foto’s heb gemaakt van mijn computerscherm en daarmee kinderporno heb vervaardigd. Het klopt ook dat ik een digitale boekhouding bijhield van de personen met wie ik online erotisch contact had.
Aanvulling van de strafmotivering
Over de strafoplegging overweegt het hof aanvullend nog het volgende.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en doet in zoverre opnieuw recht:
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-120497-21 onder 2 subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.352,90 (zesduizend driehonderdtweeënvijftig euro en negentig cent), bestaande uit € 1.352,90 (duizend driehonderdtweeënvijftig euro en negentig cent) materiële schadevergoeding, en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.086,00 (duizend zesentachtig euro);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-120497-21 onder 2 subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.352,90 (zesduizend driehonderdtweeënvijftig euro en negentig cent), bestaande uit € 1.352,90 (duizend driehonderdtweeënvijftig euro en negentig cent) materiële schadevergoeding, en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 66 (zesenzestig) dagen en bepaalt dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V Pelsser en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 11 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake is van exceptionele familieomstandigheden – de ex-partner en de dochter van de verdachte zijn beiden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard en hulpbehoevend en de verdachte is degene die de zorg (in de breedste zin van het woord, dus ook op administratief en financieel vlak) voor hen op zich neemt –, dat de verdachte behandelingen heeft gevolgd om van zijn seksverslaving af te komen, dat hij first-offender is en tot slot dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met vier jaren.
Hoewel het hof begrip heeft voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, is het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat geen andere straf passend is dan de straf die door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd. De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en dit reeds verdisconteerd in de straf. In hoger beroep is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, leidt het hof dan ook niet tot een andere conclusie dan bevestiging van het vonnis (inclusief strafoplegging) met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van € 1.359,36 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.352,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, waarbij door de rechtbank is bepaald dat de vordering voor dat gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven, met dien verstande dat de benadeelde partij zich refereert aan het oordeel van het hof voor wat betreft de toegewezen materiële schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 11.352,90, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting niet inhoudelijk betwist. De verdediging heeft bepleit dat het hof het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering overneemt.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, met de rechtbank, gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 2 subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat reeds daarom een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op de aard en de ernst van het subsidiair bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.352,90 kan worden toegewezen. Het bedrag aan reiskosten, te weten € 15,96, dat niet overeenkomt met de bijlagen wordt afgewezen.
Het toe te wijzen bedrag van € 6.352,90 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014, te weten de laatste dag van de onder feit 2 subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde periode, tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Voorts zal het hof de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.086,00.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 6.352,90. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.