Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:680
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
2,825 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 13 maart 2025
Zaaknummer : 200.350.983/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/411307 FT RK 24-817
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.F.J. Martens te Rosmalen,
tegen
mr. [curator 1] in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de vennootschappen:
1 [verweerder 1] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats]
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
2. [verweerder 2] B.V..
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] .
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 2]
3. [verweerder 3] B.V..
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] .
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
(hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] ),
in deze zaak woonplaats gekozen hebbende te [plaats]
ten kantore van [bedrijf 1] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de curator.
advocaat: mr. N. van Wandelen te ‘s-Hertogenbosch.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2025, waarbij het verzoek van de curator om [appellant] in staat van faillissement te verklaren, is toegewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 10, waaronder het procesdossier in eerste aanleg, heeft [appellant] het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormeld vonnis van de rechtbank te vernietigen en de curator te veroordelen in de kosten van beide instanties.
2.2.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 januari 2025;
- de akte van [appellant] met producties 11 tot en met 15;
- de akte van de curator met producties 17 tot en met 20;
- de akte van de curator met productie 21;
- de brief van 25 februari 2025 van [appellant] , met producties 16 en 17.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2025. Hierbij zijn gehoord:
- [appellant] , bijgestaan door mr. Martens;
- de curator, bijgestaan door mr. Van Wandelen;
- mr. [curator 2] , curator in het faillissement van [appellant] .
Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en deze voorgedragen.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
- [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] zijn respectievelijk bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2024, 20 augustus 2024 en 27 augustus 2024 in staat van faillissement verklaard. De curator is daarbij benoemd tot curator;
- voorafgaande aan de faillissementen waren de activiteiten van [verweerders] gericht op het exploiteren van een onderneming binnen de sector transport en logistiek;
- [appellant] is in het verleden bestuurder en enig aandeelhouder van [verweerders] geweest.
Eerste aanleg
3.2.
De curator heeft de rechtbank op 27 december 2024 verzocht om [appellant] in staat van faillissement te verklaren. De curator heeft hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Sinds 2023 zijn er vanuit [verweerders] substantiële bedragen naar de bankrekening van [appellant] overgemaakt. Omdat er voor de overschrijvingen geen omschrijving of nadere toelichting wordt gegeven, moet ervan worden uitgegaan dat de bedragen onverschuldigd aan [appellant] zijn betaald. Nu [appellant] geen gehoor geeft aan de sommatie tot terugbetaling, verkeert hij in de toestand te zijn opgehouden te betalen. Daarnaast is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, omdat sprake is van drie afzonderlijke (faillissements)vorderingen.
3.3.
[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.4.
Bij vonnis van 24 januari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat voldaan is aan de vereisten voor faillietverklaring. De rechtbank heeft vervolgens [appellant] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [curator 2] tot curator.
Grieven
3.5.
[appellant] voert tegen voornoemd vonnis vijf grieven aan. Met deze grieven komt hij, heel kort samengevat, op tegen het oordeel van de rechtbank dat summierlijk is gebleken van de vorderingen van [verweerders] (grieven I tot en met IV), dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers (grief IV) en dat gebleken is van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen (grief V).
Oordeel van het hof
3.6.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop.
In een situatie zoals deze, waarin het faillissement wordt aangevraagd door een schuldeiser, wordt op grond van artikel 6 lid 3 Fw het faillissement van een schuldenaar uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van zowel (1) een ten tijde van de aanvraag van het faillissement bestaand vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser als (2) de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. Voor dit laatste is noodzakelijk (maar niet per definitie voldoende) dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft (het zgn. pluraliteitsvereiste).
Summierlijk blijken betekent dat zowel de bedoelde toestand als de (steun)vordering na een kort, eenvoudig onderzoek van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk moet worden geacht. Hierbij hoeft niet te worden voldaan aan de regels van bewijsrecht in burgerlijke zaken.
Vorderingsrechten van [verweerders]
3.7.
In hoger beroep staat tussen partijen vast dat [appellant] een hoger totaalbedrag aan [verweerder 2] heeft overgemaakt dan hij van [verweerder 2] heeft ontvangen. Gelet hierop zijn partijen het erover eens dat niet summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van [verweerder 2] op [appellant] . Het hof zal hierna dan ook enkel beoordelen of summierlijk is gebleken van vorderingsrechten van [verweerder 3] en [verweerder 1] op [appellant] .
3.8.
De curator stelt in hoger beroep dat [verweerder 3] een bedrag van
€ 201.145,00 en [verweerder 1] een bedrag van € 543.665,00 aan [appellant] heeft betaald. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 744.810,00. De curator heeft dit onderbouwd met overzichten en bankafschriften. [appellant] betwist niet dat hij deze bedragen van de vennootschappen heeft ontvangen. Wel betwist hij dat [verweerder 3] en [verweerder 1] in dat verband vorderingen op hem hebben.
3.9.
Primair voert [appellant] daartoe aan dat hij en de beide [verweerders] elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. Hij verwijst daarvoor naar de door hem overgelegde vaststellingsovereenkomsten van 28 juni 2024 met betrekking tot de overdracht van [verweerders] . Het hof verwerpt dit verweer. Nog afgezien van de vraag of in de desbetreffende bepaling van de vaststellingsovereenkomsten een finaal kwijtingsbeding kan worden gelezen en of het sluiten van de vaststellingsovereenkomsten moet worden aangemerkt als paulianeus handelen, geldt dat geen van [verweerders] partij is bij de vaststellingsovereenkomsten. De vaststellingsovereenkomsten zijn immers gesloten tussen [appellant] en [bedrijf 2] B.V. en tussen [appellant] en [bedrijf 2] B.V. Alleen al hierom kan niet worden geconcludeerd dat [appellant] op basis van de vaststellingsovereenkomsten finale kwijting met [verweerder 3] en [verweerder 1] is overeengekomen.
3.10.
[appellant] voert subsidiair aan dat tegenover de door hem van [verweerder 3] en [verweerder 1] ontvangen bedragen betalingen staan die door hem aan of ten behoeve van deze vennootschappen zijn verricht. Deze bedragen hebben volgens hem onder meer betrekking op door hem voorgeschoten kosten van brandstof voor de vrachtwagens van de vennootschappen en op de verkoop van de vennootschappen. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant] afschriften van zijn bankrekeningen bij KNAB en drie tussen hem en [bedrijf 2] B.V. gesloten koopovereenkomsten met betrekking tot de beide [verweerders] en [bedrijf 3] B.V. overgelegd. Uit deze stukken zou volgens hem blijken dat hij in totaal een bedrag van € 566.591,07 (€ 149.540,00 + € 252.051,07 + € 165.000,00) aan of ten behoeve van de beide vennootschappen heeft betaald.
3.10.1.
Naar het oordeel van het hof kan uit de overgelegde bankafschriften echter niet zonder meer worden afgeleid dat tegenover elk bedrag dat [appellant] van [verweerder 3] of [verweerder 1] heeft ontvangen een door hem verrichte betaling aan of ten behoeve van deze vennootschappen staat. [appellant] laat na dit nader inzichtelijk te maken, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Uit de overgelegde koopovereenkomsten, kan evenmin worden opgemaakt dat en op welke wijze de daarin genoemde bedragen verband houden met betalingen die door [appellant] aan of ten behoeve van de vennootschappen zijn verricht. Ook op dit punt ontbreekt iedere nadere toelichting. Het ligt in ieder geval niet voor de hand dat [verweerders] hun eigen overdracht zouden moeten betalen.
3.10.2.
Daarbij komt dat vast staat dat [appellant] een totaal bedrag van € 744.810,00 van [verweerder 3] en [verweerder 1] heeft ontvangen. Zelfs al zou [appellant] een totaal bedrag van € 566.591,07 hebben betaald aan of ten behoeve van de vennootschappen, dan is er nog altijd geen verklaring voor de betaling door de vennootschappen van het resterende bedrag van € 178.218,93. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de vennootschappen in ieder geval een bedrag van € 178.218,93 zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd aan [appellant] hebben betaald.
3.11.
Gelet op het bovenstaande is ook naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken van vorderingsrechten van [verweerder 3] en [verweerder 1] op [appellant] .
Toestand opgehouden te betalen
3.12.
[appellant] betwist daarnaast dat hij in de toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen. Volgens hem is niet voldaan aan het pluraliteitsvereiste.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, L.G.J.M. van der Ekert en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.