Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:672
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,627 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 13 maart 2025
Zaaknummer: 200.344.693/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/398103 / FA RK 23-4404
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.C.G. Kolijn-Verlegh,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I.B.N. Huisman.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ),
geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Brabant, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2024, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor wat betreft de daarbij vastgestelde regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] (hierna: zorgregeling) en de daarbij vastgestelde door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) en, opnieuw rechtdoende:
een reguliere zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] één keer per twee weken van donderdagmiddag 18.00 uur tot vrijdagavond 18.30 uur en één keer per twee weken van donderdagmiddag 18.00 uur tot maandagochtend bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] donderdagmiddag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] vrijdagavond naar de moeder respectievelijk maandagochtend naar het kinderdagverblijf brengt;
ten aanzien van de vakanties tot aan de schoolgaande leeftijd van [minderjarige] de navolgende regeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
o tijdens de zomervakantie: zowel tot de vijfjarige leeftijd als daarna gedurende de zes weken (school)zomervakantie de eerste twee weken aaneengesloten en in de vierde week een losse week bij de vader verblijft en,
o tot de vijfjarige/schoolgaande leeftijd drie keer per jaar voor de duur van veertien dagen aaneengesloten bij de moeder zal verblijven in de volgende drie concrete periodes:
in 2025: driemaal een periode van veertien dagen in de periodes van 17 januari tot en met 2 februari, 30 mei tot en met 15 juni en 12 september tot en met 28 september;
in 2026: driemaal een periode van veertien dagen in de periodes van 16 januari tot en met 1 februari, 29 mei tot en met 14 juni en 11 september tot en met 27 september;
in 2027: eenmaal een periode van veertien dagen in de periodes van 15 januari tot en met 31 januari;
o vanaf de schoolgaande leeftijd gedurende de zes weken (school)zomervakantie de derde week een losse week en de laatste twee weken aaneengesloten bij de moeder zal verblijven;
o tijdens de overige vakanties: tot de schoolgaande leeftijd ieder jaar een week gedurende de meivakantie bij de vader zal verblijven, waarbij wordt aangesloten bij de adviesweken van de Rijksoverheid en vanaf de schoolgaande leeftijd [minderjarige] gedurende de meivakantie, indien de toekomstige school twee weken meivakantie hanteert, de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder zal verblijven en, indien de toekomstige school één week meivakantie hanteert, [minderjarige] in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder zal verblijven;
o gedurende de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder zal verblijven;
o gedurende de herfstvakantie in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder zal verblijven;
o gedurende de kerstvakantie in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week van de kerstvakantie bij de vader zal verblijven;
- voor wat betreft de feestdagen en bijzondere dagen: het schema onder punt 4.10. van de bestreden beschikking kan worden aangehouden met uitzondering van Pinksteren, waarvoor dient te worden bepaald dat [minderjarige] ieder jaar de eerste Pinksterdag bij de vader en de tweede Pinksterdag bij de moeder zal verblijven en dat genoemd schema daarnaast zal worden aangevuld met de bepaling dat [minderjarige] in de oneven jaren op haar verjaardag bij de moeder en in de even jaren bij de vader zal verblijven, met dien verstande dat beide ouders op de verjaardag van [minderjarige] de mogelijkheid krijgen om [minderjarige] te feliciteren;
- voor wat betreft de kinderalimentatie: te bepalen dat met ingang van de datum waarop in hoger beroep een beschikking zal worden afgegeven de vader aan de moeder een bedrag van € 224,- per maand dient te betalen, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Kolijn-Verlegh;
de vader, bijgestaan door mr. Huisman;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 april 2024;
het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 19 augustus 2024;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 9 januari 2025;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 17 januari 2025;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 20 januari 2025;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 22 januari 2025;
het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 22 januari 2025.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit die relatie is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
Procesverloop
3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:
het verzoek van de vader, om een gebod aan de moeder op te leggen om met [minderjarige] terug naar [woonplaats vader] te verhuizen, afgewezen;
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald;
een (reguliere) zorgregeling vastgesteld waarbij de vader gerechtigd is tot het hebben van contact met [minderjarige] in het navolgende schema van telkens vier weken:
o week 1: van vrijdag 9.00 uur tot maandagochtend naar het kinderdagverblijf;
o week 2: van vrijdag 9.00 uur tot maandagochtend naar het kinderdagverblijf;
o week 3: van vrijdag 9.00 uur tot vrijdag 18.30 uur;
o week 4: van vrijdag 9.00 uur tot maandagochtend naar het kinderdagverblijf,
onder de voorwaarde dat de vader gelet op zijn werk praktisch in staat is om [minderjarige] op maandagochtend naar het kinderdagverblijf te brengen. Anders zal [minderjarige] bij de vader verblijven tot zondagavond 18.30 uur.
een zorgregeling tijdens de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vastgesteld, zoals in punt 5.3. in het dictum van de bestreden beschikking is weergegeven;
bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 25 oktober 2023 een bedrag van € 183,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.
Procesverloop
3.3.
De moeder kan zich met deze beslissing van de rechtbank – voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling en kinderalimentatie – niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Zorgregeling
De standpunten
3.4.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling resulteert in een overcompensatie van de vader. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de omstandigheden waardoor en de redenen waarom de moeder naar [woonplaats moeder] is verhuisd en het feit dat de vader heeft ingestemd met die verhuizing. Ook heeft de vader steeds aan de moeder aangegeven dat hij graag een zorgregeling wilde c.q. kon instemmen met een regeling waarbij [minderjarige] twee dagen per week bij hem zou verblijven. Verder heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de werktijden van de moeder. De moeder werkt vierenhalve dag per week; zij heeft op woensdag geen vrije dag meer. De vader heeft in de huidige regeling drie keer zoveel vrije tijd overdag om te besteden met [minderjarige] dan de moeder. De moeder is vooral belast met de zorg over [minderjarige] . Verder heeft [minderjarige] maar zeer beperkte mogelijkheden om in het weekend contact te hebben met familie, vrienden en hun kinderen van de zijde van de moeder en/of vriendschappen op te bouwen in [woonplaats moeder] en/of aldaar hobby’s en sport te beoefenen. Er is geen sprake meer van een gelijkwaardig ouderschap. De zorgregeling zoals door de moeder in het beroepschrift verzocht levert een gelijkwaardig ouderschap op. Partijen hebben in de afgelopen periode de zorgregeling conform de bestreden beschikking uitgevoerd.
De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek van de moeder om tot de schoolgaande leeftijd van [minderjarige] nog buiten de schoolvakanties op vakantie te kunnen gaan onvoldoende en/of op de onjuiste gronden onderbouwd. De door de moeder voorgestelde vakantieregeling komt tegemoet aan de behoeftes van beide partijen. [minderjarige] is erbij gebaat dat de vakanties zoveel mogelijk via een duidelijke regeling tussen partijen worden verdeeld. Hiervoor is niet noodzakelijk dat voor wat betreft de vakanties van de moeder wordt aangesloten bij de schoolvakanties. De moeder verzoekt het hof om een vakantieregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen conform punt 27 van het beroepschrift. De duur van een vakantieweek dient te worden bepaald op zeven dagen, waarbij de vakantieweek aanvangt op een vrijdag. De moeder kan voor wat betreft Pinksteren instemmen met een verdeling waarbij [minderjarige] het ene jaar tweede Pinksterdag bij haar en het andere jaar bij de vader verblijft.
Tot slot dient er een regeling voor de verjaardag van [minderjarige] te worden vastgesteld; de rechtbank heeft dat niet gedaan. De moeder verzoekt het hof te bepalen dat [minderjarige] in de oneven jaren op haar verjaardag bij haar en in de even jaren bij de vader zal verblijven. Beide ouders dienen wel de mogelijkheid te krijgen om [minderjarige] te feliciteren.
3.5.
De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De vader kan zich met de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling verenigen; er is geen sprake van overcompensatie. De vader heeft na de bestreden beschikking kunnen regelen dat hij [minderjarige] op maandagochtend naar de kinderopvang brengt. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij zich aan de vader kan hechten en een goede band met hem kan opbouwen. Het vertrek van de moeder naar [woonplaats moeder] is een bewuste keuze van haar geweest. De moeder hoefde niet te verhuizen. Daar was geen noodzaak voor. Zij was er van op de hoogte dat de vader het niet eens was met de verhuizing en dat hij meer tijd met [minderjarige] wilde doorbrengen dan de moeder toeliet. De vader kan nu, als gevolg van de verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar [woonplaats moeder] , doordeweeks nauwelijks zorgtaken op zich nemen. De vader werkt van maandag tot en met donderdag. Hij werkt op detacheringsbasis waardoor zijn locatie per opdrachtgever verschillend is. Daardoor bestaat er geen andere mogelijkheid dan dat [minderjarige] in de weekenden bij de vader verblijft. Dat de moeder er na de verhuizing voor heeft gekozen om haar werkweek anders in te richten, mag niet voor rekening van de vader komen.
Ook ten aanzien van de vakantieverdeling heeft de rechtbank een juiste beslissing genomen. De vader stemt niet in met de door de moeder verzochte vakantieverdeling. De moeder houdt geen rekening met de vader, doordat zij zichzelf meer dagen met [minderjarige] toe-eigent. De rechtbank heeft de vakanties tussen partijen eerlijk verdeeld en aan die regeling kan ook voor langere tijd uitvoering worden gegeven. De vader kan niet instemmen met de door de moeder verzochte verdeling van de meivakantie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – het feit dat [minderjarige] tijdens de meivakantie gedurende twee weken bij één ouder verblijft – gecompenseerd door de herfst- en voorjaarsvakantie bij de andere ouder te bepalen. De door de moeder verzochte verdeling van de zomervakantie is niet méér in het belang van [minderjarige] dan een verdeling waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij iedere ouder verblijft; de moeder heeft dit niet gemotiveerd en onderbouwd. Ook in de situatie dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij een ouder verblijft is zij in staat om contact te onderhouden met de andere ouder (bijvoorbeeld via videobellen). De verjaardag van [minderjarige] dient conform de reguliere zorgregeling te verlopen, waarbij de andere ouder wel telefonisch contact met [minderjarige] kan hebben. Beide partijen kunnen in hun eigen zorgtijd iets voor de verjaardag van [minderjarige] ondernemen; hierover hoeven geen afspraken te worden gemaakt.
Verder dient een vakantieweek aan te vangen op een maandag en te eindigen op een zondag. Het weekend voorafgaand van de vakantie loopt de reguliere zorgregeling door; de vrijdag ervoor is immers geen vakantiedag.
3.6.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende geadviseerd.
De ouders zijn in hun onderlinge communicatie voornamelijk bezig met de eigen beleving en de eigen interpretatie. Alle communicatie gaat over wat de ouders voor zichzelf wensen en niet over wat zij voor [minderjarige] wensen. De ouders staan centraal. Het onderwerp van gesprek zou echter moeten zijn wat de zorgregeling voor [minderjarige] betekent. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat de ouders gaan samenwerken. [minderjarige] is nog jong en de ouders zullen in de toekomst nog veel over [minderjarige] moeten communiceren en beslissen. De raad voorziet problemen. De ouders zijn uit elkaar gegaan toen [minderjarige] nog jong was, waardoor zij nog geen gezamenlijke basis hadden om samen ouder te zijn. De ouders gaan nu vanuit de strijd alles voor het eerst meemaken en oplossen. De raad adviseert het hof om de ouders te verwijzen naar het traject “Ouderschap blijft” binnen het Uniform Hulpaanbod (UHA). In dat traject leren de ouders met elkaar in gesprek te gaan en daarbij het belang van [minderjarige] centraal te stellen. In de huidige zorgregeling heeft de vader relatief veel ‘quality-time’ met [minderjarige] en de moeder relatief weinig. Wellicht kan één van de lange weekenden van de vader met [minderjarige] worden verkort tot zaterdag 13.00 uur of 14.00 uur.
Motivering
3.7.
Het hof overweegt het volgende.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
3.7.1.
Na een tweetal korte schorsingen van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen ingestemd met een verwijzing naar het hulpverleningstraject “Ouderschap Blijft” via het UHA. Het hof heeft met partijen de voorwaarden die daarbij gelden besproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof een proces-verbaal van doorverwijzing opgemaakt, dat – na ondertekening door partijen – is verzonden naar de afdeling zorgbemiddeling van de gemeente [gemeente] . Deze afdeling heeft een zorgmatch tussen partijen en hulpaanbieder [hulpaanbieder] te [plaats] gemaakt. Vervolgens heeft het hof het proces-verbaal van doorverwijzing naar [hulpaanbieder] verzonden.
3.7.2.
Het hof wil met deze verwijzing naar het UHA bewerkstelligen dat partijen leren op een constructieve wijze en met respect naar elkaar over [minderjarige] te communiceren, zodat het vertrouwen in elkaar kan groeien. In elk geval zal de hulpverlening erop gericht zijn om als ouder zelf de verantwoordelijkheid terug in handen te nemen en om het belang van [minderjarige] voor ogen te houden, rekening houdend met de context dat [minderjarige] ook een relatie heeft met de andere ouder. Bij genoemde communicatie dienen partijen te leren het belang van [minderjarige] centraal te stellen en zich daarbij niet langer te laten leiden door eigen belang en wensen.
3.7.3.
De bedoeling van traject “Ouderschap Blijft” is dat partijen gaan werken aan het behalen van de volgende doelen:
Partijen kunnen weer de regie nemen over hun ouderschap waarbij de behoeften en de noden van [minderjarige] centraal staan;
Partijen kunnen op een constructieve en op een voor hen goede manier met elkaar communiceren en gezagsbeslissingen over [minderjarige] nemen;
Partijen maken keuzes die het conflict verminderen en dragen daar hun verantwoordelijkheid voor;
Partijen dragen er zorg voor dat [minderjarige] met beide ouders onbelast contact kan hebben;
Een zorgregeling wordt vastgesteld die beide partijen aanvaarden en nakomen.
3.7.4.
Het hof zal deze beschikking doorsturen naar [hulpaanbieder] te [plaats] die het traject met partijen zal uitvoeren.
3.7.5.
Het hof verzoekt [hulpaanbieder] om de raad uiterlijk vier weken voorafgaand aan de eindevaluatie, of zoveel eerder als mogelijk is, te informeren over de datum van de eindevaluatie van het hulpverleningstraject, zodat de raad de gelegenheid krijgt om bij de eindevaluatie aan te sluiten of om zich op een andere manier op de hoogte te stellen van de reden van afloop van het traject. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de raad niet zal aansluiten indien het traject positief wordt afgesloten.
3.7.5.
Het hof gaat er vanuit dat mochten er voorafgaand en/of gedurende het traject “Ouderschap Blijft” problemen ontstaan waardoor het traject “Ouderschap Blijft” niet kan worden opgestart, dan wel dat het traject voortijdig wordt beëindigd, het hof daarvan door de advocaten van partijen zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.
3.7.6.
Wanneer blijkt dat ook met dit traject de communicatieproblemen tussen partijen en de tussen hen bestaande geschilpunten omtrent de zorgregeling niet goed genoeg kunnen worden opgelost, dan acht het hof reeds op voorhand een onderzoek door de raad noodzakelijk. Deze beschikking geldt in dat geval meteen als opdracht aan de raad om een onderzoek te verrichten, ook indien de raad dat onderzoek zelf niet noodzakelijk acht.
3.7.7.
Het hof verzoekt, in dat geval, de raad de volgende vragen in het raadsonderzoek te betrekken en te beantwoorden:
Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door partijen komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] , rekening houdend met de geografische afstand tussen partijen en de daarmee gepaard gaande belemmeringen?
Hoe dient de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
Komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet in het antwoord op de voornoemde onderzoeksvragen zijn genoemd, maar die wel van belang zijn met betrekking tot zorgregeling; en zo deze naar voren komen, welke zijn dit?
3.7.8.
Na ontvangst van de eindevaluatie, de reacties van partijen daarop en de ontvangst van het raadsrapport na een niet positief verlopen traject, zal het verdere verloop van de procedure worden bepaald. Indien het hof zich op basis van de eindevaluatie en/of het rapport raadsonderzoek en/of de schriftelijke reacties van de advocaten van partijen daarop voldoende voorgelicht acht om een (eind)beschikking te wijzen, zal er geen nadere mondelinge behandeling volgen. Indien partijen een nadere mondelinge behandeling nodig vinden, dienen zij bij hun reactie op de eindevaluatie en/of het rapport van het raadsonderzoek dit gemotiveerd te verzoeken. Het hof kan beslissen dat er dan direct een beschikking komt of dat er alsnog een mondelinge behandeling wordt gepland.
Zorgregeling tijdens het UHA en eventueel opvolgend raadsonderzoek
3.7.9.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verzocht om – voor de duur van het traject “Ouderschap Blijft” en een eventueel opvolgend raadsonderzoek – een tijdelijke andersluidende reguliere zorgregeling te bepalen, waarbij de moeder meer contact met [minderjarige] heeft tijdens de weekenden. Partijen hebben – na een korte schorsing van de mondelinge behandeling daartoe – geen overeenstemming op dit punt kunnen bereiken. Zij hebben het hof gevraagd hierover een beslissing te nemen.
3.7.10.Voorop gesteld wordt dat partijen vanaf de bestreden beschikking tot heden uitvoering geven aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De moeder wenst een andere zorgregeling. Gebleken is dat de moeder ervoor heeft gekozen met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen om dichter bij haar netwerk te zijn. Zij is wel in [woonplaats vader] blijven werken. De moeder heeft haar werkweek inmiddels aangepast waardoor zij niet langer op de woensdag vrij is. Ondanks de nabijheid van haar netwerk valt het de moeder zwaar om haar werk en de zorg voor [minderjarige] met elkaar te combineren, zo heeft zij tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. De moeder heeft het gevoel dat zij met de huidige zorgregeling vooral bezig is met zorgtaken en het regelen van praktische zaken voor [minderjarige] , en zij minder “vrije tijd” met [minderjarige] kan doorbrengen dan de vader. De vader is nog steeds woonachtig in [woonplaats vader] , werkt 4 dagen per week en is op vrijdag vrij. Hij heeft na het uiteengaan van partijen veel inspanningen verricht om een uitgebreide en structurele zorgregeling met [minderjarige] te verkrijgen. Vanwege de verhuizing van de moeder naar [woonplaats moeder] kan de vader, zo geeft hij aan, tijdens een werkweek niet dezelfde rol spelen in de zorgtaken en het regelen van praktische zaken voor [minderjarige] als wanneer [minderjarige] en de moeder nog in [woonplaats vader] zouden wonen. Genoemde feiten en omstandigheden zorgen ervoor dat partijen hun huidige standpunten innemen en zij hierin geen ruimte voelen om ten gunste van elkaar te bewegen.
3.7.11.
Het hof ziet – anders dan de raad – in het voorgaande geen aanleiding, om vooruitlopend op het UHA, een tijdelijke wijziging aan te brengen in de huidige reguliere zorgregeling.
Dictum
Het hof:
verzoekt de hulpverlenende instantie [hulpaanbieder] te [plaats] uiterlijk 4 weken voorafgaand aan de eindevaluatie van het hulpverleningstraject, of zoveel eerder als mogelijk, de raad te informeren over de datum van de eindevaluatie, zodat de raad in de gelegenheid is om bij de eindevaluatie aan te sluiten of zich op een andere manier op de hoogte te stellen van de reden van afloop van het traject;
stelt partijen in de gelegenheid om het hof uiterlijk op 13 november 2025 te informeren over het verloop van het traject, de gewenste voortgang van de procedure en of, en zo ja waarom, zij een nadere mondelinge behandeling nodig vinden;
verzoekt de raad bij een niet positief verlopen traject een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en daarover bij het hof een rapport in te dienen, waarbij de hiervoor onder rechtsoverweging 3.7.7. opgenomen vragen worden meegenomen en beantwoord;
wijst af het verzoek van de moeder tot vaststelling van een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , voor de duur van het hulpverleningstraject en eventueel opvolgend raadsonderzoek;
houdt iedere beslissing over de zorgregeling en de kinderalimentatie aan tot 13 november 2025 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 13 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.