Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:65
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
8,362 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.091/01
arrest van 14 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. N.P.J. Frijns te Maastricht,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [A] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,
op het bij exploot van dagvaarding van 29 december 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 oktober 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
de depotakte van 27 juni 2024, waaruit blijkt dat [appellant] een USB-stick met opgenomen gesprekken heeft gedeponeerd ter griffie van het hof.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg, met daarbij de navolgende opmerkingen.
2.2.
De advocaat van [appellant] heeft bij het overleggen van zijn procesdossier aan het hof meegedeeld dat [appellant] in het geding bij de kantonrechter werd bijgestaan door een andere advocaat, dat het volledige procesdossier na het beroepen vonnis door die advocaat naar [appellant] is opgestuurd, dat [appellant] inmiddels was verhuisd waardoor het dossier hem niet heeft bereikt en dat de producties bij de inleidende dagvaarding daardoor niet meer beschikbaar zijn. Het hof heeft dus geen kennis kunnen nemen van de producties bij de inleidende dagvaarding.
2.3.
De advocaat van [appellant] heeft bij het overleggen van zijn procesdossier aan het hof voorts meegedeeld dat de zich in het procesdossier bevindende producties van [geïntimeerde] van slechte kwaliteit en niet goed leesbaar zijn, en dat beter leesbare exemplaren niet beschikbaar zijn. Het hof heeft dus geen kennis kunnen nemen van de onleesbare delen van de betreffende producties. Het gaat om producties van [geïntimeerde] die de griffie van de rechtbank bij brief van 25 mei 2023 heeft (door)gezonden aan de toenmalig advocaat van [appellant] .
2.4.
Op blz. 1 van het beroepen vonnis worden onder meer de volgende processtukken genoemd:
de conclusie van dupliek met producties;
de schriftelijke weergave van de antwoordakte van [appellant] .
Deze stukken bevinden zich niet in het door [appellant] overgelegde procesdossier. De griffie van het hof heeft hierover telefonisch contact gehad met de advocaat van [appellant] . Dit heeft er niet toe geleid dat de genoemde stukken alsnog zijn overgelegd. Het hof heeft op de genoemde stukken dus geen acht kunnen slaan. Het hof heeft op het door [geïntimeerde] bij de conclusie van dupliek gevoerde verweer wel acht kunnen slaan voor zover dit verweer blijkt uit het beroepen vonnis en is weergegeven in de door [appellant] genomen memorie van grieven. Omdat [geïntimeerde] in dit hoger beroep niet is verschenen, heeft het hof hem niet in de gelegenheid kunnen stellen de conclusie van dupliek alsnog over te leggen.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag of [geïntimeerde] nog betalingen moet verrichten aan [appellant] in verband met een tussen hen gesloten zorgovereenkomst die inmiddels is beëindigd.
3.1.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [geïntimeerde] beschikt over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB).
b. [appellant] heeft omstreeks begin februari 2022 met [geïntimeerde] een zorgovereenkomst gesloten. Op grond van die zorgovereenkomst zou [appellant] als zelfstandig zorgverlener met ingang van 4 februari 2022 individuele begeleiding verlenen aan [geïntimeerde] tegen een uurtarief van € 55,--.
c. De vader van [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] vaak vertegenwoordigd in de contacten met [appellant] .
d. Voorafgaand aan het sluiten van de zorgovereenkomst heeft [appellant] op 2 februari 2022 een sollicitatiegesprek gevoerd ter zake het aangaan van de zorgovereenkomst.
e. Tussen partijen is afgesproken dat [geïntimeerde] de door [appellant] gewerkte uren zou goedkeuren jegens de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), zodat [appellant] de uren rechtstreeks vergoed zou krijgen uit het PGB.
f. In de zorgovereenkomst staat over de opzegtermijn het volgende:
“De budgethouder en de zorgverlener mogen de zorgovereenkomst tussentijds opzeggen. Er geldt een opzegtermijn van 1 maand. Maar in goed overleg kan de zorgovereenkomst ook zonder opzegtermijn worden gestopt. De opdrachtnemer mag de overeenkomst alleen opzeggen als daarvoor dringende redenen zijn zoals deze in het Burgerlijk Wetboek staan. Dan geldt ook een opzegtermijn van 1 maand. In goed overleg kan een andere opzegtermijn worden afgesproken.”
g. Tussen [geïntimeerde] en/of de vader van [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] anderzijds zijn in de periode van februari tot en met juni 2022 enkele problemen gerezen.
h. Bij e-mail van 30 juni 2022, 10:18 uur, heeft [appellant] aan de vader van [geïntimeerde] (volgens de weergave van de e-mail in het beroepen vonnis) onder meer het volgende meegedeeld:
“Kun je mij aub een tijdstip aangeven waarop ik mijn laatste spullen (vechtkussen plus handschoenen, balans board) kan komen ophalen, ik heb er vandaag en morgen de tijd voor? Het volstaat om ze buiten in een vuilniszak te zetten, dan hoef ik niet aan te bellen. Kun je mij ook nog openstaande mail sturen voor de uren van juni? wanneer kan ik mijn laatste spullen ophalen.”
- i. Bij nadien verzonden e-mail van eveneens 30 juni 2022 heeft de vader van [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld aan [appellant] (voor zover leesbaar in het zich in het procesdossier bevindende beroepen vonnis):
“Zoals afgesproken is op vrijdag 24-06-2022 de zorgovereenkomst in overleg beëindigd op 1 juli. De werkuren van U moet ik nog van U krijgen gaarne een bevestiging van U van akkoord dan kan ik de wijziging zorgovereenkomst in orde maken. (…) P.s. morgen om tien uur staat alles klaar onder het balkon.”
j. [appellant] heeft [geïntimeerde] een factuur van 19 juli 2022 gezonden ten bedrage van € 165,-- voor drie uren individuele begeleiding op 2 februari 2022.
k. Bij factuur van 9 augustus 2022 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] € 3.245,-- in rekening gebracht onder vermelding van “Opzegtermijn 1 maand vgs contract”. Genoemd bedrag komt neer op 59 uren tegen het voor de zorgverlening overeengekomen uurtarief van € 55,--. Het aantal uren is het maandgemiddelde van de uren die in rekening zijn gebracht over de maanden februari tot en met juni 2022.
l. Bij brief van eveneens 9 augustus 2022 heeft de toenmalig advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] verzocht om binnen 15 dagen na dagtekening van de brief:
zorg te dragen voor de betaling van de factuur van 19 juli 2022 ad € 165,-- voor de individuele begeleiding op 2 februari 2022;
zorg te dragen voor de goedkeuring van de uren zoals vermeld op de urenbrief van de Sociale Verzekeringsbank voor de individuele begeleiding gedurende de maand februari 2022;
zorg te dragen voor de goedkeuring van de uren zoals vermeld op de factuur van 11 juli 2022 voor de individuele begeleiding gedurende de maand juni 2022;
de factuur van 9 augustus 2022, betreffende de vergoeding met betrekking tot de maand juli 2022 wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn van één maand, zo spoedig mogelijk te voldoen doch uiterlijk op de op de factuur vermelde vervaldatum.
m. [geïntimeerde] heeft niet aan de verzoeken uit de brief van 9 augustus 2022 voldaan.
n. Hierna heeft nog enige correspondentie tussen partijen plaatsgevonden.
Procesverloop
3.2.1. In het geding bij de kantonrechter vorderde [appellant] , samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een hoofdsom van € 6.682,50 vermeerderd met wettelijke rente en vermeerderd met € 775,13 ter zake buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De gevorderde hoofdsom van € 6.682,50 bestaat uit de volgende posten:
A. € 165,-- voor individuele begeleiding op 2 februari 2022;
B. € 2.365,-- voor 43 uren individuele begeleiding à € 55,-- per uur gedurende de maand februari 2022;
C. € 907,50 voor het restant van de openstaande factuur van 11 juli 2022 ter zake de uren van individuele begeleiding gedurende de maand juni 2022;
D. € 3.245,-- over de maand juli 2022 wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn van één maand.
3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellant] in het geding bij de kantonrechter, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
A. Aansluitend aan het sollicitatiegesprek van 2 februari 2022 heeft [appellant] op diezelfde dag drie uren begeleiding verleend aan [geïntimeerde] . Omdat die datum buiten de zorgovereenkomst valt en niet via de SVB vergoed kan worden, moet [geïntimeerde] die uren vergoeden.
B. [geïntimeerde] heeft ten onrechte nagelaten om de gewerkte uren over de maand februari 2022 (met ingang van 4 februari 2022) goed te keuren. Daardoor heeft [appellant] die uren niet uitbetaald gekregen via de SVB en daarom moet [geïntimeerde] die uren zelf aan [appellant] betalen.
C. [geïntimeerde] heeft de gewerkte uren over de maand juni 2022 ten onrechte slechts ten dele goedgekeurd. Daardoor heeft [appellant] de niet goedgekeurde uren niet uitbetaald gekregen via de SVB en daarom moet [geïntimeerde] die uren zelf aan [appellant] betalen.
D. [geïntimeerde] heeft de zorgovereenkomst op 30 juni 2024 opgezegd en daarbij de opzegtermijn van één maand niet in acht genomen. [geïntimeerde] moet daarom aan [appellant] een vergoeding betalen, berekend aan de hand van het gemiddeld aantal uren dat [appellant] in de maanden februari tot en met juni 2022 heeft gewerkt.
3.2.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rov. 2.2 tot en met 2.4 is overwogen, merkt het hof op dat het alleen acht kan slaan op het verweer van [geïntimeerde] voor zover dit uit het aan het hof overgelegde procesdossier kenbaar is.
3.2.4. In het beroepen vonnis van 4 oktober 2023 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld:
[geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] hem op 2 februari 2022 al heeft begeleid en [appellant] heeft tegenover die betwisting onvoldoende onderbouwd welke begeleidingswerkzaamheden hij op die datum heeft verricht. Ook heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de gestelde uren van 2 februari 2022 buiten de zorgovereenkomst om zou vergoeden. Post A ten bedrage van € 165,-- is daarom niet toewijsbaar (rov. 3.4 tot en met 3.6).
Post B ten bedrage van € 2.365,-- is toewijsbaar omdat [geïntimeerde] ten onrechte heeft nagelaten de uren over de maand februari 2022 goed te keuren, waardoor de uren niet aan [appellant] zijn vergoed uit het PGB. Omdat [geïntimeerde] in zoverre tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting om mee te werken aan rechtstreekse vergoeding van die uren uit het PGB, moet [geïntimeerde] het betreffende bedrag zelf aan [appellant] betalen. Of [geïntimeerde] de uren zelf nog vergoed kan krijgen van de SVB, valt buiten deze procedure (rov. 3.7 en 3.8).
Post C ten bedrage van € 907,50 is toewijsbaar omdat [geïntimeerde] van de door [appellant] in de maand juni 2022 gewerkte 40,5 uur er ten onrechte slechts 24 heeft goedgekeurd, zodat [appellant] de andere 13,5 uren niet vergoed heeft gekregen uit het PGB. [geïntimeerde] moet die uren daarom zelf aan [appellant] vergoeden. (rov. 3.9 en 3.10).
Post D ten bedrage van € 3.245,-- is niet toewijsbaar omdat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd om op mocht vertrouwen dat [appellant] instemde met een beëindiging van de zorgovereenkomst per 1 juli 2022 (rov. 3.11 tot en met 3.14).
De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar omdat de door [appellant] verzonden aanmaning niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen voldoet (rov. 3.15).
[geïntimeerde] moet als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 3.16).
Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:
[geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] € 3.272,50 te betalen (hof: € 2.365,-- ter zake post B en € 907,50 ter zake post C), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding;
[geïntimeerde] in de proceskosten veroordeeld;
het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
het meer of anders gevorderde afgewezen.
Procesverloop
3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep, naar het hof begrijpt, drie grieven aangevoerd (waarbij de derde grief kennelijk abusievelijk niet is genummerd). [appellant] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor zover het betreft de afwijzing van de posten A en D en tot, in zoverre opnieuw rechtdoende, samengevat:
veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 165,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023 (post A);
veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.245,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023 (post D);
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep.
3.3.2. [geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep. Tegen hem is verstek verleend. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep dus geen verweer gevoerd.
De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep: posten A en D
3.4.1. [geïntimeerde] heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De door de kantonrechter toegewezen posten B en C liggen in hoger beroep dus niet ter beoordeling voor aan hof.
3.4.2. [geïntimeerde] heeft in onderdeel 1.5 van de inleiding op de memorie van grieven de posten opgesomd die volgens hem door de kantonrechter ten onrechte zijn afgewezen. Daarbij heeft [geïntimeerde] ook de buitengerechtelijke kosten vermeld. Verderop in de memorie van grieven heeft [geïntimeerde] echter geen grief gericht tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten, en evenmin tegen het oordeel van de kantonrechter dat de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar zijn omdat de door [appellant] verzonden aanmaning niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen voldoet. Ook heeft [appellant] aan het slot van de memorie van grieven niet geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van zijn vordering ter zake buitengerechtelijke kosten. Het hof concludeert daarom dat de afgewezen vordering ter zake buitengerechtelijke kosten, bij gebreke van een daartegen gerichte grief, niet ter beoordeling voorligt in dit hoger beroep.
3.4.3. Zoals hierna uit de behandeling van de grieven zal blijken, is het door [appellant] ingestelde hoger beroep uitsluitend gericht tegen de afwijzing van de posten A en D.
Over grief I: € 165,-- voor individuele begeleiding op 2 februari 2022 (Post A)
3.5.1. Aan de afwijzing van post A ten bedrage van € 165,-- voor drie uren individuele begeleiding op 2 februari 2022, liggen kort gezegd de navolgende twee oordelen van de kantonrechter ten grondslag:
i. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] hem op 2 februari 2022 al heeft begeleid en [appellant] heeft tegenover die betwisting onvoldoende onderbouwd welke begeleidingswerkzaamheden hij op die datum heeft verricht;
ii. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de gestelde uren van 2 februari 2022 buiten de zorgovereenkomst om zou vergoeden.
3.5.2. Grief I is tegen deze oordelen gericht. Het hof zal eerst het onderdeel van de grief behandelen dat gericht is tegen het onder i weergegeven oordeel. In dat onderdeel van de grief heeft [appellant] , samengevat, het volgende gesteld.
[appellant] heeft aansluitend aan het sollicitatiegesprek van 2 februari 2022 op uitdrukkelijk verzoek van [geïntimeerde] meteen de begeleiding gestart door hem te helpen bij het begrijpen van het Engels. [geïntimeerde] had in verband met door hem beluisterde muzieknummers de tekst van de Engelstalige lyrics van deze muzieknummers opgezocht op websites en dacht in paniek dat de wereld zou vergaan. Door het lezen van de lyrics op de websites was [geïntimeerde] behoorlijk van slag geraakt doordat hij een eigen interpretatie hanteerde van de Engelse teksten. Door middel van het begeleiden van [geïntimeerde] met het begrijpend lezen van deze Engelse teksten heeft [appellant] getracht om [geïntimeerde] te leren deze teksten correct te begrijpen zodat deze hem minder van slag zouden brengen. Gedurende de drie uur dat [appellant] [geïntimeerde] hierin heeft begeleid, is [geïntimeerde] ook daadwerkelijk minder van slag geraakt.
3.5.3. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] door het geven van deze toelichting in voldoende concrete mate uiteengezet welke begeleidingswerkzaamheden hij op 2 februari 2022 heeft verricht en dat die werkzaamheden drie uren in beslag hebben genomen. [geïntimeerde] heeft, nadat [appellant] deze nadere toelichting heeft gegeven, niet langer betwist dat [appellant] op 2 februari 2022 aansluitend aan het sollicitatiegesprek gedurende drie uren deze werkzaamheden heeft verricht. [geïntimeerde] heeft slechts in het geding bij de kantonrechter op beknopte wijze betwist dat [appellant] op 2 februari 2022 al individuele begeleiding heeft geboden. Naar het oordeel van het hof moet die beknopte betwisting uit het geding bij de kantonrechter, tegenover de bovenstaande door [appellant] in hoger beroep gegeven nadere specificatie van zijn stellingen, onvoldoende worden geacht. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat [appellant] op 2 februari 2022 drie uren individuele begeleiding heeft geboden aan [geïntimeerde] . Grief I is dus terecht voorgedragen, voor zover gericht tegen het hiervoor in rov. 3.5.1 onder i weergegeven oordeel van de kantonrechter.
3.6.1. Het tweede onderdeel van grief I is gericht tegen het hiervoor in rov. 3.5.1 onder ii weergegeven oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende heeft toegelicht dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de uren van 2 februari 2022 buiten de zorgovereenkomst om zou vergoeden.
3.6.2. In de toelichting op dat onderdeel van de grief heeft [appellant] , samengevat, het volgende gesteld.
Partijen zijn inderdaad niet overeengekomen dat [geïntimeerde] de drie uren van 2 februari 2022 buiten de zorgovereenkomst om zou vergoeden. Het was namelijk de bedoeling van partijen dat [geïntimeerde] ook deze uren administratief richting SVB zou goedkeuren en dat deze door SVB zouden worden vergoed vanuit het PGB. Daartoe hebben partijen, naast de zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd die op 4 februari 2022 inging, op 2 februari 2022 een zorgcontract voor bepaalde tijd opgesteld en ondertekend, terwijl de drie uren ook zijn vermeld op een werkbriefje dat door de vader van [geïntimeerde] is ondertekend. De partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] het zorgcontract van 2 februari 2022 met het werkbriefje aan de SVB zou doen toekomen. [geïntimeerde] heeft echter ten onrechte nagelaten het zorgcontract voor bepaalde tijd van 2 februari 2022 aan de SVB te verstrekken. Daardoor zijn de drie uren van 2 februari 2022 niet vergoed uit het PGB. Omdat [geïntimeerde] in zoverre tekortgeschoten is in de nakoming van de afspraken, moet [geïntimeerde] de drie uren zelf rechtstreeks aan [appellant] betalen, net zoals ten aanzien van de door de kantonrechter toegewezen posten B en C.
3.6.3. Het hof constateert dat deze stellingen van [appellant] over post A afwijken van hetgeen [appellant] in het geding bij de kantonrechter aan deze post ten grondslag heeft gelegd. Het staat [appellant] echter in beginsel vrij om in hoger beroep zijn stellingen aan te passen en op die wijze eventuele fouten uit de procesvoering in eerste aanleg te herstellen. Het hof ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. Het betoog van [appellant] zoals hiervoor in rov. 3.6.2 samengevat, is dus toelaatbaar in dit hoger beroep.
3.6.4. [geïntimeerde] heeft de hiervoor in rov. 3.6.2 weergegeven stellingen van [appellant] in het geheel niet betwist. Het hof neemt die stellingen daarom als vaststaand aan.
Conclusie
3.11.1. Uit het voorgaande volgt dat het beroepen vonnis vernietigd moet worden voor zover daarbij de posten A en D zijn afgewezen. [geïntimeerde] moet die posten alsnog betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2023, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] te betalen:
€ 165,-- ter zake post A, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023;
€ 3.245,-- ter zake post D, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023.
3.11.2. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt die kosten aan de zijde van [appellant] vast op
Explootkosten € 129,86
Griffierecht € 349,--
Salaris advocaat € 858,-- (1 punt x tarief I)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.514,86
3.11.3. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna onder “De uitspraak” vermeld.
3.11.4. Het bovenstaande leidt tot de onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 10346429 / CV EXPL 23-669 tussen partijen gewezen vonnis van 4 oktober 2023 uitsluitend voor zover aangevochten in dit hoger beroep, dat wel zeggen uitsluitend voor zover bij dat vonnis de posten A en D zijn afgewezen,
in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen:
€ 165,-- ter zake post A, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023;
€ 3.245,-- ter zake post D, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2023.
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep te bedrage van € 1.514,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 januari 2025.
griffier rolraadsheer
Procesverloop
Daarom staat vast dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting om het zorgcontract voor bepaalde tijd met betrekking tot de drie uren van 2 februari 2022 aan de SVB te verstrekken, en dat [appellant] daardoor een schade heeft geleden van drie maal € 55,-- is € 165,--. [geïntimeerde] moet die schade aan [appellant] vergoeden. Het hof komt op dit punt dus tot eenzelfde oordeel als de kantonrechter met betrekking tot de posten B en C.
3.6.5. De slotsom is dat grief I doel heeft getroffen. Post A ten bedrage van € 165,-- moet alsnog worden toegewezen.
Over grief II: € 3.245,-- over de maand juli 2022 wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn van één maand (post D)
3.7.1. Aan post D heeft [appellant] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[geïntimeerde] heeft de zorgovereenkomst opgezegd en daarbij de overeengekomen opzegtermijn van één maand niet in acht genomen. [geïntimeerde] moet daarom aan [appellant] een vergoeding betalen, berekend aan de hand van het gemiddeld aantal uren dat [appellant] in de maanden februari tot en met juni 2022 heeft gewerkt.
3.7.2. De kantonrechter heeft deze post afgewezen op grond van het oordeel dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd om op mocht vertrouwen dat [appellant] instemde met een beëindiging van de zorgovereenkomst per 1 juli 2022. Grief II is tegen die beslissing gericht.
3.7.3. Het hof stelt in verband met die grief voorop dat partijen in de zorgovereenkomst een opzegtermijn van één maand zijn overeengekomen. De eerste vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is welke partij de zorgovereenkomst heeft opgezegd. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] de zorgovereenkomst heeft opgezegd, terwijl [geïntimeerde] volgens de schriftelijke weergave van zijn mondeling antwoord bij de kantonrechter heeft gesteld dat [appellant] de overeenkomst heeft opgezegd. Omdat [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft opgezegd, rust op [appellant] de plicht die stelling voldoende te onderbouwen.
3.7.4. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dat gedaan in de punten 3.2.14 tot en met 3.2.20 van de memorie van grieven. [appellant] heeft daarin onder verwijzing naar de door hem in hoger beroep overgelegde geluidsopnamen en transcriptie van die geluidsopnamen uiteengezet, samengevat:
dat de vader van [geïntimeerde] op 25 juni 2022 op de voicemail van [appellant] heeft ingesproken dat [appellant] niet meer en nooit meer hoeft te komen;
dat de vader van [geïntimeerde] op 27 juni 2022 onomwonden heeft bevestigd dat de zorgovereenkomst op advies van [geïntimeerde] wort beëindigd;
dat de vader van [geïntimeerde] op 28 juni 2022 heeft gezegd dat de zorgovereenkomst per direct stopt, waarna [appellant] heeft gereageerd met de vraag hoe het dan met de opzegtermijn zit.
Volgens [appellant] heeft hij de bovenstaande uitlatingen van de vader van [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden mogen opvatten als een opzegging van de zorgovereenkomst door [geïntimeerde] per 28 juni 2024. [appellant] heeft dit naar het oordeel van het hof met zijn verwijzing naar de geluidsopnamen voldoende onderbouwd.
3.7.5. Het hof constateert voorts dat [geïntimeerde] de bovenstaande, op de geluidsopnamen gebaseerde, stellingen van [appellant] in het geheel niet en in elk geval niet gemotiveerd heeft betwist. Het hof neemt daarom als onvoldoende weersproken aan dat [geïntimeerde] de zorgovereenkomst op 28 juni 2022 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.
3.8.1. De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of partijen zijn overeengekomen om af te wijken van de opzegtermijn van één maand, die in de zorgovereenkomst is neergelegd. Het hof stelt voorop dat uit de aan het hof beschikbare gedingstukken niet blijkt dat [geïntimeerde] het verweer heeft gevoerd dat partijen zijn overeengekomen om af te wijken van de opzegtermijn. Voor zover [geïntimeerde] dat verweer heeft gevoerd, geldt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het verweer op [geïntimeerde] rusten. [geïntimeerde] beroept zich dan immers op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken om af te zien van de opzegtermijn.
3.8.2. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan. Het enkele feit dat [appellant] na 28 juni 2022 niet meer is komen werken, is daarvoor onvoldoende. De vader van [geïntimeerde] heeft immers op 28 juni 2022 aan [appellant] meegedeeld dat de zorgovereenkomst per direct stopt. Mede gelet op de hiervoor in rov. 3.7.4 weergegeven uitlatingen van de vader van [geïntimeerde] van 25 en 27 juni 2022 heeft [appellant] zonder meer mogen begrijpen dat hij per direct niet meer welkom was bij [geïntimeerde] . Uit het feit dat [appellant] vervolgens niet meer gekomen is, kan bij deze stand van zaken niet worden afgeleid dat hij zijn aanspraken in verband met de opzegtermijn heeft willen prijsgeven.
3.8.3. Dat [appellant] op enige andere wijze afstand heeft gedaan van zijn aanspraak op inachtneming van de opzegtermijn van één maand is niet gesteld of gebleken. [appellant] heeft juist op 28 juni 2022 expliciet gevraagd hoe het dan met zijn opzegtermijn zit. Uit het vervolg van de transcriptie van het gesprek van 28 juni 2022 blijkt dat de vader van [geïntimeerde] niet genegen was daarvoor nog een vergoeding te betalen. Dat blijkt onder meer uit de woorden: “dan houdt het op, klaar. Ik kan niks met jou doen, jij hoort hier niet thuis”.
Uit het vervolg van de transcriptie blijkt niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het afzien van de opzegtermijn. Het gesprek wordt voortgezet in een ruzieachtige sfeer waarin over en weer verwijten worden gemaakt. Het hof concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op het in achtnemen van de opzegtermijn.
3.8.4. Het enkele feit dat [appellant] niet binnen enkele dagen heeft gereageerd op de e-mail van 30 juni 2022 waarin de vader van [geïntimeerde] schrijft “Zoals afgesproken is op vrijdag 24-06-2022 de zorgovereenkomst in overleg beëindigd op 1 juli.” is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden ook onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] zijn aanspraken op de opzegtermijn heeft prijsgegeven. [appellant] heeft onbestreden gesteld dat hij de factuur ter zake de opzegtermijn binnen 14 dagen na afloop van de opzegtermijn heeft verzonden. [geïntimeerde] heeft er in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof niet op mogen vertrouwen dat [appellant] zijn aanspraken op de opzegtermijn toen al prijs had gegeven.
3.9.1. Grief II is dus terecht voorgedragen. Het hof moet daarom nader beoordelen of post D toewijsbaar is.
3.9.2. Voor zover uit het aan het hof voorgelegde procesdossier blijkt, heeft [geïntimeerde] niet betwist dat het aantal van 59 uren dat bij de factuur ter zake de opzegtermijn in rekening is gebracht, het maandgemiddelde is van de uren die in rekening zijn gebracht over de maanden februari tot en met juni 2022. Evenmin heeft [geïntimeerde] betwist dat deze rekenmethode passend is om de vergoeding te bepalen die aan [appellant] toekomt wegens het niet in achtnemen van de opzegtermijn. Dat [appellant] niet meer is komen werken, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De vader van [geïntimeerde] had [appellant] immers uitdrukkelijk verboden om nog te komen. Voorts is duidelijk en niet betwist dat de uren niet onder de op 28 juni 2024 per direct beëindigde zorgovereenkomst vergoed kunnen worden via het SVB. [geïntimeerde] moet de uren dus als schadevergoeding voor het niet in achtnemen van de opzegtermijn aan [appellant] vergoeden.