Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-06
ECLI:NL:GHSHE:2025:627
Strafrecht
Hoger beroep
1,463 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000546-24
Uitspraak : 6 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-068261-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van:
-opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de straf.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdediging heeft net als in eerste aanleg verzocht toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht in combinatie met reclasseringscontact.
De rechtbank is (pagina 4 van het vonnis) aan dit verzoek van de verdediging voorbijgegaan en het hof ziet geen reden daaromtrent anders te oordelen. Daarbij is van belang dat de reclassering in het over de verdachte uitgebrachte advies van 19 december 2024 wel heeft stilgestaan bij dit vraagpunt, maar niet heeft geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen, terwijl ook overigens onvoldoende grond aanwezig is om daartoe over te gaan.
Het hof kan zich niet vinden in de door rechtbank opgelegde duur van de gevangenisstraf.
Ten aanzien van verdachte is bewezen dat hij ongeveer 29 liter amfetamineolie heeft vervoerd. De landelijke oriëntatiepunten straftoemeting indiceren voor onder meer het vervoeren van harddrugs met een gewicht van meer dan 20 kilogram (het hof stelt in het kader van de straftoemeting ongeveer 29 liter gelijk aan ongeveer 29 kilogram) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden.
Onder meer in dat licht bezien is de door de rechtbank opgelegde duur van de gevangenisstraf, waarvan de advocaat-generaal bevestiging heeft gevorderd, niet passend.
In het voordeel van de verdachte heeft het hof echter zijn persoonlijke omstandigheden meegewogen. Verdachte is nog jong, lijkt zijn leven op orde te hebben, volgt een opleiding en is zowel voorafgaand aan het bewezenverklaarde als nadien niet (meer) met justitie in aanraking gekomen.
Het hof legt, alles afwegend, aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Deze straf is passend en geboden gelet op de ernst van het feit.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. F. van Es, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 6 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. van de Woestijne is buiten staat dit arrest te ondertekenen.