Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:6
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,140 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 2 januari 2025
Zaaknummers: 200.347.240/01 en 200.347.240/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/318444 / FA RK 23-2028
in de zaak in hoger beroep en in het incident van:
[de moeder]
,
wonende op een geheim adres in [plaats] , in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.A. Wijnands.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) in de procedure gekend.
In het kort
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank heeft bepaald dat de contacten tussen de vader en de 10-jarige [minderjarige 1] en de 4-jarige [minderjarige 2] zullen plaatsvinden binnen een BOR 3 traject onder professionele therapeutische begeleiding.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 23 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2024, en zoals gewijzigd op 3 december 2024, heeft de moeder verzocht:
primair: voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bepaling dat de contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader voorlopig zullen plaatsvinden in het kader van BOR 3 onder professionele therapeutische begeleiding als weergegeven onder rechtsoverweging 5.1 tot en met 5.5 van de tussenbeschikking van 23 juli 2024, en daarbij te bepalen dat de vader de omgang met de kinderen wordt ontzegd tot de uitspraak van de strafprocedure op Malta ;
subsidiair: dat het hof een dusdanige ontzegging van de omgangsregeling bepaalt als het hof juist acht.
Het hof heeft aan deze verzoeken zaaknummer 200.347.240/01 verbonden.
Tevens heeft de moeder op 3 december 2024 een aanvullend beroepschrift ingediend waarin zij verzoekt de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen. Het hof heeft aan dit verzoek zaaknummer 200.347.240/02 verbonden.
2.2.
Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 29 november 2024, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder en haar incidenteel verzoek af te wijzen onder compensatie van de proceskosten tussen partijen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier van de advocaat van de moeder van 14 november 2024 met één bijlage.
Beoordeling
3.1.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Het hof zal, in navolging van de rechtbank, Nederlands recht toepassen, nu daar geen grief tegen is gericht.
3.2.1.
Uit de moeder is geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: ), in [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 2014.
Na geboorte van [minderjarige 1] hebben de ouders een affectieve relatie met elkaar gekregen. Tijdens deze relatie is geboren:
- [minderjarige 2] (hierna: ), in [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 2020.
De vader heeft beide kinderen erkend en de moeder heeft alleen het gezag over hen.
3.2.2.
Uit het dossier is gebleken dat de ouders in 2019 samen naar Malta zijn verhuisd en dat de vader in 2020 alleen is teruggegaan naar België. In het najaar van 2022 heeft er een incident op Malta plaatsgevonden waarbij de vader de kinderen tegen de wens van de moeder in heeft meegenomen. Het hof heeft van partijen begrepen dat in verband hiermee een rechtszaak in Malta aanhangig is, die nog niet zou zijn afgerond. Partijen hebben echter onvoldoende concrete stukken in het geding gebracht waaruit een en ander genoegzaam blijkt. In januari 2023 is de moeder met de kinderen terugverhuisd naar België.
Bij de rechtbank
3.3.1.
De vader is een bodemprocedure gestart waarbij hij de rechtbank heeft verzocht, kort gezegd, om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen van één weekend per veertien dagen en een doordeweekse dag. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij wijze van voorlopige voorzieningen heeft zij de rechtbank onder meer verzocht te bepalen dat de vader de omgang met de kinderen voorlopig wordt ontzegd.
3.3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de contacten tussen de kinderen en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden in het kader van een BOR 3-traject onder professionele therapeutische begeleiding voor de duur van acht maanden, te rekenen vanaf de datum van de beschikking onder aanhouding van iedere verdere beslissing.
Bij het hof
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld schriftelijk op 3 december 2024 en op de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat er niet is gebleken van contra-indicaties voor het starten van de omgang tussen de kinderen en de vader. De vader heeft op Malta [minderjarige 2] ontvoerd en hij heeft daar geprobeerd [minderjarige 1] eveneens te ontvoeren. [minderjarige 1] staat al twee jaar op de wachtlijst voor traumabehandeling bij [instantie 1] . Als de traumatherapie start, wordt de draagkracht van [minderjarige 1] overschreden als daar ook nog omgang met de vader bijkomt. De moeder heeft EMDR- therapie om te leren omgaan met haar weerstand tegen de vader. Tegen de vader loopt in Malta nog steeds een strafprocedure voor kinderontvoering. Er moet eerst duidelijkheid komen over de uitkomst van dit strafrechtelijk traject, nu dit regelrecht het belang van de kinderen raakt. Het kan niet zomaar zijn dat de vader niet voldoet aan de verplichting om te verschijnen voor een strafrechtelijke procedure op Malta over de ontvoering van deze kinderen, maar er wel een BOR-traject loopt met hen. De vader ziet niet in wat zijn negatieve rol is in dit geheel en hij heeft onvoldoende begrip voor de angstgevoelens van de moeder. Hij legt de oorzaak daarvan bij de moeder neer en niet bij zichzelf. De vader heeft professionele hulp nodig. De oma (vz) spreekt ook over de beperkingen bij haar zoon. Er is bij de vader sprake van een zorgelijke situatie en daarnaar moet eerst onderzoek plaatsvinden. De moeder verwijst naar een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9243) waar een langdurige traject door een ouder diende te worden afgelegd voordat er sprake kon zijn van contactherstel.
3.5.
De vader heeft een verweerschrift ingediend, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling. Zijn standpunt luidt, samengevat, als volgt.
Beide ouders hebben een andere beleving van wat er op Malta is gebeurd. Er was geen sprake van kinderontvoering. Het was in het belang van de kinderen dat de vader hen heeft weggehaald bij moeder, omdat hij zich na signalen uit de directe omgeving van de kinderen ernstig zorgen maakte over het welzijn en de verzorging van de kinderen door de moeder. De moeder noemt dit kinderontvoering. Het hof dient, gelet op het rechtssysteem aldaar, geen waarde te hechten aan de uitkomst van de strafzaak op Malta . De moeder presenteerde bovendien het argument dat de procedure in Malta eerst zou moeten worden afgewacht alvorens er contact zou kunnen zijn met de kinderen niet in eerste aanleg. Dit hoger beroep is alleen maar ingesteld om de voortgang van het BOR-traject te traineren. De vader wacht al zo lang om de kinderen weer te zien; hij heeft ze altijd goed behandeld. Het langdurig niet hebben van contact met één van beide ouders is schadelijk is voor de nog zo jonge kinderen. De vader hoopt dat de moeder met hulpverlening in de nabije toekomst meer in staat is om het verleden te laten voor wat het is en in het belang van de kinderen meer toekomstgericht te kunnen handelen. De raad heeft een gedegen onderzoek verricht, waarna de rechtbank weloverwogen heeft bepaald dat het in het belang van de kinderen is dat er begeleide omgang met de vader komt. Er is geen enkele reden om die beschikking te vernietigen, zeker niet op basis van de grieven van de moeder. Het schorsingsverzoek dient te worden afgewezen.
Het hof overweegt het volgende.
Het incidentele verzoek
3.6.
De moeder heeft haar incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken. Het hof zal de moeder in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Inhoudelijke beoordeling van de overige verzoeken
3.7.1.
Het hof stelt voorop, zoals ook tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken, dat van een ontzegging van de omgang geen sprake kan zijn. De moeder heeft dit bij wijze van voorlopige voorzieningen aan de rechtbank verzocht, maar de rechtbank heeft partijen in de bodemprocedure verwezen naar een BOR 3-traject. Het meest verstrekkende dat de moeder in onderhavig hoger beroep ten aanzien van de omgangsregeling kan verzoeken is dat de verwijzing naar het BOR-3 traject wordt afgewezen. Ter beoordeling van het hof ligt daarom alleen de vraag voor: dient er wel of niet een BOR 3-traject tussen de vader en de kinderen te worden vastgesteld? Het hof is van oordeel dat het antwoord hierop ‘ja’ dient te zijn.
3.7.2.
De raad heeft in zijn rapportage van 16 april 2024 geadviseerd dat inzet van hulpverlening noodzakelijk is in de vorm van een BOR 3-traject zodat de kinderen na een lange periode van geen contact op een laagdrempelige manier weer aan de vader kunnen wennen, het vertrouwen tussen de vader en de kinderen weer opgebouwd kan worden en dat er zicht kan komen op de opvoedvaardigheden van de vader. Uit het raadsrapport blijkt dat de raad drie keer met de moeder heeft gesproken (waaronder twee keer bij haar thuis) en twee keer met de vader. Ook heeft de raad gesproken met de kinderen, met de huisarts van de vader, de school van [minderjarige 1] en [instantie 2] .
Dictum
Het hof:
in zaaknummer 200.347.240/01
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
in zaaknummer 200.347.240/02
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar incidenteel verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens, L.M.H. Nelissen en is op 2 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Beoordeling
Het advies van de raad is zorgvuldig tot stand gekomen naar aanleiding van een gedegen onderzoek. De rechtbank heeft vervolgens terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, bepaald dat de contacten tussen de kinderen en de vader voorlopig zullen dienen plaats te vinden in het kader van een BOR 3-traject onder professionele therapeutische begeleiding. De moeder heeft niet, althans onvoldoende kenbaar gemaakt welke concrete bezwaren zij heeft tegen de BOR 3-maatregel. De omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure in Malta aanhangig is, nog daargelaten dat voldoende concrete informatie ter zake ontbreekt, is onvoldoende om de omgang tussen de vader en de kinderen te ontzeggen. De standpunten van de vader en de moeder over hetgeen is voorgevallen in de periode dat zij op Malta verbleven, lopen uiteen. Duidelijkheid ter zake ontbreekt. Het hof is van oordeel dat in ieder geval niet is gebleken dat contact met de vader tegen de belangen van de kinderen indruist. Integendeel, de vader en de kinderen hebben al twee jaar geen contact met elkaar gehad en verder uitstel is niet langer acceptabel. Het is in het belang van de kinderen dat er zo snel mogelijk uitvoering wordt gegeven aan het BOR3-traject. Dat [minderjarige 1] niet de draagkracht heeft om zijn traumaverwerking te combineren met begeleide contacten met zijn vader, heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt. De raad heeft geadviseerd om het BOR 3-traject parallel te starten aan de hulpverlening die voor [minderjarige 1] wordt ingezet bij [instantie 1] . Het hof ziet hierin dan ook geen belemmering, juist gelet op de waarborgen die het BOR 3-traject biedt.
3.7.3.
De vergelijking die de moeder maakt met de zaak van hof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2022 gaat niet op; in die zaak was aan een vader een twee jaar durend straat- en contactverbod opgelegd en was de vader in kwestie strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor bedreiging met enig misdrijf gericht tegen het leven van de moeder. Het hof Arnhem-Leeuwarden zag in die zaak geen ruimte voor een omgangsregeling. Van vergelijkbare omstandigheden met de onderhavige zaak is echter geen sprake; daarvoor biedt dit dossier te weinig aanknopingspunten. Voor zover de moeder zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen wordt deze, voor zover die al in het gedrang is, gewaarborgd in het BOR-3 traject. Het hof ziet overigens geen concrete aanleiding dat de vader de intentie heeft om de kinderen te ontvoeren. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de situatie destijds in Malta (2022) niet te vergelijken is met de situatie van nu in Nederland: toen had de vader naar zijn zeggen ernstige zorgen over de wijze waarop de moeder voor de kinderen zorgde. Uit het raadsrapport blijkt dat deze zorgen niet meer actueel zijn en dat de moeder de kinderen goed verzorgt. Het hof gaat, tot slot, voorbij aan de bezwaren van de moeder tegen het BOR 3-traject vanwege de rechtszaak die nog in Malta loopt, omdat het volstrekt onduidelijk is wat hierover de actuele stand van zaken is.
3.7.4.
De raad acht ouderschapsreorganisatie nodig zodat de ouders weer vertrouwen krijgen in elkaar, weer ontspannen met elkaar kunnen communiceren en samen over zaken die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangaan kunnen beslissen. Het hof geeft de ouders mee dat zij deze hulpverlening dringend nodig hebben. Het BOR-traject is namelijk niet alleen gericht op de kinderen, maar ook op de ouders zelf. De moeder kan veel baat hebben bij de professionele begeleiding die de BOR haar kan brengen. In deze setting kan zij haar angsten voor de vader bespreken en kan de vader laten zien dat deze angsten niet of niet langer gerechtvaardigd zijn. De moeder wordt als een capabele en verantwoordelijke ouder neergezet in het raadsrapport. [instantie 2] (betrokken bij de moeder en de kinderen sinds maart 2023) ziet haar als een lieve moeder die goed aansluit bij de behoefte van de kinderen en het beste wil voor haar kinderen. Het hof wijst de moeder erop dat daar ook bij hoort dat zij de vader een rol laat spelen in het leven van de kinderen en dat zij haar eigen negatieve gevoelens richting hem ondergeschikt maakt aan de belangen van de kinderen of dat zij in ieder geval haar best doet om hiervoor hulpverlening te accepteren om het tij te keren.
3.7.5.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.