Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:594
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
6,387 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.144/01
arrest van 4 maart 2025
in de zaak van
[XX] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats], [gemeente A],
appellante,
hierna aan te duiden als [XX],
advocaat: mr. M.J. Kesler te Amsterdam,
tegen
[YY] PTY LTD,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Australië),
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [YY],
advocaat: mr. C.H.A. van de Wiel te Waalwijk,
op het bij exploot van dagvaarding van 22 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [XX] als eiseres en [YY] als gedaagde.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
Kern van de zaak
3.1.
[XX] is een bedrijf in digitale leeroplossingen. [XX] heeft producten geleverd aan [YY], een onderneming in Australië. Volgens [XX] betaalt [YY] ten onrechte bepaalde facturen niet. In dit hoger beroep gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter op grond van een forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden van [XX] bevoegd is ter zake de vorderingen van [XX] op [YY] tot betaling van de fatcuren.
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
i. [XX] is een Nederlands bedrijf, dat investeert in innovatie, kwaliteit en
betrouwbaarheid op het gebied van digitale leeroplossingen.
[YY] is een in Australië gevestigde onderneming die zich richt op het marketen,
verkopen, leveren en onderhouden van [XX] producten in Oceanië.
[YY] en [XX] zijn op 10 september 2014 een distributieovereenkomst
aangegaan voor de verkoop en doorverkoop van de producten van [XX] door [YY] in
Australië en Nieuw-Zeeland (hierna: de distributieovereenkomst). Onderdeel van de
distributieovereenkomst is ‘Schedule C. GENERAL TERMS AND CONDITIONS FOR
DISTRIBUTORS’, waarin is vermeld:
"13.6 Any disputes resulting from the Agreement, also as regards its conclusion, shall be exclusively brought before the competent court in the Netherlands. "
In juni 2019 en in september 2019 zijn partijen addenda bij de
distributieovereenkomst overeengekomen (hierna: de addenda). Het addendum van juni
2019 heeft betrekking op het verschaffen van een budget door [XX] aan [YY] voor
marketing activiteiten en het addendum van september 2019 ziet op de verlenging van de
distributieovereenkomst met één maand.
In de addenda is in de artikelen 12 respectievelijk 4 vermeld:
“All disputes arising out of or in connection with this Addendum shall be finally settled under the Rules of Arbitration of the International Chamber of Commerce by one or more arbitrators appointed in accordance with the said Rules. The language to be used in the arbitral proceedings shall be English and the seat of
arbitration shall be [vestigingsplaats], the Netherlands."
De distributieovereenkomst is in 2020 van rechtswege geëindigd.
Na afloop van de distributieovereenkomst heeft [YY] koopovereenkomsten
gesloten met [XX]. [XX] heeft onder meer op 17 mei 2021 een offerte met nummer
[nummer A] en op 15 november 2021 twee offertes, met de nummers [nummer B] en [nummer C] naar [YY]
gestuurd voor de verkoop van touchscreens (hierna: de quotes).
Onderaan de quotes is telkens vermeld:
“The [XX] general terms & conditions are applicable on this quote. A copy of the terms & conditions is attached to this quote. ”
i. In de ‘[XX] GENERAL TERMS AND CONDITIONS OF SALE AND
DELIVERY’ (hierna: de Algemene Voorwaarden) is vermeld:
“Article 20 Applicable law/competent court
(-)
2. Any disputes that would arise between [XX] and the Other Party, including as a result
from quotes, offers, agreements, deliveries and services performed, will be referred to the
competent court of the sub-district of Oost-Brabant, based in 's- Hertogenbosch."
[XX] heeft de in de quotes vermelde touchscreens aan [YY] geleverd en zij heeft
daarvoor facturen aan [YY] gestuurd op 14 september 2021 (voor quote [nummer A]) en 11 mei
2022 (voor de quotes [nummer B] en [nummer C]).
Procesverloop
3.2.1.
In de procedure bij de rechtbank vorderde [XX] kort gezegd veroordeling van [YY] tot betaling van USD 445.882,58 in verband met de door [YY] bestelde en door [XX] geleverde touchscreens. [XX] vorderde voorts contractuele rente, buitengerechtelijke kosten en de volledige proceskosten.
3.2.2.
[YY] heeft zich op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter beroepen.
3.2.3.
In het tussenvonnis in het bevoegdheidsincident van 10 januari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat [XX] geen beroep kan doen op het forumkeuzebeding in artikel 20 van de Algemene Voorwaarden en dat er geen rechtsmacht kan worden ontleend aan het forumkeuzebeding dat bij de (geëindigde) distributieovereenkomst is overeengekomen.
De rechtbank heeft partijen voorts in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de plaats waar de in de quotes vermelde touchscreens volgens de overeenkomst zijn of moesten worden geleverd.
3.2.4.
In het eindvonnis in het bevoegdheidsincident van 13 maart 2024 heeft de rechtbank het verzoek van [XX] om terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis over het forumkeuzebeding in de Algemene Voorwaarden, afgewezen en geoordeeld dat de plaats van levering van de touchscreens buiten Nederland is gelegen. De rechtbank heeft zich ten slotte onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [XX] kennis te nemen.
Procesverloop
3.3.1.
[XX] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. [XX] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het toewijzen van haar gewijzigde eis. [XX] heeft haar eis gewijzigd in die zin dat zij thans drie aparte bedragen per quote/factuur vordert, in plaats van één totaalbedrag, met berekening van de rente per vordering.
[XX] vordert – verkort weergegeven – betaling van respectievelijk USD 211.936,96 ter zake quote [nummer C], USD 211.936,96 ter zake quote [nummer B] en USD 217.036,53 ter zake quote [nummer A], steeds te verminderen met het totaalbedrag van de relevante creditnota’s en te vermeerderen met rente. [XX] vordert voorts terugbetaling van hetgeen zij op basis van het bestreden vonnis reeds aan [YY] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en veroordeling van [YY] in de proceskosten in beide instanties.
3.3.2.
[YY] heeft primair geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [XX] in de proceskosten. [YY] heeft subsidiair geconcludeerd tot vernietiging het bestreden vonnis en terugverwijzing van de zaak naar de Rechtbank Oost-Brabant.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter
3.4.
Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van [XX] kennis te nemen op grond van het forumkeuzebeding in artikel 20 van de Algemene Voorwaarden danwel op grond van een bestendige handelspraktijk sinds 15 maart 2021.
Maatstaf
3.5.1.
Artikel 25 lid 1 van de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 1215/2012 d.d. 12 december 2012 (hierna: Verordening Brussel I-bis) bepaalt dat, indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, schriftelijk een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht in beginsel exclusief bevoegd is, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft.
3.5.2.
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ
EU) moet de geldigheid van een forumkeuzebeding autonoom op grond van het Unierecht
worden beoordeeld. De aangezochte rechter moet onderzoeken of het forumkeuzebeding dat
hem bevoegd verklaart, daadwerkelijk het voorwerp is geweest van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt.
Daarbij moet in elk geval zijn voldaan aan een van de door artikel 25 lid 1 onder a t/m c Verordening Brussel I-bis toegelaten vormen van een forumkeuze-overeenkomst. Daarin is
bepaald dat de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
a. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge
overeenkomst;
b. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen
gebruikelijk zijn geworden;
c. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte
waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale
handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken
handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
3.5.3.
Een forumkeuzebeding dat is vastgelegd in de algemene voorwaarden voldoet
volgens het HvJ EU aan de vereisten van artikel 25 lid 1 Verordening Brussel I-bis van
toestemming van de partijen en nauwkeurigheid van de inhoud van dat beding, als:
i) in de tekst zelf van de door beide partijen ondertekende overeenkomst uitdrukkelijk wordt
verwezen naar de algemene voorwaarden die dit beding bevatten,
ii) deze uitdrukkelijke verwijzing door een partij bij betrachting van een normale
zorgvuldigheid kan worden nagegaan, en
iii) vaststaat dat de algemene voorwaarden, met daarin het forumkeuzebeding,
daadwerkelijk aan de andere contractpartij zijn meegedeeld.
3.5.4.
De strekking van het vormvoorschrift van artikel 25 lid 1 sub b Brussel I-bis Vo is dat, wanneer partijen regelmatig zaken met elkaar doen waardoor sprake is van een lopende handelsbetrekking en zij hun relatie steeds hebben geregeld op basis van algemene voorwaarden van de ene partij waarin een forumkeuzebeding is opgenomen die aan de andere partij zijn meegedeeld, die andere partij daardoor is gebonden, ook al heeft hij op die mededeling niet uitdrukkelijk gereageerd. Daarvoor is vereist dat de voorwaarden met het forumkeuzebeding aan de andere partij zijn meegedeeld op een zodanige wijze dat deze het forumkeuzebeding kende of kon kennen. Zonder dit laatste kan het zwijgen van de wederpartij hem immers niet als instemming worden toegerekend. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval de mededeling op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat de wederpartij het forumkeuzebeding kende of kon kennen, hangt af van alle omstandigheden van het geval.
De rechtsverhouding tussen [XX] en [YY]
3.6.
Volgens [XX] was na beëindiging van de distributieovereenkomst in 2020 de gebruikelijke gang van zaken dat [XX] en [YY] telefonisch of via e-mail overleg voerden over een mogelijke order van [YY]. Vervolgens stuurde [XX] aan [YY] via e-mail een quote. Deze quote was een aan de betreffende e-mail gehangen pdf-bestand met daarin (i) een prijsopgave met daarop de hiervoor in rov. 3.2. onder vi genoemde verwijzing naar de Algemene Voorwaarden en (ii) een exemplaar van de Algemene Voorwaarden. De volgende stap was dat de quote werd goedgekeurd door [YY], door toezending per e-mail van een purchase order of via telefoon of e-mail. Hierna werden de betreffende producten geleverd en gefactureerd.
Deze gang van zaken wordt door [YY] niet betwist, met dien verstande dat er volgens [YY] na ontvangst van een quote altijd een schriftelijke purchase order door [YY] aan [XX] werd gestuurd en er dus niet werd volstaan met een bevestiging van de quote via telefoon of e-mail. Deze gang van zaken blijkt bovendien uit de door [XX] overgelegde e-mail van 15 maart 2021. Deze e-mail bevat de purchase order ter zake de quote met nummer 59068 van 3 februari 2021, met bijgevoegd de betreffende quote en de Algemene Voorwaarden.
Volgens [XX] zijn na de beëindiging van de distributieovereenkomst op deze manier acht transacties tot stand gekomen. Dit wordt door [YY] niet betwist. [XX] heeft van zeven van de acht transacties de quotes met Algemene Voorwaarden overgelegd en van twee transacties de purchase orders. Volgens [XX] zijn de achtste quote en de overige purchase orders niet beschikbaar vanwege de implementatie van een nieuw IT-systeem.
De vorderingen ter zake de quotes [nummer C] en [nummer B]
3.7.1.
Met betrekking tot deze vorderingen stelt [XX] dat zij met het door haar overgelegde e-mailbericht van 15 november 2021 de betreffende quotes en de Algemene Voorwaarden aan [YY] heeft toegestuurd. Dit wordt door [YY] niet betwist en sluit bovendien aan bij de gebruikelijke gang van zaken (zie rov. 3.6. hiervoor). Het hof neemt derhalve als vaststaand aan dat [YY] de quotes [nummer C] en [nummer B], met daarop de verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, en de Algemene Voorwaarden heeft ontvangen.
Conclusie
3.11.1.
Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is ter zake de vorderingen van [XX]. Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [YY] zal veroordelen tot betaling van het door [XX] uit hoofde van het bestreden vonnis betaalde bedrag van € 6.621,-.
[XX] heeft het hof verzocht de hoofdzaak zelf af te doen, maar [YY] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het hof zal de zaak dan ook terugverwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant zodat op de hoofdzaak kan worden beslist (artikel 355 Rv).
3.11.2.
[YY] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
De kosten voor de procedure in het incident in eerste aanleg aan de zijde van [XX] zullen worden vastgesteld op € 614,- (1 punt x tarief II) vanwege salaris advocaat.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [XX] zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 112,37
Griffierechten € 798,-
Salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.516,37,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, verklaart de rechtbank bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [XX] op [YY] en verwijst de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, om op de hoofdzaak te worden beslist;
veroordeelt [YY] tot betaling aan [XX] van € 6.621,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2024 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald;
veroordeelt [YY] in de proceskosten van de eerste aanleg ad € 614,- en van het hoger beroep ad € 3.516,37,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [YY] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [YY] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [YY] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, N.W.M. van den Heuvel en E.H. Pijnacker Hordijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 maart 2025.
griffier rolraadsheer
Procesverloop
Tussen partijen staat voorts vast dat de in de quotes genoemde goederen door [XX] aan [YY] zijn geleverd en gefactureerd. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat [YY] de quotes van [XX], met daarin de verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, heeft geaccepteerd.
3.7.2.
[YY] heeft terecht geconstateerd dat [XX] ter zake de quotes [nummer C] en [nummer B] geen purchase order heeft overgelegd. Dit doet aan het voorgaande echter niet af.
Uit de feitelijke handelwijze van partijen en de gebruikelijke gang van zaken (zie rov. 3.4.5. hiervoor) volgt immers overeenstemming over de quotes. Hierbij komt dat uit de eigen stellingen van [YY] volgt dat het feit dat de in de quotes [nummer C] en [nummer B] genoemde goederen zijn geleverd, betekent dat zij ter zake deze quotes ter bevestiging een purchase order aan [XX] heeft gestuurd (zie rov. 3.4.5. hiervoor). Tijdens de mondelinge behandeling is namens [YY] nog eens bevestigd dat het feit dat goederen zijn geleverd en gefactureerd, betekent dat [YY] een purchase order heeft afgegeven waaruit de bevestiging van de betreffende quote blijkt.
3.7.3.
Dit alles maakt dat naar het oordeel van het hof ter zake quotes [nummer C] en [nummer B] een forumkeuze-overeenkomst zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 onder a dan wel b Verordening Brussel I-bis tot stand gekomen. Uit het voorgaande volgt dat het forumkeuzebeding in de Algemene Voorwaarden het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen [XX] en [YY], die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt in de gang van zaken. De quotes bevatten een uitdrukkelijke verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, die door [YY] kon worden nagegaan, terwijl zij bovendien de beschikking had over de Algemene Voorwaarden in de voor haar toegankelijke Engelse taal voordat zij de betreffende quotes accepteerde. Gesteld noch gebleken is dat [YY] gedurende de handelsrelatie tussen partijen op enig moment met de Algemene Voorwaarden uitdrukkelijk niet heeft ingestemd. Er moet derhalve vanuit worden gegaan dat [YY] de Algemene Voorwaarden al dan niet stilzwijgend heeft aanvaard, zodat deze deel zijn gaan uitmaken van de rechtsbetrekking tussen partijen.
De vordering ter zake quote [nummer A]
3.8.1.
Met betrekking tot deze vordering stelt [XX] dat uit de door haar overgelegde e-mail van 16 juli 2021 blijkt dat zij quote [nummer A], met daarin de verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, en de Algemene Voorwaarden aan [YY] heeft toegestuurd, en dat deze quote door [YY] is goedgekeurd.
De overgelegde e-mail van 16 juli 2021 bevat de purchase order ter zake 90 x een [XX] Touchscreen Ten 86 met nummer [touchscreennummer A] en 90 x een [XX] Power Cord met nummer [Power Cord nummer B]. De e-mail bevat voorts een pro forma factuur van [XX] van deze goederen met als nummer [nummer A].
Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de purchase order bij deze e-mail ziet op quote [nummer A]. [YY] betwist wel dat de purchase order bij de e-mail van 16 juli 2021 ziet op quote [nummer A], maar onderbouwt deze betwisting in het geheel niet. Dit had gezien de door [XX] overgelegde e-mail wel op haar weg gelegen. Het hof neemt dat ook als vaststaand aan dat de de purchase order bij de e-mail ziet op quote [nummer A].
3.8.2.
Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6. is overwogen over de tussen partijen gebruikelijke gang van zaken volgt dat aan de e-mail van 16 juli 2021, is voorafgegaan een e-mail aan [YY] met daarbij quote [nummer A], met daarin de verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, en de Algemene Voorwaarden zelf. Dit wordt op zichzelf door [YY] ook niet betwist. [YY] volstaat met de constatering dat [XX] een dergelijke e-mail niet heeft overgelegd en dat dus niet kan wordt vastgesteld of een dergelijke e-mail door [XX] is verstuurd. Dit is in het licht van het voorgaande echter onvoldoende. Een purchase order van [YY] volgt in de tussen partijen gebruikelijke gang van zaken immers altijd op een quote, met daarin een verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, waarbij de Algemene Voorwaarden ook daadwerkelijk zijn bijgevoegd. Van belang hierbij is dat [XX] onbetwist heeft gesteld dat er na de beëindiging van de distributieovereenkomst acht transacties hebben plaatsgevonden en dat uit de e-mails van 15 maart 2021 en 15 november 2021 van zeven van die transacties blijkt dat [XX] aan [YY] quotes heeft gestuurd, met daarin een verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, en de Algemene Voorwaarden zelf. [YY] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat ter zake de purchase order van 16 juli 2021 geen quote met daarin de verwijzing naar de Algemene Voorwaarden, en de Algemene Voorwaarden zelf, aan [YY] is gestuurd. Het hof neemt derhalve als vaststaand aan dat een dergelijke quote door [XX] aan [YY] is verstuurd.
3.8.3.
Ook ter zake quote [nummer A] is naar het oordeel van het hof dan ook een forumkeuze-overeenkomst zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 onder a dan wel b Verordening Brussel I-bis tot stand gekomen. Het hof verwijst naar hetgeen in rov. 3.7.3. is overwogen. Dit geldt ook voor de vordering ter zake quote [nummer A].
Is het onredelijk om bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen?
3.9.1.
[YY] heeft nog aangevoerd dat er geen sprake is van een rechtsgeldige forumkeuze omdat dit niet redelijk is. Volgens [YY] heeft zij aanzienlijke vorderingen op [XX] op grond van één van de addenda (het “MDF tegoed)” en vanwege door haar gemaakte kosten ter reparatie en vervanging van door [XX] geleverde producten. De prestaties waaruit deze vorderingen voortvloeien zijn allemaal in Australië verricht, Australisch recht is van toepassen en een forumkeuze is niet gemaakt. Om die reden zou het voor [YY] onredelijk zijn om af te wijken van de hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is, aldus [YY].
Het hof volgt [YY] hierin niet. Het enkele feit dat [YY] tegenvorderingen heeft op [XX] waarop Australisch recht van toepassing is en ter zake waarvan geen forumkeuze is gemaakt, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de vorderingen van [XX] op [YY] kennis te nemen. In de procedure in de hoofdzaak kan [YY] zich in verband met haar tegenvorderingen op opschorting en verrekening beroepen, welk beroep door de rechter in de hoofdzaak aan de hand van het toepasselijke recht zal moeten worden beoordeeld. Van een onredelijke benadeling van [YY] die in de weg zou moeten staan aan het aannemen van bevoegdheid van de Nederlandse rechter is geen sprake.
3.9.2.
Voor zover [YY] met haar verwijzing naar de “Voth-test” een beroep doet op een zogenaamde “forum non conveniens-correctie”, geldt dat het Nederlandse recht noch Verordening Brussel I-bis voor een zaak als deze een dergelijke correctie kent of daarvoor ruimte biedt. Indien aan de voorwaarden voor rechtsmacht is voldaan, zoals in dit geval vanwege een geldige forumkeuze, dan dient de Nederlandse rechter te oordelen over de zaak. Dit geldt ook indien de zaak meer aanknopingspunten heeft met een andere rechtssfeer of indien behandeling van de zaak door de Nederlandse rechter bepaalde complicaties oplevert. Voor zover [YY] bedoelt te betogen dat [XX] misbruik van procesrecht maakt door haar vorderingen voor de Nederlandse rechter te brengen, geldt dat [YY] dit onvoldoende heeft onderbouwd en het hof bovendien niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit dit misbruik zou blijken.