Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:592
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
3,701 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.193/01
arrest van 4 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. A.F.M. den Hollander te Rotterdam,
tegen
1
[geïntimeerde sub 1], h.o.d.n. Eethuis [XX],wonende te [woonplaats], [gemeente A],
2. [geïntimeerde sub 2], h.o.d.n. Eethuis [XX],wonende te [woonplaats], [gemeente A],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] (mannelijk, enkelvoud),
advocaat: mr. A.M.M. de Waal te Bergen op Zoom,
op het bij exploot van dagvaarding van 23 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 december 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven tevens houdende wijziging eis, met een productie;
de memorie van antwoord tevens antwoord wijziging eis, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
In rov. 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal die feiten hierna, vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.6 weergeven (met enkele correcties wat de genoemde data betreft).
3.1.1.
[geïntimeerde] heeft vanaf 2010 Eethuis [XX] (hierna: Eethuis) geëxploiteerd; vanaf 20 oktober 2015 middels een vennootschap onder firma met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als vennoten.
3.1.2.
[appellant] heeft werkzaamheden verricht voor het Eethuis. Van 1 juni 2021 tot en met 30 augustus 2021 heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bestaan.
3.1.3.
Partijen hebben mondeling afspraken gemaakt over een overname van het Eethuis door [appellant].
3.1.4.
De moeder van [appellant], [persoon A], heeft in totaal € 15.000,00 overgemaakt naar [geïntimeerde], namelijk op 17 juli 2021 € 0,01 en € 4.999,99 en op 18 juli 2021 € 10.000,00.
3.1.5.
Vanaf 19 juli 2021 heeft [appellant] de exploitatie van het Eethuis feitelijk op zich genomen.
3.1.6.
[appellant] heeft aangegeven de overname van het Eethuis niet meer te zien zitten. Daarna heeft [geïntimeerde] vanaf eind augustus 2021 de exploitatie van het Eethuis terug opgepakt.
Geschil
3.2.1.
In eerste aanleg vorderde [appellant], in conventie, – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair te verklaren voor recht dat sprake is van dwaling ex artikel 6:228 BW en de koopovereenkomst te vernietigen;
II. subsidiair dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking, dan wel van onverschuldigde betaling;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf 26 april 2022, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen voor de buitengerechtelijke kosten ad € 925,00;
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en de nakosten.
3.2.2.
Op hetgeen [appellant] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [geïntimeerde] gevoerde verweren, zal het hof hierna, voor zover van belang in hoger beroep, ingaan.
3.2.3.
[geïntimeerde] had een vordering in reconventie ingesteld, maar heeft deze blijkens het vonnis waarvan beroep onder rov. 1.2 tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg ingetrokken, evenals [appellant] de door hem gevorderde proceskostenveroordeling in reconventie. De kantonrechter heeft de procedure in reconventie daarom verder buiten beschouwing gelaten. In hoger beroep is die ook niet aan de orde.
3.2.4.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
Geschil
3.3.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd (zie hierna rov. 3.3.2). Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het toewijzen van zijn vorderingen zoals gewijzigd.
3.3.2.
Na eiswijziging luiden de vorderingen van [appellant] als volgt:Primair
I. Primair te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden per 30 augustus 2021, subsidiair per 1 mei 2024, meer subsidiair de overeenkomst tussen partijen te ontbinden per datum van het in deze te wijzen arrest;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag ad € 15.000,-, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW conform de WIK ad € 925,00;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.
Subsidiair
I. Primair te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is vernietigd per 30 augustus 2021, subsidiair de overeenkomst tussen partijen te vernietigen op grond van dwaling per datum in deze te wijzen arrest;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag ad € 15.000,-, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW conform de WIK ad € 925,00;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.
Meer subsidiair
I. Te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt per 17 en 18 juli 2021;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag ad € 15.000,-, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW conform de WIK ad € 925,00;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.
3.3.3.
[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant]. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. Overigens geeft [appellant] in de brief van 1 mei 2024 (productie bij de memorie van grieven) aan dat als [geïntimeerde] niet instemt met ontbinding van de overeenkomst, het Eethuis aan hem ([appellant]) overgedragen zal moeten worden. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat de eiswijziging een dergelijke nakomingsvordering niet inhoudt.
Plan van behandeling
3.4.
Gezien de vorderingen van [appellant] kan de zaak in hoger beroep per grondslag worden behandeld. De vraag is steeds of hij aanspraak kan maken op (terug)betaling door [geïntimeerde] van het door zijn moeder betaalde bedrag van in totaal € 15.000,-. De primaire grondslag is ontbinding van de overeenkomst, de subsidiaire grondslag is vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling en de meer subsidiaire grondslag is ongerechtvaardigde verrijking. Tot slot ziet het hof aanleiding te bespreken of [appellant] op grond van nakoming aanspraak kan maken op terugbetaling van dit bedrag.
Ontbinding van de overeenkomst
3.5.1.
Tussen partijen staat vast dat zij een (mondelinge) overeenkomst hebben gesloten tot overname van het Eethuis. [appellant] meent primair dat er sprake is van een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst en dat [geïntimeerde] hem om die reden het aanbetaalde bedrag (het bedrag van in totaal € 15.000,-.) verschuldigd is. Hij heeft daarbij verwezen naar zijn brief van 1 mei 2024. Daarin is vermeld dat, voor zover [geïntimeerde] stelt dat geen sprake is van een buitengerechtelijke ontbinding met wederzijds goedvinden per 30 augustus 2021, hij de overeenkomst ontbindt per 1 mei 2024.
3.5.2.
Naar het oordeel van het hof kan de vordering van [appellant] niet op deze grondslag worden toegewezen. Het enkele feit dat, nadat [appellant] had aangegeven de overname van het Eethuis niet meer te zien zitten, [geïntimeerde] vanaf eind augustus 2021 de exploitatie van het Eethuis terug heeft opgepakt, maakt niet dat sprake is van een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst met wederzijds goedvinden. Op hoe deze gang van zaken juridisch wel kan worden geduid, zal het hof hierna in rov. 3.8 ingaan.
3.5.3.
Voorts heeft [geïntimeerde] er terecht op gewezen dat voor een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst ingevolge artikel 6:265 BW sprake moet zijn een tekortkoming door hem in de nakoming van zijn verbintenissen op grond van de overeenkomst. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd en gedocumenteerd gesteld dat hij van zijn kant uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst en dat hij dit ook correct heeft gedaan. Door [appellant] is hier onvoldoende tegenin gebracht.
Beroep op dwaling
3.6.1.
[appellant] stelt zich subsidiair op het standpunt dat de overeenkomst tot overname is vernietigd op grond van dwaling. Hij stelt daartoe dat hij bij het sluiten van de overeenkomst geen juiste voorstelling zaken had. Er was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een huurachterstand ad € 11.000,-. Daar was hij bij het sluiten van de overeenkomst niet van op de hoogte. Met die achterstand werd hij plotseling geconfronteerd, aldus [appellant].
3.6.2.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft ingelicht over de financiële situatie van het Eethuis. [appellant] stelt echter dat [geïntimeerde] hem niets heeft meegedeeld over de huurachterstand. Dit wordt door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. [appellant] heeft geen, althans onvoldoende concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden van zijn stelling. Het hof gaat aan die stelling daarom verder voorbij.
3.6.3.
Bij deze stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat voldaan is aan de vereisten voor een geslaagd beroep op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 BW. Er is dus geen sprake van vernietiging van de overeenkomst per 30 augustus 2021. Ook de vordering van [appellant] om de overeenkomst tussen partijen per datum van het in deze te wijzen arrest te vernietigen, komt niet voor toewijzing in aanmerking.
Ongerechtvaardigde verrijking
3.7.1.
Indien en voor zover er geen sprake is van ontbinding dan wel vernietiging van de overeenkomst, betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] door het niet terugbetalen van de aanbetaling (de in totaal € 15.000,-.) en het wel terugnemen van het Eethuis ongerechtvaardigd is verrijkt. De aanbetaling is door [appellant] verricht met het doel het Eethuis over te nemen. De overname heeft echter geen doorgang gevonden en [geïntimeerde] heeft de exploitatie na zijn vakantie voortgezet. [geïntimeerde] is volgens [appellant] dan ook ongerechtvaardigd verrijkt per 17 en 18 juli 2021 (de data van de aanbetaling). Hij heeft het bedrag van € 15.000,- ontvangen zonder daar enige tegenprestatie voor te hebben hoeven leveren, aldus – nog steeds – [appellant].
3.7.2.
Dit betoog kan niet slagen.
Conclusie
3.9.1.
Op al het voorgaande stuiten de grieven van [appellant] af. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, nu [appellant] daarvoor niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Bovendien is het door hem gedane bewijsaanbod te algemeen.
3.9.2.
De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd en dat het door [appellant] in hoger beroep meer of anders gevorderde dient te worden afgewezen.
3.9.3.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld worden op:
Griffierechten € 798,-
Salaris advocaat € 1.214,- (1 punt x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.190,-
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
wijst het door [appellant] in hoger beroep meer of anders gevorderde af;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten € 2.190,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, A.C. van Campen en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 maart 2025.
griffier rolraadsheer