Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:588
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,445 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.331.473/01
arrest van 4 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de herroepingsprocedure,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul LB,
tegen
1de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Meerssen,zetelend te Meerssen,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in de herroepingsprocedure,
hierna afzonderlijk aan te duiden als respectievelijk de gemeente en [geïntimeerde sub 2] en gezamenlijk als de gemeente c.s.,
advocaat: mr. V.C. Rozek te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 juli 2023 ingeleide geding tot herroeping van het arrest van dit hof van 20 september 2022 met zaaknummer 200.292.259/01, gewezen tussen [appellant] als appellant en de gemeente c.s. als geïntimeerden.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8;
de conclusie van repliek, met producties 1 tot en met 3;
de conclusie van dupliek;
de schriftelijke toelichting van [appellant] d.d. 11 juni 2024;
de schriftelijke toelichting van de gemeente c.s. d.d. 11 juni 2024.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
Beoordeling
2.1.
Bij het arrest van 20 september 2022 heeft dit hof het vonnis van 30 december 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente c.s. als gedaagde bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. In het vonnis van 30 december 2020 had de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg. Het hof verwijst voor de feiten en voor zijn overwegingen en beslissingen dienaangaande naar het arrest van 20 september 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3219).
2.2.
[appellant] is van oordeel dat op grond van art. 382 Rv tot herroeping van het arrest van 20 september 2022 moet worden overgegaan. Alvorens het hof de door [appellant] aangevoerde herroepingsgronden zal beoordelen, overweegt het hof het volgende.
2.3.
Ingevolge art. 383 lid 1 Rv moet het rechtsmiddel van herroeping worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Daarbij geldt dat de termijn niet aanvangt dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
De gemeente c.s. heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat het haar niet duidelijk is waar [appellant] voor het eerst in de periode van drie maanden voorafgaande aan zijn dagvaarding mee bekend is geworden. [appellant] vermeldt over die periode namelijk niets en legt ook geen bewijsstuk over bij de dagvaarding, aldus de gemeente c.s..
[appellant] heeft in zijn conclusie van repliek toegelicht dat hij in de maanden vóór het instellen van deze herroepingsvordering intensief het omvangrijke dossier nogmaals heeft bestudeerd en daarop heeft vastgesteld/ontdekt dat het eerder door rechtbank en hof vastgestelde verlof van ambtenaar [geïntimeerde sub 2] in de genoemde periode niet kan
zijn genoten, en ook dat het niet anders kan zijn dan dat [persoon A] (het hof begrijpt: [persoon A] ) eveneens vóór het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst is geïnformeerd door de gemeente en/of [geïntimeerde sub 2]. Voorts heeft hij gesteld dat hij bij de dossierstudie aantekeningen heeft aangetroffen van een bespreking (overgelegd als productie 1 bij de conclusie van repliek) die volgens hem zijn standpunt ondersteunen.
Naar het oordeel van het hof is deze toelichting niet toereikend. [appellant] heeft onvoldoende geconcretiseerd op welk moment de grond voor de herroeping is ontstaan en hij daarmee bekend is geworden. Hierdoor kan het hof niet vaststellen of dit binnen de in art. 383 lid 1 Rv voorgeschreven termijn is gebeurd.
Reeds dit staat er aan in de weg dat de onderhavige herroepingsvordering wordt toegewezen. Het hof ziet evenwel aanleiding om de herroepingsgronden ook inhoudelijk te bespreken.
2.4.
Voor zover relevant, bepaalt art. 382 Rv het volgende: ‘Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien: a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, (…) of c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.’.
2.5.
Het hof stelt allereerst vast dat waar [appellant] zich op de c-grond beroept, niet gebleken is van stukken die door toedoen van de gemeente c.s. waren achtergehouden. De stukken waarop [appellant] zich in het kader van de herroepingsprocedure beroept zijn de producties 1, 2 en 3 bij zijn conclusie van repliek.
Productie 1 betreft aantekeningen van een bespreking, die [appellant] blijkens zijn opmerkingen daarover in zijn schriftelijke toelichting d.d. 11 juni 2024, heeft verkregen nadat [appellant] [XX] v.o.f. nog eens had bevraagd. Het gaat hier, naar het hof begrijpt, om een stuk dat zich in het dossier van [XX] v.o.f. (een adviseur van [appellant] ) bevond. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente c.s. over dit stuk beschikte. Zoals de gemeente c.s. heeft aangevoerd, betreft productie 2 een deel van het gemeentelijk tijdregistratiesysteem dat de gemeente c.s. in eerste aanleg heeft overgelegd. Dat is dus niet nieuw. Productie 3 is een brief van de gemeente aan [XX] v.o.f. van 14 april 2016. Deze brief bevond zich kennelijk ook in het dossier van [XX] v.o.f. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de gemeente c.s. dit stuk aan [appellant] had moeten verstrekken of in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2022 had moeten overleggen.
Bij dit alles komt dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld om welke reden deze stukken van beslissende aard zijn. De gemeente c.s. heeft in de conclusie van dupliek uitvoerig gemotiveerd om welke reden dat niet het geval is. In het licht van deze betwisting had het op de weg van [appellant] gelegen een en ander in zijn schriftelijke toelichting nader te concretiseren, hetgeen hij heeft nagelaten.
2.6.
Over het beroep van [appellant] op de a-grond, bedrog, oordeelt het hof als volgt. Het begrip ‘bedrog’ dient ruim te worden uitgelegd (zie HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7890, rov. 3.7). Van bedrog is al sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voordoen wanneer een partij feiten als hiervoor bedoeld verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn.
2.7.
Ook als het hof het begrip ‘bedrog’ zo ruim opvat, ziet het hof geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gemeente c.s. in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2022 bedrog heeft gepleegd. [appellant] heeft niet althans onvoldoende geconcretiseerd waarin het door hem gestelde bedrog bestaat. De gemeente c.s. heeft daar in haar conclusie van antwoord ook op gewezen. In zijn conclusie van repliek, noch in zijn schriftelijke toelichting d.d. 11 juni 2024 is [appellant] daarop adequaat ingegaan.
2.8.
Voor zover [appellant] meent dat sprake was van een oneerlijke proceshouding van de gemeente c.s. met betrekking tot het moment van overleg tussen de gemeente en/of [geïntimeerde sub 2] en [persoon B], alsmede de rol van [persoon A], deelt het hof die mening niet.
In de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2022 is aan de orde geweest of de gemeente en/of [geïntimeerde sub 2] inzage heeft gegeven in de concept-vaststellingsovereenkomst (zie rov. 3.8 en 3.9). Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de gemeente c.s. in die procedure feiten verzwegen heeft ten aanzien van het moment van overleg tussen de gemeente en/of [geïntimeerde sub 2] en [persoon B].
De enkele stelling van [appellant] dat ook [persoon A] hoogstwaarschijnlijk vóór het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst is geïnformeerd door de gemeente en/of [geïntimeerde sub 2], is evenmin toereikend om de herroepingsgrond van bedrog aanwezig te achten.
2.9.
In deze herroepingsprocedure heeft [appellant] niets aangevoerd dat niet door hem al in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2022 naar voren had kunnen worden gebracht. [appellant] betoogt dat er sprake is van nieuwe informatie. Het hof acht evenwel niet aannemelijk dat hij de door hem gestelde nieuwe feiten niet al redelijkerwijs tijdens de procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2022 had kunnen ontdekken. [appellant] stelt dat hij de producties 1 en 3 bij de conclusie van repliek heeft gekregen, nadat [XX] v.o.f. hierover nog eens was bevraagd.