Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-24
ECLI:NL:GHSHE:2025:578
Strafrecht
Hoger beroep
2,201 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000203-24
Uitspraak : 24 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-187590-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit, zulks op de voet dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, reden waarom de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd, met dien verstande dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en aan verdachte geen straf zal worden opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 12 mei 2022 te Dongen, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen de slaap, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of (daarbij) ten val te brengen en/of tegen de wang, althans tegen het gezicht/hoofd, te slaan en/of te stompen en/of te stoten.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal gewezen op de aangifte van aangever [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van – met name – de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Uit het samenstel van hun verklaringen volgt dat de verdachte agressief en opgefokt was, hij aangever [slachtoffer] op het terras van [restaurant] aan [adres 2] heeft opgezocht, hij met aangever om de hoek van het terras een straat is ingelopen en dat hij aldaar aangever heeft geslagen. De alternatieve lezing van de verdachte – kort gezegd inhoudende – dat hij naar aangever is toegelopen om zijn excuses aan te bieden en dat aangever de verdachte in de straat naast het terras, de [adres 3] , als eerste heeft geslagen, zodat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, vindt geen steun in het dossier en is derhalve niet aannemelijk geworden, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof – voor zover ter beoordeling van het tenlastegelegde relevant – de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Niet ter discussie staat dat er op 12 mei 2022 te Dongen nabij de [adres 3] en de [adres 2] onenigheid en een handgemeen is ontstaan tussen de verdachte en aangever [slachtoffer] , zulks naar aanleiding van – kort gezegd – een incident in het verkeer, waarbij vanwege een valpartij van een fietser op de rijbaan een file was ontstaan. De verdachte stond met zijn auto in die file en daarbij heeft hij op enig moment meermalen geclaxonneerd. Aangever [slachtoffer] zat op het terras aan [adres 2] , grenzend aan de [adres 3] , en hij heeft bij het verkeersincident hulp verleend aan de fietser en de verdachte aangesproken op het claxonneren. Daarop is een woordenwisseling ontstaan tussen aangever en de verdachte (moment een). Vervolgens is aangever teruggelopen naar het terras. De verdachte is kort daarna uit zijn auto gestapt en naar het terras toegelopen. Op het terras heeft de verdachte aangever aangesproken en zij zijn op verzoek van aangever een straat naast het terras ingelopen. Aldaar is het tussen de verdachte en aangever tot een fysieke confrontatie gekomen (moment twee). Na dit incident is de verdachte teruggegaan naar zijn auto, welke zich nog in de buurt bevond. Achter het stuur zat op dat moment de vrouw van verdachte. Aangever is de verdachte gevolgd en hij heeft het portier van de auto aan de bestuurderszijde geopend, waarna het bij de auto andermaal tot een fysieke confrontatie is gekomen tussen de verdachte en aangever (moment drie).
Over de loop der gebeurtenissen die in de straat naast het terras hebben plaatsgevonden (moment twee) lopen de lezingen (grotendeels) uiteen.
Aangever heeft zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris – samengevat weergegeven – verklaard dat de verdachte hem agressief heeft benaderd op het terras. Omdat aangever daar zat met zijn gezin, heeft hij voorgesteld om naar de straat naast het terras te gaan. De verdachte is met hem meegelopen en aldaar heeft de verdachte aangever onverhoeds tegen zijn rechterslaap geslagen, waardoor hij op de grond viel. De verdachte is vervolgens naar zijn auto gerend. Achter het stuur zat een vrouw. Om te verhinderen dat de auto weg zou rijden, heeft aangever het portier aan de bestuurderszijde opengedaan, in een poging om de autosleutel af te pakken, waarop de verdachte aangever een vuistslag op de rechterwang heeft gegeven.
De verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, de lezing van aangever met klem ontkend. De verdachte heeft – in de kern – verklaard dat hij aangever op het terras heeft aangesproken, dit met de bedoeling om het misverstand met betrekking tot het verkeersincident uit te praten. De verdachte is vervolgens op verzoek van aangever met hem de straat naast het terras ingelopen en daar heeft aangever de verdachte als eerste geslagen. Hij heeft zich aan het geweld – waarbij volgens de verklaring van de verdachte bovendien nog een andere, de aangever bekende persoon, betrokken was – proberen te onttrekken en verdachte is de straat uitgerend. In de buurt zag hij zijn auto, met achter het stuur zijn vrouw, en daar is verdachte naartoe gerend. Aangever is hem achterna gekomen en heeft vervolgens het portier aan de bestuurderszijde geopend, hetgeen de verdachte heeft geprobeerd te verhinderen. Daarop is wederom een handgemeen ontstaan.
Getuige [getuige 1] heeft – in de kern – verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte het terras op kwam lopen, dat hij op zoek was naar aangever, dat aangever wegliep en dat aangever en de verdachte samen de hoek omliepen. De getuige zag aangever en de verdachte de hoek omgaan. De getuige is achter hen aangelopen en aan het einde van de steeg is hij op de hoek blijven staan.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. L. Feraaune, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 24 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Feraaune voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.