Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:517
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
9,685 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.719/01
arrest van 25 februari 2025
in de zaak van
[XX] Verf Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [XX] ,
advocaat: mr. A. Birkhoff te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.J.A. Jansen te Tilburg.
op het bij exploot van dagvaarding van 27 maart 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 december 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [XX] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met twee grieven en één productie;
de memorie van antwoord met drie producties;
het H3-formulier van [XX] van 22 november 2024, ingekomen bij het hof op 25 november 2024, met daarbij een akte met productie 2;
de op 4 februari 2025 bij het hof gehouden mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3Waar gaat het geschil over?
[geïntimeerde] maakt na beëindiging van het dienstverband met [XX] aanspraak op een bonus over 2022, omdat dit volgens hem volgt uit de overeengekomen bonusregeling. [XX] vindt dat [geïntimeerde] geen aanspraak heeft op die bonus, omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege een dringende reden, gelegen in ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] ten opzichte van [XX] , en [geïntimeerde] in dat geval volgens de bonusregeling geen aanspraak op een bonus kan maken. In elk geval is het volgens [XX] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij die bonus aan [geïntimeerde] zou moeten betalen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat, bij uitleg van de overeengekomen bonusregeling, ontbinding van de arbeidsovereenkomst waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag van [geïntimeerde] nog niet betekent dat er sprake is van een dringende reden als bedoeld in de bonusregeling en in artikel 7:677 BW. Ook is de kantonrechter van oordeel dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] aanspraak maakt op de bonus.
[XX] is het met dit oordeel niet eens en is in hoger beroep gekomen.
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat de bonusregeling zo moet worden uitgelegd dat [geïntimeerde] aanspraak op de bonus heeft en dat [XX] die moet betalen. Dat is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er is ook geen reden om de bonus te matigen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van [XX] af.
4De beoordeling
Feiten
4.1.
In dit hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
4.1.1.
[geïntimeerde] is van 1 november 1985 tot 15 november 2022 in dienst geweest van
[XX] . [geïntimeerde] was laatstelijk in dienst in de functie van commercieel directeur van
[XX] .
4.1.2.
In de laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen van 12 juli 2018 is in artikel 4 de
volgende bonusregeling opgenomen (“de bonusregeling'’):
“4.1 Werknemer heeft recht op een bonus bij het behalen van omzettargets. De hoogte van de bonus is afhankelijk van de hoeveelheid omzet op basis van de netto/netto omzet van [XX] Verf Groep B.V. en haar groepsvennootschappen [XX] Verf Nederland B.V., [XX] Verf België B.V., [YY] Verf B.V., [--] N.V. en Verfhandel [ZZ] B.V., zoals deze blijkt uit de door de accountant goedgekeurde jaarrekening. Jaarlijks stelt Werkgever hiertoe na overleg met Werknemer een staffel vast. De omzetstaffel 2018 is als bijlage bij deze arbeidsovereenkomst gevoegd.
4.2
Onderhavige bonusregeling is niet van toepassing gedurende de periode dat Werknemer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, althans Werknemer heeft geen aanspraak op de bonus indien Werknemer 75% of meer van het boekjaar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest. Bij (partiële) arbeidsongeschiktheid van minder dan 75%c gedurende het boekjaar ontvangt Werknemer een pro rato bonus. In geval de arbeidsovereenkomst voor het einde, van het boekjaar eindigt, anders dan vanwege een dringende reden, ontvangt Werknemer een pro rato bonus.
4.3
De bonus wordt ieder jaar vastgesteld nadat de door de accountant goedgekeurde jaarrekening is vastgesteld en vervolgens in de maand daaropvolgend aan Werknemer uitgekeerd.
4.4
Deze bonusregeling vervangt alle bestaande bonus- en/of winstdelingsregelingen tot en met 31 december 2017 en heeft te gelden als enige regeling vanaf 1 januari 2018."
4.1.3.
Op basis van deze bonusregeling zijn aan [geïntimeerde] de volgende bonusbedragen
uitbetaald:
2018: € 85.000,00 (op basis van een netto-omzet van € 29,5 miljoen);
2019: € 90.000,00 (op basis van een netto-omzet van € 26.397.000,00):
2020: € 70.000,00 (op basis van een netto-omzet van € 22.738.231,00);
2021: € 65.000,00 (omzetstaffel niet vastgesteld).
4.1.4.
[geïntimeerde] is op 25 februari 2022 op non-actief gesteld door [XX] .
4.1.5.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is bij beschikking van 9 november 2022
(“de beschikking”) van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant met
ingang van 15 november 2022 ontbonden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van
[geïntimeerde] . In de beschikking is daartoe onder andere overwogen:
“(…)
5.29
Vaststaat dat [geïntimeerde] onder werktijd een seksuele relatie heeft onderhouden met de vrouw van een ondergeschikte. Dit heeft vorm gekregen in meerdere malen tijdens werktijd fysiek afspreken en in de vorm van veelvuldig verzenden van appberichten. Het aantal berichten, dat is uitgewisseld in een periode van slechts 9 dagen respectievelijk 7 werkdagen, is buiten proportioneel en rechtvaardigt de aanname dat -indien het totale berichtenverkeer tussen [geïntimeerde] en [persoon A] over de gehele duur van de affaire al niet buitensporig is geweest- beduidend minder (effectieve) werktijd resteerde. Daarnaast heeft hij ongeoorloofde druk op [persoon B] uitgeoefend.
[geïntimeerde] heeft aldus in strijd met de Code of Ethics misbruik gemaakt van zijn positie en gebruik gemaakt van zijn zakelijke telefoon, niet alleen voor het uitwisselen van tekstberichten met een seksuele inhoud, maar ook voor het maken, verzenden, ontvangen en bekijken van foto 's en video's met een seksuele inhoud. Die berichten heeft hij -zoals op 14 oktober 2021- ook bekeken en verzonden in het bijzijn van klanten/derden, waarmee [geïntimeerde] met alleen het risico nam dat klanten/derden de berichten zouden kunnen zien, maar ook heeft laten zien laten blijken met totaal
andere dingen bezig te zijn dan het gesprek met de klant.
Dat [geïntimeerde] zaken goed gescheiden kan houden, zoals ter zitting betoogd, komt de kantonrechter niet geloofwaardig voor, gezien de inhoud van de (media)berichten die werden uitgewisseld. Dat dit betoog niet geloofwaardig is vindt ook steun in eigen appberichten van [geïntimeerde] . Zo schrijft hij op 12 oktober 2021 (15.45 uur) aan [persoon A] dat zij in zijn gedachten er doorheen komt als hij ‘in een
verkoopgesprek zit’. Als [persoon A] antwoordt dat [geïntimeerde] bij haar voor een hoop afleiding zorgt, antwoordt [geïntimeerde] met 'idem' Ook staat, als gezegd, vast dat [geïntimeerde] zijn positie heeft misbruikt door oneigenlijke druk uit te oefenen op een zieke werknemer, die ook nog eens de echtgenoot van [persoon A] was.
(...)
5.31.
De kantonrechter acht het gedrag van [geïntimeerde] verwijtbaar. [geïntimeerde] heeft er blijk van gegeven het inzicht te missen dat zijn gedrag niet acceptabel is, door vol te houden dat het een privé aangelegenheid is, door aan te geven dat het appen tijdens een klantbezoek normaal is en door aan te geven dat hij buiten zijn affaire om voldoende uren heeft gewerkt voor zijn werkgever. Dit gebrek aan inzicht onderstreept naar het oordeel van de kantonrechter het standpunt van [XX] , dat van haar niet gevergd kan worden het dienstverband met [geïntimeerde] in stand te laten. Een dergelijk gebrek aan inzicht maakt ook de kans van slagen van mediation of een andere interventie, zoals geopperd door [geïntimeerde] , op voorhand niet realistisch.
(...)
5.35.
De kantonrechter acht het handelen van [geïntimeerde] dermate verwijtbaar, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Hierbij weegt voor de kantonrechter mee, dat van een werknemer met een dergelijk hoge positie als [geïntimeerde] verwacht mag worden dat hij het vertrouwen dat bij zijn positie hoort niet beschaamt, zijn inspanningen volledig richt op wat nodig is voor de groei van het bedrijf en het optimaal functioneren van zijn team en niets doet dat schade kan toebrengen aan de
onderneming waarvan hij mede aan het hoofd staat. [geïntimeerde] heeft dat wel gedaan en geeft er, zoals geschetst in zijn houding en uitlatingen blijk van nog steeds niet ten volle te beseffen dat zijn handelen onacceptabel is. Ook dit gebrek aan inzicht weegt de kantonrechter mee. Dat de affaire met [persoon A] slechts een incident is op een jarenlange succesvolle carrière binnen [XX] , zoals aangevoerd door [geïntimeerde] , bagatelliseert de affaire en het brengen daarvan binnen de uitvoering van zijn werkzaamheden ten onrechte. Een maandenlange affaire die in de vastgestelde omvang heeft plaatsgevonden onder werktijd en op de werkvloer kan geen incident worden genoemd."
4.1.6.
[geïntimeerde] heeft in de ontbindingsprocedure als tegenverzoek betaling van de bonus
over het jaar 2022 verzocht. De kantonrechter heeft in zijn beschikking ten aanzien van dit
verzoek bepaald:
“(…)
5.51.
Ter zitting is ook door [geïntimeerde] tot de constatering gekomen dat de vordering tot betaling van de bonus over het kalenderjaar 2022 nog niet opeisbaar is.
Procesverloop
4.2.1.
In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] , voor zover nu nog van belang, dat de kantonrechter:
1. primair [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te voldoen aan [geïntimeerde] de pro rato bonus over het kalenderjaar 2022, voor de periode 1 januari 2022 tot en met 15 november 2022, welke berekend zal worden conform de berekenwijze van de voorgaande jaren, op basis van de omzet zoals deze blijkt uit de jaarcijfers en/of jaarrekening 2022, dit onder overlegging van een transparante en expliciete berekening op basis waarvan het bonusbedrag door [XX] is vastgesteld, althans de bonus vast te stellen op € 90.000,00 bruto, althans de bonus vast te stellen op het gemiddelde van de afgelopen drie kalenderjaren te weten € 75.000,00 bruto, althans een door de rechtbank te bepalen bonusbedrag;
subsidiair voor recht verklaart dat [XX] gehouden is de contractuele afspraak ex artikel 4 van de (voormalige) arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [XX] na te leven, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis;
zowel primair als subsidiair:
2. [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan [geïntimeerde] de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de te laat betaalde pro rato bonus over het
kalenderjaar 2022, te berekenen vanaf 1 juni 2023, althans een door de rechtbank te bepalen moment, tot de dag der algehele voldoening;
3. [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan [geïntimeerde] de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de te laat betaalde pro rato bonus over het kalenderjaar 2022, te berekenen vanaf 1 juni 2023, althans een door de rechtbank te bepalen moment, tot de dag der algehele voldoening;
4. primair [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te voldoen aan [geïntimeerde] de volledige proceskosten, waaronder volledige kosten salaris advocaat, welke tot op heden bedragen € 7.769,38, en voor de voorbereiding, reistijd en zittingstijd nog begroot wordt op €3.772,18, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag het vonnis;
subsidiair [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, de proceskosten, waaronder het salaris advocaat op basis van het liquidatietarief, te voldoen, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag van het vonnis;
zowel primair als subsidiair:
5. [XX] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 800,00 aan [geïntimeerde] te voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na het vonnis.
4.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [geïntimeerde] heeft hij op grond van de tussen partijen geldende bonusregeling recht op de (pro rato berekende) bonus over 2022. Dat hij door de op non-actiefstelling door Van Esch een groot deel van 2022 niet heeft kunnen werken en dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [XX] door de kantonrechter is ontbonden vanwege verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] en zijn handelen als ernstig verwijtbaar is aangemerkt, doet hier volgens hem niet aan af. In de bonusregeling wordt noch non-actiefstelling noch ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer als reden voor het niet hoeven uit te betalen van de bonus vermeld.
4.2.3.
[XX] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.2.4.
In het tussenvonnis van 6 september 2023 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast.
4.2.5.
In het eindvonnis van 27 december 2023 heeft de kantonrechter, zakelijk weergegeven, Van Esch veroordeeld tot betaling van een bonus over 2022 van € 74.288,00 bruto, van de wettelijke verhoging over dit bedrag van € 7.428,80 bruto, van de proceskosten van € 2.015,42 en tot betaling van de wettelijke rente over de bonus en de proceskosten.
Procesverloop
4.3.
[XX] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [XX] heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover uitvoerbaar bij voorraad,
I. het vonnis van 27 december 2023 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Tilburg, gewezen onder zaaknummer: 10575063 \ CV EXPL 23-2484, vernietigt en opnieuw rechtdoende in hoger beroep het in eerste aanleg gevorderde alsnog afwijst en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het in deze zaak te wijzen arrest;
II. [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling aan [XX] van een bedrag van € 86.365,49 (€ 74.288,00 bruto bonus over het jaar 2022 + € 2.633,27 wettelijke rente + € 7.428,80 wettelijke verhoging en € 2.015,42) althans tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2024 tot en met de dag der algehele voldoening.
Uitleg van de bonusregeling
4.4.
Met grief I richt [XX] zich tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de tussen partijen in de laatste arbeidsovereenkomst overeengekomen bonusregeling.
[XX] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de uitzondering op aanspraak op de bonus zoals geformuleerd in de bonusregeling, namelijk het einde van de arbeidsovereenkomst vanwege een dringende reden, moet worden gelezen als het einde van de arbeidsovereenkomst vanwege een dringende reden in de zin van de wet ex artikel 7:677 BW. Dat staat er immers niet. Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat [XX] in de bonusregeling had moeten opnemen dat de bonus niet verschuldigd zou zijn in het geval de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege ernstig verwijtbaar handelen. Dat er in deze situatie sprake is van ernstig verwijtbaar handelen staat niet ter discussie en dat ernstig verwijtbare handelen van [geïntimeerde] vormde voor [XX] nu juist een dringende reden om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.
De kantonrechter legt het begrip dringende reden uit de bonusregeling volgens [XX] ten onrechte zodanig uit, dat de situaties die er onder zouden moeten vallen, moeten voldoen aan de strenge eis van het juridische begrip dringende reden zoals bedoeld in de wet. Dat is een
ongewenst gevolg, omdat het de werking van de uitzondering te nauw uitlegt. [XX]
heeft met de tekst niets anders bedoeld dan dat, wanneer er sprake is van onacceptabel
gedrag, zo ernstig dat het leidt tot het einde van de arbeidsovereenkomst (en daarvan is hier volgens de kantonrechter in de ontbindingsprocedure sprake), [XX] geen
bonus hoeft te betalen. De bonus kan immers niet anders worden gezien dan als een
(extra) beloning indien het financieel goed is gegaan. Die beloning krijgt een werknemer
natuurlijk niet wanneer hij vanwege onacceptabel gedrag uit dienst is gegaan. Nergens in de bonusregeling wordt ook verwezen naar het bepaalde in artikel 7:677 BW. Alleen
daarom al dient deze grief gegrond te worden verklaard. [XX] wijst er hierbij ook op dat de kantonrechter in de ontbindingsprocedure [geïntimeerde] nota bene ook heeft veroordeeld tot terugbetaling van teveel ontvangen loon, omdat [geïntimeerde] , kort gezegd, zich gedurende een aanzienlijk deel van zijn werktijd niet bezig hield met zijn eigen werkzaamheden voor [XX] , maar met het onderhouden van zijn heimelijke seksuele relatie met de partner van een ondergeschikte waardoor hij veelvuldig afwezig was.
4.5.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. [XX] heeft de tekst van de bonusregeling in de arbeidsovereenkomst opgesteld en zelf als uitzonderingsgrond voor het recht op uitkering van een bonus de dringende reden opgenomen. [XX] had de uitzonderingsgrond ook anders kunnen formuleren, bijvoorbeeld als “ernstig verwijtbaar handelen”, maar heeft dat niet gedaan. Dat is haar keuze geweest en zij kan nu niet achteraf een andere invulling geven aan de wel opgenomen uitzonderingsgrond “dringende reden”. Met “dringende reden” wordt overduidelijk gedoeld op de wettelijke terminologie van artikel 7:677 BW en 7:678 BW, waarbij van belang is dat de bonusregeling is opgesteld in het kader van/opgenomen is in een arbeidsovereenkomst en “dringende reden” dan ook in het arbeidsrechtelijke wettelijk kader dient te worden bezien. Dat daar ook “onacceptabel gedrag” of “ernstig verwijtbaar gedrag” onder moet worden begrepen, blijkt volgens [geïntimeerde] uit niets. In elk geval was dat voor [geïntimeerde] niet kenbaar. Als er al onduidelijkheid over de uitleg van de bonusregeling zou kunnen zijn, dan dient die onduidelijkheid in het nadeel van [XX] als opsteller van de bonusregeling te worden uitgelegd, aldus [geïntimeerde] .
4.6.
Het hof stelt voorop dat de betekenis van een beding in een schriftelijke overeenkomst over de uitleg waarvan partijen van mening verschillen door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf).
4.7.
Tussen partijen staat vast dat zij voorafgaand aan het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst van 12 juli 2018 niet over de daarin opgenomen bonusregeling hebben onderhandeld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [persoon C], HR-directeur van [XX] (hierna: [persoon C]) toegelicht dat het beding destijds (naar het hof begrijpt: eenzijdig) is opgesteld door de mensen van de HR-afdeling van [XX] . [geïntimeerde] heeft desgevraagd bevestigd dat niet over het beding is gesproken. Aan wat partijen over en weer hebben verklaard kan het hof dus geen gezichtspunten voor de uitleg van het beding ontlenen.
4.8.
Nu niet over het beding is onderhandeld of anderszins gesproken en dit eenzijdig door [XX] is opgesteld neemt het hof als gezichtspunt in aanmerking dat een bepaling in een overeenkomst in geval van onduidelijkheid ten nadele van de partij die het heeft opgesteld moet worden uitgelegd.
4.9.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [persoon C] naar aanleiding van vragen van het hof over het beding gezegd dat hij het beding graag anders opgeschreven had gezien en dat hij het zelf ook anders opgeschreven zou hebben. Daaruit leidt het hof af dat ook [XX] ruimte ziet voor twijfel aan de juistheid van haar opvatting dat het beding niet anders kan worden begrepen dan dat onder “een dringende reden” ook “ernstig verwijtbaar handelen” moet worden verstaan. [XX] had kunnen kiezen voor een ruimere formulering van de uitzondering die ook in andere gevallen dan het einde van de arbeidsovereenkomst vanwege een dringende reden geen aanspraak op een bonus zou geven, maar dat heeft zij niet gedaan. Daarbij zij opgemerkt dat de arbeidsovereenkomst dateert van 12 juli 2018, dus ruim na de invoering van de Wet werk en zekerheid op 1 juli 2015, die het begrip “ernstig verwijtbaar” in het arbeidsrecht introduceerde. Dat [XX] die keuze niet heeft gemaakt dient voor haar rekening te blijven. Gezien de nu bestaande onduidelijkheid over de betekenis die aan de bepaling moet worden toegekend, legt het hof die uit in het nadeel van [XX] aldus, dat onder “een dringende reden” niet ook “ernstig verwijtbaar handelen” moet worden verstaan.
Conclusie
4.15.
Het hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal de vorderingen van [XX] afwijzen en [XX] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 798,00
Salaris advocaat € 4.426,00 (2,0 punten x tarief IV)
Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.402,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De uitspraak
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
5.2.
wijst de vorderingen van [XX] af;
5.3.
veroordeelt [XX] in de proceskosten van het hoger beroep van € 5.402,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [XX] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [XX] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt [XX] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
5.5.
verklaart de veroordelingen onder 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, M. van der Schoor en J. van Kesteren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
De bonusaanspraak wordt aan het einde van het boekjaar bepaald en uitbetaald, meestal in februari. De vordering zal daarom worden afgewezen.
5.52.
[geïntimeerde] heeft de kantonrechter verzocht om in een overweging ten overvloede in te gaan op de discussie die partijen hebben gevoerd over de invloed van de langdurige afwezigheid van [geïntimeerde] wegens de non-actiefstelling op de verschuldigdheid van de bonus. [XX] stelt dat de bonusregeling tussen partijen als voorwaarde voor de aanspraak stelt dat de werknemer minimaal 80% aanwezig is geweest. [geïntimeerde] betwist dit.
5.53.
De kantonrechter is van oordeel dat uit artikel 4 van de arbeidsovereenkomst volgt dat (langdurige) afwezigheid wegens non-actiefstelling geen invloed heeft op de (hoogte van de) bonusaanspraak. In lid 2 van voornoemd artikel wordt enkel ingegaan op afwezigheid als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Daar is geen sprake van. Het slot van lid 2 maakt duidelijk dat een werknemer aanspraak heeft op een pro rata bonus indien de arbeidsovereenkomst voor het einde van het boekjaar eindigt. De aanspraak op een bonus vervalt enkel in geval het einde van de
arbeidsovereenkomst het gevolg is van een dringende reden. Een ontbinding op de e-grond kwalificeert niet als dringende reden. Dat geen targets zijn afgesproken voor het jaar 2022 en dat om die reden niet tot uitkering van de bonus hoeft te worden, zoals door [XX] betoogd, volgt de kantonrechter niet. In lid 1 is bepaald dal de werkgever jaarlijks na overleg met werknemer een omzetstaffel vaststelt. Dat [XX] dit niet heeft gedaan voor het jaar 2022, komt niet voor rekening
en risico van [geïntimeerde] .
(…)”
De kantonrechter heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst (zonder inachtneming van de opzegtermijn) met ingang van 15 november 2022 ontbonden op grond van verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] , vanwege ernstig verwijtbaar handelen zonder toekenning van een transitievergoeding en/of billijke vergoeding, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Ook heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [XX] van een bedrag van € 1.000,00 bruto aan teveel (want tijdens werktijd niet met het verrichten van zijn werk maar met de relatie met de partner van een ondergeschikte bezig zijn geweest) ontvangen loon.
4.1.7.
Op 11 november 2022 heeft [geïntimeerde] van [XX] een e-mail ontvangen over de
afwikkeling van het dienstverband:
“(…)
Conform de uitspraak van de Rechtbank zal jouw arbeidsovereenkomst eindigen per 15-11-2022. We zullen dit proces in gang zetten en de Salarisadministratie zal de eindafrekening opmaken, mede aan de hand van de beschikking van de Rechtbank. (…)”
4.1.8.
Op 2 februari 2023 heeft [geïntimeerde] [XX] gemaild dat die maand de bonus over
2022 zou moeten worden uitbetaald. [geïntimeerde] heeft verzocht om toezending van de berekening van de bonus. [XX] heeft per e-mail van 20 februari 2023 laten weten niet tot
uitbetaling van de bonus over 2022 te zullen overgaan:
"(...)
Zoals je weet heb je slechts tot 25 februari 2022 gewerkt en heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen aan jouw zijde. In verband met het voorgaande zijn wij dan ook van mening dat jij in alle redelijkheid en billijkheid geen aanspraak kan maken op de bonusregeling en dus geen recht hebt op een bonus over 2022. (...)"
4.1.9.
Bij e-mails van 24 februari 2023 en 1 maart 2023 aan [XX] heeft [geïntimeerde] zijn
aanspraak op betaling van de bonus over 2022 herhaald. In een reactie van 8 maart 2023 van
de advocaat van [XX] wordt aangegeven dat [XX] van mening is dat betaling van de
bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [XX] heeft over
het jaar 2022 geen bonus uitbetaald aan [geïntimeerde] .
4.1.10.
[geïntimeerde] heeft [XX] op 14 maart 2023 verzocht om toezending van de
goedgekeurde jaarrekening over 2022, zodat de bonusvordering kon worden
geconcretiseerd. Op deze e-mail is geen reactie gekomen.
Procesverloop
Nu de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden op grond van verwijtbaar handelen en de gedragingen van [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft geacht, is deze niet vanwege een dringende reden geëindigd en is de in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst opgenomen uitzondering op verschuldigdheid van de bonus niet van toepassing. [XX] beroept zich daar dus ten onrechte op. De grief faalt.
Is toekenning van de bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
4.10.
Met grief II betoogt [XX] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat toekenning van de bonus in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De wijze waarop [geïntimeerde] zijn dienstverband in 2021 en 2022 heeft vervuld geeft genoeg grond om bonus niet te hoeven uitkeren. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] dat heeft geleid tot de non-actiefstelling en het einde van het dienstverband. De kantonrechter heeft niet bij zijn oordeel betrokken dat het nu juist op de weg van [geïntimeerde] als commercieel directeur lag om een grote bijdrage leveren aan de bedrijfsresultaten en dat heeft hij door zijn gedrag niet gedaan. Anders dan de kantonrechter oordeelt, had [XX] bij het opstellen van de bonusregeling ook geen rekening kunnen en hoeven houden met de bijzondere omstandigheden die in deze zaak spelen en juist in die situatie zou de redelijkheid en billijkheid [XX] te hulp moeten schieten, aldus nog steeds [XX] . Bovendien sluit de situatie van [geïntimeerde] naar zijn geest aan bij de twee in de bonusregeling opgenomen uitzonderingen op het recht op een bonus. [geïntimeerde] heeft door eigen toedoen langdurig niet gewerkt en de arbeidsovereenkomst is ontbonden vanwege zijn (ernstig) verwijtbaar handelen. Volgens [XX] kan zij het ook niet uitleggen als zij aan [geïntimeerde] een bonus zou moeten betalen. [XX] voert verder aan dat de hoogte van de bonus moet worden gematigd gelet op voormelde omstandigheden.
4.11.
[geïntimeerde] voert verweer en voert daarvoor het volgende aan.
Anders dan [XX] heeft betoogd is er volgens [geïntimeerde] geen sprake van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat toekenning van een bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De door [XX] aangehaalde omstandigheden zijn onvoldoende concreet en bovendien onjuist. [geïntimeerde] heeft in 2021 en 2022 onbetwist goed gefunctioneerd ten aanzien van de kernwerkzaamheden die tot zijn functie hoorden. Bovendien gaat het om een collectief target. [geïntimeerde] is van mening dat hij ook niet gestraft kan worden voor zijn beperkte inzetbaarheid (als gevolg van de non-actiefstelling). [geïntimeerde] voert verder aan dat situaties van “ernstig verwijtbaar handelen” of van “schorsing of non-actiefstelling” heel voorspelbaar zijn in arbeidsrechtelijke situaties en als [XX] had gewild dat deze omstandigheden ook tot een uitzondering op de bonusaanspraken zouden moeten leiden, dan had zij die omstandigheden in de bonusregeling moeten en kunnen opnemen. Dat heeft zij, aldus [geïntimeerde] , niet gedaan en [XX] kan nu niet achteraf via de weg van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid dit proberen terug te draaien/alsnog in de bonusregeling in te lezen. Dat is ook in strijd met goed werkgeverschap volgens [geïntimeerde] . [geïntimeerde] moet kunnen afgaan op wat in de arbeidsovereenkomst is opgeschreven ten aanzien van de bonussen en de voorwaarden daarbij.
[geïntimeerde] wijst er ook op dat het feit dat hij in 2022 relatief kort gewerkt heeft voor rekening en risico van [XX] komt. Bovendien heeft [geïntimeerde] met toestemming van [XX] nog een periode “uitgewerkt”. Hij heeft nadien ook nog aangeboden op ZZP-basis zijn werkzaamheden te vervullen, maar daar kwamen partijen niet uit, volgens [geïntimeerde] omdat [XX] hem wilde houden aan het non-concurrentiebeding, om hem zo ‘uit de markt te houden’.
Volgens [geïntimeerde] is het proces waarbinnen [XX] is gekomen tot haar oordeel dat de bonus niet zou hoeven worden uitgekeerd voor hem niet transparant en niet kenbaar verlopen. Gedurende de hele ontbindingsprocedure is hij ervan uitgegaan en mocht hij ervan uitgaan dat de bonus gewoon betaald zou worden. Daarom heeft hij geen hoger beroep ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking. Nooit heeft [XX] hem laten weten dat zij de bonus niet wenste uit te keren. Zij heeft hem hiervan pas op de hoogte gesteld na afloop van de beroepstermijn.
Al met al is er volgens [geïntimeerde] geen sprake van een zodanig uitzonderlijke situatie dat toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in deze zaak aan de orde zou kunnen zijn.
4.12.
Het hof overweegt als volgt. Een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). De rechter zal bij de toepassing van deze bepaling de nodige terughoudendheid moeten betrachten.
4.13.
Het hof acht de omstandigheden die [XX] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (zoals hiervoor weergegeven in rov. 4.10.) noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien zodanig uitzonderlijk dat toepasselijkheid van de bonusregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof betrekt bij dat oordeel dat van wangedrag van een werknemer dat leidt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat door de ontbindingsrechter wordt aangemerkt als ernstig verwijtbaar, niet kan worden gezegd dat dit zodanig onvoorzienbaar is dat de werkgever in de met de werknemer overeengekomen bonusregeling in redelijkheid niet een voorziening had kunnen opnemen om te voorkomen dat de bonus onder die omstandigheden moet worden uitgekeerd – zie ook de bespreking van grief I hiervoor. Het hof heeft bij de bespreking van grief I geoordeeld dat ernstig verwijtbaar handelen niet een omstandigheid is die maakt dat geen aanspraak op de bonus bestaat. Datzelfde ernstig verwijtbaar handelen maakt op zichzelf dan ook niet dat die aanspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat [geïntimeerde] in 2022 als gevolg van de non-actiefstelling weinig heeft gewerkt leidt niet tot een ander oordeel. Dat is het gevolg van de keuze van [XX] . Bovendien vindt het hof het aannemelijk dat de omzet over 2022 waarop de bonusaanspraak is gebaseerd mede is gerealiseerd als gevolg van de commerciële inspanningen van [geïntimeerde] in 2021 en begin 2022. Ook weegt het hof mee dat [XX] op twee gedachten lijkt te hinken. Aan de ene kant benadrukt zij de laakbaarheid van het gedrag van [geïntimeerde] en als gevolg daarvan diens onhoudbaarheid in haar organisatie. Zij betoogt dat zij het (vanwege dat gedrag en die onhoudbaarheid) niet kan uitleggen als zij [geïntimeerde] een bonus moet betalen. Aan de andere kant heeft zij, zoals [persoon C] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft uiteengezet, alvorens het ontbindingsverzoek in te dienen met “de menselijke maat” geprobeerd om met [geïntimeerde] tot overeenstemming te komen over een constructie waarin [geïntimeerde] als ZZP-er in ieder geval nog enige tijd zijn werkzaamheden voor [XX] zou voortzetten. Dat kan het hof niet rijmen. Bovendien staat vast dat [geïntimeerde] , nadat [XX] hem op non-actief had gesteld, toch nog werkzaamheden voor [XX] heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat [XX] daarmee een ander belang dan het hare wilde behartigen. Dat staat haar vrij, maar het draagt bij aan het oordeel dat toepasselijkheid van de bonusregeling niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.14.
Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet het hof geen aanleiding om het bedrag van de bonus te matigen.