Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:515
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
4,945 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.565
arrest van 25 februari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ([gemeente A]),
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. D. van der Wal,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ([gemeente B]),
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.F.J.J.M. Tijssen,
op het bij exploot van dagvaarding van 11 juli 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 april 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep,
de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
de memorie van antwoord met producties;
de akte, tevens vermindering van eis, van [appellante];
de antwoordakte van [geïntimeerde].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] is de moeder van [appellante].
3.2.
[geïntimeerde] woont in de woning op het adres [adres A] in [woonplaats] (hierna: de woning). De woning is in delen – om fiscale redenen – door [geïntimeerde] en wijlen haar echtgenoot (de vader van [appellante]) voor 99/100e deel geschonken en geleverd aan [appellante]. [geïntimeerde] is eigenaar van 1/100e deel van de woning.
3.3.
In de leveringsaktes staat vermeld:
“De comparanten verklaarden nog krachtens het bepaalde in artikel 3:166 Burgerlijk Wetboek te zijn overeengekomen, dat het volledige beheer van het registergoed blijft geschieden door de schenker [[geïntimeerde], hof], die eveneens zal zorgdragen voor verzekering van het registergoed ten behoeve van de gezamenlijke eigenaren.
Zolang het registergoed gezamenlijk eigendom is van de schenker en begiftigde [[appellante], hof] zal het gebruik van het registergoed toekomen aan de schenker, die daartegenover alle lasten betreffende registergoed voor haar rekening zal nemen; […].”
3.4.
Over de nakoming van deze beheersregeling (en de geclausuleerde toezegging van [geïntimeerde] om “de inkomstenbelasting, die rechtstreeks verband houdt met de beheerregeling inzake het registergoed te voldoen”) is een geschil ontstaan.
Geschil
4.1.
In eerste aanleg vorderde [appellante] (na wijziging van eis, naar aanleiding van een betaling door [geïntimeerde]) veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 19.059,67 te vermeerderen met wettelijke rente, de proceskosten en verzocht [appellante] om afgifte van een “expeditie” van het vonnis en om een certificaat, zoals bedoeld in – het hof leest: – artikel 53 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
4.2.
De kantonrechter heeft alle vorderingen van [appellante] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
4.3.
In hoger beroep formuleert [appellante] drie grieven en vordert zij vernietiging van het vonnis van 12 april 2023 en, na wijziging van eis, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 21.741,37, te vermeerderen met de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
Beoordeling
De omvang van het geschil
5.1.
[geïntimeerde] heeft gedurende de procedure in eerste aanleg een bedrag van € 16.393,05 aan [appellante] betaald. Met die betaling is de vordering tot betaling van inkomstenbelasting 2020 (€ 7.624,00) nog onbetaald gelaten. Nadat de betaling op de vordering in mindering is gebracht, heeft [appellante] in eerste aanleg haar eis vermeerderd met de aangifte IB 2021 (€ 6.216,00), geheven belastingrente (€ 457,00), opstalverzekering 2023 (€ 2.170,24) en OZB 2022 (€ 1.500,00). [appellante] vordert daarvan betaling in hoger beroep, met aanpassing van de (inmiddels definitieve) bedragen.
5.2.
De kantonrechter heeft gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente afgewezen. Daartegen is geen grief gericht en het hof begrijpt dat [appellante] in hoger beroep, na vermindering van eis, ook geen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert.
5.3.
In dit hoger beroep heeft [appellante] haar eis vervolgens opnieuw vermeerderd in verband met de volgende posten: - IB 2021 € 6.440,00 (in plaats van in eerste aanleg € 6.216,00)
- IB 2022 VA € 6.301,00
- Opstalverzekering 2024 € 2.592,13
- OZB 2022 € 1.509,23 (in plaats van in eerste aanleg € 1.500,00)- OZB 2023 € 1.479,36- OZB/riool 2024 € 1.554,52
- Canal digital € 42,00 en € 9,49
- Waterschap 2023 € 311,79- Telegraaf € 28,38
- Kosten accountant € 560,00.
5.4.
[geïntimeerde] heeft op 23 december 2023 een bedrag van € 3.400,00 betaald ter zake van de opstalverzekering 2024 en OZB 2022. Het hof begrijpt dat [appellante] in hoger beroep in verband met deze posten nog betaling vordert van het restantbedrag van € 297,47.
5.5.
[geïntimeerde] heeft verder op 8 maart 2024 € 4.383,25 betaald en zij stelt onweersproken dat haar betaling zag op de posten Waterschap 2023, OZB 2023 en opstalverzekering 2024 (samen € 4.383,28). Nu de betaling nagenoeg overeenkomt met het gevorderde bedrag, concludeert het hof dat deze vorderingen daarmee vrijwel zijn voldaan. Het resterende bedrag van € 0,03 zal worden opgeteld bij het uiteindelijk nog toe te wijzen bedrag van € 279,47.
5.6.
[geïntimeerde] heeft verder op 13 april 2024 het bedrag van € 1.554,52 betaald, zodat ook de vordering voor OZB/riool 2024 daarmee is voldaan.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit hoger beroep, naast het te weinig betaalde deel opstalverzekering 2024 en OZB 2022 van € 279,47, de volgende vorderingen van [appellante] nog in geschil zijn:
de belastingschade (IB 2020 € 7.624,00, belastingrente IB 2020 € 457,00, IB 2021 € 6.440,00, IB 2022 VA € 6.301,00)
Canal digital € 42,00 en € 9,49
Telegraaf € 28,38
Kosten accountant € 560,00.
5.8.
[appellante] richt drie grieven tegen het bestreden vonnis. Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de proceskosten worden gecompenseerd. Grief II betreft het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] het door haar nog aan [appellante] verschuldigde bedrag van € 542,56 kan verrekenen met het bedrag van € 50.000,00 dat [appellante] aan [geïntimeerde] verschuldigd was. Met grief III bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat haar vorderingen tot betaling van de door haar betaalde inkomstenbelasting moeten worden afgewezen.
Grief III Inkomstenbelasting 2020-2022 en belastingrente
5.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat 99/100e deel van de woning in delen aan [appellante] geschonken is om erfbelasting te ontwijken. Door een stelselwijziging is [appellante] als eigenaar geconfronteerd met vermogensrendementsheffing. De ouders van [appellante] hebben toegezegd [appellante] daarvoor te compenseren. In deze procedure formuleert [geïntimeerde] dat als volgt: “[[geïntimeerde]] is bereid de inkomstenbelasting, die rechtstreeks verband houdt met de beheerregeling inzake het registergoed te voldoen, maar niet voordat die verschuldigd is, en niet dan nadat die voldoende gespecificeerd en controleerbaar is.” [appellante] kan in beginsel nakoming vorderen van die toezegging.
5.10.
De kantonrechter oordeelde over de posten inkomstenbelasting 2020 en 2021 en belastingrente over de aanslag IB 2020 “dat [geïntimeerde] op goede gronden inzage vraagt in de belastingaangiftes van [appellante] vanaf 2019 alvorens tot betaling over te gaan. Dat is immers noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de opgelegde aanslagen daadwerkelijk slechts voortvloeien uit de beheersregeling en/of het tegoed in [land A], welke belastingen [geïntimeerde] op grond van voormelde afspraken zou moeten vergoeden. Dat [geïntimeerde] voorheen, toen de verhoudingen tussen partijen nog niet waren verstoord, de belastingaanslagen zonder enige verifiëring klakkeloos betaalde, zoals gesteld door [appellante], betekent niet dat zij dit onverplicht zou moeten blijven doen.”
5.11.
Omdat [appellante] geen inzage aan [geïntimeerde] in haar belastingaangiftes wenste te geven, kon [geïntimeerde] naar het oordeel van de kantonrechter niet vaststellen welk deel van de aan [appellante] opgelegde aanslag inkomstenbelasting zij op grond van de gemaakt afspraken zou moeten vergoeden. Om die reden wees de kantonrechter de vorderingen tot betaling van inkomstenbelasting 2020 (€ 7.624,00), belastingrente over de aanslag IB 2020 (€ 457,00) en inkomstenbelasting 2021 (€ 6.216,00) af. Grief III richt zich tegen dit oordeel. Daarbij dient volgens [appellante] nu te worden uitgegaan van de definitieve aanslag IB 2021 IB ten bedrage van € 6.440,00 in plaats van het oorspronkelijk gevorderde (voorlopige) bedrag van € 6.216,00. [appellante] voert ter onderbouwing van haar grief aan: “Een berekening van de fiscale schade als gevolg van de gemiste hypotheekrenteaftrek zal nog volgen.
[…] Tot 2020 betaalde [geïntimeerde] de bedragen van de door [appellante] ontvangen aanslagen IB en vroeg zij niet om inzage in de aangifte. [appellante] maakt gebruik van de herstelmogelijkheid in hoger beroep en verleent alsnog inzage in de aangiften IB.” Er zijn in hoger beroep geen aangiftes IB overgelegd. Wel is de voorlopige aanslag IB 2023 overgelegd.
5.12.
Het hof overweegt als volgt. Door uitleg overeenkomstig de Haviltex maatstaf moet worden vastgesteld wat de inhoud is van de toezegging van [geïntimeerde] (zie onder 5.9) en welke bedragen [geïntimeerde] op grond van haar toezegging aan [appellante] moet schenken. [appellante] stelt dat de toezegging inhield dat “gemiste hypotheekrenteaftrek en/of geheven inkomstenbelasting” aan haar zou worden betaald. [appellante] vordert volledige betaling door [geïntimeerde] van alle inkomstenbelasting die zij heeft betaald. Het hof ziet geen feitelijke grondslag voor de stelling dat al de geheven inkomstenbelasting aan haar vergoed zou moeten worden. Niet alle door haar te betalen inkomstenbelasting staat immers in verband met haar eigendom van 99/100e deel van de woning. Die stelling is daarom onvoldoende onderbouwd. En tegen de overweging van de kantonrechter dat het feit dat [geïntimeerde] voorheen het volledige bedrag van de aanslag betaalde, niet betekent dat [geïntimeerde] dit zou moeten blijven doen, is geen grief gericht. Dat betekent dat [appellante] slechts nakoming kan vorderen van de toezegging van [geïntimeerde] om de fiscale gevolgen die het gevolg zijn van een eerdere schenking en daarop volgende wetswijziging op te heffen.
5.13.
Voor het vaststellen van de fiscale gevolgen voor [appellante] zijn haar belastingaanslagen noodzakelijk, maar niet voldoende.
Conclusie
5.25.
Grief II slaagt gedeeltelijk. [geïntimeerde] is nog een bedrag van € 279,47 plus € 0,03 verschuldigd. Het hof zal daarom het vonnis van de kantonrechter vernietigen en dit bedrag van in totaal € 279,50 alsnog toewijzen.
5.26.
Gelet op de familierelatie tussen partijen, zal het hof in eerste aanleg en in hoger beroep de proceskosten tussen partijen compenseren.
6De uitspraak
Het hof:
Dictum
6.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 12 april 2023, en opnieuw recht doende:
6.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 279,50 aan [appellante];
6.3.
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;
6.4.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. de Graaf, P.M, Verbeek en H.K.N. Vos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Beoordeling
Het gaat namelijk om een tweede woning van [appellante], zodat [appellante] in beginsel in box 3 de vermogensrendementsheffing over 99/100e deel van de WOZ-waarde van de woning verschuldigd is. Uit de haar door haar overgelegde aanslagen blijkt, en dat stelt [appellante] ook zelf, dat zij die belasting niet betaald heeft. Zij heeft zich immers laten inschrijven op het adres van de woning en geeft tegenover de belastingdienst de woning op als haar hoofdverblijf. Naar de Belastingdienst toe pretendeert [appellante] dus dat de woning in box 1 valt. De box 3 belasting die zij – blijkens de overgelegde aanslag – wel betaalt, ziet kennelijk op haar woning in Sterksel (waar zij woont) en mogelijk op ander belastbaar inkomen uit vermogen. Stukken die daarin inzicht geven ontbreken.
5.14.
[appellante] stelt dat zij de gemiste hypotheekrente aftrek (kennelijk: voor haar andere woning in Sterksel) heeft laten berekenen (en zij vordert ook betaling van kosten van het laten opstellen van die berekeningen), maar de berekeningen zijn niet overgelegd. Doordat [appellante] onvoldoende inzichtelijk maakt welk fiscaal nadeel zij leidt, kan [geïntimeerde] haar toezegging dat nadeel te vergoeden niet nakomen. Bij die stand van zaken stelt [appellante] onvoldoende om [geïntimeerde] te kunnen veroordelen tot betaling van een bedrag.
5.15.
Dit betekent dat grief III faalt en dat ook de in hoger beroep (aanvullend) gevorderde bedragen wegens inkomstenbelasting en belastingrente dienen te worden afgewezen.
Eisvermeerdering: Telegraaf en Canal Digital en accountantskosten
5.16.
[appellante] vordert thans, in aanvulling op haar vordering in eerste aanleg, betaling van door haar gemaakte kosten voor Canal Digital (€ 42,00 en € 9,49), Telegraaf (€ 28,38)
en accountant (€ 560,00). [geïntimeerde] heeft weersproken dat zij ter zake van deze kosten een vergoeding aan [appellante] moet betalen.
5.17.
De facturen van Telegraaf en Canal Digital zijn op naam van [appellante] gesteld. [appellante] stelt en onderbouwt niet dat het hier gaat om ”lasten betreffende het registergoed”. Zij stelt en onderbouwt ook niet dat het hier gaat om overeenkomsten die zij ten behoeve van [geïntimeerde] heeft afgesloten en zij stelt en onderbouwt evenmin dat [appellante] verarmd en [geïntimeerde] verrijkt is. Ook hier stelt [appellante] dus onvoldoende om [geïntimeerde] te kunnen veroordelen tot betaling van een bedrag.
5.18.
Dit geldt ook voor de vordering van [appellante] tot betaling van de door haar gemaakte accountantskosten. [appellante] stelt dat inschakeling van de accountant nodig was om [geïntimeerde] te overtuigen van haar belastingnadeel en dat deze kosten daarom voor vergoeding in aanmerking komen. Nu de vorderingen wegens belastingnadeel echter worden afgewezen, mede omdat [appellante] de berekeningen van de accountant niet heeft overgelegd, bestaat er ook geen grond voor vergoeding van de door haar in dit verband gemaakte kosten.
5.19.
De conclusie is dus dat deze vorderingen worden afgewezen.
Grief II Verrekening
5.20.
De kantonrechter heeft het beroep van [geïntimeerde] op verrekening gehonoreerd voor wat betreft het ten tijde van het bestreden vonnis nog door [geïntimeerde] verschuldigde bedrag van € 542,56 (opstalverzekering van het eerste kwartaal van 2023). [appellante] voert in grief II daartegen aan zij inmiddels het door haar verschuldigde bedrag van € 50.000,00 heeft voldaan, zodat [geïntimeerde] het bedrag van € 542,56 alsnog verschuldigd is. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat [appellante] het bedrag van € 50.000,00 inmiddels aan haar heeft voldaan. Het hof leidt hieruit af dat de vorderingen niet verrekend zijn en dat [geïntimeerde], ook gelet op haar betaling van € 3.400,00 op dit deel van de vordering, haar verrekeningsverweer niet langer handhaaft. [geïntimeerde] voert immers thans aan dat zij (onder meer) het gevorderde bedrag van € 542,56 inmiddels heeft voldaan, door de betaling van het bedrag van € 3.400,00. [geïntimeerde] betwist in dit hoger beroep echter niet dat zij op grond van de beheersregeling een bedrag van in totaal € 3.609,47 verschuldigd is aan [appellante], voor de opstalverzekering 2023 (€ 2.170,24) en WOZ 20222 (€ 1.509,23) voor de woning.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [appellante] zodoende € 279,47 te weinig betaald. Dit betekent dat grief II deels slaagt en dat dit bedrag alsnog zal worden toegewezen.
Grief I Proceskosten in eerste aanleg
5.21.
Met grief I komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de proceskosten in verband met de familierelatie tussen partijen worden gecompenseerd.
5.22.
[appellante] voert ter onderbouwing van haar grief aan dat de inleidende dagvaarding is betekend op 14 juni 2022 en dat [geïntimeerde] pas op 4 juli 2022 een bedrag van € 16.393,05 heeft betaald en de vordering wegens IB 2020 (€ 7.624,00) onbetaald heeft gelaten. Dit had volgens [appellante] gevolgen moeten hebben voor de proceskosten. Het hof begrijpt dat [appellante] daarmee bedoelt dat [geïntimeerde] in de proceskosten had moeten worden veroordeeld. [geïntimeerde] heeft op haar beurt aangevoerd dat [appellante] alsnog in de proceskosten in eerste aanleg moet worden veroordeeld.
5.23.
De grief faalt. Het geschil tussen partijen hangt naar het oordeel van het hof nauw samen met hun familierelatie. De kantonrechter heeft daarom terecht gebruik gemaakt van de in artikel 237, lid 1, Rv opgenomen mogelijkheid om de proceskosten op die grond te compenseren.
Geen bewijslevering
5.24.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante]. Dat aanbod is niet voldoende concreet en niet voldoende specifiek. Er zijn ook geen stellingen die door [geïntimeerde] zijn betwist, door [appellante] voldoende zijn onderbouwd en die – indien bewezen – tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.