Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:5
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
11,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:5 text/xml public 2026-04-29T11:14:46 2025-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-01-02 200.346.607_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Burgerlijk Wetboek Boek 1 266 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:5 text/html public 2026-04-29T11:13:52 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:5 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-01-2025 / 200.346.607_01 Rechtbank beëindigt op verzoek van de raad op grond van artikel 1:266 BW het gezag van moeder waardoor vader alleen het gezag over de minderjarige krijgt. Hof bekrachtigt: aanvaardbare termijn verstreken, minderjarige verblijft al drie jaar bij vader en stiefmoeder. Moeder is niet betrouwbaar gebleken en komt afspraken niet na. Minderjarige heeft er last van en heeft duidelijkheid nodig. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 2 januari 2025 Zaaknummer : 200.346.607/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/422157 / FA RK 24-2129 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.M.A. Leijser, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland , locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie [locatie] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling), - [de vader] en [de stiefmoeder] , beiden wonende te [woonplaats] . hierna te noemen: de vader en de stiefmoeder. In het kort De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 11-jarige [minderjarige] heeft beëindigd. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 4 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het inleidend verzoek van de raad van 30 april 2024 alsnog wordt afgewezen. 2.2. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, heeft de raad verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad (via een digitale verbinding), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ; de vader en de stiefmoeder. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 juni 2024; het V-formulier van 7 november 2024 van de advocaat van de moeder met één bijlage. 3 De beoordeling 3.1. De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad waaruit op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . 3.2. Sinds eind mei 2021 verblijft [minderjarige] bij de vader. Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Met ingang van 23 juni 2022 is zijn hoofdverblijfplaats definitief bij de vader bepaald. [minderjarige] heeft eenmaal in de veertien dagen anderhalf uur begeleid contact met de moeder. 3.3. [minderjarige] staat sinds 20 december 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 20 december 2024. Bij de rechtbank 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. Bij het hof 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat – het volgende aan. De ouders zijn in staat om met elkaar te overleggen en samen te werken. Het is onjuist dat de moeder niet dan wel pas na herhaalde verzoeken meewerkt aan beslissingen die moeten worden genomen over [minderjarige] . In samenspraak met de GI hebben de ouders afspraken gemaakt over de aanvraag van een ID-kaart. Conform die afspraken hoefde de moeder helemaal niet naar de gemeente toe, omdat daar reeds haar toestemming lag. Het geven van de module Lentekriebels heeft de stiefmoeder aangegrepen om uit te kijken naar een andere school voor [minderjarige] . Tegen deze achtergrond is het niet vreemd dat de moeder veel vragen heeft gesteld aan de vader over de noodzaak van een wisseling van school voordat ze haar handtekening verstrekte. School was het enige discussiepunt tussen de ouders. Bovendien heeft de vader toen niet lang moeten wachten op haar toestemming. De moeder heeft er de afgelopen jaren in haar gedrag en handelen geen enkele blijk van gegeven dat zij onder invloed is van verdovende middelen. [instantie 1] heeft de moeder tijdens de begeleide omgang vijf keer getest op het gebruik van drugs. De testen waren telkens negatief. Verder staat de moeder al drie jaar onder behandeling bij een vaste psycholoog in [plaats] ; eerst kwam zij hier wekelijks, maar recent heeft ze dit teruggebracht naar eenmaal in de twee weken. In de week dat de moeder niet bij haar psycholoog komt, vindt zij bij haar wandelcoach (eenmaal per week) een luisterend oor. De wandelcoach loopt via de gemeente op basis van een WMO- indicatie en kan frequenter worden ingeschakeld als de moeder daar behoefte aan heeft. Omdat de GI telkens bleef terugkomen op de noodzaak van persoonlijke hulpverlening, heeft de moeder zich aangemeld bij [instantie 2] . Zij is inmiddels gediagnosticeerd met ADD en [instantie 2] gaat een lijn uitzetten ter behandeling. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] loopt sinds de beschikking van de rechtbank minder goed. De moeder voelt geen ruimte om tot een wijziging van de huidige regeling te komen. Er is geen sprake meer van gelijkwaardig ouderschap. De moeder is bang dat zij helemaal van het toneel verdwijnt als zij geen gezag meer heeft. De aanvaardbare termijn is verstreken voor [minderjarige] en de moeder stemt ermee in dat hij opgroeit bij zijn vader. Zij draagt naar [minderjarige] uit dat het goed is dat hij bij zijn vader woont. De moeder wil de plaatsing van [minderjarige] bij de vader voortzetten in het vrijwillig kader met behoud van haar ouderlijk gezag. De moeder heeft nooit belastende uitspraken gedaan tegen [minderjarige] dat hij bij haar zou komen wonen; dat kan zij niet eens doen, want er is altijd begeleiding bij de contacten. Bovendien mag de moeder daar niet eens over praten met [minderjarige] . 3.6. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Het is de moeder niet gelukt om zich als gezagdragende ouder beschikbaar op te stellen voor gezagsbeslissingen. De raad heeft tijdens het onderzoek gezien dat processen vertraging opliepen door het lang moeten wachten op toestemming van de moeder. [minderjarige] maakt zich op dit moment zorgen over de middelbare schoolkeuze die hij binnenkort moet maken. Hij wil niet dat zijn moeder weet naar welke middelbare school hij zal gaan, omdat hij nooit meer wil meemaken dat zijn moeder onaangekondigd op school verschijnt. [minderjarige] is nog angstig en heeft zorgen over de rol en positie die de moeder vanuit haar gezagspositie inneemt in zijn leven. De onvoorspelbaarheid die hij vanuit de moeder ervaart, mede door het meerdere keren lang uitblijven van toestemming, maar ook het op onbewaakte momenten vragen of hij terug bij haar komt wonen, zijn zeer belastend voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft last van de thans lopende rechtszaak.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:5 text/xml public 2026-04-29T11:14:46 2025-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-01-02 200.346.607_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Burgerlijk Wetboek Boek 1 266 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:5 text/html public 2026-04-29T11:13:52 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:5 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-01-2025 / 200.346.607_01 Rechtbank beëindigt op verzoek van de raad op grond van artikel 1:266 BW het gezag van moeder waardoor vader alleen het gezag over de minderjarige krijgt. Hof bekrachtigt: aanvaardbare termijn verstreken, minderjarige verblijft al drie jaar bij vader en stiefmoeder. Moeder is niet betrouwbaar gebleken en komt afspraken niet na. Minderjarige heeft er last van en heeft duidelijkheid nodig. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 2 januari 2025 Zaaknummer : 200.346.607/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/422157 / FA RK 24-2129 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.M.A. Leijser, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland , locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie [locatie] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling), - [de vader] en [de stiefmoeder] , beiden wonende te [woonplaats] . hierna te noemen: de vader en de stiefmoeder. In het kort De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank haar ouderlijk gezag over de 11-jarige [minderjarige] heeft beëindigd. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 4 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het inleidend verzoek van de raad van 30 april 2024 alsnog wordt afgewezen. 2.2. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 25 november 2024, heeft de raad verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad (via een digitale verbinding), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ; de vader en de stiefmoeder. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 juni 2024; het V-formulier van 7 november 2024 van de advocaat van de moeder met één bijlage. 3 De beoordeling 3.1. De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad waaruit op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . 3.2. Sinds eind mei 2021 verblijft [minderjarige] bij de vader. Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Met ingang van 23 juni 2022 is zijn hoofdverblijfplaats definitief bij de vader bepaald. [minderjarige] heeft eenmaal in de veertien dagen anderhalf uur begeleid contact met de moeder. 3.3. [minderjarige] staat sinds 20 december 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 20 december 2024. Bij de rechtbank 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. Bij het hof 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – samengevat – het volgende aan. De ouders zijn in staat om met elkaar te overleggen en samen te werken. Het is onjuist dat de moeder niet dan wel pas na herhaalde verzoeken meewerkt aan beslissingen die moeten worden genomen over [minderjarige] . In samenspraak met de GI hebben de ouders afspraken gemaakt over de aanvraag van een ID-kaart. Conform die afspraken hoefde de moeder helemaal niet naar de gemeente toe, omdat daar reeds haar toestemming lag. Het geven van de module Lentekriebels heeft de stiefmoeder aangegrepen om uit te kijken naar een andere school voor [minderjarige] . Tegen deze achtergrond is het niet vreemd dat de moeder veel vragen heeft gesteld aan de vader over de noodzaak van een wisseling van school voordat ze haar handtekening verstrekte. School was het enige discussiepunt tussen de ouders. Bovendien heeft de vader toen niet lang moeten wachten op haar toestemming. De moeder heeft er de afgelopen jaren in haar gedrag en handelen geen enkele blijk van gegeven dat zij onder invloed is van verdovende middelen. [instantie 1] heeft de moeder tijdens de begeleide omgang vijf keer getest op het gebruik van drugs. De testen waren telkens negatief. Verder staat de moeder al drie jaar onder behandeling bij een vaste psycholoog in [plaats] ; eerst kwam zij hier wekelijks, maar recent heeft ze dit teruggebracht naar eenmaal in de twee weken. In de week dat de moeder niet bij haar psycholoog komt, vindt zij bij haar wandelcoach (eenmaal per week) een luisterend oor. De wandelcoach loopt via de gemeente op basis van een WMO- indicatie en kan frequenter worden ingeschakeld als de moeder daar behoefte aan heeft. Omdat de GI telkens bleef terugkomen op de noodzaak van persoonlijke hulpverlening, heeft de moeder zich aangemeld bij [instantie 2] . Zij is inmiddels gediagnosticeerd met ADD en [instantie 2] gaat een lijn uitzetten ter behandeling. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] loopt sinds de beschikking van de rechtbank minder goed. De moeder voelt geen ruimte om tot een wijziging van de huidige regeling te komen. Er is geen sprake meer van gelijkwaardig ouderschap. De moeder is bang dat zij helemaal van het toneel verdwijnt als zij geen gezag meer heeft. De aanvaardbare termijn is verstreken voor [minderjarige] en de moeder stemt ermee in dat hij opgroeit bij zijn vader. Zij draagt naar [minderjarige] uit dat het goed is dat hij bij zijn vader woont. De moeder wil de plaatsing van [minderjarige] bij de vader voortzetten in het vrijwillig kader met behoud van haar ouderlijk gezag. De moeder heeft nooit belastende uitspraken gedaan tegen [minderjarige] dat hij bij haar zou komen wonen; dat kan zij niet eens doen, want er is altijd begeleiding bij de contacten. Bovendien mag de moeder daar niet eens over praten met [minderjarige] . 3.6. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Het is de moeder niet gelukt om zich als gezagdragende ouder beschikbaar op te stellen voor gezagsbeslissingen. De raad heeft tijdens het onderzoek gezien dat processen vertraging opliepen door het lang moeten wachten op toestemming van de moeder. [minderjarige] maakt zich op dit moment zorgen over de middelbare schoolkeuze die hij binnenkort moet maken. Hij wil niet dat zijn moeder weet naar welke middelbare school hij zal gaan, omdat hij nooit meer wil meemaken dat zijn moeder onaangekondigd op school verschijnt. [minderjarige] is nog angstig en heeft zorgen over de rol en positie die de moeder vanuit haar gezagspositie inneemt in zijn leven. De onvoorspelbaarheid die hij vanuit de moeder ervaart, mede door het meerdere keren lang uitblijven van toestemming, maar ook het op onbewaakte momenten vragen of hij terug bij haar komt wonen, zijn zeer belastend voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft last van de thans lopende rechtszaak.
Volledig
Hij heeft tegen de raad gezegd dat hij het vervelend vindt dat ‘mama pas zo laat in hoger beroep gaat’. Dat bedenkt [minderjarige] niet zelf; dit moet hij van een volwassene om hem heen gehoord hebben. De moeder geeft aan geen drugs meer te gebruiken, maar test dit niet (omdat dit volgens haar niet betrouwbaar is in combinatie met haar medicatiegebruik). Er waren in het verleden genoeg aanwijzingen dat de moeder middelen gebruikte en het ligt op haar weg om aan te tonen dat zij dit niet meer doet. De hulpverlening aan de moeder is nog maar net opgestart en verkeert nog niet in een fase dat het echt iets oplevert. Dat de moeder onlangs een traject (in de ogen van de raad: een diagnosestelling) bij [instantie 2] heeft doorlopen, maakt niet dat zij zich op dit moment betrouwbaar opstelt naar [minderjarige] toe, dat ze emotioneel bij [minderjarige] kan aansluiten en de door [minderjarige] ervaren angstige gebeurtenissen erkent. Dat heeft [minderjarige] duidelijk nodig van haar om zijn behandeltraject gericht op trauma te kunnen voortzetten. De moeder moet tot inzichten komen over hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt; op dat punt is de moeder nog niet. Het verbaast de raad dat de moeder op de mondelinge behandeling bij het hof verklaart dat zij al drie jaar bij een psycholoog in [plaats] komt. Bij aanvang van het raadsonderzoek heeft de moeder hier niets over gezegd en over dit onderwerp is uitgebreid met de moeder gesproken zonder dat zij hiervan melding heeft gemaakt. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is inmiddels verstreken. De gezagsbeëindigende maatregel van de moeder is de best passende maatregel voor [minderjarige] ; zo heeft hij rust en zekerheid en kan hij zich het beste ontwikkelen. 3.7. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] , al zijn er wel wat zorgen over de omgangsregeling die hij met de moeder heeft. Het liefste ziet [minderjarige] zijn moeder nog maar één keer per maand, maar de GI heeft hem zover gekregen dat het bij éénmaal in de twee weken blijft. [minderjarige] heeft geen vertrouwen in de moeder en hij blijft angstig. Hij wil niet dat zijn moeder weet naar welke middelbare school hij gaat. Die angsten worden niet erkend door de moeder. De traumatherapie van [minderjarige] is afgerond en daarbinnen is het hoogst haalbare bereikt. Zolang [minderjarige] van de moeder de erkenning niet krijgt voor de dingen hij met haar heeft meegemaakt, kan hij deze niet gaan verwerken. De moeder doet belastende uitspraken richting [minderjarige] . De GI heeft – bijvoorbeeld – een schermafbeelding gezien van een Whatsapp-gesprek tussen de moeder en [minderjarige] waarin de moeder schrijft dat ze een nieuwe televisie heeft gekocht voor op de kamer van [minderjarige] wanneer hij bij haar komt logeren. De begeleide omgangsregeling is niet meer uitgebreid, omdat de moeder niet aan de voorwaarden van de GI voldoet. De GI heeft nog steeds geen zicht op mogelijk middelengebruik van de moeder en de GI heeft geen inzage in de diagnose en het traject van de moeder bij [instantie 2] ; zij wil die informatie niet met de GI delen. De GI wil dat er bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. De moeder stond hiervoor ingeschreven bij de GGZ, maar toen zij na één jaar aan de beurt was voor een intake, kwam ze niet opdagen. De GI heeft aan het begin van deze procedure gebeld met de psycholoog van de moeder in [plaats] en toen bleek dat de moeder al een hele tijd niet was geweest. De GI heeft hier recent geen navraag meer naar gedaan. Als de moeder het gezag terugkrijgt, zal de ondertoezichtstelling langer noodzakelijk blijven. Als het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigt, is een ondertoezichtstelling niet meer nodig. 3.8. De vader en de stiefmoeder hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij steeds tegen problemen aanliepen vanwege het gezag van de moeder. De moeder is meerdere keren afspraken niet nagekomen en dat is lastig. De vader heeft twee of drie keer voor niets met [minderjarige] op het gemeentehuis gestaan voor het verkrijgen van zijn identiteitskaart, omdat de moeder haar deel van de afspraak niet was nagekomen. De vader kan [minderjarige] hier niet tegen beschermen. Verder werkte de moeder niet meteen mee aan de schoolwissel van [minderjarige] . Het is juist dat de vader niet achter het thema Lentekriebels stond, maar dat was niet de enige reden dat de vader wilde dat [minderjarige] van school wisselde. Dat kwam omdat [minderjarige] bedreigd werd door een klasgenoot die op school met een zakmes mocht rondlopen, omdat een mes onderdeel zou uitmaken van zijn cultuur. De veiligheid van [minderjarige] was op die school niet gewaarborgd. De vader heeft drie kinderen en hij wil voor alle drie dezelfde zaken tegelijkertijd kunnen regelen, bijvoorbeeld als zij op vakantie willen met het hele gezin. De vader heeft weinig contact met de moeder. Aan het begin van de ondertoezichtstelling was het contact beter. Alle contacten met de moeder lopen nu via de stiefmoeder. De vader en de stiefmoeder vernemen dat de moeder leugens over hen verspreidt en bij derden kwaadspreekt over hen. Ook als de gezagsbeëindigende maatregel in stand blijft en er geen ondertoezichtstelling meer is, zullen de vader en de stiefmoeder de moeder blijven informeren over belangrijke zaken omtrent [minderjarige] . De moeder kon en kan overigens ook zelf informatie inwinnen over [minderjarige] . De school van [minderjarige] heeft de moeder, met instemming van de vader, uitgenodigd zelf contact op te nemen met de school, maar dat heeft de moeder niet gedaan. Verder zullen de vader en de stiefmoeder altijd blijven meewerken aan de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . De vader vindt het belangrijk dat de moeder en [minderjarige] elkaar regelmatig blijven zien. Als [minderjarige] haar niet vaker dan eenmaal in de twee weken wil zien, accepteert de vader dat: hij gaat [minderjarige] niet dwingen. Als [minderjarige] twaalf is, kan hij hierover zelf een beslissing nemen. Het hof overweegt het volgende. 3.9.1. Op grond van lid 1 van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 3.9.2. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van misbruik van gezag (sub b). Dit betekent dat aan het hof de vraag voorligt of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a, BW. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is. 3.9.3. De 11-jarige [minderjarige] is een kwetsbaar kind dat met zijn moeder is opgegroeid in een onveilige en turbulente thuisomgeving waar huiselijk geweld voorkwam, de moeder wisselende partners over de vloer had en sprake was van drugsgebruik. In mei 2021 is [minderjarige] bij zijn vader en stiefmoeder gaan wonen, waar hij nog steeds woont. De moeder is het ermee eens dat [minderjarige] hier opgroeit en dat voor hem de aanvaardbare termijn is verstreken. Uit de gesprekken die de raad en de GI met [minderjarige] hebben gehad is gebleken dat het voor [minderjarige] makkelijker en minder stressvol is geworden sinds zijn vader alleen de beslissingen over hem kan nemen. Door de beslissing van rechtbank is in positieve zin veel veranderd voor [minderjarige] . Hij maakt zich minder zorgen of de zaken voor hem wel op tijd worden geregeld en of zijn moeder wel haar toestemming geeft. 3.9.4. Hoewel het naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige] heeft hij nog steeds te kampen met de gevolgen van een voor hem traumatisch incident uit 2021 waarbij de moeder hem, tegen de afspraken in, met de auto heeft meegenomen vanuit school nadat zij ruzie had gemaakt met zijn tante. De moeder heeft [minderjarige] toen enkele dagen bij zich gehouden en pas na een interventie van Veilig Thuis is [minderjarige] teruggekeerd naar de vader.
Volledig
Hij heeft tegen de raad gezegd dat hij het vervelend vindt dat ‘mama pas zo laat in hoger beroep gaat’. Dat bedenkt [minderjarige] niet zelf; dit moet hij van een volwassene om hem heen gehoord hebben. De moeder geeft aan geen drugs meer te gebruiken, maar test dit niet (omdat dit volgens haar niet betrouwbaar is in combinatie met haar medicatiegebruik). Er waren in het verleden genoeg aanwijzingen dat de moeder middelen gebruikte en het ligt op haar weg om aan te tonen dat zij dit niet meer doet. De hulpverlening aan de moeder is nog maar net opgestart en verkeert nog niet in een fase dat het echt iets oplevert. Dat de moeder onlangs een traject (in de ogen van de raad: een diagnosestelling) bij [instantie 2] heeft doorlopen, maakt niet dat zij zich op dit moment betrouwbaar opstelt naar [minderjarige] toe, dat ze emotioneel bij [minderjarige] kan aansluiten en de door [minderjarige] ervaren angstige gebeurtenissen erkent. Dat heeft [minderjarige] duidelijk nodig van haar om zijn behandeltraject gericht op trauma te kunnen voortzetten. De moeder moet tot inzichten komen over hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt; op dat punt is de moeder nog niet. Het verbaast de raad dat de moeder op de mondelinge behandeling bij het hof verklaart dat zij al drie jaar bij een psycholoog in [plaats] komt. Bij aanvang van het raadsonderzoek heeft de moeder hier niets over gezegd en over dit onderwerp is uitgebreid met de moeder gesproken zonder dat zij hiervan melding heeft gemaakt. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is inmiddels verstreken. De gezagsbeëindigende maatregel van de moeder is de best passende maatregel voor [minderjarige] ; zo heeft hij rust en zekerheid en kan hij zich het beste ontwikkelen. 3.7. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] , al zijn er wel wat zorgen over de omgangsregeling die hij met de moeder heeft. Het liefste ziet [minderjarige] zijn moeder nog maar één keer per maand, maar de GI heeft hem zover gekregen dat het bij éénmaal in de twee weken blijft. [minderjarige] heeft geen vertrouwen in de moeder en hij blijft angstig. Hij wil niet dat zijn moeder weet naar welke middelbare school hij gaat. Die angsten worden niet erkend door de moeder. De traumatherapie van [minderjarige] is afgerond en daarbinnen is het hoogst haalbare bereikt. Zolang [minderjarige] van de moeder de erkenning niet krijgt voor de dingen hij met haar heeft meegemaakt, kan hij deze niet gaan verwerken. De moeder doet belastende uitspraken richting [minderjarige] . De GI heeft – bijvoorbeeld – een schermafbeelding gezien van een Whatsapp-gesprek tussen de moeder en [minderjarige] waarin de moeder schrijft dat ze een nieuwe televisie heeft gekocht voor op de kamer van [minderjarige] wanneer hij bij haar komt logeren. De begeleide omgangsregeling is niet meer uitgebreid, omdat de moeder niet aan de voorwaarden van de GI voldoet. De GI heeft nog steeds geen zicht op mogelijk middelengebruik van de moeder en de GI heeft geen inzage in de diagnose en het traject van de moeder bij [instantie 2] ; zij wil die informatie niet met de GI delen. De GI wil dat er bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. De moeder stond hiervoor ingeschreven bij de GGZ, maar toen zij na één jaar aan de beurt was voor een intake, kwam ze niet opdagen. De GI heeft aan het begin van deze procedure gebeld met de psycholoog van de moeder in [plaats] en toen bleek dat de moeder al een hele tijd niet was geweest. De GI heeft hier recent geen navraag meer naar gedaan. Als de moeder het gezag terugkrijgt, zal de ondertoezichtstelling langer noodzakelijk blijven. Als het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigt, is een ondertoezichtstelling niet meer nodig. 3.8. De vader en de stiefmoeder hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij steeds tegen problemen aanliepen vanwege het gezag van de moeder. De moeder is meerdere keren afspraken niet nagekomen en dat is lastig. De vader heeft twee of drie keer voor niets met [minderjarige] op het gemeentehuis gestaan voor het verkrijgen van zijn identiteitskaart, omdat de moeder haar deel van de afspraak niet was nagekomen. De vader kan [minderjarige] hier niet tegen beschermen. Verder werkte de moeder niet meteen mee aan de schoolwissel van [minderjarige] . Het is juist dat de vader niet achter het thema Lentekriebels stond, maar dat was niet de enige reden dat de vader wilde dat [minderjarige] van school wisselde. Dat kwam omdat [minderjarige] bedreigd werd door een klasgenoot die op school met een zakmes mocht rondlopen, omdat een mes onderdeel zou uitmaken van zijn cultuur. De veiligheid van [minderjarige] was op die school niet gewaarborgd. De vader heeft drie kinderen en hij wil voor alle drie dezelfde zaken tegelijkertijd kunnen regelen, bijvoorbeeld als zij op vakantie willen met het hele gezin. De vader heeft weinig contact met de moeder. Aan het begin van de ondertoezichtstelling was het contact beter. Alle contacten met de moeder lopen nu via de stiefmoeder. De vader en de stiefmoeder vernemen dat de moeder leugens over hen verspreidt en bij derden kwaadspreekt over hen. Ook als de gezagsbeëindigende maatregel in stand blijft en er geen ondertoezichtstelling meer is, zullen de vader en de stiefmoeder de moeder blijven informeren over belangrijke zaken omtrent [minderjarige] . De moeder kon en kan overigens ook zelf informatie inwinnen over [minderjarige] . De school van [minderjarige] heeft de moeder, met instemming van de vader, uitgenodigd zelf contact op te nemen met de school, maar dat heeft de moeder niet gedaan. Verder zullen de vader en de stiefmoeder altijd blijven meewerken aan de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . De vader vindt het belangrijk dat de moeder en [minderjarige] elkaar regelmatig blijven zien. Als [minderjarige] haar niet vaker dan eenmaal in de twee weken wil zien, accepteert de vader dat: hij gaat [minderjarige] niet dwingen. Als [minderjarige] twaalf is, kan hij hierover zelf een beslissing nemen. Het hof overweegt het volgende. 3.9.1. Op grond van lid 1 van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 3.9.2. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van misbruik van gezag (sub b). Dit betekent dat aan het hof de vraag voorligt of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a, BW. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is. 3.9.3. De 11-jarige [minderjarige] is een kwetsbaar kind dat met zijn moeder is opgegroeid in een onveilige en turbulente thuisomgeving waar huiselijk geweld voorkwam, de moeder wisselende partners over de vloer had en sprake was van drugsgebruik. In mei 2021 is [minderjarige] bij zijn vader en stiefmoeder gaan wonen, waar hij nog steeds woont. De moeder is het ermee eens dat [minderjarige] hier opgroeit en dat voor hem de aanvaardbare termijn is verstreken. Uit de gesprekken die de raad en de GI met [minderjarige] hebben gehad is gebleken dat het voor [minderjarige] makkelijker en minder stressvol is geworden sinds zijn vader alleen de beslissingen over hem kan nemen. Door de beslissing van rechtbank is in positieve zin veel veranderd voor [minderjarige] . Hij maakt zich minder zorgen of de zaken voor hem wel op tijd worden geregeld en of zijn moeder wel haar toestemming geeft. 3.9.4. Hoewel het naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige] heeft hij nog steeds te kampen met de gevolgen van een voor hem traumatisch incident uit 2021 waarbij de moeder hem, tegen de afspraken in, met de auto heeft meegenomen vanuit school nadat zij ruzie had gemaakt met zijn tante. De moeder heeft [minderjarige] toen enkele dagen bij zich gehouden en pas na een interventie van Veilig Thuis is [minderjarige] teruggekeerd naar de vader.
Volledig
Deze gebeurtenis heeft zo’n impact op [minderjarige] gehad dat hij hiervoor nog steeds traumaverwerking nodig heeft. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat inmiddels het maximale resultaat is behaald binnen de traumatherapie. [minderjarige] zou er baat bij kunnen hebben als de moeder zou onderkennen welke sporen deze gebeurtenis bij [minderjarige] heeft nagelaten. Dat heeft zij tot op heden nagelaten. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling afzonderlijk van elkaar verklaard dat [minderjarige] het nodig heeft dat de moeder de door hem ervaren angstige gebeurtenissen erkent om zo tot een succesvolle verdere traumaverwerking in zijn behandeltraject te kunnen komen. De moeder is hier echter niet op ingegaan. Daarmee geeft zij er nog steeds geen blijk van in het belang van [minderjarige] te kunnen denken en handelen. Het hof ziet dit ook bevestigd in haar algehele houding richting de hulpverlening. De GI heeft onweersproken verklaard dat de moeder de aanmelding bij de GGZ na één jaar wachttijd heeft laten verlopen door niet te verschijnen voor de intake. Verder heeft de moeder verklaard dat ze zich alleen maar heeft gewend tot [instantie 2] ‘omdat het moest van de GI’. Van een intrinsieke motivatie om te komen tot daadwerkelijke verandering in haar doen en laten is nog steeds geen sprake. De moeder is er al vaker door de rechtbank, de raad en de GI op gewezen waarom het zo belangrijk is om openheid van zaken te geven. Alleen als de moeder volledig inzicht geeft en bewijzen laat zien van haar behandeltrajecten (bij [instantie 2] en bij de psycholoog) en over haar middelengebruik, wordt zichtbaar of de moeder daadwerkelijk aan zichzelf heeft gewerkt en dat zij inmiddels wel inzicht heeft in wat [minderjarige] van haar nodig heeft, zodat ze voor [minderjarige] een betrouwbare ouder kan zijn. Daarvan is nog steeds geen sprake. Het bevreemdt het hof dat de moeder verklaart ‘geen idee te hebben wat zij moet doen’ om aan te tonen dat ze vrij is van middelengebruik, temeer nu ze in het verleden onder behandeling stond bij [instantie 3] . Het mag inmiddels worden verondersteld dat de moeder hiervoor de juiste wegen weet te bewandelen. Daarbij komt dat ze pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard onder behandeling van een psycholoog te staan, maar dit op geen enkele manier met nadere stukken heeft onderbouwd. 3.9.5. Dat de moeder niet in staat is om in het belang van [minderjarige] te kunnen denken en handelen blijkt ook uit haar houding richting [minderjarige] zelf. Tijdens de mondelinge behandeling is uitvoerig gesproken over de belastende uitspraken die de moeder zou hebben gedaan richting [minderjarige] . Hoewel de moeder dit stellig ontkende, bevestigde zij later dat zij inderdaad via Whatsapp met [minderjarige] heeft gesproken over bij haar logeren. De moeder ziet niet in dat dit soort berichten heel vervelend en belastend zijn voor [minderjarige] . Vanuit [minderjarige] bezien: hij woont al ruim drie jaar bij zijn vader en hij heeft eenmaal in de veertien dagen anderhalf uur – onder begeleiding – contact met zijn moeder. Met een bericht van zijn moeder dat er een televisie op zijn kamer staat voor ‘als hij komt logeren’, kan [minderjarige] niets. Deze situatie is niet aan de orde en niet realistisch. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig en de moeder creëert met haar eigen gedrag juist verwarring. 3.9.6. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] beter is dat de moeder niet meer met het gezag over hem is belast. Behoud van het haar gezag zou bovendien betekenen dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zouden moeten worden verlengd. Omdat er niet meer wordt gewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder, is dit een gepasseerd station. Voortzetting van de hulpverlening binnen het vrijwillig kader, zoals de moeder wenst, biedt te weinig waarborgen. De gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk zodat [minderjarige] in alle rust, zonder zich zorgen te maken over beslissingen die de moeder wel of niet gaat nemen over hem, verder kan opgroeien bij zijn vader en stiefmoeder en van waaruit hij kan toekomen aan verdere traumaverwerking voor hetgeen hij heeft meegemaakt. Tot slot 3.9.7. Gebleken is dat de ouders nauwelijks contact met elkaar hebben en niet meer met elkaar kunnen samenwerken. De vrees van de moeder dat zij een steeds kleiner deel zal gaan uitmaken van het leven van [minderjarige] als zij niet langer het gezag over hem heeft, is invoelbaar. Het hof sluit zich aan bij het advies van de raad dat de vader met de GI dient te bespreken hoe, op een voor [minderjarige] goede manier, de moeder deel kan blijven uitmaken van het leven van [minderjarige] . Deze beslissing mag niet bij een minderjarige en dus ook niet bij [minderjarige] worden gelegd en anders dan de vader en de stiefmoeder kennelijk menen is niet juist dat [minderjarige] op zijn twaalfde zelf mag kiezen of en hoe vaak hij zijn moeder wil zien. De moeder zal altijd een belangrijke rol blijven spelen in het leven van [minderjarige] . De vader zal de moeder moeten blijven informeren over belangrijke zaken rondom [minderjarige] . 3.9.8. Beslist wordt als volgt. 4 De beslissing bekrachtigt de bestreden beschikking; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens, en L.M.H. Nelissen en is op 2 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Volledig
Deze gebeurtenis heeft zo’n impact op [minderjarige] gehad dat hij hiervoor nog steeds traumaverwerking nodig heeft. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat inmiddels het maximale resultaat is behaald binnen de traumatherapie. [minderjarige] zou er baat bij kunnen hebben als de moeder zou onderkennen welke sporen deze gebeurtenis bij [minderjarige] heeft nagelaten. Dat heeft zij tot op heden nagelaten. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling afzonderlijk van elkaar verklaard dat [minderjarige] het nodig heeft dat de moeder de door hem ervaren angstige gebeurtenissen erkent om zo tot een succesvolle verdere traumaverwerking in zijn behandeltraject te kunnen komen. De moeder is hier echter niet op ingegaan. Daarmee geeft zij er nog steeds geen blijk van in het belang van [minderjarige] te kunnen denken en handelen. Het hof ziet dit ook bevestigd in haar algehele houding richting de hulpverlening. De GI heeft onweersproken verklaard dat de moeder de aanmelding bij de GGZ na één jaar wachttijd heeft laten verlopen door niet te verschijnen voor de intake. Verder heeft de moeder verklaard dat ze zich alleen maar heeft gewend tot [instantie 2] ‘omdat het moest van de GI’. Van een intrinsieke motivatie om te komen tot daadwerkelijke verandering in haar doen en laten is nog steeds geen sprake. De moeder is er al vaker door de rechtbank, de raad en de GI op gewezen waarom het zo belangrijk is om openheid van zaken te geven. Alleen als de moeder volledig inzicht geeft en bewijzen laat zien van haar behandeltrajecten (bij [instantie 2] en bij de psycholoog) en over haar middelengebruik, wordt zichtbaar of de moeder daadwerkelijk aan zichzelf heeft gewerkt en dat zij inmiddels wel inzicht heeft in wat [minderjarige] van haar nodig heeft, zodat ze voor [minderjarige] een betrouwbare ouder kan zijn. Daarvan is nog steeds geen sprake. Het bevreemdt het hof dat de moeder verklaart ‘geen idee te hebben wat zij moet doen’ om aan te tonen dat ze vrij is van middelengebruik, temeer nu ze in het verleden onder behandeling stond bij [instantie 3] . Het mag inmiddels worden verondersteld dat de moeder hiervoor de juiste wegen weet te bewandelen. Daarbij komt dat ze pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard onder behandeling van een psycholoog te staan, maar dit op geen enkele manier met nadere stukken heeft onderbouwd. 3.9.5. Dat de moeder niet in staat is om in het belang van [minderjarige] te kunnen denken en handelen blijkt ook uit haar houding richting [minderjarige] zelf. Tijdens de mondelinge behandeling is uitvoerig gesproken over de belastende uitspraken die de moeder zou hebben gedaan richting [minderjarige] . Hoewel de moeder dit stellig ontkende, bevestigde zij later dat zij inderdaad via Whatsapp met [minderjarige] heeft gesproken over bij haar logeren. De moeder ziet niet in dat dit soort berichten heel vervelend en belastend zijn voor [minderjarige] . Vanuit [minderjarige] bezien: hij woont al ruim drie jaar bij zijn vader en hij heeft eenmaal in de veertien dagen anderhalf uur – onder begeleiding – contact met zijn moeder. Met een bericht van zijn moeder dat er een televisie op zijn kamer staat voor ‘als hij komt logeren’, kan [minderjarige] niets. Deze situatie is niet aan de orde en niet realistisch. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig en de moeder creëert met haar eigen gedrag juist verwarring. 3.9.6. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] beter is dat de moeder niet meer met het gezag over hem is belast. Behoud van het haar gezag zou bovendien betekenen dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zouden moeten worden verlengd. Omdat er niet meer wordt gewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder, is dit een gepasseerd station. Voortzetting van de hulpverlening binnen het vrijwillig kader, zoals de moeder wenst, biedt te weinig waarborgen. De gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk zodat [minderjarige] in alle rust, zonder zich zorgen te maken over beslissingen die de moeder wel of niet gaat nemen over hem, verder kan opgroeien bij zijn vader en stiefmoeder en van waaruit hij kan toekomen aan verdere traumaverwerking voor hetgeen hij heeft meegemaakt. Tot slot 3.9.7. Gebleken is dat de ouders nauwelijks contact met elkaar hebben en niet meer met elkaar kunnen samenwerken. De vrees van de moeder dat zij een steeds kleiner deel zal gaan uitmaken van het leven van [minderjarige] als zij niet langer het gezag over hem heeft, is invoelbaar. Het hof sluit zich aan bij het advies van de raad dat de vader met de GI dient te bespreken hoe, op een voor [minderjarige] goede manier, de moeder deel kan blijven uitmaken van het leven van [minderjarige] . Deze beslissing mag niet bij een minderjarige en dus ook niet bij [minderjarige] worden gelegd en anders dan de vader en de stiefmoeder kennelijk menen is niet juist dat [minderjarige] op zijn twaalfde zelf mag kiezen of en hoe vaak hij zijn moeder wil zien. De moeder zal altijd een belangrijke rol blijven spelen in het leven van [minderjarige] . De vader zal de moeder moeten blijven informeren over belangrijke zaken rondom [minderjarige] . 3.9.8. Beslist wordt als volgt. 4 De beslissing bekrachtigt de bestreden beschikking; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens, en L.M.H. Nelissen en is op 2 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.