Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-02-20
ECLI:NL:GHSHE:2025:476
Parketnummer : 20-000487-20 Uitspraak : 20 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-990002-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 5 primair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van: 1. primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd ; 2. primair: poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod ; 3. medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict; 4. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel; 5 subsidiair: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict; 6: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde artikel van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict; 7: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde artikel van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict; 8: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken; 9: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; 10: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; 11: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid Wet wapens en munitie en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest Het systeem van de wet is zo ingericht dat het Openbaar Ministerie, wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van artikel 66, derde lid, Sv, de zaak ter terechtzitting dient aan te brengen bij de strafrechter. In zo’n geval kan, indien de definitieve beschuldiging nog niet geformuleerd kan worden omdat bijvoorbeeld het strafrechtelijk opsporingsonderzoek nog niet is afgerond, voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven. Dit volgt uit artikel 261, derde lid, Sv. De tenlastelegging wordt in zo’n geval doorgaans aangeduid als een ‘voorlopige tenlastelegging’ in de zin van art. 314a Sv. Op enig moment moet de tenlastelegging wel in overeenstemming met artikel 261, eerste lid, Sv worden gebracht, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Dit wordt voorgeschreven door artikel 314a Sv. De officier van justitie zal in dat geval een vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging moeten doen waarop de rechtbank een beslissing dient te nemen. Als de rechtbank die vordering toewijst, dan is sprake van een dagvaarding die de grondslag zal vormen voor de uiteindelijke beraadslagingen op de voet van art. 348 en 350 Sv. Een dergelijke tenlastelegging kan alleen op de voet van art. 313 Sv gewijzigd worden met inachtneming van de in de wet en jurisprudentie neergelegde beoordelingskaders. Het hof stelt de volgende feiten vast. Vóór de terechtzitting in eerste aanleg is aan de verdachte een zogenoemde voorlopige dagvaarding uitgereikt, waarin met betrekking tot de tenlastegelegde feiten is volstaan met een omschrijving van het feit zoals dit in het bevel gevangenhouding c.q. bewaring is opgenomen. Uit de stukken van de rechtbank, te weten de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, kan niet worden afgeleid dat eerder dan op de zitting van 20 februari 2027 een vordering ex artikel 314a Sv is gedaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari 2017 – hetgeen de kenbron is van hetgeen daar is voorgevallen – kan worden afgeleid dat toen door het Openbaar Ministerie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging is gedaan. De grondslag – artikel 313 of 314a Sv – is niet vermeld, maar een en ander kan niet anders worden uitgelegd dan dat toen en daar een vordering als bedoeld in artikel 314a Sv is gedaan. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt ook dat die vordering is toegewezen en dat aan de verdediging een gewaarmerkt afschrift is verstrekt. Het hof stelt verder vast dat het door de advocaat-generaal aan het hof overgelegde exemplaar van de vordering ex artikel 314a Sv uit eerste aanleg dezelfde tekst heeft en dus gelijkluidend is aan de in het vonnis opgenomen tenlastelegging. Het hof concludeert aldus dat de tekst van de in die vordering opgenomen tenlastelegging de grondslag heeft gevormd voor het onderzoek ter terechtzitting en de beraadslaging ex artikel 348/350 Sr door de rechtbank. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet van enige onduidelijkheid aan de zijde van de verdediging omtrent de inhoud van de tenlastelegging. Dat in het proces-verbaal de inhoud van de vordering niet is opgenomen en het gewaarmerkte afschrift zich niet in het dossier bevindt en kennelijk in het ongerede is geraakt, leidt – gelet op het feit dat nietigheid noch substantiële nietigheid hierop gesteld is – niet tot het gevolg dat de verdediging nastreeft. Het verweer wordt mitsdien verworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat: 1. (zaaksdossier Bananen) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen, in elk geval op (zaaksdossier [betrokkene 17]) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, tezamen met een ander of anderen, althans alleen, voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, althans opzettelijk te verkopen en/of af te leveren en/of te verstrekken aan en/of te vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig te hebben, (ongeveer) 76 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk - een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) heeft gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten heeft verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - een of meer betaling(en) heeft (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - [bedrijf 1] als ontvanger van te importeren meubels uit Colombia heeft laten oprichten en/of - een of meer telefoon(s) en/of geldbedrag(en) in ontvangst heeft genomen en/of heeft laten nemen en/of - ( een) deklading(en) (meubels) heeft geregeld/laten regelen en/of -(een) ruimte(n) heeft geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en/of - naar voeten/poten voor onder containers heeft gezocht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 76 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: - een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/o (zaaksdossier Kerstpakketten) hij op of omstreeks 23 december 2015 te Venlo en/of Duisburg en/of Brussel, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland en/of Duitsland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 5. (zaaksdossier Raamsdonksveer) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam en/of Harderwijk en/of Breda, in elk geval (op een of meer plaats(en)) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 1015,46 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1015 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: - een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - met een of meer perso(o)n(en) op internet gezocht naar (een) (opslag)loods(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of (zaaksdossier [betrokkene 25]) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 januari 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Bilthoven en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: - een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of - ( een) deklading(en) (hout) geregeld/laten regelen en/of - een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en/of - bepaald dat het hout op naam van bedrijf [bedrijf 1] moet worden geïmporteerd; 8. (zaaksdossier Deklading) hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of [woonplaats 1] , in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (van) een of meer geldbedrag(en), althans een of meer voorwerp(en), te weten - 256.950 euro en/of - 213.050 euro en/of - 141.550 euro en/of - 30.900 euro en/of - 141.900 euro - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die voorwerpen voorhanden hebben gehad en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 9. (zaaksdossier Samen) hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amster De advocaat-generaal vindt met de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] telkens actief betrokken waren bij het regelen van een deklading om een transport van cocaïne te verbergen en dat dit via een zogenoemde schakelbewijsconstructie ook geldt voor de vrachten glycerine, ananassen en hout, die dan eveneens dekladingen waren voor transporten van cocaïne. Het hof deelt dit standpunt van de advocaat-generaal niet. Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de hiervóór geschetste punten niet zodanig specifiek en/of onderscheidend zijn dat van een patroon of dezelfde modus operandi kan worden gesproken op grond waarvan buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat ook in de genoemde zaaksdossiers Glycerine, Ananassen en [betrokkene 25] telkens sprake moet zijn geweest van de invoer van cocaïne, dan wel het opzetten van een lijn voor de invoer van cocaïne. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw, dat er transporten zijn gecontroleerd waarbij in het geheel geen cocaïne is aangetroffen, hetgeen erop duidt dat de verdachten ook andere zaken importeerden dan alleen vrachten die contrabande bevatten. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3, 6 en 7 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde overweegt het hof dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat in de dozen die mede door de verdachte buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht, dan wel opzettelijk zijn afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig zijn gehad, hennep zat en zo ja, hoeveel hennep er dan in zat. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde. Voor wat betreft de motivering van de deelvrijspraken per feit verwijst het hof naar de verderop in dit arrest opgenomen bewijsoverwegingen per feit. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 5 subsidiair, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij: 1. (zaakdossier Bananen) hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 op plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.150 kilogram en ongeveer 628 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 2. (zaaksdossier [betrokkene 17]) hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 76 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden, - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: - telefoongesprekken (in versluierd taalgebruik) gevoerd en telefonische berichten en mailberichten verstuurd met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en - met personen contact opgenomen en ontmoetingen gehad met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende mid (zaaksdossier Sigarenknipper) hij in de periode van 31 augustus 2015 tot en met 17 september 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte die [benadeelde] opzettelijk dreigend (telefonisch) (in de Engelse taal) de volgende woorden toegevoegd: -‘luister [benadeelde] , je zult alles regelen wat [medeverdachte 1] met jou heeft afgesproken, dat zul je vanavond doen, je zult die 15 vanavond brengen en die andere 15 zul je uiterlijk op donderdag brengen anders zal ik je klote kop eraf schieten, oke? Ik weet verdorie waar je woont en het is geen grap’ en (op zeer luide toon) ‘dus neem dit heel serieus, neem dit heel serieus mijn vriend, ja?’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking. 11. (zaaksdossier [woonplaats 1] ) hij op 7 juni 2016 te [woonplaats 1] - vier wapens van categorie I onder 7°, te weten imitatievuurwapens en - twee wapens van categorie II, te weten stroomstootwapens en - drie spuitbussen pepperspray, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn voor zover het betreft verklaringen, uitgewerkte taps en chats opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling is aan dit arrest gehecht. Voor zover de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring bestaan uit documenten, waaronder facturen, transportdocumenten, e-mails, overeenkomsten en bevindingen van verbalisanten, heeft het hof volstaan met een verwijzing naar die bewijsmiddelen in de voetnoten bij de navolgende bewijsoverwegingen. Bewijsoverwegingen Algemene bewijsoverwegingen Het strafdossier Het dossier Gadolinium beslaat een groot aantal ordners en bevat onder meer diverse zaaksdossiers. Het hof is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaakdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Aanpak van het hof De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal per zaaksdossier worden besproken. Voor zover het hof tot het oordeel komt dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust deze beslissing op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bewijsoverwegingen per feit 1 Feit 1 (zaaksdossier Bananen) 1.1. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal acht, anders dan de officier van justitie in eerste aanleg maar in navolging van de rechtbank, het onder 1 primair tenlastegelegde, kort gezegd het meermalen medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, wettig en overtuigend bewezen. 1.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Deze gronden komen – samengevat – op het volgende neer. [verdachte] is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de invoer van cocaïne op 6 en 13 juli 2015, noch bij de voorbereiding daarvan. [verdachte] heeft geen bemoeienis gehad met het bedrijf [ IRC heeft daarop laten weten dat er nog steeds niks duidelijk is over de verblijfplaats van de getuige. Omdat de woon- of verblijfplaats van de getuige via de aan de raadsheer-commissaris ten dienste staande systemen niet kan worden achterhaald en onderzoek door het IRC en Zuid-Afrika niet hebben geleid tot een actuele verblijfplaats van de getuige, acht de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden opgeroepen ten einde als getuige te worden gehoord. De zaak zal op het kabinet worden afgesloten en zal voor planning van de inhoudelijke behandeling (intern) worden doorgestuurd.’ Ondanks de ondernomen pogingen daartoe, is [getuige 1] dus niet als getuige in hoger beroep gehoord. De verdediging heeft geen afstand gedaan van het ondervragingsrecht. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal verhoor van getuigen blijkt echter dat [getuige 1] tijdens de strafprocedure in eerste aanleg, op 7 juni 2018, door de rechter-commissaris als getuige is gehoord in het bijzijn van onder meer de raadsman van de verdachte, mr. Korvinus , dat de raadsman van de verdachte de getuige bij die gelegenheid heeft ondervraagd en dat de getuige op al diens vragen antwoord heeft gegeven (voormeld proces-verbaal is opgenomen in de map ‘RC-stukken deel 1’). De verdediging heeft [getuige 1] dus kunnen bevragen omtrent zijn eerder bij de politie afgelegde, voor de verdachte belastende verklaringen. Voor de verdediging heeft daarom een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [getuige 1] bestaan. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat de verdediging [getuige 1] niet heeft kunnen ondervragen omtrent diens verklaring als verdachte ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak omdat die terechtzitting ten tijde van het getuigenverhoor door de rechter-commissaris nog niet had plaatsgevonden. De verklaring die [getuige 1] als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, heeft hij alleen in zijn eigen strafzaak afgelegd en niet in de strafzaak tegen de verdachte. Het hof gebruikt die verklaring van [getuige 1] dan ook niet voor het bewijs. De verklaringen die [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd kunnen en zullen door het hof wel voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer dat die verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten wordt bijgevolg verworpen. 1.3.2. Beoordeling feit 1 Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld. Feitelijke invoer Op 7 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 3.597,08 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [scheepsnaam 1] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (VK) op 6 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [bedrijf 4] , contactpersoon [betrokkene 3] . Op 14 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 627,65 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [scheepsnaam 2] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (VK) op 13 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [bedrijf 4] , contactpersoon [betrokkene 3] . Feit van algemene bekendheid is dat de haven van Antwerpen voor zeeschepen uitsluitend te bereiken is via het Nederlandse gedeelte van de Westerschelde. Het kan daarom niet anders dan dat de voornoemde twee hoeveelheden cocaïne eerst per schip binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht alvorens het schip met de cocaïne is doorgevaren naar de haven van Antwerpen. Het hof is daarom met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ bewezen kan worden verklaard. Dat de cocaïne verv Hij vraagt daarna om input aan [medeverdachte 1] : ‘daar jij de verkoper kent.’ Op 10 februari 2015 mailt [verdachte] naar [medeverdachte 1] een interne berekening die niet per ongeluk door gemaild mag worden. Hierin staan kort gezegd de te verwachten opbrengsten en de afsluiting: ‘Niet slecht voor 2 boerenlullen zonder de ballen verstand van Bananen.. die pas 2 maanden bezig zijn. En dat is nog maar het begin..!!!!!!!!!!!!!!’ Op 16 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een voorstel naar afnemer [bedrijf 7] waarin hij aankondigt de maanden april, mei en juni drie vrachten bananen per week te kunnen gaan leveren die aankomen in de haven in Antwerpen. Op diezelfde dag accepteert [medewerker bedrijf 7] van [bedrijf 7] het aanbod en worden verdere afspraken gemaakt. Op 17 februari 2015 wordt door [verdachte] een berekening aan [medeverdachte 1] gestuurd met daarin vermeld de kosten van [getuige 1] . Beoogd wordt om hem aan te nemen per 1 mei 2015 met een proefperiode van 6 maanden voor een brutosalaris van 3.500 euro per maand. Een andere importeur Het hof constateert dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op dat moment (dus half februari 2015) zeer concrete plannen lijken te hebben voor de invoer van bananen via de haven in Antwerpen en dat ze daarvoor een werknemer ( [getuige 1] ) nodig hebben. [verdachte] heeft verklaard dat de enige bananen die [bedrijf 5] zelf ingevoerd heeft de drie vrachten in december 2014 en januari 2015 betreffen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt ook dat het qua invoer door [bedrijf 5] daar bij gebleven is. Hij verklaarde dat ze de samenwerking met [betrokkene 6] beëindigden. Dit betekent dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2015 concrete voorstellen deden over bananen die zij niet zelf in Nederland zouden invoeren. Uit niets blijkt dat zij op dat moment zelf bezig waren met contacten in Zuid-Amerika om zelf transporten naar Nederland te organiseren. Desalniettemin achtten zij zichzelf in staat bananen te verkopen en verwachtten zij wel de aankomst van bananen in Antwerpen in de maanden april, mei en juni 2015. Met ingang van 23 februari 2015 worden zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder met de titel algemeen directeur van [bedrijf 5] [getuige 1] heeft nog geen rol bij [bedrijf 5] of één van de andere bedrijven als de eerste bananen binnen moeten komen voor [bedrijf 5] Op 31 maart 2015 en 1 april 2015 zijn de heer [betrokkene 3] , de heer [getuige 1] en de heer [betrokkene 7] ( [telefoonnummer 2] ) bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven geweest. Medewerkers van de Kamer van Koophandel hebben hun bevindingen van deze bezoeken op 31 maart 2015 en die van de volgende dag in een document weergegeven. In dit document staat dat [betrokkene 3] op 31 maart 2015 een bestuurswisseling door wilde geven, maar niet goed genoeg wist waar het over ging en dus weggestuurd werd. In de middag kwam hij terug met [getuige 1] en [betrokkene 7] . Het ging om een directiewisseling van [bedrijf 9] (die een onderneming heeft: [bedrijf 10] ). [getuige 1] vroeg of hij nou directeur werd van [bedrijf 10] of van [bedrijf 9] Hij gaf niet blijk van enige kennis op dit punt en ook niet dat hij werkelijk wist waarvoor hij nou tekende, want toen het was uitgelegd moest hij nog een keer naar de hal om met [betrokkene 7] te overleggen. Het is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [getuige 1] geen adres in Nederland had. Op 1 april 2015 kwamen ze weer terug voor een bestuurswisseling van [bedrijf 4] en [bedrijf 11] . Men liep tegen hetzelfde probleem met het adres aan. Inmiddels was [getuige 1] wel naar de gemeente Heemstede geweest om zich in te schrijven, hiervan werd een uittreksel getoond door [betrokkene 7] . Dit was geen uittreksel van een woonadres. Verder speelde met betrekking tot [bedrijf 4] dat zij bestuurder was van een failliete onderneming en dat daardoor de curator groen licht zou moeten geven voor de wijziging. Op de middag van 31 maart 2015 zi Hij heeft die afgenomen, maar het viel hem op dat op de CMR-formulieren [bedrijf 4] stond. Omdat hij geen problemen wilde, heeft hij [verdachte] meteen een mail gestuurd. [verdachte] heeft hem in reactie daarop gemaild dat zij (het hof begrijpt: [bedrijf 5] ) een overeenkomst hadden met [bedrijf 4] om alle vrachten van hen over te nemen en dat de factuur betaald kon worden aan [bedrijf 5] . Dat heeft [bedrijf 7] vervolgens ook gedaan. [verdachte] doet het voorkomen of de bananen werden ingevoerd door [bedrijf 4] en vervolgens werden overgenomen door [bedrijf 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [bedrijf 4] aanstuurden. Daar komt bij dat uit de stukken, de aangetroffen administratie en overige bescheiden niet naar voren komt dat [bedrijf 4] de bananen heeft geïmporteerd en vervolgens heeft verkocht aan [bedrijf 5] . Er zijn geen koopovereenkomsten of betalingen aangetroffen tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Feit is dat [verdachte] rechtstreeks zaken deed met [bedrijf 7] om de bananen te verkopen nadat ze waren ingevoerd. De eerste lading bananen die aan [bedrijf 7] was beloofd arriveerde op 28 mei 2015 bij [bedrijf 7] . Deze lading was afkomstig van [bedrijf 4] en kwam vanuit Geleen. Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 3] ) blijkt dat het telefoonnummer zich op 28 mei 2015 tussen 10:15 en 10:56 uur in Geleen bevond, het heeft masten aangestraald binnen het bereik van de [adres 4] aldaar. Op 28 mei 2015 om 10:41 uur mailt [verdachte] ( [e-mailadres 3] ) aan [medewerker bedrijf 7] : ‘Onderwerp: FWD: Foto 1 Beste [medewerker bedrijf 7] . Zoals afgesproken de fotos (4 totaal). De vrachten, totaal 64 Pallets worden vandaag bij jullie aangeleverd door de [bedrijf 12] . Met vriendelijke groet [verdachte] . Ps factuur zorgt [medeverdachte 1] voor namens [bedrijf 5] Heemstede.’ Het hof constateert dat [verdachte] een foto doormailt (FWD) aan de klant op het moment dat de telefoon van [medeverdachte 1] in Geleen is. Deze bevindingen onderstrepen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de beschikking hebben over de bananen van [bedrijf 4] in Geleen. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] over de rol van [getuige 1] bij [bedrijf 4] en hun betrokkenheid daarbij acht het hof, evenals de rechtbank, gelet op het bovenstaande ongeloofwaardig. De verklaringen van [getuige 1] , die worden ondersteund door die van [medewerker bedrijf 7] , passen daarentegen wel bij bovenstaande bevindingen. Op basis van het bovenstaande concludeert het hof met de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] [bedrijf 4] doelbewust hebben laten overnemen en hem verder buiten alles hebben gehouden. [getuige 1] werd slechts op papier bestuurder van [bedrijf 4] maar had er feitelijk niets mee te maken. [medeverdachte 1] daarentegen had toegang tot de mail en bankzaken van [bedrijf 4] . Tussenconclusie Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in het voorjaar van 2015 samen een constructie met [bedrijf 4] B.V. hebben opgezet. Hiervoor hebben ze [getuige 1] gebruikt, die feitelijk als katvanger fungeerde voor [bedrijf 4] . Eenmanszaak [bedrijf 1] Hoewel de beide vrachten met bananen waarin de cocaïne werd gevonden volgens de vrachtbrieven bestemd waren voor [bedrijf 4] , is er een rol voor [bedrijf 1] weggelegd bij het transport van deze bananen met cocaïne. Het hof zal daarom hierna [bedrijf 1] bespreken. Op 1 juni 2015 wordt [bedrijf 1] gevestigd, dit is op 2 juni 2015 geregistreerd. In zijn eerste verhoor op 8 juni 2016 heeft [getuige 1] verklaard dat hij [bedrijf 1] moest vestigen. Hij moest transacties doen namens [bedrijf 5] en die kocht van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] kocht van de leverancier. Volgens [getuige 1] ging het om papieren transacties. In het dossier bevinden zich verschillende versies van een factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5] van 8 juni 2015. Deze versies zijn op 7 juni 2016 digitaal aangetroffen op de Medion lapt In telefoongesprekken van 12 augustus 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt gesproken over deze mailsessie. In het antwoord van [bedrijf 14] wordt gevraagd om een factuur waaruit zou kunnen blijken dat [bedrijf 4] de goederen heeft verkocht aan [bedrijf 1] . Het hof maakt hieruit op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennis hebben van het feit dat er in juli 2015 gemaild is door [bedrijf 14] aan [bedrijf 4] over een factuur waaruit kan blijken dat de bananen zijn verkocht door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] . De factuur heeft het hof niet aangetroffen. Op 10 juli 2015 wordt de loods aan de [adres 4] in Geleen (waar de bananen voor [bedrijf 4] afgeleverd moesten worden) doorzocht. In een ruimte die kennelijk als kantoor was ingericht werd in een kast administratieve bescheiden aangetroffen (transportformulieren) en een visitekaartje van een fruitbedrijf. In een vuilcontainer werden snippers van een verscheurd transportformulier en stickers van vermoedelijk andere zendingen goederen aangetroffen. Dit werd inbeslaggenomen. Er werden 36 vrachtbrieven aangetroffen. Op deze vrachtbrieven staat voor de zendingen die vertrokken vanaf de loods in Geleen telkens vermeld als afzender [bedrijf 4] , al dan niet met daarbij handgeschreven [bedrijf 5] Geleen. Het hof maakt hieruit op dat ook in de loods aan de [adres 4] niets op papier is aangetroffen dat duidt op de betrokkenheid van [bedrijf 1] bij de vracht bananen die op 9 juli 2015 moest aankomen in Geleen. Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van [bedrijf 1] bij bananen, anders dan de bovengenoemde mail van 6 juli 2015 en de daarop volgende mails met [bedrijf 14] . Daar waar de namen [betrokkene 8] en [betrokkene 10] worden genoemd als contactpersonen voor transporteurs of derden zoals [betrokkene 11] , is dat steeds namens [bedrijf 4] of [bedrijf 5] . Met de rechtbank overweegt het hof dat het bovenstaande erop wijst dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , die betrokken waren bij [bedrijf 4] , ook betrokken waren bij [bedrijf 1] . Zij beschikten ook over de inloggegevens van de mail van [bedrijf 1] . Dit past bij de verklaringen van [getuige 1] . Het hof hecht gelet hierop meer waarde aan de verklaringen van [getuige 1] dan aan die van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het hof gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] [bedrijf 1] hebben laten oprichten teneinde zelf uit beeld te blijven. Dit past ook bij de eerdere constatering dat [getuige 1] bij [bedrijf 4] naar voren is geschoven door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het feit dat [bedrijf 1] naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte, is voor het hof een redengevende omstandigheid voor de uiteindelijke conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] daar wel degelijk wetenschap van hadden. Stortingen [bedrijf 4] had in 2014-2015 twee bankrekeningen: - [rekeningnummer 1] , geopend op 1 oktober 2014 , zakelijk vertegenwoordiger [betrokkene 3] , pasnummer-volgnummer: [pasnummer 1] ; - [rekeningnummer 2] , geopend op 13 november 2014 , gemachtigde [gemachtigde 1] . Op beide bankrekeningen zijn contante geldbedragen gestort en daarvan werd onder meer betaald aan [bedrijf 13] te Colombia (leverancier van de bananen) en aan [bedrijf 14] (inklaarder van de bananen). Vanaf 3 juni 2015 lijkt er het een en ander veranderd te zijn: Op 3 juni 2015 worden de laatste stortingen bij de Kreissparkasse in Erkelenz gedaan (totaal € 20.000,00), en op 3 juni 2015 wordt datzelfde bedrag overgemaakt naar de ING rekening van [bedrijf 4] . Op 3, 4 en 5 juni 2015 worden er ook bedragen gestort op de ING rekening van [bedrijf 4] , maar niet meer zoals eerder in het zuiden van het land. Nijkerk, Heemstede, Baarn en [woonplaats 2] zijn de locaties van de stortingen die dagen. Daarna volgen geen stortingen meer op de Kreissparkasse rekening van [bedrijf 4] , maar wel de volgende stortingen op de ING-rekening van [bedrijf 4] : 3 juni 2015: € 10.000,00 om 13.30 uur in Nijkerk 4 jun Verder constateert het hof dat de stortingen die op de ING-rekening van [bedrijf 4] werden gedaan volledig passen in het stortingspatroon van [benadeelde] in Duitsland. De Whatsappberichten sluiten ook aan bij die bevindingen, die geven immers aan wanneer [medeverdachte 1] contact heeft gehad met [medeverdachte 2] (berichten dan wel ontmoetingen). Wanneer de gegevens naast elkaar gelegd worden leidt dit tot de volgende constateringen: Uit de apps van 4 juni 2015 blijkt dat [medeverdachte 1] contact gehad heeft met [medeverdachte 2] . In die periode (3, 4 en 5 juni 2015) is er geld gestort op de ING-rekening van [bedrijf 4] in [woonplaats 2] (woonplaats [medeverdachte 1] ) en omgeving en in Heemstede (kantoor [verdachte] ). Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op 11 juni 2015 weer contact met [medeverdachte 2] . Op 11, 12 en 15 juni volgens er stortingen van telkens € 15.000,00 in [woonplaats 2] op de rekening van [bedrijf 4] (zie boven). Daarnaast brengt [medeverdachte 1] op 12 juni 2015 contanten naar [benadeelde] , die die ochtend € 28.400,00 stort. Op diezelfde dag wordt een bedrag van € 27.500 overgeboekt naar [bedrijf 15] met als vermelding CONSULTING INVOICE [invoice-nummer 1] . Het rekeningnummer van [bedrijf 15] is volgens het bankafschrift van [benadeelde] [rekeningnummer 5] . Een en ander betekent dat er van 11 tot en met 15 juni 2015 herleidbaar € 73.400 is gestort. Op 11 juni appte [medeverdachte 1] aan [benadeelde] dat die 90 willen doen en dat [benadeelde] 30 moet storten. [benadeelde] vraagt [medeverdachte 1] om rekeningen. In de laptop van [medeverdachte 1] zijn drie facturen aangetroffen van [bedrijf 15] aan [bedrijf 16] op het adres van [benadeelde] . Deze dateren echter van 25 juni, 26 juni (consulting Invoice) en van 16 juli 2015 en hebben een ander rekening(factuur)nummer dan de hierboven genoemde factuur. In de laptop van [medeverdachte 1] is in de verwijderde items een notitie aangetroffen die volgens de metagegevens opgemaakt is op 20 juni 2015 te 16:08. Bovenaan deze notitie staat: ‘Dingen voor volgende week die geregeld moeten worden.’ Op de tweede helft van het blad staat: ‘ [bedrijf 4] bij storten nieuwe betaling overkant Duitsland storting met overboeking Facturen in orde maken En eventueel nieuwe boeking organiseren’. Op 23 juni 2015 laat [medeverdachte 1] aan [benadeelde] weten dat hij ‘die’ een bericht gestuurd heeft en dat hij op antwoord wacht. Op 26 juni 2015 laat [medeverdachte 1] weten aan [benadeelde] dat hij vandaag een afspraak heeft en dat hij misschien geld krijgt. Het is dan al te laat om [benadeelde] nog te zien die dag. Op 26 juni 2016 om 19.21 uur wordt er wel weer € 15.000,00 gestort op de ING rekening van [bedrijf 4] in [woonplaats 2] . Op 27 juni 2015 laat [medeverdachte 1] [benadeelde] weten dat hij nu 50K heeft. In de ochtend van 27 juni 2015 wordt er ook in vier delen € 15.000,00 gestort in Baarn op de ING-rekening. [medeverdachte 1] laat aan [benadeelde] weten dat ze elkaar treffen in Amersfoort en dat hij vanuit Antwerpen komt. Op 28 juni 2015 wordt er op de rekening van [benadeelde] € 22.300,00 en op 29 juni 2015 € 22.725,00 gestort. Op diezelfde dag wordt er € 32.300,00 overgemaakt aan [bedrijf 15] onder vermelding van [rekeningnummer 6] De factuur in de laptop van [medeverdachte 1] komt hiermee overeen qua bedrag en factuurnummer. Op 29 juni 2015 heeft [medeverdachte 1] contact met [benadeelde] en zegt hij dat hij morgen weer bij die mensen is. [benadeelde] vraagt of ze in Holland zijn en [medeverdachte 1] bevestigt dit. Op de rekening van [bedrijf 4] wordt die dag € 15.000,00 gestort in Heemstede. Op 3 juli wordt er ook nog € 15.000,00 gestort in Heemstede. Op zondag 19 juli 2015 vraagt [medeverdachte 1] aan [benadeelde] of hij kan storten. [medeverdachte 1] is nu in Antwerpen. Ze spreken af elkaar morgen te ontmoeten, [medeverdachte 1] vertrekt om 8 uur vanaf Antwerpen. Ze overleggen over hoeveel mogelijk is en [medeverdachte 1] sluit af met dat hij 100 brengt en dat [be [verdachte] was niet alleen als medebestuurder verantwoordelijk voor deze geldstromen, maar hij wist, blijkens de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] van 12 augustus 2015, daadwerkelijk van de hoed en de rand. [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] De betrokkenheid van [medeverdachte 2] komt verder in beeld wanneer wordt gekeken naar de rol van eerdergenoemde [betrokkene 3] . In het dossier duikt [betrokkene 3] op in oktober 2014. Op 1 oktober 2014 vraagt hij een zakelijke rekening aan bij de ING voor [bedrijf 4] . Op respectievelijk 24, 25 en 26 november 2015 wordt [betrokkene 3] bestuurder van een aantal rechtspersonen, waaronder [bedrijf 4] (waarvan hij ook enig aandeelhouder wordt). Op dat moment is [bedrijf 4] al bananen aan het invoeren, zo blijkt uit een Sea Way Bill van 21 november 2014. Als bestemmingsadres is daarop ingevoerd [adres 4] in Geleen en het wordt verscheept door [bedrijf 6] te Medellín, Colombia. De [adres 4] is met ingang van 1 oktober 2014 gehuurd door [bedrijf 17] , de overeenkomst is getekend door gemachtigde [gemachtigde 1] . Deze [gemachtigde 1] heeft op 13 november 2014 de hierboven genoemde bankrekening ( [rekeningnummer 2] ) in Duitsland geopend voor [bedrijf 4] In diezelfde periode (juli 2014 – februari 2015) worden door [gemachtigde 1] op de privérekening van [gemachtigde 1] bij diezelfde Kreissparkassebank in Duitsland een groot aantal stortingen gedaan, gevolgd door overboekingen aan [bedrijf 15] . Bij de stukken van [betrokkene 3] is een schermafdruk (d.d. 21 februari 2015) gevonden van een bericht d.d. 10 december 2014 van BNP Paribas met betrekking tot het nummer waarop de Security SMS zal worden ontvangen: [telefoonnummer 4] . Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de overboekingen van [benadeelde] op de rekening van [bedrijf 15] staat, volgt dat [bedrijf 15] een bankrekening bij BNP Paribas had. In de loods aan de [adres 4] in Geleen is een visitekaartje aangetroffen van [getuige 2] van [bedrijf 18] In Colombia is een tweetal getuigen gehoord, waaronder bovengenoemde [getuige 2] . Deze laatste verklaart dat het hem bekende nummer van [bedrijf 15] gevestigd te [vestigingsplaats bedrijf 15] in België [telefoonnummer 5] is. Hij verklaart tevens dat hij met betrekking tot [bedrijf 15] contact onderhield met de heer [betrokkene 14]. [betrokkene 14] heeft verklaard dat [bedrijf 15] bananen van hen kocht en dat hij betalingen ontving van [bedrijf 15] van bankrekening [rekeningnummer 12]. Hij heeft als telefoonnummer opgegeven: 32489632281. Beide heren verklaren overigens ook over de leveringen aan [bedrijf 4] . [betrokkene 3] heeft blijkens een bij zijn stukken aangetroffen bankafschrift op 6 november 2015 op zijn eigen bankrekening een betaling van € 800,00 ontvangen van de rekening van [bedrijf 15] BVBA te [vestigingsplaats bedrijf 15] ( [rekeningnummer 5] ). Het hof maakt uit deze gegevens op dat [bedrijf 15] BVBA gebruik maakte van BNP Paribas rekening [rekeningnummer 12] en telefoonnummer [telefoonnummer 6]. Delen van deze gegevens komen terug bij de stukken van [betrokkene 3] , via het kaartje in de loods van [bedrijf 4] in Geleen en uit de stortingen van [benadeelde] voor [medeverdachte 2] . [gemachtigde 1] voornoemd was betrokken bij [bedrijf 4] , maar ook bij [bedrijf 15] BVBA eind 2014, begin 2015. In de zomer van 2015 was [medeverdachte 1] betrokken bij beide ondernemingen in opdracht van [medeverdachte 2] . [gemachtigde 1] heeft verklaard dat hij de rekening in Duitsland voor [bedrijf 4] heeft geopend op verzoek van de kopers en dat zij de bankpasjes en de codes van hem gekregen hebben. [betrokkene 3] heeft [bedrijf 4] overgenomen, [gemachtigde 1] is met hem naar de Kamer van Koophandel en de notaris geweest. [gemachtigde 1] weet niet of [betrokkene 3] het voor zichzelf deed. Hij werd aangedragen door [betrokkene 15], die zijn [bedrijf 11] ook heeft gekocht. Hij zat met [betrokkene 15] op kantoor op nr. 64 C in Susteren. [betrokkene 3] is meermalen door de politie verh [medeverdachte 1] heeft vanaf halverwege mei 2015 besproken met [benadeelde] dat er vooruitzichten waren die te maken hadden met stortingen door [benadeelde] . [medeverdachte 1] was toen dus bezig met stortingen in Duitsland voor [medeverdachte 2] . [benadeelde] was een oude bekende van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [benadeelde] bij [medeverdachte 2] geïntroduceerd. Vanaf het moment dat het startte in juni 2015 ging het om substantiële bedragen. Het hof concludeert in navolging de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in elk geval in februari 2015 zaken deden met [medeverdachte 2] . Vanaf in ieder geval mei 2015 zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] dan ook betrokken geweest bij het creëren van een rookgordijn ten behoeve van [medeverdachte 2] . Zij hebben vanaf dat moment geweten dat zij betrokken waren bij het invoeren van bananen uit Zuid-Amerika waarbij de ware spelers (inclusief zijzelf) buiten beeld moesten blijven. Het hof gaat er dan ook van uit dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] en [verdachte] wetenschap hebben gehad van de reden van de beoogde schimmigheid: het invoeren van cocaïne. Het inschuiven van [bedrijf 1] bij de bewuste lading is een redengevende omstandigheid voor de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook op de hoogte waren van in welke lading precies de cocaïne zat. [medeverdachte 1] en [verdachte] moeten deze kennis hebben verkregen van [medeverdachte 2] . Uiteindelijk is ook in twee ladingen bestemd voor [bedrijf 4] een zeer grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben samen bewust hun werk gemaakt van het verschaffen van een legale dekmantel voor de praktijken van [medeverdachte 2] . Eindconclusie met betrekking tot feit 1 Kortom, uit de bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen blijkt dat tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de in de tenlastelegging bedoelde twee partijen cocaïne in Nederland, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was. Dit betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] tezamen en in vereniging tweemaal opzettelijk cocaïne hebben ingevoerd in juli 2015. De andersluidende verklaringen van [verdachte] vinden hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen. De bewijsverweren worden verworpen. 2 Feit 2 (zaaksdossier [betrokkene 17]) 2.1. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde op grond van hetgeen in het schriftelijk requisitoir is verwoord wettig en overtuigend bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. In reactie op het verweer van de verdediging heeft de advocaat-generaal betoogd dat het aangevoerde onvoldoende reden geeft om aan de betrouwbaarheid van de desbetreffende Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten te twijfelen. 2.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota, evenals in eerste aanleg, met betrekking tot het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde betoogd dat de Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de in de container met meubels aangetroffen stof niet betrouwbaar zijn en daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de verdediging drie argumenten naar voren gebracht, die naar het hof, met de rechtbank, begrijpt, in samenhang moeten worden bezien: a. De vermelding dat in de balken van de container in totaal 325 pakketten zijn aangetroffen kan niet juist zijn gelet op de in het dossier ook vermelde gegevens over het aantal pakketten per balk. Op grond van deze gegevens per balk kan niet tot een totaal aantal van 325 worden gekomen. De Colombiaanse berekening van het totaal aantal pakketten is dus onjuist; Het nummer van de desbetreffende container vangt in de Bill of Loading aan met de letters HLXU, in het rapport van de Colombiaan Voor wat betreft de code van de desbetreffende container overweegt het hof als volgt. Pagina 333 van het deeldossier [betrokkene 17] (uitgaande van de doorlopende paginanummering onderaan de pagina’s van het fysieke dossier) betreft, anders dan de verdediging stelt, geen rapport van de Colombiaanse politie en op deze pagina staat ook geen containernummer vermeld. Het verweer mist in zoverre daarom feitelijke grondslag. Wel heeft het hof vastgesteld dat op pagina 759 en 760 telkens één maal een nummer aanvangend met ‘HXLU’ is vermeld. Verder heeft het hof geconstateerd dat in de vertaling van de stukken afkomstig van de Colombiaanse autoriteiten (pagina 784-812) op een vijftal plaatsen een containernummer aanvangend met ‘HLU’ is vermeld (zie pagina’s 788, 789, 795 en 796). Elders in die stukken staat, in totaal tien keer, een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ vermeld. Wel lijkt telkens dezelfde individuele container te zijn bedoeld. Het heeft er daarom de schijn van dat bij de vermelding van containernummers schrijffouten zijn gemaakt. Het hof heeft er verder acht op geslagen dat op de vrachtbrieven (zie onder andere pag. 720, 722 en 725), maar ook in het verhoor van de medewerker van de eigenaar van de container in zijn verhoor (zie pagina 716-718) telkens een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ wordt genoemd. In de Spaanstalige stukken waarvan de stukken op pagina 784-812 een vertaling zijn, is naast de twee vermeldingen op pagina 759 en 760 van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ steeds, in totaal dertien keer, een nummer aanvangend met ‘HLXU’ waar te nemen. Zowel de vermelding ‘HLXU’ als de vermelding ‘HXLU’ in de Spaanstalige stukken lijkt voorts in de vertaling te zijn ‘vertaald’ als ‘HLU’. Op grond van het voorgaande, bijeengenomen, acht het hof aannemelijk dat de vijf vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HLU’ en de twee vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ een kennelijke schrijffout betreffen en deze vermeldingen steeds moeten worden gelezen als ‘HLXU’. Ten overvloede wijst het hof nog op de ISO6346-standaard, waaruit volgt dat een conform die standaard opgesteld containernummer aanvangt met vier letters, alsmede op de website www.hapag-lloyd.com/ar/news-insights/insights/2015/05/the-code-of-the-container_40415.html, waaruit valt af te leiden dat containers eigendom van Hapag Lloyd een containernummer hebben dat steeds aanvangt met de letters ‘HL’. Voor wat betreft de door de verdediging aangehaalde overschrijding van een wettelijke termijn is het hof van oordeel dat – wat hiervan verder zij – zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien waarom dit de betrouwbaarheid van de bedoelde onderzoeksresultaten zou aantasten. Het gevoerde betrouwbaarheidsverweer wordt dan ook verworpen. Betrokkenheid en opzet Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. Een container met meubels, bestemd voor [bedrijf 1] , werd in Colombia onderzocht op 11 november 2015 en in deze container werd een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn in de weken daarvóór druk met de import van meubels en met name met het regelen van een loods. Uit al hun opmerkingen over de tap volgt dat de meubels volgens hen beiden niet veel waard zijn. Ze spreken over foeilelijke meubels en dat ze die nooit verkocht krijgen. Het is allemaal ‘kringlooptroep’. [medeverdachte 1] geeft desgevraagd aan [verdachte] aan dat er wel een grote marge op zit. De meubels zijn op papier voor [bedrijf 1] bestemd. Dat bedrijf staat op naam van [getuige 1] , maar dat weerhoudt [medeverdachte 1] en [verdachte] er niet van om zich intensief met deze import bezig te houden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben veel gesprekken over een geschikte loods. Daarbij stuurt [medeverdachte 1] [getuige 1] naar Antwerpen om geld voor de lading in ontvangst te nemen en een telefoon voor [betrokkene 17] af te geven, waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] weer met elkaar bellen en spreken over [getuige 1] en zijn trip n Op grond van artikel 45, eerste lid, Sr is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader behelst een opzetvereiste. Dat opzet moet betrekking hebben op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf. De openbaring van het voornemen moet geschieden doordat met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf een begin is gemaakt. De maatstaf is daarbij of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 en Hoge Raad 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1998/612). De gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voltooiing zijn gericht, moeten wel uitvoeringshandelingen zijn die tot het plegen van het misdrijf behoren en in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het tenlastegelegde (Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, rov. 2.3.). Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de hierboven beschreven gedragingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] zodanig dicht in tijd en plaats bij voltooiing van invoer in Nederland van cocaïne lagen en zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake was van begin van uitvoering. Gelet hierop, kan niet worden bewezen dat sprake was van het medeplegen van poging tot invoer van cocaïne, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde. De genoemde gedragingen leveren naar het oordeel wel strafbare voorbereidingshandelingen op voor de invoer van cocaïne in Nederland. Derhalve acht het hof op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en de hiervóór beschreven feitelijke gang van zaken en gedragingen bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ieders intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht was, opzettelijk de invoer in Nederland van ongeveer 76 kilo cocaïne hebben voorbereid. Dat betekent dat het hof het onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne daarom wettig en overtuigend bewezen acht. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te bepleiten dat geen sprake zou zijn van medeplegen vanwege de geringe betrokkenheid van [verdachte] , overweegt het hof dat naar het oordeel van het hof, blijkens de hierboven opgenomen bewijsoverweging onder ‘Betrokkenheid en opzet’ alsmede de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, sprake is van een materiële alsook een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om medeplegen van het voorbereiden van de invoer van cocaïne bewezen te kunnen verklaren. Voor het overige vinden de gevoerde bewijsverweren reeds hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen, zodat deze geen nadere bespreking behoeven. 3 Feit 5 (zaaksdossier Raamsdonksveer) 3.1. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank. 3.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft – op gronden als verwoord in de pleitnota – vrijspraak bepleit van het onder 5 primair tenlastegelegde en heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd: - [verdachte] wist niets van de gang van zaken in en rondom de loods in Raamsdonkveer. Uit de OVC- en tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] met o.a. [verdachte] alleen heeft gesproken over het zoeken van een loods op internet (funda.nl) in de nabijheid van Raamsdonksveer voor een relatie van [medeverdachte 1] . Een dergelijke zoekvraag kwam vaker voor. [verdachte] wist niets van de loods en hetgeen zich daar zou moeten afspelen. [verdachte] was op geen enkele wijze betrokken bij het transport naar de loods, de import van ananassap of bij het contacteren van personen. [verdachte] is evenmin bekend met [medeverdachte 2] , [betrokkene 13] , [betrokken [medeverdachte 1] zegt dat hij hem wel even zal bellen en belt tien minuten later met [betrokkene 19] en vraagt hem of hij de volgende dag even kan gaan kijken. Vier minuten later belt [medeverdachte 1] als [betrokkene 8] terug naar [betrokkene 22] en bevestigt de afspraak en de naam [betrokkene 8] [getuige 1] . Hij zegt vervolgens dat de eigenaar zelf, [betrokkene 20], morgen komt kijken. Inloggegevens e-mail [medeverdachte 1] beschikt over de inloggegevens voor de e-mail van alle bedrijven die hij gebruikt om uit zicht te blijven, onder andere van [betrokkene 20]. In een in zijn laptop aangetroffen notitie verwijderde notitie van 20 juni 2015 met ‘dingen die voor volgende week geregeld moeten worden’ staat onderaan: ‘ laptop met telefoonkaart zodat ik overal online ben voor mails alle bedrijven’. Geen pottenkijkers [medeverdachte 1] en [verdachte] hechtten er waarde aan dat de locaties waar de goederen zouden worden ontvangen uit het zicht waren. Dit gold ook voor de loods die [betrokkene 19] op 15 december 2015 bezocht in Raamsdonksveer voor het transport Ananassap. [medeverdachte 1] belt op 15 december 2015 meerdere malen met [betrokkene 19] en wil van hem weten of het druk is bij de loods, waar de ingang is en of er ramen zijn. Desgevraagd geeft [betrokkene 19] aan dat het helemaal afgesloten wordt, potdicht. Blijkens de in de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen taps houdt [medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte van de gang van zaken. Hij vertelt hem over de afspraak bij de loods in Raamsdonksveer. [verdachte] vraagt of er wel een goede marge op zit. Op 18 december 2015 om 19.49 uur wordt het volgende gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 1] (T) en [verdachte] (F): F: Maar het gaat allemaal lekker zonder te ver in details te gaan, want dat is voor de boekhouding, maar gaat het goed? T: Zoals het goed uitziet wordt het een druk weekend. Ik had van de week al gemeld dat ik van het weekend een hoop moest gaan regelen. F: Als ik wat over moet pakken, moet je het maar zeggen. Dat weet je ik laat jou gaan tot je zegt nu groeit te boven mijn hoofd. Dan zeg je het maar en dan spring ik er net zo gemakkelijk ook bij. Samen uit samen thuis he jongen dat weet je. T: Ja jawel, maar laat die [betrokkene 19] maar lekker, ik heb hem vol aan het werk zetten nu. T: Ja ik ben nu nog even druk met dingen aan het regelen. Maar alles staat of valt met dit weekend een eigenlijk een beetje. En dat is dan wel niet van ons, maar daar lopen wij in mee natuurlijk. F: Ja snap ik helemaal, laat het maar lekker komen. Uit bovenstaande vaststellingen volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] wel degelijk op de hoogte was van het transport van cocaïne naar Raamsdonksveer dat op 21 december 2015 zou plaatsvinden. Dat wordt ook bevestigd door een telefoontje van [verdachte] naar [medeverdachte 1] op 21 december 2015 in de ochtend, de dag waarop de lading in Raamsdonksveer zou arriveren, waarin [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt of hij de chauffeur al te pakken heeft gehad. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook in juli 2015 waren betrokken bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, in een door [bedrijf 4] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen) en in oktober/november bij het medeplegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne in te voeren vanuit Colombia (zie feit 2, zaaksdossier [betrokkene 17]). Medeplegen invoer Ten aanzien van het primair tenlastegelegde Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het medeplegen van het onder 5 primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij zijn intellectuele en/of materiële bijdrage aan de totstandkoming van dit feit van voldoende gewicht moet zijn. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde tot de volgende vaststellingen en oordelen. Om [verdachte] te kunnen veroordelen voor het me De verdachte kon niet beschikken over de bankrekening van [bedrijf 5] , hij kon niet internetbankieren, had geen beschikking over grote contante geldbedragen en heeft geen contante stortingen gedaan op de bankrekening van [bedrijf 5] die vervolgens werden doorbetaald aan [bedrijf 1] . Ter zake van het geldbedrag van € 30.900,- (sub d, stortingen op bankrekening [bedrijf 1] ) heeft de verdediging gesteld dat de verdachte niet in verband kan worden gebracht met contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] . Hij heeft geen enkele rol gespeeld bij die stortingen en kon ook niet beschikken over de bankrekening van [bedrijf 1] . Voor wat betreft het geldbedrag van € 141.900,- (sub e, stortingen op bankrekening [bedrijf 2] -[bedrijf 2] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen enkel aandeel heeft gehad in de contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 2] en dat hij op geen enkele wijze toegang had tot die bankrekening of inzicht had in de bedragen die op die bankrekening zijn gestort. Weliswaar heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] de druk op [benadeelde] opgevoerd in verband met het niet volledig terugstorten van een bedrag van € 52.000,- (zie feit 10, zaaksdossier Sigarenknipper, bedreiging van [benadeelde] ), maar die gedraging is onvoldoende voor het medeplegen van witwassen. Van opzet op witwassen is bij de verdachte geen sprake, ook niet in voorwaardelijke zin, aldus de verdediging. 4.3. Oordeel hof Het hof volgt hierna gedeeltelijk de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld. ‘Afkomstig uit enig misdrijf’ Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende juridische kader voorop. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van feiten van algemene bekendheid en zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. De Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland heeft deze feiten van algemene bekendheid, typologieën en andere indicatoren met betrekking tot witwassen in kaart gebracht. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.). In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof – gelet op het hiervóór vooropgestelde beoor b. het geldbedrag van € 213.050,- Het hof heeft in het dossier geen bewijs aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof overweegt daarbij nog nader dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] kon beschikken over (de tegoeden op) deze bankrekening. Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen. Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag. c. het geldbedrag van € 141.550,- Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 17 stortingen van contant geld op de rekening van [bedrijf 5] ( [bedrijf 5] ) bij de ABN-AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 14] in de periode van 4 december 2014 tot en met 3 juni 2016. De gestorte bedragen lopen uiteen van eenmaal € 1.000,- tot eenmaal € 24.000,-. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin stortingen hebben plaatsgevonden en het feit dat bij acht van de stortingen het onder meer ging om coupures van 500 euro, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst er daarbij nog op dat het gemiddelde bedrag dat wordt gestort ruim € 8.300,- bedraagt en dat er twee periodes van telkens ongeveer viereneenhalve maand zijn geweest waarin in het geheel geen stortingen hebben plaatsgevonden. Het hof wijst voorts ook hier op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt. Het hof zal vervolgens eerst ingaan op de rol van medeverdachte [medeverdachte 1] bij deze stortingen. Voor wat betreft de vraag of [medeverdachte 1] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt. [medeverdachte 1] was vanaf 23 februari 2015 bestuurder van [bedrijf 5] . Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid als bestuurder van de B.V. op enigerlei wijze was beperkt. Als bestuurder is [medeverdachte 1] beschikkingsbevoegd met betrekking tot eigendommen van [bedrijf 5] , waaronder tegoeden op de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 5] . [medeverdachte 1] was eind 2014 oprichter van [bedrijf 5] en hij had deze B.V. voor de verkoop in Nederland. [medeverdachte 1] noemt [bedrijf 5] ook wel ‘mijn eigen bedrijf’. Het hof begrijpt daaruit dat [medeverdachte 1] vanaf de oprichting tot 23 februari 2015 feitelijk de leiding had binnen [bedrijf 5] . Verder betreft de plaats waar deze stortingen hebben plaatsgevonden telkens (dezelfde geldautomaat in) [woonplaats 2] . [woonplaats 2] is de woonplaats van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bovendien niet uitdrukkelijk ontkend de desbetreffende stortingen te hebben verricht. Het voorgaande, bijeengenomen, brengt het hof tot het oordeel dat [medeverdachte 1] deze stortingen heeft verricht. Voor wat betreft de vraag of [verdachte] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt. [verdachte] was ook vanaf 23 februari 2015 bestuurder van [bedrijf 5] . Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid als bestuurder van de B.V. op enigerlei wijze was beperkt. Als bestuurder is [verdachte] beschikkingsbevoegd met betrekking tot eigendommen van [bedrijf 5] , waaronder tegoeden op de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 5] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de vrouw van [verdachte] de betalingen voor [bedrijf 5] deed, ook z Het ligt daarom op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van deze geldbedragen van in totaal € 120.550,- een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. [verdachte] heeft echter geen verklaring over de herkomst van deze bedragen verschaft, omdat hij enige betrokkenheid bij (het witwassen van) deze bedragen heeft ontkend. Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de vanaf 23 februari 2015 tot en met 3 juni 2016 op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 5] gestorte contante bedragen, in totaal € 120.550,- bedragend, op de wijze als hierna te melden. Voor wat betreft het witwassen van het resterende gedeelte van het totaalbedrag van € 141.550,- zal [verdachte] worden vrijgesproken. d. het geldbedrag van € 30.900,- Dit bedrag is kennelijk een optelsom van tien stortingen van contant geld op de Nederlandse bankrekening van Handelsonderneming [bedrijf 1] bij de ING-bank met nummer [rekeningnummer 15] in de periode van 17 juli 2015 tot en met 26 oktober 2015. Met betrekking tot zeven van de tien stortingen, voor bedragen van € 10,- tot € 250,- en eenmaal € 1.650,-, is het hof van oordeel dat deze geen vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Deze stortingen, tot een totaalbedrag van € 2.400,-, kunnen daarmee niet worden aangemerkt als witwassen, zodat [verdachte] in zoverre van het onder 8 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Met betrekking tot de resterende drie stortingen, voor bedragen van respectievelijk € 11.500,-, € 4.500,- en € 12.500,-, heeft [getuige 1] verklaard dat hij deze stortingen heeft verricht in opdracht van en na ontvangst van de desbetreffende geldbedragen van [medeverdachte 1] , dat [medeverdachte 1] hem niets heeft verteld over de herkomst van de geldbedragen en dat hij de stortingsbewijzen daarna aan [medeverdachte 1] heeft afgegeven. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof reeds een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst daarbij nog op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt. Voor wat betreft de storting van € 4.500,- overweegt het hof dat in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen bewijs is aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van dit geldbedrag heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen. Het hof zal [verdachte] daarom ook vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag van € 4.500,-. Voor wat betreft de stortingen van € 11.500,- en € 12.500,- stelt het hof bij de verdere beoordeling voorop dat [verdachte] , dan wel zijn vrouw in opdracht van [verdachte] , kennelijk kon beschikken over de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 1] . Het hof leidt dit af uit drie telefoongesprekken, in samenhang bezien: Datum: 19-11-2015 te 17:19 uur [betrokkene 8] (ng) belt uit naar [medeverdachte 1] (ng) en zegt dat er weer 12.000 van de ING-rekening van [bedrijf 1] . [verdachte] komt aan de lijn en zegt dat die 12.000 teruggestort is. [medeverdachte 1] zegt dat het overgeboekt moet worden naar [bedrijf 5] (het hof Resumé Het hof komt resumerend voor wat betreft het onder 8 tenlastegelegde tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 120.550,- (sub c) en een bedrag van € 24.000,- (sub d) (dus in totaal van een bedrag van € 144.550,-), op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld. De met betrekking tot deze bedragen gevoerde bewijsverweren worden verworpen. Van het witwassen van de overige (delen van) tenlastegelegde geldbedragen zal de verdachte worden vrijgesproken. 5 Feit 9 (zaaksdossier Samen) 5.1. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal acht, op de gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir, het onder 9 tenlastegelegde, deelneming aan een criminele organisatie, bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. 5.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van dit feit. Deze gronden houden – samengevat – in dat de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan de criminele organisatie. Daarnaast ontbreekt bij de verdachte het opzet op deelneming aan een criminele organisatie. 5.3. Oordeel hof Het hof volgt hierna gedeeltelijk de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld. Juridisch kader Aan de verdachte is een combinatie tenlastegelegd van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht) en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 van het Wetboek van Strafrecht. De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk: het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet en/of het (gewoonte)witwassen van een of meer voorwerp(en). Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen. Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een of meer misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op routinematige wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Het hof merkt alle verdachten dan ook aan als deelnemer aan de criminele organisatie. Wat betreft de tenlastegelegde periode overweegt het hof dat de steller van de tenlastelegging bij [medeverdachte 1] heeft gekozen voor een later aanvangsmoment dan in de zaak van [verdachte] , te weten 2 juli 2015 in plaats van 1 november 2014. Dit latere ingangsmoment is niet te rijmen met de inhoud van het dossier. Ook bij [medeverdachte 1] had het aanvangsmoment eigenlijk 1 november 2014 moeten zijn. Het hof is evenwel gebonden aan de tekst van de tenlastelegging. Daarom komt het hof bij [medeverdachte 1] tot een kortere bewezenverklaarde periode dan bij [verdachte] . De gevoerde bewijsverweren worden verworpen. 6 Feit 10 (zaaksdossier Sigarenknipper) 6.1. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde op grond van hetgeen in het schriftelijk requisitoir is verwoord wettig en overtuigend bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof. 6.3. Het oordeel van het hof Gelet op de bekennende verklaring van [verdachte] , in samenhang met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] , [benadeelde] heeft bedreigd. Tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de bedreiging van [benadeelde] , waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was. 7 Feit 11 (zaaksdossier [woonplaats 1] ) 7.1. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank. 7.2. Standpunt verdediging Door de verdediging is, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat uit het ‘proces-verbaal onderzoek wapens’ niet valt op te maken of het bij de verdachte aangetroffen start/gaspistool voldoet aan de uitzonderingsvoorwaarden uit artikel 2 lid 1 categorie III onder 4. Ter terechtzitting heeft de raadsman voorts bepleit dat de verdachte ten aanzien van het voorhanden hebben van de tenlastegelegde vier imitatiewapens dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vermeende wapens speelgoedpistolen betreffen die vallen onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de vermeende wapens jaren geleden tijdens een vakantie in het buitenland als speelgoed voor zijn destijds jonger dan 14 jaar oude zoons heeft gekocht. Voorts is aangevoerd dat deze wapens ook op de lijst van inbeslaggenomen goederen omschreven staan als ‘speelgoed’. 7.3. Oordeel hof Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank, onder weglating van de passages die zien op de wapens waarvoor een vrijspraak is gevolgd en ten aanzien van welke feiten de verdachte dientengevolge niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld. Het hof overweegt als volgt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] (onder meer) vier op een vuurwapen gelijkende voorwerpen zijn aangetroffen en voor nader onderzoek zijn inbeslaggenomen. Juridisch kader De volgende bepalingen zijn van belang: - Wet wapens en munitie (hierna: Wwm): art. 2, eerste lid, aanhef en onder 7°: ‘Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën. Categ Uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de onderhavige voorwerpen een aangebrachte CE-markering bevatten. Dat deze markering op een verpakking is aangebracht is door de verdediging niet gesteld, laat staan onderbouwd. De voorwerpen kunnen daarom op grond van artikel 2, eerste lid eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn niet worden beschouwd als speelgoed. De omstandigheid dat [verdachte] het voornoemd voorwerp naar eigen zeggen ‘als speelgoed’ heeft gekocht tijdens een vakantie in het buitenland, doet aan het vorenstaande naar het oordeel van het hof niet af. Ook het verweer dat op de lijst van inbeslaggenomen goederen ( het hof stelt vast : twee van) deze wapens als ‘speelgoed’ zijn omschreven maakt niet dat ze als zodanig dienen te worden beschouwd. De lijst van inbeslaggenomen goederen is immers niet opgemaakt door een wapendeskundige, terwijl ook overigens aan de op die lijst gegeven omschrijvingen bewijsrechtelijk niet de waarde toekomt die de verdediging hieraan gehecht wenst te zien. Het bewijsverweer van de raadsman voor zover inhoudende dat de vier voorwerpen als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn kunnen worden aangemerkt, wordt – gelet op het vorenstaande – verworpen. Deze voorwerpen zijn daarmee gelet op de daarop betrekking hebbende inhoud van het proces-verbaal onderzoek wapens aan te merken als wapens van categorie I onder 7 zoals tenlastegelegd. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de onder 11 tenlastegelegde wapens voorhanden heeft gehad. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict. Het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict. Het onder 8 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 9 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het onder 10 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het onder 11 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het standpunt van he Grootschalige drugshandel werkt ernstig ontwrichtend voor de maatschappij. Drugsdelicten en witwassen liggen vaak aan de basis van gedragingen die tegenwoordig worden aangeduid met de term ‘ondermijning’. De enorme impact van deze criminaliteit wordt in alle lagen van de bevolking gevoeld. Daaraan heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen. Dat het de verdachte om financieel gewin te doen was en om niets anders, blijkt ook wel uit de vele telefoongesprekken waarin hij met medeverdachte [medeverdachte 1] sprak over grote of kleine marges en hoeveel er voor hem en medeverdachte [medeverdachte 1] of één der anderen die een rol speelden over zou kunnen blijven. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Als uitgangspunt in zaken met een gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De verdachte is op 7 juni 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 13 februari 2020. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 26 maanden. Verdachte heeft op 17 februari 2020 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 20 februari 2025, zo’n 5 jaren na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van ruim 3 jaren en 8 maanden. In totaal is sprake van een overschrijding met een periode van bijna 5 jaren en 10 maanden. De overschrijding is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, deels te wijten aan de complexiteit van de zaak, de gelijktijdige berechting van deze zaak met de zaken tegen meerdere medeverdachten en voorts aan de volle zittingsagenda van het hof. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Van Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 1] , door de officier van justitie in eerste aanleg overgelegd bij brief van 22 oktober 2018. Zaaksdossier Bananen, pag. 1026. Zaaksdossier Bananen, pag. 1806. Zaaksdossier Bananen, pag. 1095-1097. Zaaksdossier Bananen, pag. 1080 en 1085. Zaaksdossier Bananen, pag. 1098. Zaaksdossier Bananen, pag. 1099-1100. Zaaksdossier Bananen, pag. 1101-1102. Zaaksdossier Bananen, pag. 1027-1030. Zaaksdossier Bananen, pag. 691-692. Zaaksdossier Bananen, pag. 693. Zaaksdossier Bananen, pag. 693. Zaaksdossier Bananen, pag. 692. Zaaksdossier Bananen, pag. 692 en 693. Zaaksdossier Bananen, pag. 847-848, behorend bij de stukken die zijn ontvangen van de Federale politie te Antwerpen: de documenten die zijn ontvangen van Sea-Invest. Zaaksdossier Bananen, pag. 848. Zaaksdossier Bananen, pag. 151-152 en Zaaksdossier [betrokkene 17], pag. 155. Zaaksdossier Bananen, pag. 847. Zaaksdossier Bananen, pag. 302. Zaaksdossier Bananen, pag. 305. [betrokkene 11] , pag. 450: [betrokkene 8] [getuige 1] van [bedrijf 4] ; Van Duijn Transport, pag. 528: [betrokkene 10] van [bedrijf 5] , kent [bedrijf 4] niet; Post Kogeko, pag. 100, reed via opdrachtgever Neelevat voor [bedrijf 4] Geleen; Neelevat, pag. 269: aanvraag offerte op 1 juni 2015 door [betrokkene 8] van [bedrijf 4] , [e-mailadres 4] . Zaaksdossier Bananen, pag. 155, Zaaksdossier [betrokkene 25], pag. 146, derde alinea. Zaaksdossier Bananen, pag. 878-879. Zaaksdossier Bananen, pag. 93 en Zaaksdossier Deklading, pag. 288 en 290. Zaaksdossier Deklading, pag. 240 e.v. (ING) en Zaaksdossier Deklading, pag. 288-291 (Kreissparkasse). Zaaksdossier Deklading, pag. 290. Zaaksdossier Deklading, pag. 242. Zaaksdoaaier Deklading, pag. 242. Zaaksdossier Deklading, pag. 242. Zaaksdossier Deklading, pag. 241. Zaaksdossier Bananen, pag. 1683. Zaaksdossier Deklading, pag. 240. Zaaksdossier Deklading, pag. 240. Zaaksdossier Deklading, pag. 13. Zaaksdossier Deklading, pag. 601-602. Zaaksdossier Deklading, pag. 625. Zaaksdossier Bananen, pag. 1803-1805. Zaaksdossier Bananen, pag. 1797. Zaaksdossier Bananen, pag. 1798. Zaaksdossier Bananen, pag. 1808. Zaaksdossier Deklading, pag. 602. Zaaksdossier Bananen, pag. 1803. Zaaksdossier Deklading, pag.602. Zaaksdossier Bananen, pag. 1804. Zaaksdossier Deklading, pag. 602. Zaaksdossier Deklading, pag. 602. Zaaksdossier Deklading, pag. 602. Zaaksdossier Deklading, pag. 628. Zaaksdossier Bananen, pag. 879. Zaaksdossier Bananen, pag. 729 en 1999 (vertaald). Zaaksdossier Bananen, pag. 391-394. Zaaksdossier Bananen, pag. 93. Zaaksdossier Bananen, pag. 92. Zaaksdossier Bananen, pag. 2144. Zaaksdossier Bananen, pag. 366-368. Zaaksdossier Bananen, pag. 2069 (vertaald verhoor). Zaaksdossier Bananen, pag. 2092-2093 (vertaald verhoor). Zaaksdossier Samen, pag. 770. Zaaksdossier Bananen, pag. 2095. Zaaksdossier Bananen, pag. 1614. Zaaksdossier Bananen, pag. 1614. Zaaksdossier Ananassen, pag. 1240 e.v. Zaaksdossier Ananassen, pag. 1353 e.v. Zaaksdossier Ananassen, pag. 1368 e.v. Zaaksdossier Ananassen, pag. 650 e.v. Zaaksdossier Ananassen, pag. 788 e.v. Zaaksdossier Deklading, stamproces-verbaal, pag. 12 en 13. Zaaksdossier Deklading, proces-verbaal van bevindingen, pag. 640. Zaaksdossier Bananen, proces-verbaal van bevindingen, pag. 663-664. Een van de ongenummerde bijlagen bij de brief van officieren van justitie C.A.M. van den Brand en K.W. van Damme aan de rechtbank van 22 oktober 2018 betreft een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 5] , waarin als datum van oprichting is vermeld: 12 november 2014. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant op 18 mei 2017, pag. 1. Zaaksdossier Ananassen, proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , pag. 3372. Zaaksdossier Deklading, proces-verbaal van bevindingen, pag. 640. Zaaksdossier Deklading, stamproces-verbaal, pag. 5. Zaaksdossier Bananen, proces-verbaal van bevindingen, pa