Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-20
ECLI:NL:GHSHE:2025:437
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,718 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 20 februari 2025
Zaaknummer : 200.348.697/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/409489 / JE RK 24-1535
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI;
- [de vader], hierna te noemen: de vader.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 8 november 2024, op schrift gesteld op 19 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen althans wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing en/of het onderhavige beroep met betrekking tot het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 13 januari 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het beroepschrift af te wijzen.
2.3.
De GI en de vader hebben geen verweerschrift ingediend.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de vader.
2.5.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 november 2024.
Beoordeling
3.1.
De moeder en de vader hebben een latrelatie. Tijdens deze relatie is [minderjarige 1] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] erkend en is van rechtswege eveneens met het gezag over [minderjarige 1] belast.
3.2.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 is het toen nog ongeboren kind [minderjarige 2] beschouwd als geboren en voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 17 januari 2025.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het toen nog ongeboren kind [minderjarige 2] beschouwd als geboren en onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 november 2024 voor de duur van een jaar, dus tot 8 november 2025. Verder heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om het toen nog ongeboren kind [minderjarige 2] na de geboorte gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden, dus tot 8 mei 2025.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan.
De noodzaak tot een uithuisplaatsing is er niet. De moeder heeft een goede zwangerschap en bevalling gehad en er alles aan gedaan zodat [minderjarige 1] gezond zou worden geboren. De moeder heeft nooit drugs gebruikt en eventuele afkickverschijnselen kunnen alleen van medicatiegebruik zijn. De moeder heeft voldoende opvoedcapaciteiten om zelf voor [minderjarige 1] te zorgen. Ze heeft geen enkele kans gekregen om dit te bewijzen. De moeder heeft ervaring met het verzorgen en opvoeden van kinderen. Ze heeft immers al drie kinderen. Deze kinderen zijn helaas uit huis geplaatst omdat het verzorgen en opvoeden van drie kinderen voor de moeder te veel was. De verzorging en opvoeding van één kind kan de moeder echter wel aan. De moeder heeft ondersteuning van de vader van [minderjarige 1] , hulp van [instantie 1] en de [instantie 2] en ze is volledig thuis en beschikbaar voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De moeder accepteert de ondertoezichtstelling en de noodzakelijke hulpverlening. De recente gezinsopname bij [instantie 3] is niet goed gegaan. De gezinsopname is op maandagmiddag gestart en op dinsdagmiddag voortijdig beëindigd. De moeder voelde zich niet op een juiste wijze bejegend door de medewerker van [instantie 3] . Bovendien was de medewerker van [instantie 3] niet capabel. Ze was slecht ter been waardoor er geen toezicht was wanneer de ouders met [minderjarige 1] boven waren en waardoor ze niet samen met [minderjarige 1] buiten konden wandelen. De moeder staat nog wel open voor een plaatsing in een moeder-kindhuis. De moeder is een liefdevolle moeder en wil graag zelf voor [minderjarige 1] zorgen.
3.6.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan.
De machtiging tot uithuisplaatsing is terecht en op goede gronden afgegeven. De raad maakt zich al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de ouders. De situatie zoals omschreven in het raadsrapport op 28 oktober 2024 is onveranderd. [minderjarige 1] heeft na haar geboorte een pittige start gehad en last gehad van afkickverschijnselen. De raad is, in tegenstelling tot de moeder, wel bezorgd over de pedagogische mogelijkheden van de moeder om zelfstandig voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen en haar een stabiele en veilige opvoedomgeving te kunnen bieden. [minderjarige 1] is een jonge baby en volledig afhankelijk van haar opvoeders. Er blijven grote twijfels bestaan of de moeder vanwege haar psychische problematiek en haar mogelijke verstandelijke beperking voldoende sensitief en responsief kan reageren op de (emotionele) behoeften van [minderjarige 1] en of zij zicht heeft in wat [minderjarige 1] nodig heeft. De moeder grijpt de mogelijkheden niet althans onvoldoende aan die haar worden aangereikt om aan haar opvoedvaardigheden te werken. De moeder heeft een WLZ-indicatie en is langdurig aangewezen op ondersteuning op alle leefgebieden. De raad heeft daarnaast zorgen over de relatie tussen de ouders. De vader twijfelt over de afstamming van [minderjarige 1] en de moeder laat zich als ze alleen is overwegend negatief uit over de vader. De raad maakt zich net als de GI zorgen dat de ouders niet altijd transparant zijn in de samenwerking met de hulpverlening. Hierdoor is het moeilijk om regie te voeren op de veiligheid van [minderjarige 1] . De raad is net als de GI de mening toegedaan dat de veiligheid van [minderjarige 1] onvoldoende gewaarborgd is in de thuissituatie bij de moeder en er zijn geen mogelijkheden voor een ambulant traject op dit moment. Het risico is aanzienlijk dat de moeder [minderjarige 1] onbedoeld zal verwaarlozen, te kort doet in haar behoeften en zelfs iets aan kan doen vanuit overvraging/overprikkeling met vergaande gevolgen.
3.7.
De GI voert tijdens de mondelinge behandeling samengevat het volgende aan.
Met de ouders is steeds uitvoerig gesproken over de gezinsopname bij [instantie 3] en de kans die het hen biedt om te laten zien dat zij in staat zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen. De gezinsopname bij [instantie 3] is op maandag 21 januari 2025 om 16.00 uur gestart. De maandagavond is prima verlopen. De dinsdagochtend begon gespannen omdat de vader niet uit bed wilde. Dat zorgde voor strijd tussen de ouders. De praktische zaken, zoals het geven van de fles, werden wel geregeld, maar er was onvoldoende oog voor de emotionele behoeften van [minderjarige 1] en wat zij daarin nodig had. De GI heeft samen met de medewerker van [instantie 3] dinsdagochtend telefonisch met de ouders gesproken over de gespannen sfeer tussen de ouders en er zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Aan het eind van de middag heeft de jeugdbeschermer wederom samen met de medewerker van [instantie 3] en de ouders over het verloop van de gezinsopname gesproken. Tijdens het videobellen hebben de ouders onvoldoende kenbaar gemaakt nog steeds achter de gezinsopname te staan. Op het moment dat de jeugdbeschermer aan de ouders vroeg of zij het traject wilden stoppen, bleef het stil en er werd niet aangegeven dat ze graag wilden blijven. De jeugdbeschermer heeft op dat moment in het belang van [minderjarige 1] en in overleg met de ouders besloten dat het traject bij [instantie 3] werd gestopt.
De ouders hebben op dit moment iedere dinsdag anderhalf uur contact met [minderjarige 1] bij het pleeggezin thuis en dat gaat goed. De jeugdbeschermer ziet dat de ouders [minderjarige 1] knuffelen maar ook dat het lastig is voor hen om de emotionele verbintenis aan te gaan. Gezien wordt dat de moeder zich tijdens de omgang vooral richt op zichzelf en op haar eigen behoeften en dat de interesse in [minderjarige 1] beperkt is. De moeder toont onvoldoende probleeminzicht en zij legt de schuld buiten zichzelf. Ook heeft de moeder tijdens haar zwangerschap alcohol en medicatie gebruikt. Er is bij de moeder geen sprake van onwil maar van onmacht.
3.8.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling samengevat het volgende aan.
Hij voelde zich niet fijn tijdens de gezinsopname bij [instantie 3] . Hij vindt dat hij zich niet hoeft te bewijzen als ouder. Hij heeft tijdens de gezinsopname goed voor [minderjarige 1] gezorgd en haar aandacht gegeven. Hij vindt dat de moeder de kans moet krijgen om zelf voor [minderjarige 1] te zorgen. De vader zal de moeder daarbij helpen, ook wanneer uit de DNA test zou blijken dat hij niet de biologische vader is.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 8 november 2024, op schrift gesteld op 19 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 20 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.