Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:410
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
5,312 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.343.381/01
arrest van 18 februari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende op een voor het hof bekend adres,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. R.H.L. van de Laar te Kerkrade,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende op een voor het hof bekend adres,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. R. Engwegen te Echt.
Deze zaak gaat over:
[kind A]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [kind A] .
op het bij exploot van dagvaarding van 5 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 juni 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en productie;
- de memorie van antwoord met productie.
2.2.
Op 22 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Van de Laar;
- de man, bijgestaan door mr. Engwegen;
- de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] .
2.2.1.
Het hof heeft [kind A] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden, met hem gesproken. Op de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
[kind A] is uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders geboren. De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind A] .
3.2.
[kind A] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats [geboorteplaats] , van 2 juli 2018 is [kind A] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de GI). Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 26 juni 2024, tot 2 juli 2025.
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats [geboorteplaats] , van 13 juli 2023 is de volgende zorgregeling bepaald:
met ingang van zondag 2 juli 2023 zal [kind A] de eerste twee maanden een keer in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 19 00 uur bij de man verblijven;
de volgende twee maanden zal [kind A] een keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven;
na deze twee maanden zal [kind A] een keer in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur hij de man verblijven;
in de zomervakantie 2023 loopt de reguliere regeling door als de vrouw en [kind A] in [plaats A] en [plaats B] verblijven. Op het moment dat [kind A] in [plaats A] [plaats B] verblijft en hij wil niet naar de man toe zal de man naar [plaats A] [plaats B] gaan voor het contact. Indien door het verblijf in Walibi het contact tussen [kind A] en de man langer dan twee weken zal uitblijven wordt bekeken of er tussentijds contact kan plaatsvinden;
vanaf het moment dat [kind A] een keer in de veertien dagen een heel weekend bij de man verblijft zal hij een week in de mei- en kerstvakantie en drie keer een week in de zomervakantie bij de man verblijven.
4De omvang van het geschil
Procedure bij de voorzieningenrechter:
4.1.
De man heeft in eerste aanleg op 24 mei 2024 gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te gebieden haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 13 juli 2023 vastgestelde zorgregeling tussen de man en [kind A] , waarbij [kind A] conform het volgende opbouwschema:
de eerste twee maanden een keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zal verblijven;
vervolgens van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man zal verblijven, evenals een week tijdens de kerstvakantie, een week tijdens de meivakantie en drie keer een week tijdens de zomervakantie;
althans de vrouw zal gebieden haar medewerking te verlenen aan een in goede justitie te bepalen zorgregeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of deel hiervan dat de vrouw niet aan het vonnis voldoet, althans op straffe van verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom.
4.2.
De vrouw heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:
- de vrouw veroordeeld om de bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats [geboorteplaats] , van 13 juli 2023 bepaalde zorgregeling na te komen, in die zin dat [kind A] als volgt bij de man zal verblijven:
- de eerste twee maanden een keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur;
- de volgende twee maanden zal [kind A] een keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven;
- na deze twee maanden zal [kind A] een keer in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven;
- vanaf het moment dat [kind A] een keer in de veertien dagen een heel weekend bij de man verblijft zal hij een week in de mei- en kerstvakantie en drie keer een week in de zomervakantie bij de man verblijven;
- waarbij de man telkens zal zorgdragen voor het halen en brengen van [kind A] .
bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag(deel) dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling onder 6.1. te voldoen, dit met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-;
het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
de proceskosten in die zin gecompenseerd dat iedere ouder de eigen kosten draagt;
afgewezen het meer of anders gevorderde.
Procedure in hoger beroep:
4.4.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
primair: de door geïntimeerde, eiser in eerste aanleg, gevorderde voorziening alsnog af te wijzen;
subsidiair: de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen;
met veroordeling van de man in de proceskosten van dit hoger beroep.
4.5.
De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Beoordeling
5.1.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. De vrouw begrijpt dat de in de beschikking van 13 juli 2023 vastgestelde zorgregeling in beginsel dient te worden nagekomen en zij wil dit ook. Er is echter sprake van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming te rechtvaardigen is. [kind A] verzet zich namelijk tegen de zorgregeling en weigert mee te werken. [kind A] geeft steeds aan dat hij niet, althans niet op verplichte basis, naar de man wil. [kind A] is enkele keren bij de man geweest maar zodra er over uitbreiding wordt gesproken blokkeert [kind A] en haakt hij af. De GI heeft in het evaluatieverslag voor de verlenging van de ondertoezichtstelling verklaard: “dat de zorgregeling conform de beschikking van de rechtbank tot nu toe niet uitvoerbaar is gebleken omdat [kind A] zich niet durft uit te spreken, wisselende en tegenstrijdige uitspraken doet tegenover de ouders wat strijdverhogend werkt tussen de ouders. Bij de GI heeft [kind A] onlangs aangegeven dat hij voorlopig niet meer naar vader wil gaan, maar wel contact met zijn vader wil behouden. [kind A] kan niet benoemen wat zijn beweegredenen zijn en hoe hij het contact met zijn vader wil vormgeven. Het bespreken van de omgangsregeling zorgt voor veel spanning en stress bij [kind A] . Hij voelt zich niet gehoord en kan zijn gedachten, wensen en behoeften niet uitspreken in het onbelast contact hebben met zijn vader. Enerzijds lijkt zijn visie/keuze over omgang met vader samen te hangen met zijn ontwikkelingsleeftijd, anderzijds kan het voorkomen uit het loyaliteitsconflict. Tot op heden is om het weekend een zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur het meest haalbare gebleken, daar [kind A] niet wil blijven logeren bij vader.” De regeling is dus niet haalbaar en het kan dan ook niet van de vrouw worden verwacht dat zij zich hier aan houdt. Het effect van de dwangsommen werkt daarbij averechts, het verzet van [kind A] wordt enkel groter. Daar komt bij dat de relatie tussen [kind A] en de vrouw onder druk komt te staan wanneer de vrouw, vanwege de opgelegde dwangsommen, [kind A] dwingt naar de man te gaan terwijl hij dit niet wil. In plaats van dwang uitoefenen door middel van dwangsommen zou goede hulpverlening meer op zijn plaats zijn. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de vrouw blijft vervallen in verwijten en boosheid richting de man. Dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij [kind A] stimuleert klopt, maar zij is ervan overtuigd dat zij dit ook voldoende doet maar dat dit geen effect heeft op [kind A] . De vrouw heeft er alles aan gedaan om het contact tussen [kind A] en de man mogelijk te maken en te stimuleren. De vrouw heeft meermaals om hulp gevraagd, onder andere aan de GI, de betrokken hulpverlening en de praktijkondersteuner en huisarts, maar tot nu toe zonder resultaat. Inmiddels is er op verzoek van de vrouw een omgangsbegeleider vanuit [organisatie A] betrokken bij de overdrachtsmomenten. Gelet op de leeftijd van [kind A] is het voor de vrouw onmogelijk om hem te dwingen naar de man te gaan. Als de vrouw [kind A] onvoldoende zou stimuleren is dat niet bewust, maar is dat het gevolg van de jarenlange partnerstrijd tussen partijen. De vrouw heeft anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen geen hulp nodig met haar boosheid en ook heeft [kind A] geen last hiervan of wordt hij hier mee belast. Zondag 31 juni 2024 heeft [kind A] de man, nadat hij tevergeefs aan de deur was verschenen, een bericht gestuurd dat hij niet naar het huis van de man wilde maar dat hij wel bereid was om bijvoorbeeld ergens iets te gaan drinken met de man. In plaats van deze handreiking op te pakken, heeft de man [kind A] gewezen op de mededeling dat hij van de rechter mee moet. De vrouw betreurt deze reactie. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering zodat een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling tot nakoming exorbitant hoog is gelet op haar financiële draagkracht.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw de vordering tot het schorsen van de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis en om de man te veroordelen in de proceskosten ingetrokken.
5.2.
De man voert – samengevat – het volgende aan. Vanaf het moment dat de zorgregeling uitgebreid diende te worden is daar geen medewerking aan verleend. De man heeft er destijds voorlopig mee ingestemd dat [kind A] alleen op zondag zou komen, maar vervolgens werd er steeds geen uitvoering gegeven aan enige uitbreiding. Van zwaarwegende omstandigheden die maken dat nakoming van de beschikking van 13 juli 2023 niet gevergd kan worden, is niet gebleken en zijn ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt. Indien de vrouw van mening is dat de zorgregeling er anders uit dient te zien, dan wel dat er geen contact dient plaats te vinden, is het aan haar om in een bodemprocedure een wijziging van de huidige zorgregeling te verzoeken. De vrouw heeft dit nagelaten. Ook de GI heeft hiertoe nog geen aanleiding gezien. De man betwist uitdrukkelijk dat [kind A] niet naar hem toe wil gaan. Hierin ligt geen zwaarwegende omstandigheid die maakt dat de zorgregeling niet nagekomen dient te worden. De houding en opstelling van de vrouw maakt dat de zorgregeling niet op gang komt, zij stimuleert [kind A] niet. Het is van belang dat zij naar [kind A] uitdraagt dat ze achter het contact met de man staat en hem derhalve emotionele toestemming geeft voor de contactmomenten. Als de man aan de deur verschijnt wordt hij door de vrouw en haar partner uitgescholden en belaagd. Dit vergroot de weerstand van [kind A] alleen maar. Er is sprake van een loyaliteitsconflict. Recent is de ondertoezichtstelling verlengd en de kinderrechter heeft in die beschikking aangegeven dat van de GI wordt verlangd dat zij de nodige middelen inzet om de zorgregeling af te dwingen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de man terecht toegewezen. De dwangsommen zijn verbeurd tot het maximale bedrag maar niet geïnd vanwege de bijstandsuitkering van de vrouw. Indien er niet wordt aangedrongen op nakoming vreest de man dat er helemaal geen contact meer tot stand zal komen en vreest hij voor ouderverstoting. Dit is absoluut niet in het belang van [kind A] . Er is terecht een dwangsom aan het gebod gekoppeld. Het is aan de vrouw te wijten dat de zorgregeling niet wordt nagekomen. De vrouw heeft een prikkel nodig om de zorgregeling na te komen. Er is geen reden om de dwangsom te matigen, de prikkel om de regeling na te komen zal dan minder zijn. Bij de hoogte van de dwangsom is in voldoende mate rekening gehouden met de draagkracht van de vrouw.
5.3.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI vindt het voor de identiteitsontwikkeling van [kind A] belangrijk dat hij contact heeft met de man. In overeenstemming met de ouders is de GI afgeweken van de omgangsregeling, omdat de opbouwregeling niet haalbaar bleek. De omgangsmomenten zijn verplaatst naar vrijdagen omdat dan begeleiding van [organisatie A] mogelijk was. [organisatie A] is betrokken om zicht te krijgen op de thuissituaties van de man en de vrouw en om de overdrachtsmomenten te begeleiden. Het is nog niet gelukt om de thuissituatie bij de man te observeren omdat [kind A] daar niet structureel is. Vanuit [organisatie A] is aangegeven dat [kind A] dicht klapt en stress ervaart bij de omgang en dat hij niet kenbaar kan maken wat hij graag zou willen. [organisatie A] geeft aan dat de vrouw [kind A] thuis stimuleert, maar dat zij hierin wisselend is en [kind A] veel ruimte geeft om zelf te bepalen. Bij de man wordt gezien dat hij het op momenten moeilijk heeft en dan vanuit emotie kan reageren. Beide ouders proberen naar oplossingen te zoeken, maar zij komen er niet uit. Als de GI regie neemt komt er strijd. [kind A] kan ook aan de GI moeilijk aangeven wat hij wil. Hij wil graag één-op-één momenten met de man. De man is hem daar in tegemoetgekomen, maar dat was niet op een manier hoe [kind A] dat verwacht had. [kind A] kan zijn emoties niet goed kenbaar maken. De GI acht [organisatie B] noodzakelijk.
Beoordeling
5.5.3.
De vrouw voert vier grieven aan die er in de kern op neerkomen dat er voldoende redenen zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij de in de beschikking van 13 juli 2023 bepaalde zorgregeling nakomt. De vrouw voert twee grieven aan die er op zien dat de voorzieningenrechter ten onrechte een dwangsom heeft opgelegd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.5.4.
Het hof stelt voorop dat de man en [kind A] in beginsel recht hebben op contact met elkaar overeenkomstig de zorgregeling zoals bepaald bij de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 13 juli 2023. Deze zorgregeling blijft van kracht zolang partijen niet anders overeenkomen of in een bodemprocedure anders is beslist. Daarvan is op dit moment geen sprake zodat de vrouw in beginsel haar medewerking dient te verlenen aan de zorgregeling die de rechtbank heeft bepaald. Dat is slechts anders indien na die uitspraak de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat onverkorte nakoming van de uitspraak strijdig is met de zwaarwegende belangen van [kind A] .
Het is hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe als volgt.
5.5.5.
Vast staat dat de vastgestelde zorgregeling al lange tijd niet wordt uitgevoerd. Het hof is in beginsel niet gebleken van contra-indicaties voor het contact tussen [kind A] en de man. Duidelijk is echter geworden, ook in het gesprek met [kind A] bij het hof, dat [kind A] zelf moeite heeft met het contact met de man. Hoewel hij duidelijk aangeeft zijn vader wel te willen zien, komt de zorgregeling niet van de grond. [kind A] wil de man graag één-op-één zien, maar kan daarbij niet goed aangeven wat hij nodig heeft om het contact met de man structuur te geven of verder uit te breiden. Ook met begeleiding vanuit [organisatie A] en de GI is dit niet gelukt. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep maakt het hof met de raad en de GI op dat er sprake is van een systemisch probleem waarbij [kind A] klem zit tussen de ouders. Duidelijk is dat de huidige zorgregeling op dit moment nog niet haalbaar is voor [kind A] . Gegeven deze omstandigheden is het hof er dan ook niet van overtuigd dat het veroordelen van de vrouw tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom tot het door de man het gewenste resultaat zal leiden, namelijk dat [kind A] conform de zorgregeling naar de man zal komen. Immers, gebleken is dat ook na het bestreden vonnis de zorgregeling niet is uitgevoerd en de dwangsom dus niet het beoogde effect heeft gehad. Hierbij heeft het hof ook de leeftijd van [kind A] in aanmerking genomen. Alhoewel het hof alle begrip heeft voor de wens van de man ziet het hof dat de situatie voor [kind A] heel lastig is en dat het van groot belang is dat de GI hier aandacht voor heeft. Het hof heeft immers zorgen over [kind A] nu het contact met de man al lange tijd ontbreekt, hij niet volledig naar school gaat en hulpverlening nog niet van de grond is gekomen. Uit de stukken, het gesprek met [kind A] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling nog onverminderd aanwezig is, ondanks dat er langere tijd een ondertoezichtstelling is. Het hof spreekt de hoop (en de verwachting) uit dat de GI actief met [organisatie B] (mogelijk met de aangeboden hulp van de man) en eventueel andere hulpverlening voor [kind A] aan de slag gaat en zo mogelijk ook het inzetten van systeemtherapie onderzoekt (gelet ook op het advies van de raad) en het daarna hervatten van de zorgregeling.
5.6.
Op grond van het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de dit geding inleidende vordering van de man alsnog afwijzen.
5.7.
Gezien familierechtelijke aard van de procedure, zal het hof de proceskosten compenseren.
6De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 juni 2024, gewezen onder nr. C/03/329373 / KG ZA 24-97;
en opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af de inleidende vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot nakoming van de bij beschikking van 13 juli 2023 vastgestelde zorgregeling tussen de man en [kind A] op straffe van een dwangsom;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.P. de Beij, E.M.D.M van der Linden en C.L.M. Smeets en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2025.
griffier rolraadsheer