Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:407
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep kort geding
10,593 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.336.409/02
arrest van 18 februari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. I. Akkaya te Eindhoven ,
tegen
Shurgard [XX 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Shurgard,
advocaat: mr. F.F.J. Froger te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 4 januari 2024 ingeleide hoger beroep van het kortgedingvonnis van 8 december 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven , rechtdoende als voorzieningenrechter, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Shurgard als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met negen grieven en producties 2 tot en met 11;
de Rol-/Archiefkaart met nummer 200.336.409/01, waaruit blijkt dat aan Shurgard op eenstemmig verzoek van partijen wegens schikkingsonderhandelingen meerdere keren uitstel is verleend voor het nemen van de memorie van antwoord;
het ambtshalve royement van de zaak op 16 juli 2024;
de Rol-Archiefkaart met nummer 200.336.409/02, waaruit blijkt dat de zaak ter hervatting opnieuw is geïntroduceerd;
de memorie van antwoord met producties 8 tot en met 12b.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De vaststaande feiten en de kern van het geschil
3.1.1. Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om beëindigde huurovereenkomsten met betrekking tot drie opslagunits, om de ontruiming van die opslagunits en om de vraag welke bedragen de verhuurder in verband met die huurovereenkomsten nog van de huurder te vorderen heeft.
3.1.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Shurgard is een bedrijf dat zich bezighoudt met de verhuur van opslagunits aan particulieren en bedrijven.
b. Met ingang van 7 mei 2014 heeft Shurgard aan [appellant] een opslagunit met [unitnummer A] in [plaats A] verhuurd. Bij de gegevens bovenaan de huurovereenkomst staat onder meer het volgende: “Aanbieding: 50% korting op contractduur”. Tussen partijen staat vast dat hiermee is bedoeld dat [appellant] gedurende de looptijd van de huur van opslagunit [unitnummer A] 50% korting zou krijgen op de voor die opslagunit geldende huurprijs.
c. In 2015 is [appellant] een opslagunit in [plaats B] met [unitnummer B] van Shurgard gaan huren.
d. Met ingang van 30 september 2021 heeft Shurgard aan [appellant] een opslagunit met nummer [unitnummer C] in [plaats A] verhuurd.
e. In de overeenkomsten voor de huur van de opslagunits in [plaats A] staan onder meer de volgende, voor beide overeenkomsten gelijkluidende bepalingen:
“
Bijzondere voorwaarden
Tenzij onder de speciale voorwaarden anders overeengekomen, worden alle opslagcontracten in principe voor een eerste minimumperiode van 1 maand afgesloten. Na deze eerste minimumperiode van 1 maand blijft het contract voor een onbepaalde periode geldig en kan te allen tijde schriftelijk door beide partijen worden geannuleerd met een minimale opzegtermijn van 15 dagen.
Shurgard behoudt zich het recht voor om op gezette tijden de huurprijzen te herzien. Herziene huurprijzen en kosten zijn van toepassing 30 dagen nadat een schriftelijke kennisgeving van Shurgard is ontvangen.
Als de betaling van de maandelijkse huur en kosten niet op de vervaldatum is ontvangen, kan Shurgard de klant de toegang tot de opslagruimte ontzeggen. (…)
Tijdens de opslag ervan moeten de goederen van de klant worden verzekerd. Om dit te vergemakkelijken, biedt Shurgard zijn klanten via zijn verzekeringsmakelaar Marsh een klantengoederenverzekering op maat aan.
(…)
De klant aanvaardt, verklaart en garandeert
(…)
De maandelijkse huur en kosten te betalen voorafgaand aan het begin van de periode waarmee deze zijn overeengekomen, door middel van contanten / met creditcard of bankpas / automatische incasso / overschrijving op de bankrekening van Shurgard
(…)”
f. [appellant] heeft daarnaast – naar het hof begrijpt: in 2021 – een schriftelijke overeenkomst met Shurgard gesloten voor het verzekeren van de goederen die in de door hem gehuurde opslagunit met [unitnummer C] worden opgeslagen. Bovenaan het bewijs van verzekering staat onder meer: “Begindatum: 30/9/2021”. Op de plaats waar [appellant] zijn handtekening heeft gezet, heeft hij geschreven: “Ik heb mijn eigen verzekering”. Daaronder is in een ander handschrift namens Shurgard geschreven: “* Wel document hiervan afgeven”.
g. De huurovereenkomst voor de opslagunit in [plaats B] is in 2021 geëindigd. [appellant] heeft die opslagunit vrijwillig ontruimd. Shurgard en het door Shurgard ingeschakelde incassobureau hebben [appellant] in 2021 meermaals aangeschreven ter zake een betalingsachterstand ten aanzien van de opslagruimte in [plaats B] .
h. In 2023 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over een huurachterstand van Shurgard voor de opslagunits in [plaats A] . Die correspondentie vond onder andere plaats via WhatsAppberichten met de navolgende inhoud:
“(…)
26-04-2023 12:14 - [plaats A] : Hoi [appellant] , Er-staat nog steeds een betaling open. Wanneer ga jij deze, kunnen betalen, we komen graag: met je in contact. Laat even wat van je horen.
28-04-2023 10:55 - [appellant] ; Ik ben momenteel op vakantie
28-04-2023 10:55. - [appellant] ; Als ik terug, ben ga ik met jullie in gesprek
28-04-2023 10;55 - [appellant] : Ik neem ook mijn, verzekeringspolis mee
28-04-2023 10:56 – [plaats A] : Ja, dat is écht belangrijk, wanneer ben jij hier.
28-04-2023 10:56 - [appellant] : Na de mei vakantie
28-04-2023 10:56 - [appellant] : De week van 10 mei
28-04-2023 10:56 - [appellant] : Niet volgende week
28-04-2023 10:56 - [appellant] : De Week erop
28-04-1023 10:58 - [plaats A] : Zorg dat je via ideal die betaling even doet. Dat is nu belangrijk. De week van 10 mei dan ben ik met verlof. Jammer dat je dit niet voor je vakantie hebt geregeld.
28-04-2023 11:06 – [appellant] : Ja klopt… ik had het druk met andere dingen. Sorry
28-04-2023 11:06 - [appellant] : Maar komt goed”
- i. Bij brief van 16 mei 2023 heeft Shurgard aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
“Volgens onze administratie heeft u het(de) volgende opslagcontract(en) ondertekend met onze onderneming, voor het gebruik van de volgende opslagruimte(s):
Contractdatum Unitnummer Adres Vestiging
7 Mei 2014 [unitnummer A] [adres A] (…) [plaats A]
30 september 2021 [unitnummer C] [adres A] (…) [plaats A]
Ondanks de per aangetekende brief verstuurde formele kennisgeving hebben we de betaling van het uitstaande bedrag niet ontvangen.
We stellen u daarom op de hoogte van de onmiddellijke beëindiging van uw opslagcontract.
(…)
Volgens de algemene voorwaarden van het opslagcontract bent u verplicht ons een maandelijkse bezettingsvergoeding te betalen die overeenkomt met de maandelijkse- huurprijs.
Deze bezettingsvergoeding zal in rekening worden gebracht bovenop het uitstaande bedrag en dit net zo lang tot de opslagruimte volledig vrijgemaakt zal zijn.”
j. Bij brieven van 10 juli 2023 en 16 oktober 2023 heeft de advocaat van Shurgard [appellant] nogmaals aangeschreven over de opzegging van de huur van de opslagunits met de nummers [unitnummer A] en [unitnummer C] . Ook is [appellant] in die brieven verzocht om over te gaan tot ontruiming van de opslagunits en tot betaling van de achterstallige huur en verzekeringspremie. Verder zijn in die brieven de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd.
k. [appellant] heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven, waarna Shurgard deze kortgedingprocedure is gestart.
Het kort geding bij de kantonrechter
3.2.1.
Procesverloop
3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Op basis van die grieven heeft [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, kort gezegd, afwijzing alsnog van de vorderingen van Shurgard met veroordeling van Shurgard in de proceskosten.
3.3.2. Shurgard heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd. bekrachtiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
Over de beëindiging van de huurovereenkomsten ter zake de opslagunits in [plaats A] en over de veroordeling tot ontruiming daarvan
3.4.1. De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 5.4 tot en met 5.7 geoordeeld, kort gezegd:
dat Shurgard op grond van de huurovereenkomsten ter zake de opslagunits in [plaats A] die huurovereenkomsten schriftelijk mocht opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vijftien dagen;
dat Shurgard bij brief van haar advocaat van 10 juli 2023 de huurovereenkomsten voor de opslagunits met nummers [unitnummer A] en [unitnummer C] in [plaats A] rechtsgeldig heeft opgezegd, zodat de overeenkomsten voor deze opslagunits op 31 juli 2023 zijn geëindigd;
dat niet gesteld of gebleken is dat [appellant] (tijdig) op de voet van artikel 6:230a BW om verlenging van de ontruimingstermijn heeft verzocht, zodat de gevorderde veroordeling tot ontruiming toewijsbaar is.
In deze oordelen ligt besloten dat de bevoegdheid van Shurgard tot opzegging van de huurovereenkomsten niet afhankelijk was van de vraag of [appellant] een huurachterstand had.
3.4.2. [appellant] heeft tegen deze oordelen geen, althans geen voldoende duidelijke grief gericht. In de punten 10 tot en met 23 van de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] wel letterlijk de tekst van de punten 4 tot en met 18 van de conclusie van antwoord weergegeven. In punt 17 van de conclusie van antwoord, weergegeven in de eerste alinea van punt 23 van de dagvaarding in hoger beroep, staat het volgende: “De huurovereenkomsten kunnen niet worden opgezegd, want er is volgens [appellant] helemaal geen huurachterstand, die dit rechtvaardigt. Hetzelfde geldt voor een ontruiming van de opslagruimtes, want er is geen huurachterstand.”
Naar het oordeel van het hof is dit argument, als onderdeel van een uitgebreid citaat uit de conclusie van antwoord, niet op voldoende duidelijke wijze als een grief naar voren gebracht. Het argument vormt geen onderdeel van de wel voldoende duidelijk naar voren gebrachte grieven 1 tot en met 9.
3.4.3. Als het argument wel voldoende duidelijk als grief zou zijn aangevoerd, zou het hof die grief hebben verworpen. De huurovereenkomsten bepalen immers onder de eerste bullet van de bijzondere bepalingen dat die overeenkomsten, kort gezegd, te allen tijde schriftelijk door beide partijen kunnen worden opgezegd met een minimale opzegtermijn van 15 dagen. De bevoegdheid om de overeenkomsten op te zeggen, is dus niet afhankelijk van een eventuele tekortkoming van een van de partijen in de nakoming van zijn verplichtingen.
3.4.4. Het hof neemt om bovenstaande redenen tot uitgangspunt dat de huurovereenkomsten ter zake de opslagunits in [plaats A] op 31 juli 2023 zijn geëindigd.
3.4.5. Naar het oordeel van het hof had Shurgard bij deze stand van zaken een spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming van die opslagunits, zodat de kantonrechter die vordering in dit kort geding terecht heeft toegewezen. [appellant] gebruikte die opslagunits immers vanaf 31 juli 2023 zonder recht of titel, en weigerde ten onrechte die opslagunits te ontruimen. Bovendien zal uit de behandeling van andere grieven blijken dat [appellant] ook een aanzienlijke betalingsachterstand heeft laten ontstaan die, omdat [appellant] geen verdere betalingen verrichtte, verder opliep. Ook om het verder oplopen van die achterstand te voorkomen, heeft Shurgard een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering tot ontruiming.
Over de grieven 1 tot en met 4: het beroep van [appellant] op dwaling
3.5.1. Het hof zal de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk behandelen. Door middel van die grieven doet [appellant] een beroep op dwaling bij het aangaan van de huurovereenkomst ter zake de opslagunit met nummer [unitnummer A] in [plaats A] met ingang van 7 mei 2014. [appellant] heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Omdat Shurgard met [appellant] is overeengekomen dat [appellant] ten aanzien van opslagunit [unitnummer A] voor de gehele huurperiode 50% korting zou krijgen op de huurprijs, verkeerde [appellant] in de veronderstelling dat hij steeds goedkoper uit zou zijn dan andere huurders van vergelijkbare opslagruimte bij Shurgard. Omdat Shurgard de huur voor opslagruimte [unitnummer A] sinds 2015 meerdere keren fors heeft verhoogd, diende [appellant] op een gegeven moment een hogere huur te betalen dan de huur waarvoor Shurgard vergelijkbare opslagruimte aan nieuwe huurders aanbood. Aan [appellant] was bij het aangaan van de overeenkomst, door de afspraak dat hij 50% korting op de huurprijs zou krijgen, een andere voorstelling van zaken gegeven. [appellant] heeft dus gedwaald in de zin van artikel 6:228 BW, en dit moet ertoe leiden dat de aan hem in rekening gebrachte huur voor unit [unitnummer A] met toepassing van artikel 6:230 BW met terugwerkende kracht moet worden verlaagd. Shurgard heeft door de door haar doorgevoerde huurverhogingen ten onrechte geen uitvoering gegeven aan hetgeen partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen heeft gestaan.
3.5.2. Het hof stelt voorop dat [appellant] zich met dit betoog niet alleen beroept op dwaling, maar ook op schending van de overeenkomst door Shurgard.
3.5.3. Naar het oordeel van het hof moet het beroep op dwaling worden verworpen. In de overeenkomst zijn partijen immers uitdrukkelijk overeengekomen dat Shurgard de bevoegdheid heeft om op gezette tijden de huurprijzen te herzien, terwijl aan de mate van die herziening in de overeenkomst geen grenzen zijn gesteld en in de overeenkomst voorts geen verplichting is opgenomen om de huurverhogingen op enigerlei wijze te motiveren. Voor zover [appellant] zich niet heeft gerealiseerd dat Shurgard op grond van de overeenkomst deze ruime wijzigingsbevoegdheid had, en voor zover [appellant] dus in zoverre heeft gedwaald, moet die dwaling op grond van artikel 6:228 lid 2 BW in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen en de omstandigheden van het geval voor rekening van [appellant] zelf blijven. De genoemde wijzigingsbevoegdheid stond immers duidelijk vermeld in de overeenkomst.
3.5.4. Ook het betoog van [appellant] dat Shurgard de overeenkomst heeft geschonden door de huurverhogingen door te voeren, treft geen doel. Uit het overzicht waar [appellant] zich zelf op beroept (productie 7 bij de conclusie van antwoord en bij de dagvaarding in hoger beroep) blijkt dat Shurgard de korting van 50% is blijven verlenen, zij het dat Shurgard de huurprijs, en dus ook de door [appellant] te betalen 50% daarvan, in jaarlijkse stappen behoorlijk heeft verhoogd. Het stond Shurgard op grond van de overeenkomst vrij om die verhogingen door te voeren. Partijen zijn overeengekomen dat de verhoogde huurprijzen van toepassing zouden zijn 30 dagen nadat een schriftelijke kennisgeving van Shurgard is ontvangen. [appellant] had de mogelijkheid om, als hij de verhoogde huurprijs (en het door hem te betalen deel van 50% daarvan) te hoog vond, de huur op te zeggen (“te annuleren”) met een opzegtermijn van 15 dagen. [appellant] kon de huur dus beëindigen voordat een aangekondigde huurverhoging geëffectueerd zou worden. [appellant] heeft van die mogelijkheid telkens geen gebruik gemaakt. Hij heeft de huur laten doorlopen, heeft de verhoogde huurprijs betaald, en heeft niet geklaagd over de mate van huurprijsverhoging.
Conclusie
3.10.1. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven geen doel hebben getroffen. Het hof zal het beroepen kortgedingvonnis daarom bekrachtigen. Dat geldt ook voor de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het kort geding bij de kantonrechter. [appellant] blijft immers de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij.
3.10.. Omdat het hoger beroep ongegrond is, zal het hof [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot die kosten aan de zijde van Shurgard op:
Griffierechten € 798,--
Salaris advocaat € 858,-- (1 punt x tarief I)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.834,--
3.10.4. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
3.10.5. Al het voorgaande leidt tot onderstaande uitspraak.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven , rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 10672651 \ CV EXPL 23-5073 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 8 december 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 1.834,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Beoordeling
In het kortgeding bij de kantonrechter vorderde Shurgard als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de door hem gehuurde opslagunits met nummers [unitnummer C] en [unitnummer A] te [plaats A] , en veroordeling van [appellant] tot betaling van:
€ 4.003,75 ter zake van achterstallige huur, bezettingsvergoeding en verzekeringspremie voor deze opslagunits over de periode tot en met 31 oktober 2023, te vermeerderen met wettelijke rente;
€ 549,50 aan bezettingsvergoeding voor elke maand of gedeelte van een maand dat [appellant] de opslagunits – naar het hof begrijpt – na 31 oktober 2023 niet ontruimt;
€ 1.245,17 aan achterstallige huur voor de opslagunit in [plaats B] met nummer [unitnummer B] , die eerder al vrijwillig door [appellant] is ontruimd, te vermeerderen met wettelijke rente;
€ 507,96 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.2.2. Aan deze vordering heeft Shurgard, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[appellant] komt zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten voor de opslagunits in [plaats A] niet na, waardoor een huurachterstand is ontstaan. Shurgard heeft de huurovereenkomsten op geldige wijze door opzegging beëindigd. Desondanks heeft [appellant] de opslagunits niet ontruimd. [appellant] moet daartoe nu worden veroordeeld.
Verder moet [appellant] de tot en met 31 oktober 2023 verschuldigde achterstallige huur, verzekeringspremie en bezettingsvergoeding voldoen en ook een bezettingsvergoeding voor de tijd dat [appellant] de opslagunits vanaf 1 november 2023 nog in gebruik heeft. Ook het bedrag dat nog open staat aan achterstallige huur voor de opslagunit in [plaats B] moet [appellant] nog voldoen.
3.2.3. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4. In het kortgedingvonnis van 8 december 2023 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.
Shurgard heeft een spoedeisend belang bij beoordeling van haar vordering tot ontruiming in kort geding (rov. 5.3).
De door [appellant] gehuurde opslagunits zijn bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. Een huurovereenkomst die ziet op bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW kan door de verhuurder worden opgezegd als daarbij alle wettelijke en contractuele formaliteiten in acht worden genomen (rov. 5.4).
Artikel 7:228 lid 2 BW bevat een regeling over opzegging van huurovereenkomsten die, zoals in dit geval, voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. De partijen mogen echter bij overeenkomst afwijken van die wettelijke regeling, en dat hebben zij gedaan. In de huurovereenkomsten voor de opslagunits in [plaats A] staat dat Shurgard de huurovereenkomst na de eerste maand schriftelijk mag opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vijftien dagen (rov. 5.5).
Shurgard heeft bij brief van haar advocaat van 10 juli 2023 de huurovereenkomsten voor de opslagunits met nummers [unitnummer A] en [unitnummer C] rechtsgeldig opgezegd, zodat de overeenkomsten voor deze opslagunits op 31 juli 2023 zijn geëindigd (rov. 5.6).
Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] (tijdig) op de voet van artikel 6:230a BW om verlenging van de ontruimingstermijn heeft verzocht. De gevorderde veroordeling tot ontruiming is daarom toewijsbaar (rov. 5.7).
Omdat [appellant] de opslagunits nog niet heeft ontruimd en opgeleverd, is hij op grond van artikel 7:225 BW vanaf 31 juli 2023 tot aan de ontruiming een maandelijkse vergoeding verschuldigd aan Shurgard die gelijk is aan de maandelijkse huur over die periode (rov. 5.12).
Met betrekking tot de huurprijs van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW kunnen partijen overeenkomen wat zij willen. Shurgard was op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst gerechtigd om de huurprijzen op gezette tijden te herzien, waarbij de nieuwe huurprijs in zou gaan dertig dagen nadat de klant een schriftelijke aankondiging van de huurprijsverhoging heeft ontvangen (rov. 5.15).
Shurgard heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de hele looptijd van de huurovereenkomst voor opslagunit [unitnummer A] een korting van 50% op de huurprijs heeft toegepast. Ook staat vast dat elke huurverhoging voorafgegaan is door een schriftelijke aankondiging daarover van Shurgard. [appellant] heeft naar aanleiding van de aangekondigde huurverhogingen niet geklaagd en evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de huurovereenkomst naar aanleiding van de aangekondigde huurverhoging op te zeggen. Shurgard mocht daarom aannemen dat [appellant] met de verhogingen van de huurprijs heeft ingestemd (rov. 5.16).
In de huurovereenkomst is geen verplichting opgenomen om een toelichting te verstrekken op de voorgestelde huurverhoging, laat staan dat [appellant] daarmee moet instemmen voordat de huurverhoging kan worden doorgevoerd. Shurgard heeft bovendien een toelichting gegeven op de prijsverhogingen (rov. 5.17).
Omdat de huurovereenkomsten inmiddels zijn geëindigd, is een eventuele grond van [appellant] om huurbetalingsverplichtingen op te schorten, vervallen. Ook staat niet vast dat [appellant] een vordering op Shurgard heeft die hij kan verrekenen met de vordering van Shurgard (rov. 5.19).
Het verweer van [appellant] dat Shurgard aan hem ten onrechte verzekeringspremie in rekening heeft gebracht voor de zaken die hij in opslagunit [unitnummer C] heeft opgeslagen, moet worden verworpen (rov. 5.22 en 5.23).
Het door Shurgard in haar berekening opgenomen boetebedrag van € 174,15 is niet toewijsbaar. Van de door Shurgard ter zake de opslagunits in [plaats A] gevorderde hoofdsom van € 4.003,75 is dus € 3.829,60 toewijsbaar (rov. 5.24).
De vordering ten bedrage van € 1.245,17 aan achterstallige huur voor de opslagunit in [plaats B] is toewijsbaar. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij dit bedrag al contant aan Shurgard heeft betaald (rov. 5.27).
Shurgard heeft onvoldoende onderbouwd dat zij aan [appellant] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten kan daarom niet gebaseerd worden op artikel 12.3 van de algemene voorwaarden (rov. 5.29 tot en met 5.33).
De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 507,96 is wel toewijsbaar op grond van de wettelijke regeling van artikel 6:96 BW (rov. 5.34).
[appellant] moet als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov.
Procesverloop
Bij deze stand van zaken mocht Shurgard er redelijkerwijs op vertrouwen dat [appellant] de verhoogde huurprijs accepteerde. Van een schending van de huurovereenkomst door Shurgard is naar het voorshands oordeel van het hof niet althans onvoldoende gebleken. Een verplichting om een toelichting te verstrekken op de voorgestelde huurverhoging is in de huurovereenkomst niet opgenomen, terwijl partijen evenmin zijn overeengekomen dat [appellant] met een huurverhoging moet instemmen voordat de huurverhoging kan worden doorgevoerd.
3.5.5. Dat Shurgard om commerciële redenen wellicht aan nieuwe huurders opslagunits aanbiedt tegen lagere huurprijzen dan de prijs die [appellant] (rekening houdend met de aan hem verleende korting van 50%) op enig moment verschuldigd was, voert niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft ook zelf van een dergelijk aanbod geprofiteerd bij het aangaan van de huurovereenkomst.
3.5.6. Op het voorgaande stuiten de grieven 1 tot en met 4 af.
Over grief 5: een vordering tot vermindering van de huurprijs wegens verminderd huurgenot?
3.6.1. Door middel van grief 5 herhaalt [appellant] naar de kern genomen het door hem bij de kantonrechter gevoerde betoog dat Shurgard hem vanaf 1 maart 2023 geen toegang meer heeft gegeven tot de opslagunits en dat hij daarom vanaf die datum geen huur meer verschuldigd is voor de opslagunits.
3.6.2. Shurgard heeft daartegen in het geding bij de kantonrechter al aangevoerd dat zij bevoegd was om [appellant] toegang tot de opslagunits te ontzeggen aangezien de huur voor de betreffende periode nog niet betaald was. Verder heeft Shurgard gesteld dat zij van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, maar [appellant] vanaf het moment van ontstaan van de betalingsachterstand slechts toegang heeft verleend tot de opslagunits in aanwezigheid van een medewerker van Shurgard.
3.6.3. Naar het oordeel van het hof moet de grief om de navolgende reden worden verworpen. Een huurovereenkomst is een wederkerige overeenkomst als bedoeld in art. 6:261 BW. De regel dat als een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten (art. 6:262 lid 1 BW), geldt dus ook voor partijen bij een huurovereenkomst. De verplichting tot het verschaffen van het huurgenot enerzijds en tot het betalen van de huur anderzijds zijn tegenover elkaar staande verplichtingen in de zin van art. 6:262 lid 1 BW. Shurgard was daarom naar het voorshands oordeel van het hof bevoegd om, nu [appellant] de huur niet betaalde, de verschaffing van het huurgenot ter zake de opslagunits op te schorten of te beperken. Dat Shurgard als verhuurder na een eventuele aanzuivering van de huurachterstand, niet alsnog het huurgenot over de periode van de opschorting kan verschaffen, is onvoldoende voor een ander oordeel (vergelijk HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:389, rov. 3.1.2). Overigens heeft [appellant] zijn zaken nog in de opslagunits laten staan, en in zoverre huurgenot gehad.
Over de grieven 6 en 7: de verzekeringspremie voor de voor de zaken in opslagunit [unitnummer C]
3.7.1. [appellant] heeft in het geding bij de kantonrechter als verweer aangevoerd dat Shurgard aan hem ten onrechte gedurende 20 maanden € 30,-- per maand aan verzekeringskosten voor de zaken in opslagruimte [unitnummer C] in rekening heeft gebracht, aangezien hij zelf al een toereikende verzekering had en Shurgard die verzekering ook in het kader van de verhuur van opslagunit [unitnummer A] toereikend heeft gevonden. Volgens [appellant] moet de vordering van Shurgard op hem daarom met € 600,-- worden verminderd. Naar het hof begrijpt, doelt [appellant] hierbij op de maanden oktober 2021 (de begindatum van de verzekering was immers 30 september 2021) tot en met mei 2023, hoewel Shurgard volgens het als prod. 2 bij de inleidende dagvaarding overgelegde overzicht ook over de maanden daarna nog verzekeringspremie in rekening heeft gebracht.
3.7.2. Shurgard heeft hiertegen aangevoerd dat [appellant] op grond van de huurovereenkomsten voor elke opslagruimte een afschrift van de verzekeringspolis moet overleggen waaruit volgt dat dekking bestaat voor de spullen die in de opslagruimte zijn opgeslagen, en dat hij voor elke opslagruimte een afstandsverklaring moet tekenen. Volgens Shurgard heeft [appellant] dat voor de opslagunit met [unitnummer C] niet gedaan, waardoor hij de verzekeringspremies overeenkomstig de door hem met Shurgard gesloten verzekeringsovereenkomst verschuldigd is.
3.7.3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn verzekeringspolis aan Shurgard heeft verstrekt, zoals hij had moeten doen. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter het verweer van [appellant] dat hij geen verzekeringspremie verschuldigd was, verworpen.
3.7.4. De grieven 6 en 7 zijn tegen die beslissing gericht. In de toelichting op de grieven betoogt [appellant] , kort gezegd:
dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hemzelf afgesloten verzekering, die al bij Shurgard bekend was, voldoende dekking bood voor de zaken in beide opslagunits;
dat hij de benodigde documenten aan Shurgard heeft geleverd.
Als productie 5 bij de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] overgelegd:
een polisblad van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, waarop “ [XX 2] Techniek” als verzekeringnemer is vermeld;
een polis van een “OndernemersGemakVerzekering”, waarop [appellant] , handelend onder de naam [YY] Group” als verzekeringnemer is vermeld.
3.7.5. Shurgard heeft in de memorie van antwoord, zakelijk weergegeven, betwist dat [appellant] de benodigde verzekeringsdocumentatie aan Shurgard heeft verstrekt.
3.7.6. Het hof constateert dat [appellant] op geen enkele wijze heeft toegelicht wanneer en op welke wijze hij de noodzakelijke verzekeringsdocumenten aan Shurgard heeft geleverd. Uit het door Shurgard overlegde overzicht van facturen en betalingen blijkt voorts dat Shurgard de verzekeringspremie direct met ingang van 30 september 2021 in rekening is gaan brengen en dat [appellant] na zijn betaling van 9 februari 2023 nog een positief saldo had in de “Customer Balance” van Shurgard. [appellant] heeft, met andere woorden, de verzekeringspremies over de periode tot met februari 2023 voldaan. Dat wijst er in het geheel niet op dat [appellant] op een eerder moment verzekeringsdocumenten aan Shurgard heeft overhandigd en zich daardoor ontslagen achtte van zijn plicht om een maandelijkse verzekeringspremie van € 30,-- aan Shurgard te voldoen. Het hof deelt daarom het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verzekeringspolis aan Shurgard heeft verstrekt. Om die reden kunnen de grieven 6 en 7 geen doel treffen.
Over grief 8: geen zelfstandige betekenis naast de grieven 1 tot en met 7
3.8.1. Grief 8 heeft, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de grieven 1 tot en met 7. Grief 8 hoeft dus niet nader besproken te worden.
3.8.2. Volledigheidshalve oordeelt het hof dat de geldvordering van Shurgard met betrekking tot de huur van de opslagruimtes in [plaats A] gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk is geworden. Shurgard heeft bij toewijzing van die vordering een spoedeisend belang omdat [appellant] volgens zijn eigen stellingen (punt 24 van de dagvaarding in hoger beroep) in financiële problemen verkeert. Shurgard heeft er daarom belang bij snel over een executoriale titel te beschikken, waarmee zij kan trachten haar vorderingen te innen.
Procesverloop
Het hof neemt bij de in dit kort geding te verrichten belangenafweging verder in aanmerking dat niet gesteld of gebleken is dat er aan de zijde van Shurgard een restitutierisico zou zijn. Het hof is daarom evenals de kantonrechter van oordeel dat de geldvordering van Shurgard met betrekking tot de huur van de opslagruimtes in [plaats A] toewijsbaar is.
Over grief 9: de vordering ter zake achterstallige huur voor de opslagunit in [plaats B]
3.9.1. Grief 9 is gericht tegen de toewijzing van de vordering ten bedrage van € 1.245,17 aan achterstallige huur voor de opslagunit in [plaats B] .
3.9.2. [appellant] heeft in de toelichting op de grief allereerst verwezen naar het beroep op dwaling dat hij eerder in de memorie van grieven heeft gedaan, en het hof verzocht dat verweer als herhaald en ingelast te beschouwen in de toelichting op grief 9. Het beroep dat [appellant] op dwaling heeft gedaan, ziet echter op de in 2014 gesloten huurovereenkomst ter zake opslagunit [unitnummer A] in [plaats A] . [appellant] heeft niet uiteengezet dat op een vergelijkbare wijze sprake is geweest van dwaling ten aanzien van de in 2021 gesloten huurovereenkomst voor de opslagunit in [plaats B] . In die huurovereenkomst was ook geen sprake van een korting van 50% op de huurprijs. Het hof verwerpt reeds om die reden het beroep op dwaling ten aanzien van de huurovereenkomst ten aanzien van de opslagunit in [plaats B] .
3.9.3. [appellant] heeft in de toelichting op de grief niet betwist dat hij ter zake de opslagunit in [plaats B] een huurachterstand ten bedrage van € 1.245,17 heeft laten ontstaan. Het hof zal dit dus verder tot uitgangspunt nemen.
3.9.4. [appellant] heeft in de toelichting op de grief wel gesteld “dat hij op basis van verklaringen van derden voldoende aannemelijk kan maken dat hij een contante betaling aan Shurgard heeft gedaan, waardoor het geschil tussen partijen ten aanzien van de opslagruimte in [plaats B] is beëindigd.” [appellant] heeft voorts aan het slot van de memorie van grieven een bewijsaanbod gedaan waarin hij onder meer heeft gesteld dat de heren [persoon A] en [persoon B] kunnen getuigen over de contante betaling aan Shurgard ten aanzien van de opslagruimte in [plaats B] .
3.9.5. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat een kortgedingprocedure zich in beginsel niet leent voor bewijslevering door getuigenverhoren. Het hof ziet geen aanleiding om in deze zaak een uitzondering te maken op dat uitgangspunt.
3.9.6. Het hof ziet zich daarom gesteld voor de vraag of [appellant] in de gedingstukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, door een overeengekomen bedrag aan Shurgard te betalen, heeft bewerkstelligd dat Shurgard geen vordering meer op hem heeft ter zake de huur van de opslagunit in [plaats B] . [appellant] heeft in verband daarmee een e-mail van Shurgard van 17 september 2021 en een e-mail van Shurgard van 24 september 2021 overgelegd.
In de e-mail van 17 september 2021 staat onder meer het volgende:
“Uit onze gegevens blijkt dat u inmiddels een aanzienlijke betalingsachterstand heeft opgebouwd. (…) U bent om wat voor reden dan ook, niet in staat om aan uw verplichtingen
te voldoen. Daarom nemen wij nu voor u het heft in handen. Zo gaan wij niet verder.
U heeft 2 opties en niet veel tijd meer.
1. U doet niets
2. U treft met ons een regeling
Optie 1
(…)
Optie 2
U betaalt een gedeelte van de schuld, neemt uw spullen dezelfde dag mee en de restschuld schelden wij u kwijt. Hier is op dinsdag 14 september nog telefonisch contact over geweest waarin de mogelijkheid is aangeboden om tot een betaalafspraak te komen. Het aanbod wat nu op tafel ligt is € 630 te voldoen door u en de ruimte tijdens kantoortijd, op uiterlijk 24 september tussen 10:00 uur en 17:30 uur, helemaal leeg te maken. U dient hiervoor met de locatie een afspraak te maken.”
In de e-mail van 24 september 2021 staat onder meer het volgende:
“Vrijdag 24 september 2021 rond 13:30 uur hebben wij telefonisch het volgende afgesproken.
1. U komt vrijdag 1 oktober 2021 om 09:30 uur op kantoor aan [adres B] te [plaats B] om toegang te krijgen tot uw ruimte met al uw bezittingen.
2. Deze ruimte [unitnummer B] maakt u diezelfde dag geheel leeg en laat deze schoon achter. U krijgt hiervoor de tijd tot uiterlijk 17:30 uur.
3. Voordat u de ruimte geheel ledigt betaalt u € 630 in plaats van de op dit moment openstaande € 985. / U betaalt niets, ledigt de ruimte wel en alle kosten zullen naar Intrum gaan.
4. U dient dit tijdens kantoortijden uit te voeren in verband met de toegang.”
3.9.7. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] de opslagunit in [plaats B] op de in de e-mail van 24 september 2021 genoemde datum van 1 oktober 2021 vrijwillig heeft ontruimd. [appellant] heeft dat gesteld (onder meer in punt 9 van de dagvaarding in hoger beroep), en het door Shurgard als productie 10 bij de inleidende dagvaarding overgelegde “Move Out Formulier” wijst er ook op dat de ontruiming door [appellant] op 1 oktober 2021 heeft plaatsgevonden.
3.9.8. In punt 3 van de e-mail van 24 september 2021 werden aan [appellant] twee mogelijkheden geboden in verband met deze ontruiming:
betaling van € 630,-- (naar het hof begrijpt: tegen finale kwijting) in plaats van het op dat moment openstaande hogere bedrag;
het niet verrichten van enige betaling, waarbij alle kosten aan het incassobureau zouden worden doorgegeven.
3.9.9. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij van de eerstgenoemde mogelijkheid (betaling van € 630,-- tegen finale kwijting) gebruik heeft gemaakt. [appellant] heeft geen bewijs van overboeking van dit bedrag per bank overgelegd, en evenmin een kwitantie van een contante betaling van dit bedrag. [appellant] heeft ook geen schriftelijke verklaringen van getuigen overgelegd, waarin de gestelde contante betaling wordt bevestigd. Bovendien heeft het door Shurgard ingeschakelde incassobureau [appellant] al op 23 november 2021 aangeschreven ter zake de nog openstaande hoofdsom van € 1.245,17 (productie 8 bij de inleidende dagvaarding). Ook dat wijst er niet op dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tegen finale kwijting een contante betaling te verrichten op 1 oktober 2021.
3.9.10. Het hof verwerpt daarom grief 9. Het beroepen vonnis moet dus ook bekrachtigd worden voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] om in verband met de huur van de opslagunit in [plaats B] € 1.245,17 te betalen. Om de hiervoor in rov. 3.8.2 genoemde redenen heeft Shurgard ook bij deze vordering voldoende spoedeisend belang.