Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:391
Strafrecht
Hoger beroep
4,402 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002548-24
Uitspraak : 13 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 september 2024, parketnummer 03-259265-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-065238-20, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft verdachte ter zake van:
-mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken met aftrek van voorarrest.
Tevens heeft de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
Tenslotte heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke opgelegde taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis toegewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft primair gevorderd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken op te leggen en subsidiair een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en de verplichting tot het volgen van een agressieregulatietraining. Tevens heeft de advocaat-generaal de gehele toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Zowel de verdediging als de advocaat-generaal (in de subsidiaire variant van de vordering) staan een bestraffing voor waarin een voorwaardelijk deel is opgenomen met de bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en de verplichting tot het volgen van een agressieregulatietraining.
Het hof kan zich vinden in deze voorgestelde strafmodaliteit en vindt daarvoor steun in het reclasseringsadvies van 26 januari 2024 waarin de emotie-en agressieregulatie van verdachte als risicofactor wordt aangemerkt. De reclassering vond indertijd de noodzakelijk geachte interventies op deze gebieden gelet op de houding van verdachte niet uitvoerbaar. Verdachte gaf in die tijd aan niet open te staan voor reclasseringsbemoeienis.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte een andere houding aangenomen en heeft - weliswaar schoorvoetend – aangegeven open te staan voor reclasseringsbegeleiding en het volgen van een agressieregulatietraining.
Tegelijkertijd ziet het hof in het recidivegevaar en de omstandigheid dat de mishandeling is gepleegd jegens een politie-ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening aanleiding een fors gedeelte van de op te leggen straf in onvoorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 6 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en het volgen van een agressieregulatietraining.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding, welke vordering bestaat uit de navolgende posten:
-materiële schade:
Kosten huishoudelijke hulp: € 938,- (gematigd in eerste aanleg)
Verlies zelfwerkzaamheid: € 1.622,13
-immateriële schade: € 1585,-
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep voor wat betreft de materiële schade gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.882,63 en de immateriële schade is geheel toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij primair betwist en subsidiair verzocht de posten “verlies zelfwerkzaamheid” en immateriële schade te matigen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Algemene overweging
Uit het medisch advies van MediThemis van 22 augustus 2024, dat ter onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij is ingebracht, wordt op basis van bij de benadeelde partij vastgestelde symptomen in combinatie met het ongevalsmechanisme geconcludeerd tot een Whiplash Associated Disorder (WAD) van de tweede graad. Daarbij wordt de diagnose van whiplash benadrukt door het feit dat dit type pijnklachten, waarbij verhoogde spierspanning (hypertonie) objectief is vastgesteld, vaak leiden tot symptomen als hoofdpijn, schouderpijn en concentratieproblemen. De fysieke klachten kunnen hinder geven bij werkzaamheden, sport en sociaal leven. In het algemeen geven klachten van WAD beperkingen ten aanzien van nek-en schouderbelasting.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich binnen 5 werkdagen volgend op de uitspraak te melden bij Reclassering Nederland. Daarna dient de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd op dagen en tijdstippen zoals bepaald door Reclassering Nederland, zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een agressie-regulatietraining, aangeboden door of namens de reclassering Nederland of een soortgelijke instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.396,00 (tweeduizend driehonderdzesennegentig euro) bestaande uit € 811,00 (achthonderdelf euro) materiële schade en € 1.585,00 (duizend vijfhonderdvijfentachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.396,00 (tweeduizend driehonderdzesennegentig euro) bestaande uit € 811,00 (achthonderdelf euro) materiële schade en € 1.585,00 (duizend vijfhonderdvijfentachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 13 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken
Inleiding
Door de pijnklachten ondervond de benadeelde partij beperkingen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken en tuinonderhoud.
Materiële schade
Voor wat betreft de gevorderde materiele schade stelt het hof voorop dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp en/of verzorging door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moet worden vergoed indien deze niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Bovendien blijkt uit rechtspraak dat het feit dat aan derden onder artikel 6:107 BW een eigen recht tot schadevergoeding is toegekend, niet afdoet aan de bevoegdheid van het slachtoffer om ook zelf een vergoeding voor deze (verplaatste)schade te vorderen.
Huishoudelijke hulp
Ter onderbouwing van de kosten van huishoudelijke hulp heeft de benadeelde partij aangevoerd dat voorafgaande aan het incident hij en zijn vrouw een afspraak hadden dat zij ieder 50% van het huishouden voor hun rekening namen. Na het incident heeft de partner van de benadeelde partij deze werkzaamheden voor haar rekening genomen.
Anders dan de politierechter en de benadeelde partij is het hof met de verdediging van oordeel dat niet is gebleken dat deze huishoudelijke werkzaamheden van dien aard zijn geweest dat inschakeling van een professionele hulp daarvoor normaal en gebruikelijk is. Temeer ook omdat uit de door de benadeelde partij ingebrachte stukken, waaronder het ingebrachte medische advies van Medithemis voornoemd, niet volgt dat hij voor wat betreft deze werkzaamheden in het geheel niet meer in staat is.
Dat de benadeelde partij en zijn partner voor het incident een “poetsvrouw” hadden doet aan dit oordeel niet af.
De benadeelde partij zal voor wat betreft dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Verlies zelfwerkzaamheid
Ter onderbouwing van de post zelfwerkzaamheid heeft de benadeelde partij aangevoerd dat het tuinonderhoud voorafgaande aan het incident geheel voor zijn rekening kwam en dat na dit incident deze werkzaamheden zijn overgenomen door zijn vriendin en ouders en dat hij een tuinman heeft moeten inschakelen.
Het hof is gelet op de daarvoor gegeven onderbouwing met de politierechter van oordeel dat deze post voor de helft voor vergoeding in aanmerking komt. Dit overeenkomstig het subsidiaire standpunt van de verdediging. Met name de omstandigheid dat voor een deel van de werkzaamheden een professional is ingeschakeld, hetgeen voor dit soort werkzaamheden niet ongebruikelijk is, maakt dat het hof tot dit oordeel komt.
De vordering zal ten aanzien van deze post worden toegewezen tot een bedrag van € 811,-. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Immateriële schade
Ter onderbouwing van de post immateriële schade heeft de benadeelde partij gesteld dat hij door de mishandeling in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW doordat hij tengevolge daarvan lichamelijk letsel heeft opgelopen zoals zwellingen in zijn gezicht (oor/kaak) en - kort gezegd- whiplash. Voor de hoogte van deze vordering heeft de verdediging aansluiting gezocht bij een uitspraak van de politierechter te Arnhem van 10 april 2015.
Het hof is gelet op de onderbouwing van deze post met de politierechter van oordeel dat deze voor toewijzing in aanmerking komt en ziet geen grond tot matiging daarvan als door de verdediging verzocht.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 2.396,00, bestaande uit een post van
€ 811,- ter zake materiële schade en een post van € 1.585,- ter zake immateriële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften