Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:3827
Strafrecht
Hoger beroep
3,807 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3827 text/xml public 2026-04-08T11:56:31 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-07-16 20-001061-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2348 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3827 text/html public 2026-04-08T11:55:50 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-07-2025 / 20-001061-24 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een goed voorbereide en (op onderdelen) geraffineerd uitgevoerde afpersing. De verdachte had zich vermomd en heeft enige tijd buiten het winkelcentrum gewacht op het moment dat het slachtoffer met een collega de winkel waar zij werkten verlieten. Hij is achter het slachtoffer en haar collega aangelopen en heeft het slachtoffer vervolgens gedwongen haar tas af te geven. Het slachtoffer was op weg om dit geldbedrag, de weekopbrengst van de winkel waar zij werkt, een bedrag van meer dan € 10.000,00, te storten bij een geldstortautomaat. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Parketnummer : 20-001061-24 Uitspraak : 16 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-291776-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van de subsidiair tenlastegelegde ‘afpersing’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank – samengevat – de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: - een meldplicht bij de reclassering, - verplichte deelname aan gedragsinterventie. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toegewezen tot een bedrag van € 984,76, bestaande uit € 184,76 aan materiële schade en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2023 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit bepleit. Meer subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman bepleit deze niet-ontvankelijk te verklaren. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat er voor de verdediging sprake is geweest van onvoldoende ‘ facilities’ zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelet op het ernstig gebrekkig en onvolledig dossier dat de basis is geweest voor de vervolging. De vraag is of de verdachte onder de gegeven omstandigheden nog wel een eerlijk proces krijgt, aldus de verdediging. De verdediging heeft in dit verband voorts verwezen naar artikel 17 van de Grondwet. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het door de verdediging gevoerde verweer betreft een verweer dat sprake is van verzuim van vormen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Van de verdediging mag in dat geval volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van dit wetsartikel genoemde factoren wordt aangegeven tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden. In dit geval heeft de verdediging dit echter nagelaten. Reeds hierom wordt het verweer verworpen. Daarnaast overweegt het hof dat de door de verdediging gestelde gebreken in het opsporingsonderzoek, wat hiervan verder ook zij, ook bijeengenomen onvoldoende zijn om te oordelen dat het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van het EVRM en/of artikel 17 van de Grondwet is geschonden. De gestelde grondslag voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging ontbreekt derhalve. Ook hierom faalt het verweer. Ten overvloede wijst het hof er op dat de stelling van de verdediging dat er geen onderzoek is verricht naar het gestelde alibi van de verdachte voor wat betreft het bezoek aan de sportschool, feitelijk onjuist is. Het hof verwijst hierbij kortheidshalve naar het verhoor van getuige [getuige 1] . Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen en bewijsoverweging Bewijsmiddelen Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven in bijlage II op pagina’s 7 tot en met 10 van het vonnis, met aanvulling en verbetering van het hiernavolgende: I. - Het hof voegt bij alle door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in de zin “Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:” tussen de woorden “houdt” en “,zakelijk” telkens de woorden in: “, voor zover hier relevant”. - Het hof vult het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 2 ‘Het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 1] , pagina’s 28 tot en met 30’ aan met hetgeen hieronder is opgenomen: Op 9 mei 2022 reed ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met politieambtenaar [verbalisant 2] , naar aanleiding van een melding van een beroving gepleegd aan [plaats] in Waalwijk. - Het hof vult het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 5 ‘Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juni 2022, pagina’s 160 tot en met 166’ aan met hetgeen hieronder is opgenomen: O: Maar als je de persoon op de foto 6, dus de dader van de beroving, vergelijkt met de persoon op foto 3, 4 en 5, dus op jouw telefoon, is dat dan dezelfde persoon? A: Ja, dat is dezelfde persoon. - Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel: 7. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 3 juni 2022, pagina 33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De getuige verklaarde: Ik begrijp dat ik als getuige wordt gehoord in verband met mijn eerdere verklaring over de beroving op maandag 9 mei 2022. V: staat voor vraag verbalisant A: staat voor antwoord getuige V: Ik wil u een foto tonen ( hof: de verbalisant laat de selfie foto die is aangetroffen op de telefoon van de verdachte zien ). Wat ziet u op deze foto? A: Ik herken de hoodie, de donkere zonnebril, het blauwe mondkapje, en de jas. Dit is de dader van de beroving van 9 mei. II. - Het hof schrapt uit het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 4 de daarin opgenomen foto’s.
Volledig
Bewijsoverweging Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de rechtbank, zoals weergegeven onder het kopje ‘Beoordeling door de rechtbank’ op pagina 2 van het vonnis, met uitzondering van de volgende verbetering en aanvulling: - De zin “In het dossier bevinden zich heldere camerabeelden en afbeeldingen van de persoon die de straatroof heeft gepleegd.” wordt vervangen door de zin: In het dossier bevinden zich heldere camerabeelden en afbeeldingen van een persoon die zich kort vóór de straatroof ophoudt in de nabijheid van de plaats delict. - De zin “Niet staat ter discussie dat deze persoon degene is geweest die de straatroof heeft gepleegd.” wordt vervangen door de zin: Naar het oordeel van het hof staat gelet op de gebezigde bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel vast dat deze persoon degene is geweest die de straatroof heeft gepleegd. - De zin “Hierbij komt dat de verklaring van de verdachte, dat hij op de ochtend van de straatroof had gesolliciteerd en dat hij naar de sportschool zou zijn geweest aantoonbaar onjuist is.” wordt vervangen door de zin: Hierbij komt dat de verklaring van de verdachte dat hij in de ochtend van de straatroof had gesolliciteerd en dat hij naar de sportschool zou zijn geweest naar het oordeel van het hof niet geloofwaardig is, gelet reeds op respectievelijk de verklaring van de medewerker van [bedrijf] (pagina 90 van het procesdossier) en de verklaring van getuige [getuige 1] (pagina 92 van het procesdossier). Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - geheel subsidiair - het hof verzocht aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij zijn moeilijk verworven vast werk en inkomen zou verliezen, met alle negatieve gevolgen van dien. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een goed voorbereide en (op onderdelen) geraffineerd uitgevoerde afpersing. De verdachte had zich vermomd en heeft enige tijd buiten het winkelcentrum gewacht op het moment dat het slachtoffer met een collega de winkel waar zij werkten verlieten. Hij is achter het slachtoffer en haar collega aangelopen en heeft het slachtoffer vervolgens gedwongen haar tas af te geven. Het slachtoffer was op weg om dit geldbedrag, de weekopbrengst van de winkel waar zij werkt, een bedrag van meer dan € 10.000,00, te storten bij een geldstortautomaat. Het slachtoffer heeft verteld dat dit een zeer heftige en beangstigende situatie voor haar is geweest. Dit volgt ook uit het traject bij de psycholoog dat het slachtoffer naar aanleiding van het feit heeft moeten ondergaan. Vervolgens is de verdachte gevlucht naar een naburig park, heeft zich snel omgekleed en heeft zich daar tegenover de later gearriveerde politie voorgedaan als onschuldige voorbijganger, waarbij hij de politie attendeerde op een vermomde man die voorbij zou zijn gerend met een tas. Dit handelen getuigt van berekenend gedrag. Tot op heden blijft de verdachte ontkennen dat hij met de afpersing te maken heeft en neemt de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor wat hij heeft aangericht. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de beslissing over de straftoemeting acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In geval van een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging, waarmee het bewezenverklaarde voor wat betreft de straftoemeting gelijk kan worden gesteld, geldt - zonder recidive - als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Het hof acht ten opzichte van het voornoemde oriëntatiepunt strafverzwarend de goede voorbereiding en geraffineerde uitvoering van het feit zoals voornoemd, alsmede de aanzienlijke hoogte van het buitgemaakte geldbedrag. Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 april 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2010 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, te weten drie diefstallen. Gelet op de ouderdom van deze veroordeling zal het hof deze maar in beperkte mate in strafverzwarende zin meewegen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij zijn leven op orde heeft. Hij is werkzaam in Oosterhout in de chemie industrie en dat gaat goed. Hij woont in huis bij familie en kan financieel goed rondkomen. Het hof zal de, kort gezegd, actuele stabiele persoonlijke situatie van de verdachte in strafmatigende zin meewegen. Afgezet tegen de aard en ernst van het bewezenverklaarde komt aan deze persoonlijke situatie echter maar beperkt gewicht toe. Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder in verband met een juiste normhandhaving en met het oog op vergelding en generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt van aanmerkelijke duur. Het hof ziet onvoldoende grond voor het (mede) opleggen van een voorwaardelijke straf. Het hof ziet, anders dan de verdediging, in de ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde persoonlijke omstandigheden of anderszins geen grond om te komen tot een andere strafmodaliteit, of tot een kortere gevangenisstraf. Gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde feit zal het hof juist een hogere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd. Alles afwegende acht het hof de oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden ; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene. Aldus gewezen door: mr. T. van de Woestijne, voorzitter, mr. A. Muller en mr. L. Feraaune, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier, en op 16 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.