Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:3816
Strafrecht
Hoger beroep
8,063 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3816 text/xml public 2026-03-06T17:05:34 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-25 20-000881-22 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3816 text/html public 2026-03-06T17:05:05 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3816 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-09-2025 / 20-000881-22 Mensenhandel. En handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, Wet wapens en munitie. Parketnummer : 20-000881-22 Uitspraak : 25 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-154675-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mensenhandel’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, Wet wapens en munitie’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren. Bij het voorwaardelijk strafdeel zijn, kort gezegd, als bijzondere voorwaarden gesteld: een meldplicht bij de reclassering; een contactverbod met [slachtoffer] ; ambulante behandeling door [psychiatrisch ziekenhuis] of een soortgelijke zorgverlener. De rechtbank heeft bevolen dat voornoemde bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 het onder de verdachte inbeslaggenomen notitieboek verbeurd verklaard en de onder de verdachte inbeslaggenomen schoenen en kleding onttrokken aan het verkeer. De vordering van de benadeelde partij is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 40.334,00, bestaande uit € 30.334,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer is tot slot de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarde enkel nog een contactverbod met [slachtoffer] wordt gesteld. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de huur en het eigen risico moeten worden afgewezen bij gebreke van causaal verband en voorkomen moet worden dat de verdachte de gederfde inkomsten zowel als schadevergoeding, als in het kader van de ontnemingsvordering moet betalen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op het beslag. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond, vervangen door de hierna opgenomen artikelen. Aanvulling bewijsmiddelen Het hof zal, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de aanvullingen op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Aanvulling bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, onder meer naar voren gebracht dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] te onbetrouwbaar is om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd, nu aangeefster op diverse onderdelen tegenstrijdig dan wel wisselend zou hebben verklaard en haar verklaring op belangrijke punten geen ondersteuning vindt in het dossier. In aanvulling op hetgeen de verdediging in dit verband in eerste aanleg reeds naar voren heeft gebracht, heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gewezen op de verklaringen van [getuige 1] , de zus van de verdachte, [getuige 2] , de broer van de verdachte, en [getuige 3] , ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Deze verklaringen zouden een contra-indicatie vormen voor het sociale isolement en de kwetsbare en slechte financiële positie waarin aangeefster zou hebben verkeerd. De rechtbank zou hebben miskend dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster zo veelzeggend zijn met betrekking tot de mate van betrouwbaarheid van die verklaringen, dat die verklaringen in zijn geheel als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal en de rechtbank, ziet het hof, ondanks dat de verklaring van aangeefster niet op alle onderdelen kan worden gevolgd, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] te twijfelen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen, met name de chatberichten die tussen de verdachte en aangeefster zijn uitgewisseld in de tenlastegelegde periode. Anders dan de verdediging betoogt, heeft de verdachte geen plausibele andere verklaring gegeven voor de door de rechtbank aangehaalde chatberichten over (onder andere) ‘doorzetten’, ‘even wennen’ en ‘meer geld verdienen’. Dat hieruit zou blijken dat de verdachte aangeefster juist zou hebben willen ontmoedigen om het prostitutiewerk te (blijven) doen, zoals de verdachte heeft verklaard, kan het hof niet volgen. In aanvulling op hetgeen de rechtbank over het bewijs heeft overwogen, is naar het oordeel van het hof ook het in de woning van de verdachte aangetroffen notitieboekje waarin door de verdachte gedurende lange periode opbrengsten zijn bijgehouden, ondersteunend aan de verklaring van aangeefster. Dat dit boekje niets met de verdiensten van aangeefster van doen had en het zou gaan om – vrijwel dagelijkse – winsten in het casino, zoals de verdachte heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig. Op basis van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat aangeefster in de tenlastegelegde periode niet zelf over het geld dat zij verdiende kon beschikken. Zij heeft immers ook vrijwel de gehele onderzoeksperiode op haar bankrekening rood gestaan en zij ontving geld via de bankrekening van de verdachte, terwijl in de tenlastegelegde periode op die bankrekening voor een groot bedrag aan contante geldstortingen is ontvangen, waarvoor de verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof is hiermee de beperking van de keuzevrijheid van aangeefster door de verdachte een feit.
Volledig
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep nog een beroep gedaan op de verklaringen die door getuigen ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn afgelegd, waaruit kort gezegd kan worden opgemaakt dat geen sprake was van (totale) isolatie van aangeefster en zij wel degelijk over eigen inkomsten kon beschikken. Nog daargelaten dat het tenlastegelegde plaatsvond gedurende een lange periode, en de getuigen voornamelijk verklaren over het einde van die periode, maken de omstandigheden dat geen sprake was van totale isolatie en dat aangeefster wel geld te besteden had, niet dat van de uitbuiting zoals bewezenverklaard geen sprake is. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen. Hetgeen de verdediging voor het overige naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Deze verweren vinden immers reeds hun weerlegging in de gebruikte bewijsoverwegingen van de rechtbank, welke het hof overneemt. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende. Ten laste van de verdachte is in de eerste plaats bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De verdachte heeft aangeefster [slachtoffer] bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard met derden, waaruit de verdachte gedurende een lange periode geldelijk voordeel heeft getrokken. De verdachte heeft het slachtoffer onder meer geïnstrueerd hoeveel klanten zij op dagelijkse basis moest hebben, hoeveel geld zij moest verdienen en haar naar seksclubs gebracht waar zij de prostitutiewerkzaamheden verrichte. Voorts heeft de verdachte aangeefster veelvuldig gecontroleerd en haar in een positie gebracht waarin zij niet over haar eigen inkomsten kon beschikken. Het hof acht het voorgaande in het bijzonder kwalijk nu de verdachte wist dat aangeefster in een kwetsbare positie verkeerde, nu zij niet meer bij haar familie terecht kon en afhankelijk van hem was voor het hebben van onderdak. De verdachte lijkt zich nimmer te hebben bekommerd om de inbreuken op de psychische en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en heeft uitsluitend gehandeld vanuit het oogpunt van persoonlijk financieel gewin. Voorts heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen van categorie 1, onder 7°, van de Wet wapens en munitie. Het bezit van een dergelijk wapen is verboden en kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen en een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken, nu het geschikt is voor bedreiging of afdreiging van personen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 mei 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij montagewerkzaamheden verricht voor een beddenzaak. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en thans niet meer kampt met een gokverslaving. Het hof heeft zich daarnaast rekenschap gegeven van de reclasseringsadviezen d.d. 20 september 2021 en 22 november 2021, waaruit, kort gezegd, volgt dat de risico’s op recidive en letselschade worden ingeschat als gemiddeld tot hoog en het risico op onttrekking wordt ingeschat als laag. Hoewel de verdachte maatschappelijk goed ingebed leek, kampte hij met een hardnekkige gokverslaving waarvoor hij hulp wenste. Bijgevolg werden, in het geval van veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke straf, als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] geadviseerd. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis d.d. 7 juni 2023 zijn voornoemde bijzondere voorwaarden gesteld. Uit het evaluatieverslag d.d. 6 augustus 2025 volgt dat de verdachte de voorwaarden gedurende de schorsing niet heeft overtreden en dat de verdachte zich hield aan de afspraken. De risico’s op recidive, letsel en onttrekking worden thans ingeschat als laag. Naar het oordeel van het hof kan, ondanks de hiervoor bedoelde persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Gelet op het vorenoverwogene zou het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, waarbij de in het dictum te noemen bijzondere voorwaarde wordt gesteld, passend en geboden achten. Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, dient de zaak echter in iedere procesfase binnen zestien maanden te worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij de behandeling in hoger beroep met twee jaren en drie maanden is overschreden, nu bij akte van 24 februari 2022 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten 25 september 2025, einduitspraak doet. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Bijgevolg zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met vier maanden. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Volledig
Bij het voorwaardelijk strafdeel zal het hof als bijzondere voorwaarde uitsluitend een contactverbod met [slachtoffer] stellen, nu het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel is dat de bijzondere voorwaarden van ambulante behandeling en een meldplicht bij de reclassering, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, thans niet langer opportuun zijn. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, aangezien de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht de duur van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf overstijgt. Beslag Bij gelegenheid van het onderzoek zijn onder de verdachte een notitieboekje, twee paar schoenen en verschillende kledingstukken inbeslaggenomen. Ten aanzien van het notitieboekje is het hof van oordeel dat dit inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende naar voren is gekomen dat het een voorwerp betreft met betrekking tot hetwelk het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is begaan. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Ten aanzien van de nader in het dictum omschreven schoenen en kledingstukken zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat er geen strafvorderlijk belang meer mee is gediend om het beslag daarop te laten voortduren. Naar het oordeel van het hof valt niet vast te stellen dat deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 80.022,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen: € 52.000,00 aan gederfde inkomsten; € 11.867,99 aan kosten voor noodopvang; € 1.155,00 aan medische kosten; € 15.000,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.334,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Het materiële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 30.334,00 (post i. gedeeltelijk). Het immateriële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 (post iv. gedeeltelijk). Ten aanzien van post ii. en post iii. is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten. De benadeelde partij [slachtoffer] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, een causaal verband ontbreekt tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte enerzijds en de kosten die de benadeelde heeft moeten maken voor noodopvang (post ii.) en de medische kosten (iii.) anderzijds. Het hof overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als volgt. Post i. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 52.000,00 gevorderd ter zake van gederfde inkomsten. Ten aanzien van deze post is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het geldbedrag dat door aangeefster is verdiend in de tenlastegelegde periode is, op gronden zoals nader verwoord in het ontnemingsarrest met parketnummer 20-000474-22, geschat op een bedrag van € 30.334,00. De vordering van de gederfde inkomsten zal derhalve tot voornoemd bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering ten aanzien van post i. afwijzen. Post ii. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 11.867,99 gevorderd ter zake van kosten voor noodopvang. Anders dan de verdediging en de rechtbank in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat post ii. gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. Het is het hof immers genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij dermate angstig was voor de verdachte dat noodopvang voor haar noodzakelijk was, waarvoor zij (extra) kosten heeft moeten maken. Met de rechtbank in eerste aanleg is het hof evenwel van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat kosten voor huisvesting in een andere situatie niet (ook) waren gemaakt, reden waarom het hof de vordering ten aanzien van post ii. bij wijze van schatting zal toewijzen tot de helft van het gevorderde bedrag, te weten € 5.934,00. Voor het overige zal het hof de vordering ten aanzien van post ii. afwijzen. Post iii. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.155,00 gevorderd ter zake van medische kosten die zij heeft moeten maken naar aanleiding van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden of deze kosten in voldoende verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, nu onvoldoende duidelijk is geworden op welke behandelingen deze post ziet. Het hof zal derhalve de benadeelde partij op dit punt dient niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Post iv. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 15.000,00 gevorderd ter zake van immateriële schade. Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen indien het bestaan van geestelijk letsel als hiervoor bedoeld niet zou kunnen worden vastgesteld. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat mensenhandel, zoals ook in het onderhavige geval aan de orde is, een ernstige inbreuk kan maken op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen ervan te kampen kunnen hebben. Zo leidt het hof uit hetgeen de advocate van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht af dat de benadeelde partij tot op de dag van vandaag gevoelens van angst en paniek ervaart naar aanleiding van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is dan ook van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden, valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en de duur van de bewezenverklaarde periode, naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 15.000,00. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald. Proceskosten Het hof zal de verdachte, die als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 51.268,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Volledig
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 ter zake van post i. en post iv. en vanaf 2 februari 2022 ter zake van post ii. tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op het beslag en doet in zoverre opnieuw recht; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden ; bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met mevrouw [slachtoffer] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Administratie - Notitieboekje (Omschrijving: G677867, zwart, merk: onbekend); gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2 STK Schoenen (Omschrijving: OBRCC20002_677863, Wit, merk: Dsquared2); 2 STK Schoenen (Omschrijving: OBRCC20002_677864, Wit, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677873, Grijs, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677874, Groen, merk: Dolce & Gabbana); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677875, Wit, merk: Versace); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677876, Blauw, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677877, Blauw, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRR20002_677878, Zwart, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRR20002_677879, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677880, Wit, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677882, Grijs, merk: Kenzo); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677883, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677884, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677885, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677886, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677887, Zwart, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677888, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677889, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677890, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677891, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677892, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677893, Grijs, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677894, Zwart, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677895, Grijs, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677896, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677897, zwart, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677898, Zwart, merk: Dolce & Gabbana); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677899, blauw, merk: Dolce & Gabbana); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677900, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677901, Blauw, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677902, Blauw, merk: Phillip Plein); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677903, Grijs, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677904, blauw, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677905, blauw, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677906, Grijs, merk: Dolce & Gabbana); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677907, Zwart, merk: Kenzo); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677908, Groen, merk: Givenchy); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677909, zwart, merk: Circus Red); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677910, zwart, merk: Circus Red); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677911, zwart, merk: Dsquared2); 1 STK Kleding (Omschrijving: OBRCC20002_677912, zwart, merk: Dsquared2); wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 51.268,00 (eenenvijftigduizend tweehonderdachtenzestig euro) , bestaande uit € 36.268,00 (zesendertigduizend tweehonderdachtenzestig euro) aan materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 27.599,99 (zevenentwintigduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en negenennegentig cent) aan materiële schade af; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 51.268,00 (eenenvijftigduizend tweehonderdachtenzestig euro), bestaande uit € 36.268,00 (zesendertigduizend tweehonderdachtenzestig euro) aan materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 289 (tweehonderdnegenentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 november 2019 over een bedrag van € 30.334,00 ter zake van post i. en 2 februari 2022 over een bedrag van € 5.934,00 ter zake van post ii. en van de immateriële schade op 30 november 2019; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door: mr. A.C.