Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:3815
Strafrecht
Hoger beroep
1,132 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2025:3815 text/xml public 2026-03-06T10:35:37 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-25 20-000474-22 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3815 text/html public 2026-03-06T10:35:17 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3815 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-09-2025 / 20-000474-22 Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep. Parketnummer : 20-000474-22 Uitspraak : 25 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 februari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-154675-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 30.334,00. Aan de betrokkene is de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 30.334,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling die bij niet-betaling van het ontnemingsbedrag ten hoogste kan worden gevorderd, is bepaald op 606 dagen. Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. De raadsman van de betrokkene heeft geconcludeerd tot nihilstelling van de op te leggen betalingsverplichting. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de redengeving waarop dit berust. In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om tot andere beslissingen te komen dan de rechtbank. Naar aanleiding van de ten overstaan van het hof gevoerde verweren zal het hof evenwel de overwegingen aanvullen op de wijze als hierna vermeld. Nadere overwegingen De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verplichting die aan betrokkene is opgelegd tot betaling aan de staat op nihil moet worden gesteld. Daartoe is in de kern aangevoerd dat bij vonnis in de hoofdzaak, gewezen onder parketnummer 01-154675-21, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ten aanzien van de gederfde inkomsten is toegewezen tot een bedrag van € 30.334,00. Dit bedrag is gelijk aan het door de rechtbank vastgestelde bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat. In de visie van de verdediging dient voornoemd bedrag in mindering te worden gebracht op de betalingsverplichting van betrokkene, om fouten in de executiefase te voorkomen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Nu niet is gebleken dat de in de strafzaak aan de benadeelde partij in rechte toegekende vordering, dan wel de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een som geld ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om dat bedrag op het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen. Indien en voor zover betrokkene daadwerkelijk uit hoofde van de hiervoor bedoelde betalingsverplichtingen gelden ten gunste van de benadeelde partij heeft voldaan, kan hij in de fase van tenuitvoerlegging via de weg van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering een beroep doen op vermindering van de betalingsverplichting. BESLISSING Het hof: bevestigt het vonnis waarvan beroep. Aldus gewezen door: mr. A.C. Bosch, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. J.J. Peters, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier, en op 25 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Van der Wiel-Rammeloo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.