Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-10-29
ECLI:NL:GHSHE:2025:3807
Strafrecht
Hoger beroep
16,116 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3807 text/xml public 2026-02-26T15:37:39 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-29 20-002783-20 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3807 text/html public 2026-02-26T15:36:00 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3807 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-10-2025 / 20-002783-20 Medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben. Medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. Parketnummer : 20-002783-20 Uitspraak : 29 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-055755-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1989, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis is de verdachte vrijgesproken van de onder 1. primair en 3. primair tenlastegelegde feiten en ter zake van: (feit 1 subsidiair:) ‘Medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; (feit 2:) ‘Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’; (feit 3 subsidiair:)’Medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het hof het beroepen vonnis zal bevestigen behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft: primair bepleit dat de verdachte van alle tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken; subsidiair bepleit -voor het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring zou komen- dat bij de strafoplegging rekening zal worden gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte reeds 147 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en met zijn overige naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na toewijzing van de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 1. subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] een (deel van een) loods/schuur (gelegen aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen; 2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en), immers, heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats - een (grote) hoeveelheid verpakkingen met daarin (grote) hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder benzine en/of ethylacetaat en/of aceton en/of zoutzuur en/of zwavelzuur, en/of - meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een of meerdere magnetron(s) en/of metalen logo's; 3. primair hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een of meer hoeveelhe(i)d(en) van in totaal ongeveer 73,6 kilogram cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] op of omstreeks 18 november 2019 te St.
Volledig
Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer een of meer hoeveelhe(i)d(en) van in totaal ongeveer 73,6 kilogram cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] een (deel van een) loods/schuur (gelegen aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1. primair en 3. primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd van het onder 2. tenlastegelegde feit. Het hof is echter van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat te dezen sprake is van de voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] . Nu uit die bewijsmiddelen evenmin kan worden afgeleid dat de verdachte het feit alleen heeft gepleegd, zal hij ook van het onder 2. tenlastegelegde feit worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 3. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging opzettelijk hebben bewerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een loods (gelegen aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen; 3. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging, opzettelijk aanwezig hebben gehad ongeveer 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een loods (gelegen aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen 1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2019 (p. 234-235), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Vandaag 18 november 2019 had ik dienst met collega [verbalisant 2] . Omstreeks 17.45 uur kregen wij van het operationeel centrum Middelburg een melding te gaan naar [adres 2] ( het hof begrijpt gelet op bewijsmiddel 2: [adres 2] . Aldaar werd een vreemde lucht geroken uit het riool op straat. Ter plaatse zag ik dat de brandweer reeds met twee voertuigen ter plaatse was. Ook zag ik verschillende personen van de handhaving gemeente Rucphen tezamen met de AOV'er [verbalisant 3] . Zij stonden allemaal op het terrein van het tankstation 'Berkman'. Vanaf [adres 2] gezien met het gezicht naar het tankstation bevond zich rechts naast dat tankstation een metalen hek. Achter dit hek bevond zich een loods met [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] ). Dit hek was afgesloten middels een kettingslot. Achter dit hek, kijkende naar die loods, was een roldeur te zien. Rechts van deze roldeur was een bakstenen uitbouw te zien waar enkele ramen en twee kunststof deuren in zaten. De AOV'er vertelde ons dat er vandaag weer een melding van een bewoner in [adres 2] was geweest dat die een benzinelucht rook die uit het riool leek te komen. Ongeveer twee weken geleden was zo een melding ook al gedaan. Hij vertelde mij dat de brandweer het riool op straat ter hoogte van het tankstation had geopend en daar direct een hele penetrante lucht uit rook. Deze lucht rook sterk naar benzine. Toen ik in de put keek, rook ik dit ook direct. De brandweer had uitgezocht welke panden zaten aangesloten op dit riool. Dit waren er drie. Het tankstation, de sportschool en het pand met [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] ). De sportschool was niets mee aan de hand en het tankstation hadden ze door een expert laten onderzoeken. Ook hier was niets mee aan de hand en technisch in orde. Hierdoor bleef de loods met pandnummer [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] ) over. Om 18.21 uur verbrak de brandweer het kettingslot waarmee het hek was afgesloten middels een hydrologische nijptang. Om 18.24 uur werd door ons, de gemeente en de brandweer het terrein betreden. Door een brandweerman werd een vluchtige stof gemeten bij een beluchtingsrooster rechts naast de roldeur. De lucht uit het riool was ook een vluchtige stof. De brandweer probeerde een kunststof deur in de uitbouw te forceren zonder het produceren van vonken. Dit lukte niet. Om 18.58 uur werd er door de brandweer een houten deur geopend die zich links naast de roldeur bevond. Dit lukte, echter zat er een houten wandje achter. Toen dit wandje werd ingetrapt, zag ik een ruimte waarin verschillende kunststof vaten stonden met daarin een bruine substantie. Ik stond op veilige afstand, maar ook daar rook ik direct weer die benzinelucht. Toen de brandweer uit de loods ging, hadden ze de houten plaat terug van binnenuit tegen de deuropening gezet en de houten deur dicht geduwd. Omstreeks 20.45 uur hoorde ik een collega roepen dat er meerdere verdachten weg renden vanaf het terrein met [adres 2] de openbare weg op. Dit bleken uit eindelijk zes verdachten te zijn. Hiervan hield ik samen met collega [verbalisant 4] ( het hof begrijpt: [verbalisant 4] ) er drie aan in de voortuin rechts naast te woning met [adres 2] . Achter deze woning bevond zich de betreffende loods. Ik zag dat alle ramen van de woning waren afgesloten middels rolluiken. De voordeur van de woning was afgesloten voor en na de aanhoudingen. Toen ik later naar de houten deur van de loods liep die de brandweer had geopend, zag ik dat die op een kier stond. Toen ik die voorzichtig opende, zag ik dat die houten plaat nu grotendeels naar rechts open stond. Hieruit kon ik opmaken dat de verdachten zich waarschijnlijk in de loods bevonden en via deze deur naar buiten waren gevlucht. 2 . Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2019 (p. 73-74), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Aanvullend proces verbaal van bevindingen in verband met het aantreffen van een drugslab op maandag 18 november 2019 op het perceel [adres 2] .
Volledig
Dit volledige perceel had het [adres 2] . In mijn eerdere bevindingen benoemde ik ook het [adres 2] , dit is echter onjuist. Op het perceel [adres 2] is zowel de woning als de loods met uitbouw gevestigd. Toen ik omstreeks 20.55 uur ter hoogte van het hek naast het tankstation stond, hoorde ik een collega roepen over de portofoon en hoorde aan het volume van het roepen dat er iets aan de hand was. Ik keek om mij heen en zag dat er een aanhouding plaatsvond ter hoogte van de kruising [adres 2] met de Bredaseweg . Dit bleek later verdachte [medeverdachte 6] te zijn. Ik hoorde ook iemand roepen dat er verdachten van het perceel af kwamen rennen. Ik zag dat collega [verbalisant 4] vanuit de Bredaseweg kwam rennen en riep dat er nog meer waren. Ik zag dat hij terug rende in de richting van het hek aan de Bredaseweg . Ik rende achter hem aan. Aangekomen bij het hek zag ik dat er een persoon voor het hek op de grond zat en geboeid was aan dit hek. Dit bleek later verdachte [medeverdachte 3] te zijn. Ik zag dat collega [verbalisant 4] over het hek klom om in de voortuin van de woning te komen. Ik volgde en klom ook over dit hek. Eenmaal in de tuin renden wij naar rechts om rechts naast de woning te komen. Aldaar zag ik nog drie verdachte personen. Ik zag dat een van deze personen blauwe handschoenen aan had. Ik riep samen met collega [verbalisant 4] deze personen aan en vertelde hun dat ze waren aangehouden. Dit bleken later de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] te zijn. Toen ik bij de drie verdachten samen met collega [verbalisant 4] boeien aan het aanleggen was, rook ik direct de sterke chemische geur die ik eerder die avond uit het riool in [adres 2] en het ontdekte drugslab had geroken. Het was een sterke chemische lucht die op de geur van benzine leek. Ik zag dat de kleding die ze droegen er vervuild uit zag en ik zag bij zeker een van de verdachten ook een paar plastic soort schoonmaak handschoenen in een van zijn broekzakken zitten. Een deel van die handschoenen was duidelijk zichtbaar. In verband met de meerdere verdachten en mogelijke sporen had ik de goederen die zij op zak hadden in hun kleding laten zitten. Kort daarna zijn wij met de drie verdachten om de woning heen gelopen om vervolgens langs de loods bij het andere hek uit te komen aan [adres 2] . Aldaar werden alle verdachten naast elkaar gezet en kregen zij een witte overal aan. Al hun eigen kleding en goederen die zij bij zich droegen werden in afzonderlijk zakken opgeborgen. Deze zakken werden middels de letters A t/m F in combinatie met hun namen gekoppeld. Ik hoorde daar van collega's dat er in totaal zes verdachten waren aangehouden. Collega [verbalisant 2] had ter hoogte van het hek bij [adres 2] ook een verdachte aangehouden, welke later [medeverdachte 2] bleek te zijn. 3. Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 27 januari 2020 (p. 211), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] : Veiligstellen kleding: Onze eerste inzet op maandag 18 november 2019 betrof het veiligstellen van de kleding van zes aangehouden verdachten. Deze verdachten werden op het terrein [adres 2] in afwachting van onze komst opgehouden. Door ons werd iedere verdachte apart gefotografeerd in de kleding zoals wij hem ter plaatse geboeid aantroffen. Vervolgens heb ik, per verdachte, de bovenkleding (jas en/of trui), de broek en de schoenen apart in schone droge papieren zakken verpakt. Deze papieren zakken zijn door mij per verdachte apart in een schone ongebruikte plastic zak verzegeld met vermelding van letter A t/m F. 4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 december 2019 (p. 216-218), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] : Op 18 november 2019 werd er een cocaïnewasserij aangetroffen in Sint Willebrord. Hierbij werden 6 verdachten aangehouden. Onder de verdachten werden diverse goederen, kleding en schoeisel in beslag genomen. Per verdachte was er een (1) plastic zak met daarin diverse papieren zakken. De plastic zakken waren genummerd A tot en met F. Bij het openen van de plastic zakken rook ik, verbalisant [verbalisant 6] , een zoete weeïge chemische lucht die afkomstig was van de kleding en schoeisel. A [medeverdachte 2] B [medeverdachte 6] C [medeverdachte 5] D [medeverdachte 3] E [medeverdachte 1] F [medeverdachte 4] 5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2020 (p. 271-275), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] : Op 18 november 2019 had ik piketdienst bij de Districtsrecherche de Markiezaten . Omstreeks 22:00 uur ben ik naar [adres 2] gegaan in verband met een aangetroffen drugslaboratorium. Toen ik daar ter plaatse was, ben ik ook het drugslaboratorium binnengegaan. Ik zag dat er aan de loods een ruimte vast zat, ruimte H. Ik zag dat deze ruimte H als slaapgedeelte was ingericht. Ik zag dat hier 8 slaapplaatsen waren ingericht. Deze slaapplaatsen bestonden per slaapplaats uit 1-2 matrassen waarbij de matrassen dan op elkaar lagen. Ik zag dat het erop leek dat deze slaapplaatsen recent nog gebruikt waren. 6. Het proces-verbaal onderzoek Westminster, forensisch onderzoek schoenen, d.d. 1 februari 2020 (p. 453-454), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] : Op 7 januari 2020 ontving ik één (1) plasticzak met daarin sporendragers, kledingstukken en schoenen van één (1) verdachte. Goednummer: PL2000-2019277756-2124785 SIN: AANC0241NL Object: Schoeisel (Sport) Aantal/eenheid: 2 stuks Merk/type: Nike Kleur: Rood Eigenaar: [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag 8] 1979. Forensisch onderzoek aan de schoenen Ik zag dat het één (1) paar schoenen van de verdachte restanten karton/pulp bevatte. De door mij waargenomen restanten karton/pulp op en rondom het één (1) paar schoenen komen visueel/soortgelijk overeen met de karton/pulp dat door mij en de politiemedewerkers van LFTO werd aangetroffen in de loods/lab aan [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] . 7. Het proces-verbaal onderzoek Westminster, forensisch onderzoek aan schoenen, d.d. 1 februari 2020 (p. 455-456), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] : Op 7 januari 2020 ontving ik vijf (5) plasticzakken met daarin sporendragers, kledingstukken en schoenen van de vijf (5) verdachten. Deze zijn veiliggesteld tijdens het onderzoek ingevolge de vervaardigen harddrugs (lijst I) op het adres [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] . Het ging hier om het bewerken van het vermoedelijk cocaïne bevattende karton door deze tot pulp te malen in water en vervolgens hieruit met behulp van voornoemde chemicaliën cocaïne terugwinnen uit het kartonnen dragermateriaal. Reden hiertoe was de waarschijnlijke aanwezigheid van cocaïne gerelateerde sporen, waardoor, gelet op het gevaar voor contaminatie en/of kwetsbaarheid van de sporendragers, de kledingstukken en schoenen separaat van elkaar werden veiliggesteld en gewaarmerkt voor een eventueel nader in te stellen onderzoek "verdovende middelen". Object: Schoeisel (Schoen) Aantal/eenheid: 2 stuks Kleur: Zwart Eigenaar: [medeverdachte 2] , geboren [geboortedag 2] 1990. Object: Schoeisel (Schoen) Aantal/eenheid: 2 stuks Kleur: Zwart Eigenaar: [medeverdachte 6] , geboren [geboortedag 3] 1988. Object: Schoeisel Merk/type: New Balance Kleur: Geel Eigenaar: [medeverdachte 5] , geboren [geboortedag 4] 1960. Object: Schoeisel (Schoen) Aantal/eenheid: 2 stuks Merk/type: Fila Kleur: Bruin Eigenaar: [medeverdachte 3] , geboren [geboortedag 5] 1977. Object: Kleding Aantal/eenheid: 2 stuks Merk/type: Schoenen Instap Kleur: Bruin Eigenaar: [medeverdachte 4] , geboren [geboortedag 6] 1955. Forensisch onderzoek aan de schoenen Ik zag dat alle vijf (5) paar schoenen van de vijf (5) verdachten restanten karton/pulp bevatten. De door mij waargenomen restanten karton/pulp op en rondom de vijf (5) paar schoenen komen visueel/soortgelijk overeen met de karton/pulp dat door mij en de politiemedewerkers van LFTO werd aangetroffen in de loods/lab aan [adres 2] ( het hof begrijpt: [adres 2] . 8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2020 (p.
Volledig
713), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] : In verband met het onderzoek naar de strafbare feiten in onderhavig onderzoek werd onder andere verdachte [medeverdachte 1] gehoord. Hij verklaarde, onder andere, dat hij niet in de loods was geweest op [adres 2] en dat als er mogelijk kartonpulp/kartonafval onder zijn schoenen terecht zou zijn gekomen, dit zou zijn gebeurd toen hij werd aangehouden, daar de ondergrond buiten de loods ook zou zijn vervuild. Ik, verbalisant, heb vervolgens de foto’s, welke genomen zijn kort na het aantreffen van de cocaïnewasserij, nogmaals bekeken en zag daar geen vervuiling van kartonpulp/kartonafval op, buiten de loods. Tevens heb ik, verbalisant, aan de aanhoudende verbalisant van verdachte [medeverdachte 1] de vraag gesteld of er, ten tijde van deze aanhouding, sprake was van vervuiling van de ondergrond met betrekking tot kartonpulp/kartonafval. Aan mij werd mede gedeeld dat dit zeker niet het geval was. Sterker nog, er werd mij, verbalisant, medegedeeld dat er überhaupt geen sprake was van enige vervuiling op deze locatie buiten de loods. 9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2020 (p. 777-784), proces-verbaalnummer 93, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] : In verband met de onderzochte feiten, in onderhavig onderzoek, werd het navolgende goed in beslag genomen onder verdachte [medeverdachte 3] : Beslagnummer: 2124682 Goednummer: 19-1133-005 (UL) (UF) Soort: Smartphone Merk en type: Apple iPhone 6S Plus (Al687) Uit het onderzoek ( het hof begrijpt: aan de voornoemde in beslag genomen telefoon ) bleken tevens de navolgende bijzonderheden: Op de telefoon stond een zeer groot aantal foto’s waarbij een aantal opvallende ( het hof begrijpt: door verbalisant geselecteerd en genummerd 1 tot en met 25 ). Aan foto 7 t/m 25 zitten GPS-coördinaten gekoppeld. Deze GPS-coördinaten komen overeen met een locatie in Nederland, zijnde [adres 2] . Dit betreft tevens de locatie waar de cocaïnewasserij is aangetroffen op 18 november 2019. De goederen die zichtbaar zijn op foto 7 t/m 25 komen overeen met de aangetroffen materialen op de plaats delict aan [adres 2] . In de telefoon stond ook nog een aantal WhatsApp-chats, deze bleken in de Spaanse taal te zijn. 10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2020 (p. 792-803), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] : In verband met de onderzochte feiten, in onderhavig onderzoek, was in proces-verbaal, voorzien van nummer 93 (zie bewijsmiddel 9), al een uiteenzetting gemaakt van de aangetroffen bijzonderheden in de telefoon, die in beslag was genomen onder verdachte [medeverdachte 3] . In deze telefoon werd tevens een tweetal relevante WhatsAppchats aangetroffen. Deze chats waren alle in de Spaanse taal en werden, na te zijn veilig gesteld, vertaald door een beëdigd tolk/vertaler. groen (zeer vermoedelijk verdachte [medeverdachte 3] ) blauw + dikgedrukt (zeer vermoedelijk de vriendin/vrouw van verdachte [medeverdachte 3] ) Groen 2-11 -2019 00:00:03 Bb ik lig op bed ben kapot Groen 2-11-2019 00:00:21 Morgen vroeg op en weer bikkelen Groen 2-1 1-20 19 00:00:48 Goed liefje. Godzijdank zijn we inmiddels begonnen met werken Groen 3-11-2019 22:23:55 Hier met 10 man op de grond Groen 3-11-2019 22:24:00 Allemaal op de grond Blauw 3-11-20 19 22:24:25 Jee heftig en maken jullie een beetje lol bb Groen 3-11-2019 22:24:44 Nee schat je mag hier geen herrie maken Groen 3-11-2019 22:25:07 Het is allemaal heel strak georganiseerd Groen 7-11-2019 21:52:43 Zeker schat we zijn nog niet eens op de helft maar gisteren zijn er drie mensen extra gebracht om te helpen en er komen een paar machines zodat het sneller gaat Groen 12-11-2019 Schat je mag hier niet eens wap gebruiken. Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier Ik ben hier elke ochtend om 6 of 7 uur op en aan het werk om een klus af te maken die op een nachtmerrie begon uit te lopen Groen 14-11-2019 Schat wij komen niet buiten je weet toch dat we op de werkplaats slapen Groen 15-11-2019 Hier waar wij zitten hebben we sinds onze aankomst geen daglicht gezien De mensen hier trekken het ook bijna niet meer Gisteren waren we 2 weken hier Sinds we begonnen met werken Groen 18-11-2019 Schat de politie is er Politie staat buiten Er is geen uitweg schat We zitten binnen en buiten de brandweer en de politie. 11. Het proces-verbaal van het LFO d.d. 13 augustus 2020 (p. 663-674), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] : Op 18 november 2019, omstreeks 21.30 uur en later hebben wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] , onderzoek verricht op de locatie [adres 2] . Naar aanleiding van stankklachten was op genoemde locatie door de lokale politie een onderzoek ingesteld, waarbij in het bedrijfspand een productieplaats van verdovende middelen, vermoedelijk van cocaïne, was aangetroffen. Vervolgens werd door ons in het bedrijfspand [adres 2] een oriënterend onderzoek ingesteld. Hierbij werden door ons de eerste maatregelen, zoals het wegnemen van voortzetting van gevaarlijke en/of schadelijke situaties en het nemen van de eerste bemonsteringen, genomen. Tijdens dit onderzoek bleek ons dat er door middel van sandwich isolatieplaten en underlaymentplaten in het bedrijfspand enkele ruimten gecreëerd waren. Door ons werden deze aangetroffen ruimten gecodeerd. Deze codering betrof: - Ruimte V (voorbereiding) - Ruimte A (pers/afwerk) - Ruimte C (chemische) - Ruimte H (slaap/eet) Ruimte C: Bij aanvang van ons onderzoek stonden de overhead sectionaaldeur en de loopdeur allebei open. Toen wij voor de geopende sectionaaldeur stonden werd er door ons een sterke benzine geur waargenomen. Eenmaal in de loods werd door ons de typerende geur waargenomen die wij herkennen als zijnde de geur die vrij komt bij het bewerken van cocaïne. Gezien vanaf de sectionaaldeur stonden in het rechtergedeelte van de loods verpakkingen met chemicaliën, waaronder: benzine, ethylacetaat, aceton, zoutzuur en zwavelzuur. Tevens stonden er daar verspreid over de vloer van de loods vuilniszakken met afval, lege jerrycans en diverse tonnen, kuipen en emmers met vloeistoffen ten behoeve van het bewerken van cocaïne. Direct links van de sectionaaldeur bevond zich de wand van de inpandig gecreëerde ruimte A. Na deze ruimte A stonden links in de loods twee hydraulische vloeistofpersen, twee gecreëerde zeeftafels, diverse tonnen en dopvaten, kuipen en emmers met vloeistoffen en zakken gevuld met vochtig uitgeperst karton. Tussen deze goederen werden 5 “Jumbo” boodschappentassen aangetroffen met daarin cocaïne. Ruimte V: Binnen voor de buitendeur stond op de vloer een gemodificeerd RVS-vacuümvat op een palletwagen. Voor de wand links van de buitendeur stonden op de vloer twee grote speciekuipen. Op de randen van de speciekuipen lagen twee houten balken met daartussen respectievelijk één en twee elektrische mixers bevestigd. Beide speciekuipen waren geheel gevuld met een substantie van opgelost karton met een vloeistof. Gezien vanuit de loopdeur stonden links voor de wand enkele speciekuipen. Op een speciekuip bevonden zich op de randen twee houten balken met daartussen een elektrische mixer bevestigd. De speciekuip was geheel gevuld met een substantie van opgelost karton met een vloeistof. In de overige speciekuipen bevonden zich restanten van opgelost karton met een vloeistof. Aan het plafond hing een buizensysteem bevestigd met daaraan drie spiraal verwarmingselementen. Het buizensysteem was gekoppeld aan een RVS-ketel. Vanaf deze ketel en het buizensysteem liepen de buizen door de wand naar de loods. Voor de rechterwand stonden drie speciekuipen. Op de randen van twee speciekuipen bevonden zich houten balken met daartussen ieder twee mixers bevestigd. In deze speciekuipen bevond zich karton met een vloeistof. Het karton in deze speciekuipen was minder ver gevorderd qua oplossing dan de substantie in de overige speciekuipen. In de derde speciekuip bevond zich een laag vloeistof met daarop vochtige en droge stukken karton.
Volledig
Ruimte A: In een kast hingen drie elektrische straalkachels ten behoeve van het drogen. Rechts daarvan stonden op een werkblad twee tafelweegschalen en een sealmachine. Op de vloer onder de werkbanken stonden enkele kartonnen dozen met goederen, waaronder: ballonnen, versnijdingsmiddel, sealzakken, kabelbinders, persmallen, papierrollen en overige goederen. Recht tegenover de ingang stonden op een werkbank twee magnetrons. Rechts voor de wand stond links naast de werkbank een hydraulische pers. Ruimte H (slaap/eet) Ruimte H was in gebruik als leefruimte. Nader onderzoek en monsterneming Wij hebben met schoon en ongebruikt monsternamemateriaal monsters genomen van diverse goederen. Deze monsters werden ter analyse overgebracht naar het NFI, afdeling verdovende middelen te Den Haag. SIN LFO code Omschrijving Ruimte V (Voorbereidingsruimte) AAMH0975NL V1 Zwarte plastic zak, dichtgeplakt met ducttape, met daarin bruine karton snippers. Monster bruine kartonsnippers uit zwarte plastic zak. AAMH0973NL V4 Zwarte speciekuip, inhoud 1000 liter, geheel gevuld, met daarin kartonpulp in vloeistof. Monster uit zwarte speciekuip. AAMH0971NL V9 Zwarte speciekuip, inhoud 500 liter, geheel gevuld met bruin kartonpulp in een heldere vloeistof. Monster uit zwarte speciekuip. AAMH0967NL V11 Een op maat gemaakte RVS ketel aan bovenzijde via een slang gekoppeld, door de muur geleid, en uitkomend op een 220 liter vat die op een IBS was geplaatst. Monster uit aftap RVS ketel. Ruimte C (Chemische ruimte) AAJD5061NL C1 C1A: Doek met bruto 7,16 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) AAJD5062NL C1 C1B: Seal zak met 0,88 kg droge coke brokjes en poeder AAJD5063NL C1 C1C: Seal zak met 0,1 kg droge coke brokjes en poeder AAJD5064NL C2 C2A: Seal zak met opschrift ‘9,163’, gewicht 9,163 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) AAJD5065NL C2 C2B: Seal zak met opschrift ‘8,619’, gewicht 8,42 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) AAJD5066NL C3 C3A: Seal zak met opschrift ‘5,276’, gewicht 5,22 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat). C3B: Seal zak vochtige brokjes C3C: Seal zak vochtige coke brokjes AAJD5067NL C4 Jumbo tas C4A: Seal zak met opschrift ‘3,197’, gewicht 3,24 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) C4B: Seal zak vochtige coke brokjes AAJD5068NL C5 Jumbo tas C5A: Seal zak met opschrift ‘2,698’, gewicht 2,68 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) C5B: Seal zak vochtige coke brokjes C5C: Seal zak vochtige coke brokjes C5D: Seal zak vochtige coke brokjes C5E: Seal zak vochtige coke brokjes AAMH0976NL C14 2 v 1000 liter IBC’s met methylacetaat. C14A: Monster uit IBC AAMH0974NL C18 3 x blauwe oliedrums, inhoud 200 liter per stuk. Monster uit oliedrum. AAMH0968NL C20 7 x 25 liter jerrycans + 2 x 30 liter jerrycans rood en geel = totaal 220 liter zoutzuur. Monster uit jerrycan AAMH0978NL C24 2 X gele jerrycan 25 liter Opschrift Acetona. Monster uit jerrycan. AAMH0970NL C26 2 Blauwe jerrycans. Inhoud totaal 30 liter. Monster uit jerrycan. AAMH0980NL C28 Witte jerrycan, inhoud 5 liter, opschrift ‘GOMMA’, gevuld met ongeveer 1,5 liter crèmekleurige emulsie. Monster uit jerrycan. AAMG7736NL C30-1 Witte emmer, inhoud ongeveer 80 liter, met 20 centimeter oranjekleurige vloeistof, met daarop een melkachtige bovenlaag van ongeveer 3 centimeter. FD oranje vloeistof = water met cocaïne. FD melkachtige vloeistof = benzine C30-1A: monster uit witte emmer, positief op cocaïne AAMG7748NL C30-2 Witte emmer, inhoud 50 liter, inhoud oranje heldere vloeistof, ongeveer 20,5 centimeter. Monster uit de witte emmer AAMG7747NL C30-3 Witte emmer, inhoud 20 liter met 14,5 centimeter oranje vloeistof, met daarop een melkachtige drijflaag van ongeveer 6 centimeter. Monster uit witte emmer. AAMG7739NL C35 Zwarte vuilniszak met vloeipapier. Diverse logo’s, onder andere ‘545’, olifant en ‘CALI’. Monster alt vuilniszak. AAMH0982NL C38A Pers, kleur rood/grijs, Inhoud grote hoop karton, loopt uit in bak, afmeting 74 x 42 centimeter. Vloeistofhoogte ongeveer 21 centimeter. Zwak gele vloeistof, zwak positief op cocaïne. Kartonbezinksel op de bodem. Monster uit de bak. AAMG7745NL C45 75 x witte zakken, ongeveer 25 kg per stuk met kartonpulp Monster uit witte zak. AAMG7743NL C47 4 x Kartonnen ton, ieder ongeveer 25 kg, met wit poeder. Monster uit kartonnen ton. Interpretatie LFO De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar, op zeer grote schaal, cocaïne wordt bewerkt (versneden) ofwel wordt teruggewonnen uit een dragermateriaal. Gezien de hoeveelheid aangetroffen verpakkingen met chemicaliën (indicatief: ethylacetaat, aceton, hexaan, benzine, zwavelzuur, zoutzuur, ammoniak), hoeveelheid afval (gebruikt nat karton en positief op cocaïne getest crêpepapier met logo afdrukken cocaïne), aantal gebruikte magnetrons (2) (drogen blokken cocaïne), verschillende metalen logo's, was deze locatie ingericht en gebruikt voor het op grote schaal bewerken van cocaïne c.q. terugwinnen van cocaïne uit een dragermateriaal. Het ging hier om het bewerken van het vermoedelijk cocaïne bevattende karton door deze tot pulp te malen in water en vervolgens hieruit met behulp van voornoemde chemicaliën cocaïne terugwinnen uit het kartonnen dragermateriaal. 12. Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), zaaknummer 2019.12.04.069, d.d. 19 juni 2020 (los opgenomen), voor zover inhoudende: Het onderzoeksmateriaal werd op 3 december door [verbalisant 11] van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen overhandigd aan het NFI. Interpretatie en conclusie In een groot deel van de materialen is cocaïne aangetoond. Tevens werd een versnijdingsmiddel voor cocaïne aangetroffen ([AAMG7743NL]). Daarnaast waren er materialen die voornamelijk bestaan uit MEK ([AAMH0974NL]) zoutzuur ([AAMHO968NL]), aceton ([AAMHO978NL]) en zwavelzuur ([AAMHO970NL]) Bijlage 1. Resultaten van het laboratoriumonderzoek LFO code Omschrijving LFO SIN monster NFI omschrijving monster Analyseresultaat Ruimte V (Voorbereidingsruimte) V1 Zwarte plastic zak, dichtgeplakt met ducttape, met daarin bruine karton snippers. Monster bruine kartonsnippers uit zwarte plastic zak. AAMH0975NL monster stukken bruin karton, aantal onderzocht: acht bevatten cocaïne. het gemeten gehalte varieert van ca. 0% tot 10%, Het gemiddelde was ca. 2% V4 Zwarte speciekuip, inhoud 1000 liter, met daarin kartonpulp in vloeistof Roermechanisme idem als V3. Monster uit zwarte speciekuip. AAMH0973NL monster vloeistof met bruine pulp bevat cocaïne in water V9 Zwarte speciekuip, inhoud 570 liter, gevuld met bruin kartonpulp in een heldere vloeistof, Voorzien van een roermotor op 2 houten balken. Witte speciekuip, inhoud 125 liter, met restant bruin kartonpulp. Monster uit zwarte speciekuip. AAMH0971NL monster vloeistof met bruine pulp bevat cocaïne in water V11 Gemodificeerde RVS ketel, aan bovenzijde via een slang gekoppeld aan IBS gaswasser. Door de muur loopt een leiding, aangesloten op de onderzijde van de RVS ketel. De RVS ketel is aan de zijkant bovenzijde voorzien van een rvs slang, gekoppeld aan een leidingsysteem. Het leidingsysteem staat in verbinding met 3 verwarmingsspiralen. Deze leiding loopt terug door de muur, en komt uit op een elektrische verwarmingsketel Inhoud van de RVS ketel is een lichtgele heldere vloeistof. AAMH0967NL monster lichtgele vloeistof bevat een mengsel van o.a. ethylacetaat en MEK met lage concentraties cocaïne en cocaïne gerelateerde stoffen Ruimte C (Chemische ruimte) C1 Jumbo tas C1A: Doek met bruto 7,16 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) AAJD5061NL monster crèmekleurige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C1B: Seal zak met 0,88 kg droge coke brokjes en poeder. AAJD5062NL monster crèmekleurig poeder bevat vnl. cocaïne hydrochloride met levamisol en/of dexamisol C1C: Seal zak met 0,1 kg droge coke brokjes en poeder. AAJD5063NL monster lichtroze poeder bevat vnl. cocaïne hydrochloride C2 Jumbo tas C2A: Seal zak met opschrift ‘9,163’, gewicht 9,163 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat).
Volledig
AAJD5064NL monster crèmekleurige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C2B: Seal zak met opschrift ‘8,619’, gewicht 8,42 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat). AAJD5065NL monster crèmekleurige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C3 Jumbo tas C3A: Seal zak met opschrift ‘5,276’, gewicht 5,22 kg vochtige coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat). C3B: Seal zak vochtige brokjes C3C: Seal zak vochtige coke brokjes. AAJD5066NL monster crèmekleurige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C4 Jumbo tas C4A: Seal zak met opschrift ‘3,197’, gewicht 3,24 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) C4B: Seal zak vochtige coke brokjes. AAJD5067NL monster crèmekleurige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C5 Jumbo tas C5A: Seal zak met opschrift ‘2,698’, gewicht 2,68 kg coke brokjes met geur oplosmiddel (ethylacetaat) C5B: Seal zak vochtige coke brokjes C5C: Seal zak vochtige coke brokjes C5D: Seal zak vochtige coke brokjes C5E: Seal zak vochtige coke brokjes. AAJD5068NL monster crèmekleurige vochtige brokjes bevat vnl. cocaïnebase C14 2 v 1000 liter IBC’s met methylacetaat. Monster uit IBC. AAMH0976NL monster kleurloze vloeistof bevat vnl. ethylacetaat C18 3 x blauwe oliedrums, inhoud 200 liter per stuk. Monster uit oliedrum. AAMH0974NL monster kleurloze vloeistof bevat vnl. MEK C20 7 x 25 liter jerrycans + 2 x 30 liter jerrycans rood en geel = totaal 220 liter zoutzuur. Monster uit jerrycan. AAMH0968NL monster kleurloze vloeistof bevat een geconcentreerde zoutzuuroplossing C24 2 X gele jerrycan met inhoud 25 liter, vol. Opschrift Acetona. Monster uit jerrycan. AAMH0978NL monster kleurloze vloeistof bevat vnl. aceton C26 2 Blauwe jerrycans, Inhoud 25 liter. Inhoud totaal 30 liter zwavelzuur. Monster uit jerrycan. AAMH0970NL monster kleurloze vloeistof bevat vnl. zwavelzuur C28 Witte jerrycan, inhoud 5 liter, opschrift ‘GOMMA’, gevuld met ongeveer 1,5 liter crèmekleurige emulsie. Monster uit jerrycan. AAMH0980NL monster lichtbruine substantie bevat vnl. cocaïnebase C30-1 Witte emmer, inhoud ongeveer 80 liter, voor een kwart deel gevuld met oranjekleurige vloeistof met daarop een melkachtige bovenlaag van ongeveer 3 centimeter. Monster uit witte emmer. AAMG7736NL witte troebele vloeistof op een lichtgele vloeistof de witte troebele vloeistof bevat vnl. benzine, de lichtgele vloeistof is een zure waterige oplossing van cocaïne C30-2 Witte emmer 50 liter, gevuld met ongeveer 20 liter oranje heldere vloeistof. Monster uit witte emmer. AAMG7748NL lichtgele vloeistof bevat een zure waterige oplossing van cocaïne C30-3 Witte emmer 20 liter met 14,5 centimeter oranje vloeistof, met daarop een melkachtige drijflaag. Monster uit witte emmer. AAMG7747NL witte troebele vloeistof op een lichtgele vloeistof de witte troebele vloeistof bevat vnl. benzine, de lichtgele vloeistof is een zure waterige oplossing van cocaïne C35 Zwarte vuilniszak met vloeipapier. Diverse logo’s onder andere ‘545’, olifant en ‘CALI’. Monster uit vuilniszak. AAMG7739NL monster wit papier bevat cocaïne C38A Pers, kleur rood/grijs, Inhoud grote hoop karton, loopt uit in bak, afmeting 74 x 42 centimeter. Vloeistofhoogte ongeveer 21 centimeter. Zwak gele vloeistof, zwak positief op cocaïne. Kartonbezinksel op de bodem. Monster uit de bak. AAMH0982NL monster nagenoeg kleurloze vloeistof bevat cocaïne in water C45 75 x witte zakken, ongeveer 25 kg per stuk met kartonpulp Monster uit witte zak. AAMG7745NL bruine pulp bevat een lage concentratie cocaïne C47 4 x Kartonnen ton, ieder ongeveer 25 kg, met wit poeder. Monster uit kartonnen ton. AAMG7743NL wit poeder bevat dexa- en/af levamisol 13. Het proces-verbaal bevindingen ondersteuning LFO d.d. 21 november 2019 (p. 285-287), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] : Op 18 november 2019, van omstreeks 21.30 uur en later heb ik, met mijn LFO collega [verbalisant 7] , onderzoek verricht op de locatie [adres 2] . Bij nader onderzoek zag ik in de open ruimte [C] op de vloer vijf gele nieuw ogende “JUMBO’ tassen staan waarvan een open was met hierin een wit poeder met een geur die ik herken als cocaïne. Ik heb vervolgens de voornoemde Jumbo tassen nader onderzocht en de inhoud van de tassen bemonsterd. Bij de monstername bleek het te gaan om deels vochtige en naar oplosmiddelen ruikende cocaïnebase. Hierbij is door mij middels indicatieve testen en handheld analyseapparatuur vastgesteld dat het hier gaat om cocaïnebase. 14. Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 19 oktober 2020 (los opgenomen), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] : Op maandag 18 november 2019 van omstreeks 21.30 uur en later heb ik, met mijn LFO collega [verbalisant 7] , onderzoek verricht op de locatie [adres 2] . Ter plaatse was in een bedrijfspand een productieplaats van verdovende middelen, vermoedelijk van cocaïne, aangetroffen. Bepalen netto gewichten van de vijf aangetroffen Jumbo tassen (C1 t/m C5) met cocaïne bevattende materiaal. C1: Jumbo tas, gewicht 7,48 kg bruto. C2: Jumbo tas, gewicht 17,98 kg bruto. C3: Jumbo tas, gewicht 24,42 kg bruto. C4: Jumbo tas, gewicht 10,6 kg bruto. C5: Jumbo tas, gewicht 13,12 kg bruto. C1: 7,48 – (gewicht tas + gewicht vochtige doek + aantal sealzakken) Netto Gewicht C1: 7,48 – (0,08 + 0,14 + 2 x 0,02) = 7,37 kilo Netto Gewicht C2: 17,98 – (0,08 + 2 x 0,02) = 17,84 kilo Netto Gewicht C3: 24,42 – (0,08 + 3 x 0,02) = 24,28 kilo Netto Gewicht C4: 10,6 – (0,08 + 3 x 0,02) = 10,46 kilo Netto gewicht C5: 13,12 – (0,08 + 5 x 0,02) = 12,94 kilo Netto Totaal C1 t/m C5 = 72,9 kilo vochtige coke brokjes. 15. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, Wetboek van Strafvordering, te weten (een fotokopie van) een huurovereenkomst, pagina’s 308 tot en met 312, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: Ondergetekende: • [verhuurder] • gevestigd/wonende te [adres 3] hierna te noemen verhuurder en • [verdachte] • geboren: [geboortedag 1] 1989 • wonende te [adres 2] hierna te noemen huurder, ZIJN OVEREENGEKOMEN: 1.1 Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de zelfstandige woonruimte, hierna 'het gehuurde' genoemd, plaatselijk bekend [adres 2] . Deze overeenkomst zal voor onbepaalde tijd ingaan op 1-1-2019 Aldus opgemaakt en ondertekend plaats datum plaats datum Sint Willebrord 28-12-2018 Sint Willebrord 28-12-2018 (huurder) (verhuurder) [verdachte] [verhuurder] 16. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 27 oktober 2019, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-: Ik heb de woning en de loods gehuurd van [verhuurder] Ik heb daar gewoond sinds 2016. Alleen het huurcontract was nieuw per januari 2019. Ik woonde er tot 18 november 2019. 17. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof d.d. 15 oktober 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-: Het klopt dat ik in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 de huurder was van de woning en de loods aan [adres 2] . Het klopt dat ik daar in die gehele periode heb gewoond en dat ik gebruik maakte van een deel van de loods voor de opslag van goederen. Bewijsoverwegingen I. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1. subsidiair en 3. subsidiair ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd -kort en zakelijk weergegeven- dat niet kan worden bewezen dat sprake is van het voor bewezenverklaring van medeplichtigheid vereiste ‘dubbel opzet’, aangezien de verdachte geen opzet op het grondfeit heeft gehad omdat hij niet wist wat er in de loods gebeurde en dit ook niet hoefde te weten. Het hof overweegt als volgt. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde medeplichtigheid dient in rechte komen vast te staan dat sprake is van zogenaamd dubbel opzet van de verdachte.
Volledig
Daarvoor is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en sub 1 of 2, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (zijnde het gronddelict). Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 de huurder was van de loods, gelegen aan [adres 2] , waar op 18 november 2019 een cocaïnewasserij werd aangetroffen. Voorts staat vast dat hij gedurende die gehele periode in de bij die loods gelegen woning heeft gewoond en een gedeelte van de loods gebruikte voor de opslag van goederen. Als algemeen uitgangspunt moet gelden dat een persoon weet wat zich in het door hem gehuurde pand bevindt en wat zich daar afspeelt, hetgeen ook geldt voor een bij dat pand behorende, eveneens door hem gehuurde loods. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien de bewoner aannemelijk kan maken dat niet hijzelf maar een ander de feitelijke gebruiker was van de ruimte en hijzelf hier niet langer toegang toe had. De verdachte heeft in dat verband aangevoerd dat hij de loods had onderverhuurd aan een persoon die zich voordeed als ‘ [getuige] ’, die hij ‘een paar weken eerder’ had leren kennen in een zogeheten ‘shishalounge’ in Roosendaal. Ter onderbouwing van die stelling heeft de verdachte tijdens het opsporingsonderzoek een op 20 oktober 2019 ondertekende huurovereenkomst overgelegd waarin is vastgelegd dat hij per 1 november 2019 de bewuste loods heeft verhuurd aan [getuige] , wonende aan [adres 4] . Bij het contract is een rijbewijs gevoegd op naam van [getuige] , geboren op [geboortedag 7] [geboortejaar] te [geboorteplaats 2] , wonende te ’s-Gravenhage. Het betreffende huurcontract bleek te zijn ondertekend met een andere handtekening dan de handtekening op de daarbij gevoegde kopie van het rijbewijs, welk rijbewijs bovendien gestolen bleek te zijn. Op vragen van de politie om nadere gegevens omtrent de persoon [getuige] te verstrekken, zoals diens telefoonnummer, heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen . Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen nadere gegevens van de persoon aan wie hij de loods zegt te hebben verhuurd verstrekt. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg nog wel verklaard dat de betreffende persoon en hij elkaar drie keer per week zagen en dat de foto op het rijbewijs overeenkwam met het uiterlijk van deze persoon. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder uit het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] door de raadsheer-commissaris van dit gerechtshof d.d. 30 april 2025, is gebleken dat [getuige] , geboren op [geboortedag 7] [geboortejaar] te [geboorteplaats 2] , wonende te ’s-Gravenhage, niet degene is aan wie de verdachte de onderhavige loods zou hebben onderverhuurd. Genoemde getuige heeft bij dat verhoor ook verklaard dat zijn rijbewijs op enig moment uit zijn auto moet zijn gestolen, maar dat hij niet precies weet wanneer dat zou zijn gebeurd. Bij zijn verhoor door de politie heeft de getuige [getuige] verklaard dat hij het niet precies kan zeggen, maar dat hij denkt dat zijn rijbewijs ‘2 à 3 weken’ vóór zondag 20 oktober 2109 uit zijn auto moet zijn gestolen . Uit het politieonderzoek blijkt dat het rijbewijs van [getuige] pas op 7 november 2019 als gestolen/vermist is opgegeven . Uit het vorenstaande volgt dat, de lezing van de verdachte volgend, de verdachte enkele weken vóór de ondertekening van het contract van onderverhuur d.d. 20 oktober 2019 in een shishalounge een persoon zou hebben ontmoet die zich op dat moment voordeed als [getuige] en die op dat moment dus al moet hebben beschikt over de persoonsgegevens van ‘de echte’ [getuige] . Deze persoon zou qua uiterlijk hebben geleken op ‘de echte’ [getuige] , wiens rijbewijs mogelijk op enig moment omstreeks begin oktober 2019 zou zijn gestolen. Ook zou deze persoon op enig moment in die periode voorafgaand aan de ondertekening van voormeld contract op 20 oktober 2019 interesse hebben getoond in de huur van de loods op het terrein van de verdachte en dus kennelijk (toen ook al) op de hoogte zijn geweest van het feit dat de verdachte beschikte over een dergelijke loods. Het hof acht deze gang van zaken, mede gelet op de omstandigheid dat uit het onderzoek van het bestaan van de door verdachte bedoelde persoon geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen, dermate onwaarschijnlijk dat daaraan geen geloof kan worden gehecht. Op grond van het vorenstaande is uit het onderzoek ter terechtzitting derhalve niet aannemelijk geworden dat de verdachte de onderhavige loods heeft onderverhuurd aan deze [getuige] dan wel een ander die zich heeft voorgedaan als [getuige] . Het hof gaat er op grond van het vorenstaande, bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden die uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komen, vanuit dat de door de verdachte naar voren gebrachte onderverhuur een schijnconstructie is. Deze schijnconstructie had het doel om de daadwerkelijke gang van zaken, waarbij de verdachte willens en wetens de door hem gehuurde loods ter beschikking heeft gesteld aan genoemde medeverdachten teneinde hen in staat te stellen daarin een cocaïnewasserij te exploiteren, te maskeren. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komen, acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte niet heeft opgemerkt dat er gedurende ruim 14 dagen in de direct achter zijn woning gelegen loods, waarop hij vanuit zijn woning vrij uitzicht had en van welke loods hij ook feitelijk gebruikmaakte, continu (en uiteindelijk maar liefst zes) personen hebben verbleven, voor wie voedsel en drank is aangeleverd, die daar grote delen van de dag hebben gewerkt met gebruikmaking van een grote hoeveelheid goederen en apparaten, die ook in, of voorafgaand aan die periode moeten zijn aangevoerd en van welke werkzaamheden geluiden te horen moeten zijn geweest. Voorts acht het hof het onaannemelijk dat de medeverdachten zonder medeweten en instemming van de huurder gebruik maakten van de loods, terwijl daarin een grote partij kostbare cocaïne aanwezig was, met een levensgroot risico op ontdekking. Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van de verdachte niet alleen was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook ten minste in voorwaardelijke vorm op de door de daders gepleegde gronddelicten, te weten: het tezamen en in vereniging opzettelijk bewerken van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne (feit 1), alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne (feit 2). Bijgevolg wordt het verweer van de raadsman verworpen. II. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. III. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 3. subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Volledig
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op: de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan; de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij medeplichtig is geweest aan de bewerking van een materiaal bevattende cocaïne door anderen en aan het opzettelijk aanwezig hebben door anderen van een grote hoeveelheid (ongeveer 72,9 kilogram) van de reeds bewerkte cocaïne, die kennelijk klaarstond voor verder transport, zulks door het ten behoeve daarvan ter beschikking stellen van een loods aan die anderen. De productie van en de handel in harddrugs – zoals cocaïne – dient krachtig te worden bestreden. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico's met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat deze drugs kunnen leiden tot lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Bovendien schuilen in de bewerking van cocaïne nog andere gevaren. Het hof wijst in dit verband op schade aan het milieu als gevolg van het dumpen van afvalstoffen en op explosiegevaar van chemische stoffen die bij het wassen van cocaïne worden gebruikt. Een explosie had verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor (mensen in) de omgeving, nu de cocaïnewasserij was gelegen in een woonwijk, direct naast een tankstation. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van voornoemde belangen en uitsluitend gehandeld ten behoeve van financieel gewin. Hij heeft ook op geen enkel moment blijk van inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen gegeven. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden en de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen weliswaar door de strafrechter is veroordeeld maar niet ter zake van soortgelijke feiten. In de periode na het bewezenverklaarde is verdachte niet door een strafrechter voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld. Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als uitgangspunt voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt voor (o.a.) het bewerken van harddrugs bij meer dan 20 kilogram waarbij sprake is dat dit in een georganiseerd verband heeft plaatsgevonden geeft als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 72 maanden. Indachtig het bepaalde in artikel 49, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, worden ingeval van medeplichtigheid de strafmaxima die op het misdrijf zijn gesteld met een derde verminderd. Het hof zal daarom twee derde van deze 72 maanden als uitgangspunt nemen. Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die het hof aan de medeverdachten heeft opgelegd en in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die op de terechtzitting zijn gebleken acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf is voorts van belang de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in hoger beroep is geschonden. Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 14 december 2020, de dag waarop de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst het onderhavige arrest op 29 oktober 2025, zodat niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ruim 2 jaren en 10 maanden overschreden. Deze overschrijding kan gedeeltelijk worden verklaard door nadere onderzoeken die op verzoek van de verdediging in hoger beroep zijn verricht. Naar het oordeel van het hof komt voornoemde overschrijding evenwel niet volledig voor rekening van de verdachte. Rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, zal het hof een korting van 4 maanden toepassen en aan de verdachte een gevangenisstraf van 32 maanden opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 48, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 3. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Aldus gewezen door: mr. G.J. Hanssen, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. D. Heitman, raadsheren, in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier, en op 29 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Bosch en mr. Heitman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van het digitale dossier van politie Zeeland-West-Brabant, District De Markiezaten, onderzoeksnummer ZB2R019106 Westminster, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1714. Zie pagina 1691 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal van politie. Zie pagina 1712 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal van politie. Zie pagina 394 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal van politie.