Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:369
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
12,026 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:369 text/xml public 2026-04-29T10:41:46 2025-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-02-13 200.339.063_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:369 text/html public 2026-04-29T10:40:24 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:369 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-02-2025 / 200.339.063_01 Kinderalimentatie GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 13 februari 2025 zaaknummer : 200.339.063/01 zaaknummer rechtbank : C/01/393530 / FA RK 23-2235 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.D. van Damme, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R. van Coolwijk. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het verloop van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift van de man met producties, ingekomen op 15 maart 2024; - het verweerschrift in principaal hoger beroep tevens houdende incidenteel hoger beroep van de vrouw met producties, ingekomen op 17 juni 2024; - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de man met producties, ingekomen op 25 juli 2024; - een V-formulier van de advocaat van de man met producties, ingekomen op 24 oktober 2024. 2.2. De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3 De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. 3.2. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , en - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , hierna samen te noemen: de kinderen. De man heeft de kinderen erkend. 3.3. De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man is Brits burger en heeft de Ierse nationaliteit. 3.4. Bij vonnis in kort geding van 3 april 2023 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de kinderen voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats vrouw] toegekend. 3.5. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank: - het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaald; - de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie), door de man aan de vrouw te voldoen, met ingang van 1 juni 2023 bepaald op € 178,-- per kind per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - de beslissing over het gezag over [minderjarige 3] en de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aangehouden tot 18 maart 2024 in afwachting van de resultaten van het mediationtraject; - de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten tot op heden tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt; - het voorwaardelijke verzoek van de vrouw afgewezen; - het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afgewezen. 3.6. Partijen zijn op 19 januari 2024 een ouderschapsplan overeengekomen. Daarin hebben zij onder meer afspraken opgenomen over het gezag over [minderjarige 3] (partijen gaan het gezag over [minderjarige 3] samen uitoefenen, zoals zij dat ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen) en over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 3.7. Bij beschikking van 4 juni 2024 heeft de rechtbank: - bepaald dat het aangehechte en door de griffie gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking; - de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt; - het meer of anders verzochte afgewezen. 4 De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep 4.1. De man kan zich met de beslissing van 19 december 2023, voor zover het de kinderalimentatie betreft, niet verenigen en hij is hiervan met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen. Grieven 1 en 2 zien op de draagkracht van de man. Grieven 3 en 4 zien op de draagkrachtvergelijking. Grief 5 ziet op de zorgkorting. Grief 6 ziet op de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen. De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatiebeslissing te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 73,-- per kind per maand, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag. Daarnaast verzoekt de man de proceskosten tussen partijen te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.2. De vrouw voert verweer in principaal hoger beroep. Zij verzoekt de grieven van de man te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daartegen geen incidenteel hoger beroep is ingesteld door haar. Indien het hof de kinderalimentatie vaststelt op een lager bedrag dan in eerste aanleg is bepaald, verzoekt de vrouw te bepalen dat zij niet gehouden is enig bedrag aan de man te restitueren en de betalingsverplichting tot de datum van de beschikking te stellen op hetgeen feitelijk is voldaan, alsmede dat in dat geval de gewijzigde bijdrage in gaat per datum beschikking, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. 4.3. De vrouw is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de berekening van de zorgkorting. Grief 2 (aangeduid als grief 3) ziet op de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen. De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de kinderalimentatie betreft, al dan niet onder wijziging van de gronden, en opnieuw rechtdoende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2023 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 186,28 per kind per maand en per 1 januari 2024 € 197,83 per kind per maand, voor de toekomst steeds bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht. De vrouw heeft daarnaast in principaal en incidenteel hoger beroep verzocht om de man te veroordelen in de kosten van hoger beroep. 4.4. De man voert verweer in incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt grief 2 van de vrouw te verwerpen en de verzochte proceskostenveroordeling af te wijzen. 4.5. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep Bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat partijen een verschillende nationaliteit hebben. Het hof zal ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van onderhavige zaak en het toepasselijk recht beoordelen. 5.2. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het verzoek kennis te nemen, wordt bepaald aan de hand van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008). Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de kinderalimentatie. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht. Ingangsdatum 5.3.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:369 text/xml public 2026-04-29T10:41:46 2025-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-02-13 200.339.063_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:369 text/html public 2026-04-29T10:40:24 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:369 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-02-2025 / 200.339.063_01 Kinderalimentatie GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 13 februari 2025 zaaknummer : 200.339.063/01 zaaknummer rechtbank : C/01/393530 / FA RK 23-2235 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.D. van Damme, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R. van Coolwijk. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het verloop van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift van de man met producties, ingekomen op 15 maart 2024; - het verweerschrift in principaal hoger beroep tevens houdende incidenteel hoger beroep van de vrouw met producties, ingekomen op 17 juni 2024; - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de man met producties, ingekomen op 25 juli 2024; - een V-formulier van de advocaat van de man met producties, ingekomen op 24 oktober 2024. 2.2. De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3 De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. 3.2. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , en - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , hierna samen te noemen: de kinderen. De man heeft de kinderen erkend. 3.3. De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man is Brits burger en heeft de Ierse nationaliteit. 3.4. Bij vonnis in kort geding van 3 april 2023 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de kinderen voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats vrouw] toegekend. 3.5. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank: - het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaald; - de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie), door de man aan de vrouw te voldoen, met ingang van 1 juni 2023 bepaald op € 178,-- per kind per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - de beslissing over het gezag over [minderjarige 3] en de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aangehouden tot 18 maart 2024 in afwachting van de resultaten van het mediationtraject; - de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten tot op heden tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt; - het voorwaardelijke verzoek van de vrouw afgewezen; - het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afgewezen. 3.6. Partijen zijn op 19 januari 2024 een ouderschapsplan overeengekomen. Daarin hebben zij onder meer afspraken opgenomen over het gezag over [minderjarige 3] (partijen gaan het gezag over [minderjarige 3] samen uitoefenen, zoals zij dat ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen) en over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 3.7. Bij beschikking van 4 juni 2024 heeft de rechtbank: - bepaald dat het aangehechte en door de griffie gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking; - de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt; - het meer of anders verzochte afgewezen. 4 De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep 4.1. De man kan zich met de beslissing van 19 december 2023, voor zover het de kinderalimentatie betreft, niet verenigen en hij is hiervan met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen. Grieven 1 en 2 zien op de draagkracht van de man. Grieven 3 en 4 zien op de draagkrachtvergelijking. Grief 5 ziet op de zorgkorting. Grief 6 ziet op de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen. De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatiebeslissing te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 73,-- per kind per maand, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag. Daarnaast verzoekt de man de proceskosten tussen partijen te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.2. De vrouw voert verweer in principaal hoger beroep. Zij verzoekt de grieven van de man te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daartegen geen incidenteel hoger beroep is ingesteld door haar. Indien het hof de kinderalimentatie vaststelt op een lager bedrag dan in eerste aanleg is bepaald, verzoekt de vrouw te bepalen dat zij niet gehouden is enig bedrag aan de man te restitueren en de betalingsverplichting tot de datum van de beschikking te stellen op hetgeen feitelijk is voldaan, alsmede dat in dat geval de gewijzigde bijdrage in gaat per datum beschikking, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. 4.3. De vrouw is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de berekening van de zorgkorting. Grief 2 (aangeduid als grief 3) ziet op de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen. De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de kinderalimentatie betreft, al dan niet onder wijziging van de gronden, en opnieuw rechtdoende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2023 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 186,28 per kind per maand en per 1 januari 2024 € 197,83 per kind per maand, voor de toekomst steeds bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht. De vrouw heeft daarnaast in principaal en incidenteel hoger beroep verzocht om de man te veroordelen in de kosten van hoger beroep. 4.4. De man voert verweer in incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt grief 2 van de vrouw te verwerpen en de verzochte proceskostenveroordeling af te wijzen. 4.5. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep Bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat partijen een verschillende nationaliteit hebben. Het hof zal ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van onderhavige zaak en het toepasselijk recht beoordelen. 5.2. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het verzoek kennis te nemen, wordt bepaald aan de hand van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008). Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de kinderalimentatie. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht. Ingangsdatum 5.3.
Volledig
De ingangsdatum van de kinderalimentatie heeft de rechtbank bepaald op 1 juni 2023. Deze ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil en staat daarmee vast. Behoefte 5.4. De behoefte van de kinderen in 2023 heeft de rechtbank vastgesteld op € 2.130,-- per maand (een basisbehoefte van € 1.630,-- per maand, vermeerderd met € 500,-- per maand aan kosten kinderopvang). Deze behoefte is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 5.5. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Draagkracht van de vrouw 5.6. De draagkracht van de vrouw, door de rechtbank bepaald op € 1.882,-- per maand, is in hoger beroep niet in geschil en staat daarmee vast. Draagkracht van de man 5.7. De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. Partijen houdt verdeeld met welk bedrag aan inkomen en woonlasten rekening gehouden moet worden voor de berekening van de draagkracht. Deze onderwerpen worden hierna achtereenvolgens beoordeeld. Inkomen van de man 5.8. De man voert in de grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de man van € 55.503,--, zijnde het bedrag dat op zijn loonstroken 2023 staat vermeld als ‘jaarloon BT’ (jaarloon Bijzonder Tarief). Het jaarloon BT is gelijk aan het fiscale loon wat op de jaaropgave van het vorige jaar staat en is niet het werkelijke loon. Daarnaast geldt dat voor een werknemer die nieuw in dienst komt, zoals de man in 2023, een inschatting van het jaarloon BT wordt gemaakt. De man heeft in eerste aanleg gemotiveerd aangevoerd dat zijn inkomen € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, bedraagt. Dat is op jaarbasis € 50.544,--. Op basis van dit inkomen is zijn draagkracht € 707,-- per maand. Bovendien blijkt uit de arbeidsovereenkomst van de man van 15 maart 2023 dat het door de rechtbank gehanteerde salaris onjuist is. Uit die overeenkomst blijkt dat het salaris van de man € 3.800,-- bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, en dat de man geen andere emolumenten ontvangt. Dat is op jaarbasis € 49.248,--. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man nog aangevoerd dat voor de berekening van zijn draagkracht gerekend mag worden met zijn gemiddelde loon over de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024 (in totaal € 31.700/8 maanden), omgerekend een jaarinkomen van € 51.360,-- bruto (inclusief vakantietoeslag). Rekening houdend met de tarieven 2024-2 bedraagt zijn draagkracht dan € 604,-- per maand, aldus de man. 5.9. De vrouw voert als verweer in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De rechtbank is voor de berekening van de draagkracht van de man terecht uitgegaan van het jaarloon BT dat op de salarisstroken van de man staat. Het jaarloon BT is te vergelijken met het inkomen op een jaaropgave en geeft een getrouw beeld. De man heeft niet toegelicht waarom het vermeld jaarloon BT niet juist is. Hij heeft onvoldoende openheid van zaken gegeven. De man heeft onder andere nagelaten zijn meest recente salarisstroken te overleggen. De vrouw vermoedt dat de man in de afgelopen maanden extra inkomen in de vorm van een bonus heeft ontvangen. Nu uit de salarisstroken van de man van januari tot en met augustus 2024 blijkt dat zijn jaarloon BT is verhoogd naar € 59.600,--, meent de vrouw primair dat dat bedrag aan inkomen van de man tot uitgangspunt genomen moet worden en subsidiair € 55.503,-- bruto per jaar zoals in de bestreden beschikking is bepaald. De man moet ook in staat worden geacht een jaarinkomen van € 55.503,-- bruto te verwerven gelet op zijn jaarinkomen in 2022 van € 52.224,--, in welk jaar hij nog 20% ouderschapsverlof opnam. De overgelegde jaaropgave 2023 van de man geeft niet een juist beeld, omdat de man in dat jaar niet volledig in dienst was. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 van de man blijkt dat hij in 2023 over het gehele jaar een inkomen had van in totaal € 52.011,--. Indien het hof niet uitgaat van het jaarloon BT van de man, dan dient laatstgenoemd bedrag tot uitgangspunt worden genomen. 5.10. Het hof overweegt als volgt. 5.10.1. Vast staat dat de man met ingang van 21 maart 2023 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden bij [B.V.] B.V. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst en loonstroken over de periode van juli 2023 tot en met augustus 2024 blijkt, voor zover hier van belang, dat het loon van de man aanvankelijk € 3.800,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag) bedroeg en vanaf oktober 2023 € 3.900,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). Per 1 april 2024 is zijn loon verhoogd naar € 4.000,-- bruto per maand. In verband met een auto van de zaak heeft de man een fiscale bijtelling van € 754,71 per maand. Uit voornoemde loonstroken van man blijkt verder dat zijn jaarloon BT in 2023 € 55.503,-- bedraagt en in 2024 € 59.600,--. 5.10.2. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat het jaarloon BT dat op zijn loonstroken staat vermeld niet overeenkomt met het door hem ontvangen loon. Daarbij neemt het hof in aanmerking de overlegde arbeidsovereenkomst en loonstroken, alsmede de toelichting van de man dat het jaarloon BT gelijk is aan het fiscale loon wat op de jaaropgave van vorig jaar staat én dit voor hem een geschat bedrag betreft nu hij in 2023 in dienst is getreden. Bovendien omvat het jaarloon BT 2024 de fiscale bijtelling in verband met een auto van de zaak. Gezien de te hanteren ingangsdatum (1 juni 2023) en de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling dat met het salaris van € 3.900,-- bruto per maand reeds vanaf die ingangsdatum rekening gehouden mag worden, zal het hof voor de draagkrachtberekening van de man met ingang van 1 juni 2023 rekening houden met een salaris van € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De man heeft de stelling van de vrouw, dat de man andere emolumenten ontvangt, gemotiveerd weersproken. Het hof ziet op grond van de arbeidsovereenkomst en salarisstroken daarvoor ook geen aanwijzingen. De grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep slagen in zoverre. Woonlast/toepassing draagkrachtformule 5.11. De man stelt dat bij een inkomen van € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zijn draagkracht € 707,-- per maand bedraagt. 5.12. De vrouw meent dat aan de zijde van de man rekening gehouden moet worden met een draagkracht van € 809,-- per maand, zoals de rechtbank heeft bepaald. Indien het hof op basis van het inkomen van de man de draagkracht op een lager bedrag bepaalt, dan kan in redelijkheid die draagkracht worden ‘opgerekt’ naar € 809,-- per maand gezien de woonlasten van de man. De man verblijft feitelijk bij zijn vriendin en heeft geen zicht op een eigen woning. Er is sprake van een duurzame situatie, waarin de man zijn woonlasten kan delen. De woonlasten van de woning die partijen nog gezamenlijk in eigendom hebben, voldoet de vrouw alleen. De man heeft aanmerkelijk lagere woonlasten dan de forfaitaire woonlast waarmee in de bepaling van zijn draagkracht rekening is gehouden. 5.13. De man heeft in reactie op het verweer van de vrouw aangevoerd, dat de vrouw geen grief heeft gericht tegen de rekenwijze van de rechtbank, in welke berekening de forfaitaire woonlast is toegepast. Er is ook geen reden om af te wijken van de forfaitaire woonlast, nu er geen tekort aan draagkracht van partijen is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Hij woont bij zijn moeder en betaalt en een all-in bedrag van € 1.000,-- per maand, aldus de man. 5.14. Het hof overweegt als volgt. 5.14.1.
Volledig
De ingangsdatum van de kinderalimentatie heeft de rechtbank bepaald op 1 juni 2023. Deze ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil en staat daarmee vast. Behoefte 5.4. De behoefte van de kinderen in 2023 heeft de rechtbank vastgesteld op € 2.130,-- per maand (een basisbehoefte van € 1.630,-- per maand, vermeerderd met € 500,-- per maand aan kosten kinderopvang). Deze behoefte is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 5.5. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Draagkracht van de vrouw 5.6. De draagkracht van de vrouw, door de rechtbank bepaald op € 1.882,-- per maand, is in hoger beroep niet in geschil en staat daarmee vast. Draagkracht van de man 5.7. De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. Partijen houdt verdeeld met welk bedrag aan inkomen en woonlasten rekening gehouden moet worden voor de berekening van de draagkracht. Deze onderwerpen worden hierna achtereenvolgens beoordeeld. Inkomen van de man 5.8. De man voert in de grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de man van € 55.503,--, zijnde het bedrag dat op zijn loonstroken 2023 staat vermeld als ‘jaarloon BT’ (jaarloon Bijzonder Tarief). Het jaarloon BT is gelijk aan het fiscale loon wat op de jaaropgave van het vorige jaar staat en is niet het werkelijke loon. Daarnaast geldt dat voor een werknemer die nieuw in dienst komt, zoals de man in 2023, een inschatting van het jaarloon BT wordt gemaakt. De man heeft in eerste aanleg gemotiveerd aangevoerd dat zijn inkomen € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, bedraagt. Dat is op jaarbasis € 50.544,--. Op basis van dit inkomen is zijn draagkracht € 707,-- per maand. Bovendien blijkt uit de arbeidsovereenkomst van de man van 15 maart 2023 dat het door de rechtbank gehanteerde salaris onjuist is. Uit die overeenkomst blijkt dat het salaris van de man € 3.800,-- bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, en dat de man geen andere emolumenten ontvangt. Dat is op jaarbasis € 49.248,--. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man nog aangevoerd dat voor de berekening van zijn draagkracht gerekend mag worden met zijn gemiddelde loon over de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024 (in totaal € 31.700/8 maanden), omgerekend een jaarinkomen van € 51.360,-- bruto (inclusief vakantietoeslag). Rekening houdend met de tarieven 2024-2 bedraagt zijn draagkracht dan € 604,-- per maand, aldus de man. 5.9. De vrouw voert als verweer in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De rechtbank is voor de berekening van de draagkracht van de man terecht uitgegaan van het jaarloon BT dat op de salarisstroken van de man staat. Het jaarloon BT is te vergelijken met het inkomen op een jaaropgave en geeft een getrouw beeld. De man heeft niet toegelicht waarom het vermeld jaarloon BT niet juist is. Hij heeft onvoldoende openheid van zaken gegeven. De man heeft onder andere nagelaten zijn meest recente salarisstroken te overleggen. De vrouw vermoedt dat de man in de afgelopen maanden extra inkomen in de vorm van een bonus heeft ontvangen. Nu uit de salarisstroken van de man van januari tot en met augustus 2024 blijkt dat zijn jaarloon BT is verhoogd naar € 59.600,--, meent de vrouw primair dat dat bedrag aan inkomen van de man tot uitgangspunt genomen moet worden en subsidiair € 55.503,-- bruto per jaar zoals in de bestreden beschikking is bepaald. De man moet ook in staat worden geacht een jaarinkomen van € 55.503,-- bruto te verwerven gelet op zijn jaarinkomen in 2022 van € 52.224,--, in welk jaar hij nog 20% ouderschapsverlof opnam. De overgelegde jaaropgave 2023 van de man geeft niet een juist beeld, omdat de man in dat jaar niet volledig in dienst was. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 van de man blijkt dat hij in 2023 over het gehele jaar een inkomen had van in totaal € 52.011,--. Indien het hof niet uitgaat van het jaarloon BT van de man, dan dient laatstgenoemd bedrag tot uitgangspunt worden genomen. 5.10. Het hof overweegt als volgt. 5.10.1. Vast staat dat de man met ingang van 21 maart 2023 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden bij [B.V.] B.V. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst en loonstroken over de periode van juli 2023 tot en met augustus 2024 blijkt, voor zover hier van belang, dat het loon van de man aanvankelijk € 3.800,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag) bedroeg en vanaf oktober 2023 € 3.900,-- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). Per 1 april 2024 is zijn loon verhoogd naar € 4.000,-- bruto per maand. In verband met een auto van de zaak heeft de man een fiscale bijtelling van € 754,71 per maand. Uit voornoemde loonstroken van man blijkt verder dat zijn jaarloon BT in 2023 € 55.503,-- bedraagt en in 2024 € 59.600,--. 5.10.2. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat het jaarloon BT dat op zijn loonstroken staat vermeld niet overeenkomt met het door hem ontvangen loon. Daarbij neemt het hof in aanmerking de overlegde arbeidsovereenkomst en loonstroken, alsmede de toelichting van de man dat het jaarloon BT gelijk is aan het fiscale loon wat op de jaaropgave van vorig jaar staat én dit voor hem een geschat bedrag betreft nu hij in 2023 in dienst is getreden. Bovendien omvat het jaarloon BT 2024 de fiscale bijtelling in verband met een auto van de zaak. Gezien de te hanteren ingangsdatum (1 juni 2023) en de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling dat met het salaris van € 3.900,-- bruto per maand reeds vanaf die ingangsdatum rekening gehouden mag worden, zal het hof voor de draagkrachtberekening van de man met ingang van 1 juni 2023 rekening houden met een salaris van € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De man heeft de stelling van de vrouw, dat de man andere emolumenten ontvangt, gemotiveerd weersproken. Het hof ziet op grond van de arbeidsovereenkomst en salarisstroken daarvoor ook geen aanwijzingen. De grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep slagen in zoverre. Woonlast/toepassing draagkrachtformule 5.11. De man stelt dat bij een inkomen van € 3.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zijn draagkracht € 707,-- per maand bedraagt. 5.12. De vrouw meent dat aan de zijde van de man rekening gehouden moet worden met een draagkracht van € 809,-- per maand, zoals de rechtbank heeft bepaald. Indien het hof op basis van het inkomen van de man de draagkracht op een lager bedrag bepaalt, dan kan in redelijkheid die draagkracht worden ‘opgerekt’ naar € 809,-- per maand gezien de woonlasten van de man. De man verblijft feitelijk bij zijn vriendin en heeft geen zicht op een eigen woning. Er is sprake van een duurzame situatie, waarin de man zijn woonlasten kan delen. De woonlasten van de woning die partijen nog gezamenlijk in eigendom hebben, voldoet de vrouw alleen. De man heeft aanmerkelijk lagere woonlasten dan de forfaitaire woonlast waarmee in de bepaling van zijn draagkracht rekening is gehouden. 5.13. De man heeft in reactie op het verweer van de vrouw aangevoerd, dat de vrouw geen grief heeft gericht tegen de rekenwijze van de rechtbank, in welke berekening de forfaitaire woonlast is toegepast. Er is ook geen reden om af te wijken van de forfaitaire woonlast, nu er geen tekort aan draagkracht van partijen is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Hij woont bij zijn moeder en betaalt en een all-in bedrag van € 1.000,-- per maand, aldus de man. 5.14. Het hof overweegt als volgt. 5.14.1.
Volledig
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) volgt dat indien niet volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag, de rechter zal moeten nagaan of een berekening van de draagkracht op basis van de werkelijke woonlasten tot een hogere kinderalimentatie zou leiden. Het hof stelt vast dat geen sprake is van een tekort aan draagkracht van partijen om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het hof ziet reeds op die grond geen reden om af te wijken van het forfaitaire systeem, waarin in de draagkrachtformule rekening wordt gehouden met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen. De beschikking van het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 16 november 2023 waar de vrouw naar verwijst (ECLI:NL:GHARL:2023:9699), maakt dit niet anders, omdat de situatie en de omstandigheden in die zaak anders zijn dan die van partijen. 5.14.2. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat het hof uit van de door de man gestelde draagkracht van € 707,-- per maand (gebaseerd op een inkomen van € 3.900,-- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, met toepassing van de draagkrachtformule voor 2023) op de ingangsdatum. 5.14.3. Het hof ziet in de omstandigheid dat het loon van de man per april 2024 is gestegen naar € 4.000,-- bruto per maand, geen aanleiding om de kinderalimentatie per die datum opnieuw te beoordelen. Gesteld noch gebleken is dat die loonstijging leidt tot een zodanige wijziging van de draagkracht van de man dat dit een herbeoordeling rechtvaardigt. Draagkrachtvergelijking 5.15. De grieven 3 en 4 in principaal hoger beroep zien op de bedragen die voor de draagkrachtvergelijking in aanmerking worden genomen. 5.16. Het hof gaat uit van een draagkracht van de man van € 707,-- per maand en een draagkracht van de vrouw van € 1.882,-- per maand, zoals hiervoor is bepaald. De gezamenlijke draagkracht van partijen is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 2.130,-- per maand te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt. De vergelijking van de draagkracht van partijen brengt mee dat: - het aandeel van de man (707/2.589 x 2.130) € 582,-- per maand bedraagt en - het aandeel van de vrouw (1.882/2.589 x 2.130) € 1.548,-- per maand bedraagt. De grieven 3 en 4 in principaal hoger beroep slagen in zoverre. Zorgkorting 5.17. De man stelt in grief 5 in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een zorgkorting van 5% heeft gehanteerd. De man is, kort gezegd, van mening dat een zorgkorting van 15% passend is gelet op de afspraken die partijen in het ouderschapsplan over de zorgregeling zijn overeengekomen. 5.18. De vrouw voert als verweer in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Het merendeel van de zorgtaken ligt bij haar. Op 19 januari 2024 is het ouderschapsplan door partijen getekend. De man komt vanaf dat moment de zorgregeling na, in die zin dat de kinderen een weekend per maand van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven. Dat zijn per saldo 24 dagen per jaar. Wanneer de man niet in staat is om de zorg op die dagen in te vullen, moet de vrouw daarvoor een oplossing vinden. Daarnaast is afgesproken dat de kinderen gedurende een deel van de vakantieperiodes bij de man verblijven, maar de man heeft tot op heden tijdens vakanties nauwelijks zorgtaken ingevuld. Voor de periode tot 20 januari 2024 is eigenlijk een zorgkorting van 0% het meest gepast en vanaf 20 januari 2024 een zorgkorting van 5%. De vrouw legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank om vanaf de ingangsdatum rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Een zorgkorting van 15% is ongepast, omdat de man niet gemiddeld één dag per week zorgtaken voor de kinderen invult. De man heeft ook niet aangetoond dat een zorgkorting van 5% (€ 81,50 per maand) onvoldoende is om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. Voor zover de verblijfskosten meer zijn, kan de man die kosten compenseren gelet op zijn lagere woonlasten dan de forfaitaire woonlast die bij de bepaling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. 5.19. De vrouw stelt verder, in grief 1 in incidenteel hoger beroep, dat de rechtbank de zorgkorting ten onrechte heeft berekend over de basisbehoefte van de kinderen (het tabelbedrag) van € 1.630,-- per maand vermeerderd met de kosten kinderopvang van € 500,-- per maand. De zorgkorting moet alleen worden berekend over voornoemd tabelbedrag. 5.20. De man is het eens met de stelling van de vrouw dat de zorgkorting alleen berekend moet worden over de basisbehoefte van de kinderen van € 1.630,-- per maand. 5.21. Het hof overweegt als volgt. 5.21.1. Het hof volgt de richtlijn uit het rapport alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. 5.21.2. Gebleken is dat tot 19 januari 2024 de kinderen incidenteel bij de man zijn verbleven en er geen sprake was van een vaste zorgregeling. Het hof zal daarom tot januari 2024 rekening houden met een zorgkorting van 5%. 5.21.3. Partijen zijn op 19 januari 2024 een ouderschapsplan overeengekomen. In het ouderschapsplan zijn partijen voor de huidige situatie, dat de man nog niet over eigen woonruimte beschikt, als reguliere zorgregeling overeengekomen dat de kinderen een weekend per maand van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven. Verder zijn partijen voor die huidige situatie als vakantieregeling overeengekomen, kort gezegd, dat de kinderen bij de man verblijven drie weken tijdens de zomervakantie, een week tijdens de meivakantie, een week tijdens de kerstvakantie en een weekend tijdens Pasen of Pinksteren. Het hof stelt vast dat de kinderen op grond van voornoemde reguliere zorgregeling én vakantieregeling gemiddeld één dag per week bij de man zijn. Om die reden zal een zorgkorting van 15% worden toegepast. De overeengekomen zorgregeling geldt weliswaar vanaf 19 januari 2024, maar gelet op het feit dat het om een heel korte periode gaat (namelijk van 1 januari 2024 tot 19 januari 2024) en de kinderen ook voor 19 januari 2024, maar dan niet volgens een vaste regeling, bij de man verbleven, zal de zorgkorting van 15% met ingang van 1 januari 2024 worden toegepast. Weliswaar is naar voren gekomen dat in de ziekteperiode van de man de kinderen enkele malen niet bij de man konden verblijven, maar dit was incidenteel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man onweersproken verklaard dat hij zich houdt aan de overeengekomen zorgregeling. Het hof ziet in de door de vrouw genoemde (financiële) argumenten geen reden om af te wijken van het – op basis van de richtlijnen gehanteerde – percentage van 15. 5.21.4. Partijen zijn het erover eens dat, anders dan de berekening van de zorgkorting in de bestreden beschikking, de zorgkorting alleen moet worden berekend over de basisbehoefte van de kinderen van € 1.630,-- per maand. 5.21.5. Op grond van het voorgaande houdt het hof over de periode van 1 juni 2023 tot 1 januari 2024 rekening met een zorgkorting van (5% x € 1.630) € 81,50 per maand. Met ingang van 1 januari 2024 houdt het hof rekening met een zorgkorting van (15% x € 1.630) € 244,50 per maand. Grief 5 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep slagen in zoverre. Bijdrage kosten kinderen 5.22. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het eigen aandeel van de man in de behoefte van de kinderen. Dit aandeel is hiervoor vastgesteld op € 582,-- per maand. 5.23. Dit leidt ertoe dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt: - van 1 juni 2023 tot 1 januari 2024 (€ 582 -/- € 81,50) € 500,50 per maand, zijnde afgerond € 167,-- per kind per maand; - van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 (€ 582 -/- € 244,50) € 337,50 per maand, zijnde € 112,50 per kind per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt laatstgenoemde bijdrage met ingang van 1 januari 2025 afgerond € 120,-- per kind per maand.
Volledig
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) volgt dat indien niet volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag, de rechter zal moeten nagaan of een berekening van de draagkracht op basis van de werkelijke woonlasten tot een hogere kinderalimentatie zou leiden. Het hof stelt vast dat geen sprake is van een tekort aan draagkracht van partijen om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het hof ziet reeds op die grond geen reden om af te wijken van het forfaitaire systeem, waarin in de draagkrachtformule rekening wordt gehouden met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen. De beschikking van het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 16 november 2023 waar de vrouw naar verwijst (ECLI:NL:GHARL:2023:9699), maakt dit niet anders, omdat de situatie en de omstandigheden in die zaak anders zijn dan die van partijen. 5.14.2. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat het hof uit van de door de man gestelde draagkracht van € 707,-- per maand (gebaseerd op een inkomen van € 3.900,-- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, met toepassing van de draagkrachtformule voor 2023) op de ingangsdatum. 5.14.3. Het hof ziet in de omstandigheid dat het loon van de man per april 2024 is gestegen naar € 4.000,-- bruto per maand, geen aanleiding om de kinderalimentatie per die datum opnieuw te beoordelen. Gesteld noch gebleken is dat die loonstijging leidt tot een zodanige wijziging van de draagkracht van de man dat dit een herbeoordeling rechtvaardigt. Draagkrachtvergelijking 5.15. De grieven 3 en 4 in principaal hoger beroep zien op de bedragen die voor de draagkrachtvergelijking in aanmerking worden genomen. 5.16. Het hof gaat uit van een draagkracht van de man van € 707,-- per maand en een draagkracht van de vrouw van € 1.882,-- per maand, zoals hiervoor is bepaald. De gezamenlijke draagkracht van partijen is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 2.130,-- per maand te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt. De vergelijking van de draagkracht van partijen brengt mee dat: - het aandeel van de man (707/2.589 x 2.130) € 582,-- per maand bedraagt en - het aandeel van de vrouw (1.882/2.589 x 2.130) € 1.548,-- per maand bedraagt. De grieven 3 en 4 in principaal hoger beroep slagen in zoverre. Zorgkorting 5.17. De man stelt in grief 5 in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een zorgkorting van 5% heeft gehanteerd. De man is, kort gezegd, van mening dat een zorgkorting van 15% passend is gelet op de afspraken die partijen in het ouderschapsplan over de zorgregeling zijn overeengekomen. 5.18. De vrouw voert als verweer in principaal hoger beroep, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Het merendeel van de zorgtaken ligt bij haar. Op 19 januari 2024 is het ouderschapsplan door partijen getekend. De man komt vanaf dat moment de zorgregeling na, in die zin dat de kinderen een weekend per maand van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven. Dat zijn per saldo 24 dagen per jaar. Wanneer de man niet in staat is om de zorg op die dagen in te vullen, moet de vrouw daarvoor een oplossing vinden. Daarnaast is afgesproken dat de kinderen gedurende een deel van de vakantieperiodes bij de man verblijven, maar de man heeft tot op heden tijdens vakanties nauwelijks zorgtaken ingevuld. Voor de periode tot 20 januari 2024 is eigenlijk een zorgkorting van 0% het meest gepast en vanaf 20 januari 2024 een zorgkorting van 5%. De vrouw legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank om vanaf de ingangsdatum rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Een zorgkorting van 15% is ongepast, omdat de man niet gemiddeld één dag per week zorgtaken voor de kinderen invult. De man heeft ook niet aangetoond dat een zorgkorting van 5% (€ 81,50 per maand) onvoldoende is om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. Voor zover de verblijfskosten meer zijn, kan de man die kosten compenseren gelet op zijn lagere woonlasten dan de forfaitaire woonlast die bij de bepaling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. 5.19. De vrouw stelt verder, in grief 1 in incidenteel hoger beroep, dat de rechtbank de zorgkorting ten onrechte heeft berekend over de basisbehoefte van de kinderen (het tabelbedrag) van € 1.630,-- per maand vermeerderd met de kosten kinderopvang van € 500,-- per maand. De zorgkorting moet alleen worden berekend over voornoemd tabelbedrag. 5.20. De man is het eens met de stelling van de vrouw dat de zorgkorting alleen berekend moet worden over de basisbehoefte van de kinderen van € 1.630,-- per maand. 5.21. Het hof overweegt als volgt. 5.21.1. Het hof volgt de richtlijn uit het rapport alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. 5.21.2. Gebleken is dat tot 19 januari 2024 de kinderen incidenteel bij de man zijn verbleven en er geen sprake was van een vaste zorgregeling. Het hof zal daarom tot januari 2024 rekening houden met een zorgkorting van 5%. 5.21.3. Partijen zijn op 19 januari 2024 een ouderschapsplan overeengekomen. In het ouderschapsplan zijn partijen voor de huidige situatie, dat de man nog niet over eigen woonruimte beschikt, als reguliere zorgregeling overeengekomen dat de kinderen een weekend per maand van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven. Verder zijn partijen voor die huidige situatie als vakantieregeling overeengekomen, kort gezegd, dat de kinderen bij de man verblijven drie weken tijdens de zomervakantie, een week tijdens de meivakantie, een week tijdens de kerstvakantie en een weekend tijdens Pasen of Pinksteren. Het hof stelt vast dat de kinderen op grond van voornoemde reguliere zorgregeling én vakantieregeling gemiddeld één dag per week bij de man zijn. Om die reden zal een zorgkorting van 15% worden toegepast. De overeengekomen zorgregeling geldt weliswaar vanaf 19 januari 2024, maar gelet op het feit dat het om een heel korte periode gaat (namelijk van 1 januari 2024 tot 19 januari 2024) en de kinderen ook voor 19 januari 2024, maar dan niet volgens een vaste regeling, bij de man verbleven, zal de zorgkorting van 15% met ingang van 1 januari 2024 worden toegepast. Weliswaar is naar voren gekomen dat in de ziekteperiode van de man de kinderen enkele malen niet bij de man konden verblijven, maar dit was incidenteel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man onweersproken verklaard dat hij zich houdt aan de overeengekomen zorgregeling. Het hof ziet in de door de vrouw genoemde (financiële) argumenten geen reden om af te wijken van het – op basis van de richtlijnen gehanteerde – percentage van 15. 5.21.4. Partijen zijn het erover eens dat, anders dan de berekening van de zorgkorting in de bestreden beschikking, de zorgkorting alleen moet worden berekend over de basisbehoefte van de kinderen van € 1.630,-- per maand. 5.21.5. Op grond van het voorgaande houdt het hof over de periode van 1 juni 2023 tot 1 januari 2024 rekening met een zorgkorting van (5% x € 1.630) € 81,50 per maand. Met ingang van 1 januari 2024 houdt het hof rekening met een zorgkorting van (15% x € 1.630) € 244,50 per maand. Grief 5 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep slagen in zoverre. Bijdrage kosten kinderen 5.22. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het eigen aandeel van de man in de behoefte van de kinderen. Dit aandeel is hiervoor vastgesteld op € 582,-- per maand. 5.23. Dit leidt ertoe dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt: - van 1 juni 2023 tot 1 januari 2024 (€ 582 -/- € 81,50) € 500,50 per maand, zijnde afgerond € 167,-- per kind per maand; - van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 (€ 582 -/- € 244,50) € 337,50 per maand, zijnde € 112,50 per kind per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt laatstgenoemde bijdrage met ingang van 1 januari 2025 afgerond € 120,-- per kind per maand.