Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-12-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:3647
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Hoger beroep
13,879 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3647 text/xml public 2026-03-20T10:09:18 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-12-18 200.356.404_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Internationaal privaatrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3647 text/html public 2026-03-20T10:07:55 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3647 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-12-2025 / 200.356.404_01 Zorgregeling Bevel tot terugverhuizing IPR: rechtsmacht inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Welk peilmoment geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht ter zake van het verzoek tot het gelasten van een terugverhuisgebod. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 18 december 2025 Zaaknummer: 200.356.404/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/364687 / FA RK 19-5489 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , voorheen wonende te [voormalige woonplaats] , thans wonende te [woonplaats] , Griekenland, verzoekster in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.H.I. Degens, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. S. Bhulai. Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ). Als informant in deze zaak wordt aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie [locatie] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2025; het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 september 2025; het V6-formulier met producties (de processen-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 2 december 2024 en 19 februari 2025 van de advocaat van de moeder d.d. 10 september 2025; het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 16 september 2025; het emailbericht met bijlagen (twee videofragmenten en twee geluidopnames) van de advocaat van de moeder d.d. 16 september 2025. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Degens; de vader, bijgestaan door mr. Bhulai; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] . 2.3.1. Na de mondelinge behandeling heeft het hof op 23 september 2025 aan partijen een brief gestuurd. Aan partijen is door het hof in overweging gegeven om, in afwachting van de beslissing van het hof, de komende weken een start te maken met de begeleide omgang in Nederland en het hof te informeren of deze overweging ter harte wordt genomen en zo ja, over het verloop van de omgang. Het hof heeft aan partijen meegegeven de informatie te zullen betrekken in de te nemen beslissing, indien en voor zover het hof zich bevoegd zal achten. 2.3.2. Mr. Degens heeft in haar brief van 4 november 2025 nog zeven producties overgelegd. Mr. Bhulai heeft daarop gereageerd in haar brief van 17 november 2025. Zij heeft daarbij ook een productie overgelegd. Het hof constateert dat deze productie ook reeds door mr. Degens was overgelegd, zodat beide partijen zich over deze productie hebben kunnen uitlaten. 3 De beoordeling De feiten 3.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder . De procedure in eerste aanleg 3.2. De vader heeft in eerste aanleg bij verzoek van 23 oktober 2019 verzocht om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] en een door hem voorgestelde omgangsregeling vast te stellen alsmede een informatieregeling te bepalen (C/02/364687 / FA RK 19-5489). 3.3. De moeder heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de man. Zij heeft bij zelfstandig verzoek om een raadsonderzoek verzocht. 3.4. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 september 2020 is er een voorlopige informatieregeling vastgesteld en zijn de ouders verwezen naar [instantie] in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA). De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden. 3.5. De moeder heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, op 12 oktober 2021 in een separate procedure verzocht om adoptie van [minderjarige] door haar partner toe te wijzen en om de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen in de achternaam van haar partner. Subsidiair verzocht zij om het gezag over [minderjarige] voortaan aan haar en haar partner gezamenlijk toe te wijzen. De rechtbank heeft bij beschikking van 3 januari 2023 (C/02/390872 / FA RK 21-4898) deze verzoeken afgewezen. Dit hof heeft deze beslissing bekrachtigd bij beschikking van 26 oktober 2023. 3.6. Bij beschikking van de rechtbank van 18 november 2021 is een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding van [instantie] tussen de vader en [minderjarige] bepaald, is de eerder in de beschikking van 10 september 2020 bepaalde voorlopige informatieregeling aangevuld en is de beslissing omtrent het gezag, de omgang en de informatieregeling aangehouden in afwachting van het verslag van [instantie] . 3.7. Bij beschikking van 7 oktober 2022 is door de rechtbank, onder wijziging van de eerder bepaalde regeling, een voorlopige door [instantie] begeleide omgangsregeling bij [instantie] tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. Partijen zijn verwezen naar het UHA (zodat de eerder ingezette hulpverlening zou worden voortgezet en een traject ter verbetering van de oudercommunicatie zou worden opgestart). Iedere beslissing is door de rechtbank aangehouden. 3.8. Het hulpverleningstraject door [instantie] is eind 2022 stopgezet. De raad is hierna een raadsonderzoek gestart. Dit is ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. 3.9. Begin mei 2023 heeft de vader zijn inleidend verzoek aangevuld en heeft hij verzocht, voor zover thans van belang, om een omgangsregeling met dwangsom vast te stellen, om [minderjarige] onder toezicht te stellen en eventueel een raadsonderzoek te gelasten. Tevens verzocht de vader primair om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen dan wel subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven waarbij [minderjarige] drie dagen bij de vader respectievelijk vier dagen bij de moeder zou verblijven. 3.10. In het kader van een procedure inzake voorlopige voorzieningen (met zaaknummer C/02/409657 FA RK 23-2317) is tijdens de mondelinge behandeling op 18 september 2023 overeengekomen dat, in afwachting van een raadsrapport, mevrouw [begeleidster] de omgang tussen [minderjarige] en de vader begeleidt. Bij beschikking van 2 oktober 2023 is iedere beslissing aangehouden. 3.11. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West- Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 december 2023, is in het kader van de in 3.10 genoemde voorlopige voorzieningen bepaald dat de vader en [minderjarige] voorlopig, totdat in de bodemprocedure anders is beslist, contact met elkaar hebben om de week gedurende anderhalf uur onder begeleiding mevrouw [begeleidster] , in afwachting van het raadsrapport dat in de bodemzaak werd opgemaakt. 3.12. Op 8 januari 2024 is de moeder met [minderjarige] naar Griekenland vertrokken en zij verblijven daar sindsdien. 3.13.
Volledig
In het raadsrapport van 16 februari 2024 heeft de raad onder meer geadviseerd om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI en een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te bepalen waarbij de regie bij de GI ligt. De raad heeft verder geadviseerd om het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af te wijzen. 3.14. Bij beschikking van 4 april 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (met zaaknummer C/02/419349 / JE RK 24-303) [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar. De ondertoezichtstelling is bij de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (C/02/432179 / JE RK 25-308) verlengd van 2 april 2025 tot 4 januari 2026. 3.15. Bij beschikking van 4 april 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, inzake de hoofdzaak met zaaknummer C/02/364687 / FA RK 19-5489 en inzake een provisioneel verzoek met zaaknummer C/02/417574 / FA RK 23-6126, afgewezen het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] en de beslissing over de definitieve omgangs- en informatieregeling aangehouden. Verder is in die beschikking een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] (totdat in de bodemprocedure anders zou worden beslist) van om de week gedurende anderhalf uur onder begeleiding van mevrouw [begeleidster] , dan wel een ander(e) door de GI te bepalen persoon of instantie, waarbij de moeder [minderjarige] naar de omgangslocatie toebrengt en hem daar ook weer ophaalt, en dat deze regeling onder regie van de GI kan worden uitgebreid. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze verzoeken op 21 maart 2024 blijkt dat de moeder niet heeft verteld dat zij inmiddels al enkele maanden met [minderjarige] in Griekenland verbleef. Zij heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige] in [plaats] naar basisschool [basisschool] gaat. 3.16. De vader heeft op 30 augustus 2024 in het kader van een provisionele voorziening (met zaaknummer C/02/426189 / FA RK 24-4058) verzocht om een tijdelijke omgangsregeling vast te leggen. 3.17. Het hof heeft bij beschikking van 28 november 2024 de beschikking van de rechtbank van 4 april 2024 (in de hoofdzaak) vernietigd, voor zover daarbij het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] is afgewezen. Het hof heeft de moeder en de vader gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 30 oktober 2024, heeft de moeder verklaard dat zij op 28 maart 2024 met [minderjarige] naar Griekenland is vertrokken. 3.18.1. De vader heeft bij bericht van 30 november 2024 zijn verzoek aangevuld en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te bevelen samen met [minderjarige] terug te verhuizen naar Nederland, en haar te verbieden [minderjarige] wederom buiten de Nederlandse landsgrenzen te brengen. De vader heeft verder verzocht te bepalen dat, indien de moeder niet nakomt zoals bepaald, zij zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere keer dat zij in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 250.000,--. 3.18.2. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank van de provisionele voorzieningen op 2 december 2024 (met zaaknummer C/02/426189 / FA RK 24-4058) heeft de vader zijn verzoeken gewijzigd. Hij verzoekt de rechtbank een tijdelijke omgangsregeling vast te leggen, inhoudende dat er fysiek contact zal zijn tussen [minderjarige] en hem ergens in de periode van de kerstvakantie en/of ergens in de periode van de voorjaarsvakantie, onder begeleiding van mevrouw [begeleidster] , mevrouw [betrokkene] of een andere neutrale derde, door de GI te regelen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke keer en elke dag dat de moeder de regeling niet nakomt, tot een maximum van € 250.000,--. 3.19. Bij beschikking van 13 december 2024 (met zaaknummer C/02/426189 / FA RK 24-4058) in het kader van de door de vader gevraagde provisionele voorziening heeft de rechtbank overwogen dat het in het belang van [minderjarige] is dat er zo snel mogelijk fysiek contact gaat plaatsvinden tussen hem en de vader. Er is al meer dan een jaar geen fysiek contact meer geweest. Door de verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar Griekenland zijn er grote praktische bezwaren ontstaan tegen structureel contact tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank heeft bepaald dat de vader en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de kerstvakantie (2024) op een / de door de GI in overleg met de ouders te bepalen dag(en), tijdstippen en plaats met voorwaarde dat de GI de professionele begeleiding omtrent het/de contactmoment(en) heeft gerealiseerd. De rechtbank heeft dezelfde regeling voorlopig vastgesteld voor de periode van de voorjaarsvakantie in 2025. De rechtbank heeft bepaald dat de moeder een dwangsom van € 250,-- verbeurt voor iedere dag dat zij de gerealiseerde zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,--. 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank: - de moeder bevolen om uiterlijk 18 april 2025 samen met [minderjarige] terug te verhuizen naar Nederland. Daarbij is bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat zij zich niet houdt aan het gebod terug te verhuizen met een maximum van € 50.000,-- de voornoemde beschikking van 13 december 2024 (met zaaknummer C/02/426189 / FA RK 24-4058) gewijzigd in die zin dat in de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2022 vastgestelde - voorlopige - verdeling van de zorg- en opvoedingstaken herleeft en dat de regie over de opbouw en de uitvoering van deze regeling bij de GI komt te liggen en waarbij uiteindelijk gekomen wordt tot de volgende definitieve regeling: de vader en [minderjarige] hebben recht op contact met elkaar: om het andere weekend van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, op Vaderdag en op de verjaardag van de vader. - bepaald dat de moeder de vader uiterlijk eenmaal per kwartaal schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige] , waarbij informatie wordt gegeven over zijn schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij ook steeds kopieën van schoolrapporten en een goed lijkende foto van [minderjarige] worden meegestuurd. Het door de vader gevraagde verbod, om de moeder te verbieden [minderjarige] wederom buiten de Nederlandse landsgrenzen te brengen, is afgewezen. 4.2. Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan, ieder afzonderlijk, in hoger beroep gekomen. 4.3. De moeder verzoekt in haar beroepschrift aanvankelijk om voormelde beschikking, voor zover bestreden, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de rechtbank onbevoegd is om inhoudelijk te oordelen over zowel een terugverhuizing op verbeurte van een dwangsom als over een internationale omgangsregeling en te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Griekenland is gelegen, [minderjarige] daar permanent is gevestigd en zal verblijven. Kosten rechtens. 4.4. De vader voert verweer. Hij verzoekt het door de moeder ingestelde hoger beroep af te wijzen dan wel ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking op de door hem aangegeven punten te vernietigen en aan te vullen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat: de overbrenging van [minderjarige] door de moeder naar Griekenland ongeoorloofd was; de vader voortaan het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] , dat [minderjarige] het hoofdverblijf zal hebben bij de vader, dat er een machtiging uithuisplaatsing wordt gegeven van [minderjarige] bij de vader.
Volledig
de moeder te bevelen het juiste adres van [minderjarige] aan hem te verstrekken met onderbouwende stukken op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de moeder zich niet houdt aan het bevel van het gerechtshof met een maximum van € 50.000,--, dan wel op straffe van gijzeling met de sterke arm. Met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige. 4.5. De moeder voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt aanvullend op het door haar verzochte in haar beroepschrift: in het principaal hoger beroep : - haar grieven in principaal hoger beroep gegrond te verklaren; - de beschikking van 20 maart 2025 op de door haar weergegeven grieven te vernietigen en aan te vullen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat: 1. de rechtbank internationaal onbevoegd is om te oordelen over zowel het terugverhuisgebod op verbeurte van een dwangsom als het vaststellen van een omgangsregeling; 2. de overbrenging van [minderjarige] door de moeder niet ongeoorloofd is; 3. de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Griekenland is gelegen en [minderjarige] zich daar kan vestigen om te verblijven; met bekrachtiging van de beschikking ten aanzien van de informatieregeling. de vader in zijn verweer niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verweer in principaal hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen; de vader in het principaal hoger beroep te veroordelen in alle kosten van het geding. in het incidenteel hoger beroep: bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: de vader in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen de vader in het incidenteel hoger beroep te veroordelen in alle kosten van het geding. 4.6. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de informatie-regeling tussen partijen over [minderjarige] niet langer in geschil is. Verder heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep om de moeder te bevelen haar adres in Griekenland aan hem te verstrekken, ingetrokken. 5 De motivering van de beslissing Bevoegdheid ten aanzien van het bevel tot terugverhuizing 5.1. De moeder voert in grief I aan dat de rechtbank internationaal onbevoegd is om te beslissen over het bevel tot terugverhuizing, dat de vader op 30 november 2024 heeft gedaan. Zij voert hiervoor het volgende aan. Het door de vader gevraagde terugreisgebod is niet een aanvulling of wijziging van het door hem eerder gedane verzoek. Conform de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1594), geldt 30 november 2024 als peildatum voor de beoordeling van de vraag waar [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van het inleidend verzoek. [minderjarige] had op dat moment niet meer zijn gewone verblijfplaats in Nederland, maar in Griekenland. De moeder is op 8 januari 2024 met [minderjarige] naar Griekenland gegaan. 5.2. De vader voert verweer. Hij heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat zijn verzoek tot terugverhuizen een aanvulling is op zijn inleidende verzoek van 23 oktober 2019 en dat daarom die datum als peildatum geldt voor de bepaling van de internationale bevoegdheid. De vader kan echter volgen waarom de rechtbank als peildatum 30 november 2024 heeft gehanteerd. De rechtbank heeft zich vervolgens terecht bevoegd geacht; uit het geheel van feitelijke omstandigheden volgt dat [minderjarige] op 30 november 2024 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en de Nederlandse rechter dus bevoegd is. 5.3. Het hof overweegt als volgt. 5.3.1. De vader, de moeder en [minderjarige] hebben allen (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit. De vader woont in Nederland. Gebleken is dat [minderjarige] en de moeder sinds januari 2024 in Griekenland verblijven. Bepaald moet worden of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het aanvullende verzoek van de vader van 30 november 2024 inzake het bevel tot terugverhuizing en daarop te beslissen. Indien dat het geval is, dient het toepasselijke recht te worden bepaald. Peilmoment 5.3.2. [minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats ofwel in Nederland ofwel in Griekenland. Beide landen zijn EU-lidstaten. Het verzoek terugverhuizing is een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid waarop de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: Brussel II-bis) danwel Verordening (EU) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter) voor lidstaten van toepassing is. Brussel II-bis is van toepassing op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld voor 1 augustus 2022, Brussel II-ter op procedures aangevangen na die datum. Op grond van de hoofdregel van deze verordeningen zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig werd gemaakt. Ingevolge de verordeningen wordt een zaak geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend. 5.3.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het terugverhuisgebod niet kan worden aangemerkt als een aanvulling of een wijziging van de verzoeken die in het inleidend verzoekschrift van 23 oktober 2019 zijn opgenomen. Mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1594) oordeelt de rechtbank dat het aanvullende verzoek van de man aanhangig is gemaakt in de zin van Brussel II-ter op 30 november 2024. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dat moment nog steeds in Nederland was, en zich internationaal bevoegd geacht. 5.3.4. Anders dan de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat 23 oktober 2019 als peildatum geldt voor de beoordeling van de internationale bevoegdheid van het verzoek tot terugverhuizing. In de zaak bij de Hoge Raad van 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1594) die de rechtbank betrekt in haar oordeel, concludeert de Procureur-Generaal dat het terugverhuisgebod dat voor het eerst in hoger beroep werd gedaan, geen verruiming was van de inleidende verzoeken, maar een geheel nieuw verzoek in hoger beroep dat gebaseerd is op een feitelijke en juridische grondslag die niet terug te voeren is tot de inleidende (gewijzigde) verzoeken. In de onderhavige zaak heeft de vader het verzoek tot terugverhuizing nog lopende de procedure in eerste aanleg gedaan en het hof beschouwt het verzoek wél als een verruiming van de inleidende verzoeken van de vader: het is gebaseerd op een feitelijke en juridische grondslag die terug is te voeren op dat inleidende verzoek en te beschouwen is als een concretisering van de standpunten die de vader in de procedure naar voren heeft gebracht. De vader heeft namelijk van meet af aan benoemd dat hij vreesde voor het vertrek van de moeder met [minderjarige] naar Griekenland en hij heeft deze vrees mede ten grondslag gelegd aan zijn inleidende verzoeken om betrokken te zijn: hij wilde een vastgestelde omgangsregeling en mede met het gezag over [minderjarige] belast worden. De moeder is daarmee al op dat moment in staat gesteld om haar rechten over dit onderwerp te doen gelden. Omdat de moeder toen met klem heeft verzekerd niet te willen verhuizen, was er geen noodzaak om op dat moment de stellingen te vertalen in een concreet verzoek met betrekking tot de verhuizing. Het hof licht dat hieronder nader toe. 5.3.5. De vader heeft in zijn inleidend verzoek van 23 oktober 2019 verzocht om mede belast te worden met het gezag en een omgangsregeling. Bij de toelichting van dit verzoek, benoemt de vader dat hij hiermee ook wil voorkomen dat de moeder zonder zijn toestemming naar Griekenland gaat verhuizen. De moeder heeft die intentie destijds uitdrukkelijk ontkend. Zij benoemt in haar verweerschrift van 3 september 2019 (onder meer onder punt 35) dat de stelling van de vader dat zij met [minderjarige] in Griekenland zou gaan wonen uit de lucht komt vallen.
Volledig
Zij legt haar persoonlijke situatie uit, benadrukt dat zij géén band heeft met Griekenland en haar stabiele leven in Nederland zeker niet op zal geven voor een leven in Griekenland waar het economisch veel slechter gaat dan in Nederland en waar haar diploma’s niet zouden worden erkend. Bovendien heeft zij benadrukt dat zij de Griekse taal niet machtig is en dat daarom de vrees van de vader voor vertrek naar Griekenland kant nog wal raakt en geen reden is om de vader mede met het gezag te belasten. Ook tijdens de mondelinge behandeling op 7 september 2020 in eerste aanleg heeft de moeder gezegd: “dat de vrouw een Griekse moeder heeft niet betekent dat de vrouw naar Griekenland wil verhuizen. De vrouw en [minderjarige] zijn in Nederland geworteld. De man hoeft zich dus geen zorgen te maken dat de vrouw samen met [minderjarige] zou verhuizen naar Griekenland ” (proces-verbaal). In de zomer van 2024 blijkt de vader dat de moeder al begin 2024 met [minderjarige] naar Griekenland is afgereisd en daar vervolgens is gebleven. Over het besluit van de moeder om in Griekenland te blijven heeft de moeder wisselende verklaringen afgelegd. Zij heeft gesteld dat zij naar Griekenland is vertrokken in verband met ziekte/overlijden van een familielid en zegt de beslissing om te blijven in de loop van juli 2024 te hebben genomen. Zij heeft in juli 2024 voor het eerste kenbaar gemaakt te zijn verhuisd naar Griekenland in een brief aan de GI en heeft [minderjarige] per 28 juli 2024 uitgeschreven uit de registers van de Burgerlijke Stand in Nederland. Later heeft zij verklaard dat zij al in februari 2024 de beslissing heeft genomen om in Griekenland te blijven. Zij heeft deze informatie in geen enkele procedure vóór 24 juli 2024 gedeeld. Waar zij in oktober 2024 (bij de mondelinge behandeling bij het gerechtshof) verklaarde op 28 maart 2024 naar Griekenland te zijn gegaan, dus ná de mondelinge behandeling van het verzoek over het gezag op 21 maart 2024 bij de rechtbank, blijkt inmiddels dat ze al op 8 januari 2024 met [minderjarige] is vertrokken (randnummer 11 beroepschrift en productie HB1bbb), zonder dat zij deze informatie op de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 21 maart 2024 heeft gedeeld. Sterker nog, ze verklaarde op die datum desgevraagd aan de rechtbank dat [minderjarige] in [plaats] naar school ging. Het hof kan niet anders dan uit de gang van zaken opmaken dat de moeder bewust heeft verzwegen dat ze al geruime tijd in Griekenland verbleef en acht het waarschijnlijk dat de moeder dit deed omdat ze wist dat de vader zich zou verzetten tegen een verhuizing naar Griekenland. De vader heeft daags na het ontvangen van de beschikking van dit hof van 28 november 2024 - waarbij de moeder en de vader gezamenlijk heeft belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] - zijn aanvullende verzoek van 30 november 2024 bij de rechtbank ingediend. Er is gelet op het voorgaande geen sprake van een situatie waarin de moeder pas na indiening van het aanvullende verzoek van de vader op 30 november 2024 in staat is gesteld om haar rechten te doen gelden ten aanzien van het geschilpunt van de verhuizing. Het verzoek van de vader tot terugverhuizing beschouwt het hof onder de hiervoor geschetste omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, als een concretisering van de geschilpunten in de lopende procedure. 5.3.6. Dit brengt met zich dat de datum van het inleidende verzoekschrift in deze procedure ofwel 23 oktober 2019 als peildatum geldt voor de beoordeling van de bevoegdheid ten aanzien het verzoek terugverhuizing. 5.3.7. Niet in geschil is dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats op 23 oktober 2019 in Nederland had. Het hof acht zich derhalve, op een andere grond dan de rechtbank, internationaal bevoegd om kennis te nemen van het aanvullende verzoek van de vader van 30 november 2024 inzake het bevel tot terugverhuizing en daarop te beslissen. 5.3.8. Het hof begrijpt uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van het hof dat de moeder haar verzoek in haar petitum (om de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Griekenland te bepalen en te bepalen dat [minderjarige] zich daar kan vestigen om te verblijven) heeft gedaan in het kader van haar standpunt over de internationale bevoegdheid van de rechter in onderhavige procedure. Nu het hof uitgaat van peildatum 23 oktober 2019 is in deze procedure niet meer in geschil waar [minderjarige] bij het inleidend verzoek zijn gewone verblijfplaats had. De moeder heeft niet onderbouwd dat er een belang is bij een zelfstandig oordeel over wat op dit moment de gewone verblijfplaats van [minderjarige] is. Het verzoek van de moeder wordt afgewezen. Toepasselijk recht 5.4. Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het aanvullende verzoek van de vader van 30 november 2024 inzake het bevel tot terugverhuizing Inhoudelijke beoordeling van het bevel tot terugverhuizing 5.5. De moeder acht de terugverhuizing van [minderjarige] niet in zijn belang. [minderjarige] heeft nu stabiliteit en, zoals volgt uit het rapport van de Centrale Autoriteit van 15 april 2025, geen nadeel ondervonden door de verhuizing. [minderjarige] is door het tijdsverloop inmiddels geworteld in Griekenland. De moeder benadrukt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] al elf maanden voor het aanvullende verzoek van de vader in Griekenland was. Hij spreekt de taal. De moeder en [minderjarige] zijn geïntegreerd in Griekenland en de moeder is rechtmatig met [minderjarige] verhuisd. Daarbij komt dat de ouders in een hevige juridische strijd zijn verwikkeld. Ondanks de inzet van hulpverlening en de ondertoezichtstelling is er eerder een verharding dan een verbetering van de situatie ontstaan. De gezinsvoogd heeft niet met voldoende voortvarendheid ingezet op de verbetering van de communicatie tussen de ouders en de vader heeft geweigerd en blijft weigeren om met de moeder in gesprek te gaan. Een terugverhuizing zal de strijd alleen maar verharden waarbij de kans aanwezig is dat [minderjarige] klem en verloren raakt. Bovendien is een terugverhuizing stressvol voor het kind en zal dit mogelijke fysieke of psychische schade met zich brengen. Een terugverhuizing betekent niet dat er meer kans van slagen is op het herstellen van het contact tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] heeft voor zijn ontwikkeling zo veel mogelijk rust, stabiliteit en continuïteit nodig. [minderjarige] heeft in Griekenlang in zijn geestelijke en lichamelijke ontwikkeling grote sprongen gemaakt. De afstand tussen Griekenland en Nederland is niet onoverkomelijk. Er zijn andere manieren om met elkaar contact te hebben en betrokken te zijn bij het leven van [minderjarige] . De moeder heeft de vader aangeboden om [minderjarige] te bezoeken in Griekenland waarbij een familielid een bemiddelende rol kan spelen. Ook heeft de moeder crossborder mediation voorgesteld waaraan door de rechtbank en de vader voorbij is gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder daaraan toegevoegd dat een terugverhuizing praktisch onmogelijk is. De moeder heeft geen woning meer in Nederland en er is geen school waar [minderjarige] zou kunnen instromen. Dit zou betekenen dat hij geruime tijd niet naar school kan gaan. Hoewel de partner van de moeder nu nog in Nederland woont en nog op en neer reist tussen de beide landen, is ook hij voornemens in Griekenland te komen wonen. Door de rechtbank is haar partner ten onrechte gebruikt als een connectie met Nederland. 5.6. De vader voert aan dat de moeder artikel 21 Rv op meerdere momenten heeft geschonden. Volgens dit artikel zijn partijen verplicht de voor de beoordeling van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De moeder heeft steeds de rechtbank en de vader misleid en van verschillende onjuiste informatie voorzien. De vader verzoekt reeds op die grond alle grieven van de moeder te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vader vindt de terugverhuizing naar Nederland in het belang van [minderjarige] .
Volledig
Opgroeien met zijn vader en hem leren kennen is van eminent belang voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij heeft zijn vader nodig. Ook kan [minderjarige] alsdan profiteren van alle faciliteiten die Nederland als land te bieden heeft. De moeder miskent haar eigen aandeel in de strijd tussen de ouders. Het is immers de moeder die sinds de geboorte van [minderjarige] de vader buiten beeld houdt. Zij heeft meerdere keren begeleide omgangsmomenten afgezegd. Ook heeft zij, samen met haar partner, gedurende de procedure in eerste aanleg, een verzoek ingediend tot stiefouderadoptie en is van de afwijzing daarvan in hoger beroep gegaan. De moeder heeft verder een procedure inzake kinderalimentatie gestart terwijl de vader al vanaf de geboorte van [minderjarige] meer betaalde aan kinderalimentatie dan uiteindelijk door de rechtbank is bepaald. Daar komt bij dat de moeder, na de aankondiging van de ondertoezichtstelling, zonder overleg met de vader of de instanties in Nederland is vertrokken naar Griekenland. Hierdoor kon er in het gedwongen kader niets worden bereikt. 5.7. De raad benoemt tijdens de mondelinge behandeling van het hof dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij een band kan opbouwen met beide ouders. Dit dient te gebeuren op een voor hem zo onbelast mogelijke manier. Sinds de geboorte van [minderjarige] is geen sprake geweest van een onbelast contact tussen de vader en het kind. De raad benoemt dat, ook zonder het vertrek van de moeder naar Griekenland, er sprake was van een complexe situatie. De raad acht een terugverhuizing naar Nederland niet schadelijk voor [minderjarige] . De raad benadrukt tijdens de mondelinge behandeling dat de moeder, ten tijde van het raadsonderzoek, niet heeft gemeld dat zij in Griekenland woonde. 5.8. De GI verklaart dat zij door het vertrek van de moeder naar Griekenland, op dit moment weinig kan doen. De GI is afhankelijk van de berichten van de Centrale Autoriteit, die lang op zich laten wachten. De GI verklaart desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van het hof dat zodra de moeder terugverhuist de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] kan worden gestart. 5.9. Het hof overweegt als volgt. 5.9.1. Aan schending van 21 Rv kan de rechter de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Dat betekent niet dat de verzoeken van de moeder, die over het belang van een minderjarige gaan, zonder inhoudelijke beoordeling moeten worden afgewezen, zoals de vader stelt in zijn verweer. Het hof gaat over tot een inhoudelijke beoordeling. 5.9.2. Vaststaat dat de moeder medio januari 2024 met [minderjarige] vanuit [voormalige woonplaats] naar Griekenland is vertrokken en dat zij volgens de BRP, op 28 juli 2024, is uitgeschreven bij die gemeente. Op dat moment was de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige] en had zij in beginsel de bevoegdheid om [minderjarige] naar eigen inzicht te verzorgen en op te voeden. Onder die bevoegdheid valt ook het bepalen van de woonplaats van [minderjarige] . Wel geldt dat de moeder op grond van artikel 1:247 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht was om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige] met de vader te bevorderen. Deze verplichting hangt samen met het recht van de vader en van [minderjarige] op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. 5.9.3. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513) volgt dat bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken, indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting om omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW) en dat op grond van artikel 8 EVRM een verbod kan worden opgelegd aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze ouder kan worden gegeven om met het kind terug te verhuizen. 5.9.4. . 9.4. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot terugverhuizing naar Nederland moet worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De moeder is in januari 2024 zonder medeweten van de vader naar Griekenland vertrokken en is niet meer teruggekeerd. Zij heeft dit niet kenbaar gemaakt, noch aan de vader, noch aan de rechtbank. Dit vertrek was tijdens de lopende procedure over de omgang en het gezag. Door haar vertrek heeft zij de beslissing van de rechtbank over de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] naast zich neergelegd. Ook heeft zij haar informatieverplichting geschonden door de vader het woonadres van [minderjarige] te onthouden. Door haar vertrek is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] praktisch gezien onuitvoerbaar gebleken. De moeder is gelet op dit alles de op haar rustende verplichting, om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen en om de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen, niet nagekomen. Verder heeft zij door haar handelswijze de vader op geen enkele wijze, dan wel op een volstrekt onvoldoende wijze, de mogelijkheid geboden om betrokken te blijven bij het leven van [minderjarige] . De moeder keert zelfs in feite de situatie om door in hoger beroep aan te voeren dat, ondanks de inzet van hulpverlening en de ondertoezichtstelling, er eerder een verharding dan een verbetering in de situatie is ontstaan: zij vindt dat dat reden is om [minderjarige] in Griekenland te laten blijven. Zij verwijt het de GI dat deze niet met voldoende voortvarendheid heeft ingezet op de verbetering van de communicatie tussen de ouders. Dit terwijl de ondertoezichtstelling is uitgesproken medio april 2024, op welk moment het nog bij niemand bekend was dat de moeder met [minderjarige] naar Griekenland was gegaan. Ook is gebleken dat de moeder de door de rechtbank op 13 december 2024 bepaalde voorlopige omgangsregeling die uitgaat van het verblijf in Griekenland en omgang in de vakantieperiodes bepaalt, niet is nagekomen. Het hof is van oordeel dat de moeder zelf (mede) de oorzaak was en is van de ontstane complexe(re) situatie. De vader heeft dus, ondanks die beschikkingen van de rechtbank, nog steeds geen fysieke omgang met [minderjarige] kunnen hebben. Aan [minderjarige] is door de moeder op die manier de kans ontnomen om zijn vader beter te leren kennen. De moeder beroept zich erop dat dit buiten haar schuld ligt en benoemt tijdens de mondelinge behandeling dat het op de weg van de GI had gelegen om contact op te nemen met haar en dat de moeder een concreet voorstel had over 29 en 30 december 2024 waarop niet is gereageerd. Verder verwijt zij de vader dat hij niet wil communiceren. Dit is zowel door de vader als de GI (tijdens de mondelinge behandeling van het hof) betwist. Het hof gaat voorbij aan de suggestie van de moeder dat alleen zij het initiatief heeft genomen voor het bepalen van de omgang tussen de vader en [minderjarige] ; van een goede reden om bijvoorbeeld de beschikking van 13 december 2024 niet na te komen danwel van reële en haalbare alternatieven, is niets gebleken. Sterker nog: zij heeft verhinderd dat de vader deze beschikking kon laten betekenen. Met de rechtbank kan ook het hof zich niet aan de indruk onttrekken, gelet op de gedragingen van de moeder de afgelopen jaren, dat de moeder de vader wil weren uit het leven van [minderjarige] en mede daarom naar Griekenland is gegaan. Het hof acht het herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] van groot belang voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Dit contact moet opgebouwd worden onder begeleiding, welke begeleiding in het kader van de ondertoezichtstelling is geregeld. Het hof acht het het meest kansrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] hersteld wordt als de moeder met [minderjarige] weer in Nederland komt wonen.
Volledig
De stelling van de moeder in hoger beroep dat het voor haar praktisch onmogelijk is om terug te gaan naar Nederland omdat zij hier geen woning meer heeft en het voor [minderjarige] lastig zal zijn om weer in te stromen op een school, is naar het oordeel van het hof niet overtuigend en door haar onvoldoende onderbouwd. Ook is niet gebleken dat zij pogingen heeft gedaan om woonruimte in Nederland te vinden naar aanleiding van de bestreden beschikking. Het hof gaat ervan uit dat zij een woning kan huren danwel al dan niet tijdelijk, kan intrekken bij haar partner. Het hof begrijpt uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling dat zij een bestendige relatie hebben nu zij en haar partner hebben besloten dat haar partner op korte termijn, althans na zijn pensioen, zich bij haar wil voegen in Griekenland. Op dit moment heeft hij nog een woning in Nederland. Hoewel het hof begrijpt dat [minderjarige] het op dit moment naar zijn zin heeft in Griekenland en daar goed gedijt, is het ook een feit dat hij de eerste vijf jaren van zijn leven in Nederland heeft gewoond en daar ook naar school is gegaan. Het hof gaat ervan uit dat hij snel zijn draai weer zal vinden in Nederland. Bovendien heeft hij hier een vader (en de familie van de vader) die hem graag wil leren kennen. De rechtbank heeft derhalve terecht de moeder bevolen om samen met [minderjarige] naar Nederland terug te verhuizen. Al het overige dat door de moeder is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Dwangsom 5.10. Het hof bekrachtigt de beschikking ook ten aanzien van de dwangsom die de rechtbank heeft verbonden aan de verplichting om terug te verhuizen. Het hof gaat daarmee voorbij aan grief II van de moeder. Omdat het hof zich bevoegd acht ten aanzien van de terugverhuizing, geldt dat ook voor de dwangsom. Het hof acht een dwangsom nodig omdat de moeder in de afgelopen jaren structureel heeft laten zien dat zij beslissingen van de rechtbank naast zich neer heeft gelegd. Het is aan de moeder om, in het belang van [minderjarige] , mee te werken aan de aan haar opgelegde verplichting en zo financiële problemen te voorkomen. Vaststelling verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatieregeling 5.11. De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte de in de bestreden beschikking bepaalde verdeling van de zorg- en verdelingstaken heeft vastgesteld. Hiertoe voert zij in haar derde grief (per abuis benoemd als grief II in haar beroepschrift) aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen over een internationale omgangsregeling en benadrukt zij dat het Nederlands recht evenmin van toepassing is. [minderjarige] woonde ten tijde van de procedure bij de rechtbank immers definitief niet meer in Nederland. Als de Nederlandse rechter wel bevoegd zou zijn dan is er volgens de moeder door de rechtbank ten onrechte geen acht geslagen op de gehele situatie en zijn de belangen van [minderjarige] niet op een deugdelijke wijze gewogen. Niet gebleken is dat de moeder de omgang heeft geblokkeerd of dat zij niet zou hebben meegewerkt aan de omgang of dat er onwil bestaat aan haar kant. Zij heeft altijd opengestaan voor de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Zij heeft op eigen kosten meegewerkt aan de begeleide omgang bij mevrouw [begeleidster] . Op haar initiatief zijn videobelmomenten opgestart waarbij zij [minderjarige] keer op keer stimuleert en blijft stimuleren. Deze videobel-momenten vinden iedere twee weken plaats. Ook heeft zij de vader aangeboden om naar Griekenland te komen voor omgang. De moeder voelt zich door de rechtbank in een negatief daglicht gesteld. Het is de vader die niet wil communiceren en die niet betrokken is. De moeder is het niet eens dat de rechtbank de regie over de opbouw en uitvoering van deze regeling bij de GI heeft gelegd. De huidige gezinsvoogd is nauwelijks in gesprek gegaan met de moeder en weet helemaal niets over [minderjarige] . De moeder vraagt zich ook af wat de ondertoezichtstelling heeft gebracht en op welke manier de GI regie heeft en uitvoering kan geven aan een omgangsregeling in het buitenland. De moeder benadrukt open te staan voor omgang tussen de vader en [minderjarige] . De GI heeft daartoe echter niet de regie genomen en het is de vader die de omgang heeft tegengewerkt. De moeder hecht veel waarde aan de veiligheid. De vader heeft jegens haar (seksueel) geweld gepleegd waarvan zij ook aangifte heeft gedaan. De vader heeft ook jegens [minderjarige] geweld gepleegd. De moeder heeft door schaamte hier geen aandacht op gevestigd in de jarenlange procedures. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft het (seksueel) geweld van de vader jegens de moeder erkend en heeft een letselschadevergoeding van categorie 3 aan haar uitgekeerd. Daarom doet de moeder nu in hoger beroep zelf een voorstel dat zij in het belang van [minderjarige] acht. Omgang kan in eerste instantie plaatsvinden in Griekenland in een openbare ruimte, op het strand of in een speeltuin. Deze omgangsmomenten moeten worden begeleid door een gecertificeerde hulpverlener. De moeder heeft hiervoor al iemand in Griekenland benaderd. De omgang kan, wanneer [minderjarige] zich op zijn gemak voelt, vervolgens in Nederland plaatsvinden. De begeleiding dient dan door een Nederlandse instantie te worden gedaan. De moeder pleit ervoor om de huidige situatie in stand te laten waarin [minderjarige] goed gedijt en dat de ouders, zonder verdere juridische procedures en zonder inmenging van de GI, samen tot een omgangsregeling te komen. Het wantrouwen jegens de moeder moet verdwijnen. Zij is ervan overtuigd dat wanneer alle druk van de situatie is gehaald, de ouders daartoe samen in staat zijn. 5.12. De vader voert verweer en benadrukt dat de regeling terecht is vastgesteld. De vader wil enkel vader zijn voor [minderjarige] . Hij betwist uitdrukkelijk dat hij op enig moment geweld heeft gepleegd ten aanzien van [minderjarige] en de moeder of haar op enige manier heeft bedreigd. Hij voert aan dat de moeder, door het overleggen van de brief van het Schadefonds geweldsmisdrijven van 1 maart 2024, hem enkel in een kwaad daglicht wil stellen. De vader is nimmer verhoord door de politie. Ook vraagt de vader zich af waarom de moeder dit stuk pas op dit moment in de procedure inbrengt. Hij benadrukt dat er sprake is van onwil aan de kant van de moeder. Zij heeft de vader op geen enkele manier de mogelijkheid geboden om in het leven van [minderjarige] een rol te spelen. De moeder heeft nooit het belang van [minderjarige] vooropgesteld. [minderjarige] weet na vijf jaar niet eens dat de vader zijn vader is en wat het betekent om een vader te hebben. De vader kan niet halsoverkop naar Griekenland vertrekken om daar [minderjarige] te ontmoeten. Dit kost tijd en geld, zonder de garantie dat hij [minderjarige] daadwerkelijk te zien krijgt. 5.13. De raad benadrukt tijdens de mondelinge behandeling dat het in het belang van [minderjarige] is om, op een zo onbelast mogelijke manier, een band met beide ouders op te bouwen. 5.14. Namens de GI is, zoals hiervoor reeds verwoord, tijdens de mondelinge behandeling benoemd dat zodra de moeder is terugverhuisd naar Nederland de (begeleide) omgang tussen de vader en [minderjarige] weer kan worden opgestart. De GI vindt het geen goed idee dat de ouders een en ander zelf gaan regelen. 5.15. Het hof overweegt als volgt. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijk recht 5.15.1. Op grond van de hoofdregel van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig werd gemaakt. Aangezien [minderjarige] ten tijde van indiening van het inleidend verzoek van de vader op 23 oktober 2019 zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 8 Brussel II-bis in Nederland had, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Nederlands recht is van toepassing ex artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Inhoudelijke beoordeling 5.15.2.
Volledig
In artikel 1:253a lid 1 BW is geregeld dat geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Hieronder valt ook de zorgregeling. 5.15.3. Evenals de rechtbank, is het hof van oordeel dat de in de beschikking van 7 oktober 2022 vastgestelde voorlopige omgangsregeling als uitgangspunt moet gelden voor de opbouw naar een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . Vaststaat immers dat zowel de moeder als de vader fysieke omgang tussen de vader en [minderjarige] belangrijk vinden en willen dat dit wordt opgebouwd. Door de moeder is geen grief gericht tegen de door de rechtbank bepaalde zorgregeling als zodanig, ook heeft zij geen verzoek gedaan voor het geval zij weer in Nederland woont. Met de raad acht het hof het bovendien van belang dat [minderjarige] zijn beide ouders leert kennen op een voor hem zo onbelast mogelijke manier. Het hof zal daarom de bestreden beschikking eveneens ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling bekrachtigen. Nu de vader en [minderjarige] elkaar geruime tijd niet fysiek hebben gezien en er enkel contact is geweest via videobelgesprekken, acht het hof de door de rechtbank gestelde opbouw in het belang van [minderjarige] . Onvoldoende is gebleken dat de omgang na verloop van tijd niet onbegeleid kan plaatsvinden. De zorgen die de moeder uit over de opvoedvaardigheden van de vader in onder meer haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep geven daarvoor geen aanleiding, ook niet de brief van het Schadefonds die door de moeder is overgelegd. Deze brief van 1 maart 2024 is door de moeder op 16 september 2025 overgelegd en heeft betrekking op een bezwaar van de moeder uit juni 2023. Het hof gaat ervan uit dat de begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] op een professionele manier zijn gemonitord en daaruit zijn geen zorgen naar voren gekomen. Bovendien vindt er nu ook een start onder begeleiding plaats en is er toezicht van de GI. 5.15.4. Het hof zal de beschikking ook bekrachtigen ten aanzien van de door de rechtbank bepaalde informatieregeling nu er geen inhoudelijke grief tegen die regeling is gericht. Verzoeken van de vader in het incidenteel hoger beroep. 5.16. De vader richt zijn eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat [minderjarige] geoorloofd is overgebracht naar Griekenland: hij verzoekt het hof te bepalen dat die overbrenging ongeoorloofd was. De moeder betwist dat de overbrenging ongeoorloofd was: ze had op dat moment alleen het gezag. 5.17. Het hof stelt vast dat de rechtbank tot dit oordeel is gekomen in de overwegingen in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter: uitgaande van peildatum 30 november 2024 - en dus terwijl [minderjarige] al in Griekenland was - moest de rechtbank gelet op artikel 2 lid 11 Brussel II-ter immers de voorvraag stellen of [minderjarige] geoorloofd danwel ongeoorloofd in Griekenland was gebracht. Dat was van belang voor de vraag of de gewone verblijfplaats kón zijn overgegaan naar Griekenland. Nu het hof uitgaat van peildatum 23 oktober 2019, dus vóór vertrek naar Griekenland, is die vraag niet meer aan de orde. De vader heeft niet onderbouwd dat er een belang is bij een zelfstandig oordeel hierover als verzoek in deze procedure. Het verzoek van de vader wordt afgewezen. 5.18. De vader verzoekt verder het hof om op grond van artikel 8 EVRM gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan de omgang tussen het kind en de andere ouder. Nu enkel de door de rechtbank opgelegde dwangsom niet tot het gewenste resultaat heeft geleid verzoekt de vader het hof om te bepalen dat de vader voortaan het eenhoofdig gezag zal hebben over [minderjarige] en/of het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen dan wel met een machtiging uithuisplaatsing [minderjarige] te plaatsen bij de vader. 5.19. De moeder betwist deze verzoeken. De vader kan als ouder geen machtiging uithuisplaatsing vragen. Wonen bij de vader is verder in strijd met het belang van [minderjarige] : hij zou bij zijn moeder, familie en uit zijn vertrouwde omgeving worden weggehaald. De vader woont bovendien op een studentenkamer met gedeelde voorzieningen. 5.20. Het hof overweegt als volgt. Een uithuisplaatsing van een minderjarige kan niet worden verzocht door een ouder (artikel 1:265b BW). Het hof stelt verder vast dat de vader al eerder in onderhavige procedure heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen. Dit verzoek is bij beschikking van 4 april 2024 afgewezen en die beslissing is in kracht van gewijsde gegaan. Nog daargelaten de vraag of de vader op dit moment de verzoeken over het gezag en de hoofdverblijfplaats in het incidenteel hoger beroep kan doen, acht het hof toewijzing van deze verzoeken niet in het belang van [minderjarige] . Feitelijk vraagt de vader met die verzoeken om te bepalen dat [minderjarige] per direct bij hem in Nederland komt wonen. De vader heeft erkend dat dit lastig te realiseren zal zijn. Hij heeft niet verder toegelicht hoe dit er praktisch uit zal zien en/of welke hulpverlening hij nodig acht om een en ander in goede banen te leiden, gelet op het feit dat [minderjarige] en de vader elkaar al zo lang niet hebben gezien. Hoewel het hof begrijpt dat de vader deze verzoeken doet als een noodgreep, verliest de vader daarmee de belangen van [minderjarige] uit het oog. Het hof zal de incidentele verzoeken van de vader afwijzen. Proceskosten 5.21. De moeder verzoekt, zowel in haar principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep, de vader in alle kosten van het geding te veroordelen. De vader voert daartegen verweer. 5.22. Het hof ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten. Het hof benadrukt dat het de moeder is die aanvankelijk in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking. Het hof zal gelet op de verhouding waarin partijen tot elkaar staan de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.23. Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen zij het dat het hof deels op andere gronden internationale rechtsmacht heeft aangenomen. 6 De beslissing Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.M.J. Peters, S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.