Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-12-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:3603
Parketnummer : 20-002916-22 Uitspraak : 11 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-997008-17 tegen: [verdachte] , statutair gevestigd te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair), medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon (feit 2 primair), en deelname aan een criminele organisatie, begaan door een rechtspersoon (feit 7), veroordeeld tot een geldboete van € 400.000,00, waarvan € 200.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd, zo begrijpt het hof, dat het vonnis wordt bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 6 primair en het onder 7 tenlastegelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 200.000,00. De verdediging heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg tenlastegelegd dat: 1. primairzij in of omstreeks de maand november 2017 te Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door: in een specificatie niet geleverde melk (DOC-01584 - p 3352/3298) op te geven dat in 2015 113.680 kg melk niet geleverd kon worden en/of; in een ongedateerde brief (DOC-01562 - p 3330/3276) op te nemen: "de daadwerkelijk geproduceerde melk in 2015 bedraagt 609.880 + 113.680 = 723.560 kilogram", met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij in of omstreeks 28 november 2017 te Heythuysen en/of Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: een specificatie niet geleverde melk (DOC-01584 – p. 3352/3298) en/of; een ongedateerde brief (DOC-01562 – p. 3330/3276), als ware dit/deze echt en onvervalst, door dit/deze met een begeleidende brief van [verdachte] (DOC-01561 – p. 3329/3275) te (laten) sturen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; 2. primairzij in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 14 juni 2018, te Deinum, Leeuwarden, Ysselsteyn, Meijel en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door: - op een bouwtekening van een silo (DOC-01881 - p. 3552/3498) een inhoudsmaat van 2.485 m3 te vermelden, met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kun 4580/4520) en/of; bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] , onder de vermelding "Mijn percelen" een foto bij te voegen van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] (DOC-03850 – p. 4586/4526), met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden : zij op of omstreeks 16 mei 2018 te Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] (DOC-03816 – p. 4552/4492 tot en met DOC-03833 – p. 4569/4509) en/of; het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] (DOC-03844 – p. 4580/4520) en/of; de bijlage "Mijn percelen" met een foto van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] , bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] , (DOC-03850 – p. 4586/4526), als ware dit/deze echt en onvervalst door deze in te dienen bij de RVO; 6. primairzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 16 mei 2018, althans op of omstreeks 15 en/of 16 mei 2018 te Lierop en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door: in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] , te vermelden dat het bedrijf 31 percelen met een oppervlakte van 63,34 ha, althans een of meer percelen, in gebruik had om mee te rekenen voor de gebruiksnormen, de mestverwerkingsplicht en de Wet grondgebonden groei melkveehouderij (DOC-05076 – p. 5438/5372) en/of; in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] , te vermelden dat de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] , althans een of meer van die percelen, bij dat bedrijf in gebruik waren (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en/of; bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van de [bedrijf 3] , [adres 6] , onder de vermelding "Mijn percelen" een of meer foto's bij te voegen van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] , althans van een of meer van die percelen (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392 ), met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 16 mei 2018 te Lierop en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] , (DOC-05076 – p. 5438/5372) en/of; het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en/of; een of meer foto's van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] , althans van een of meer van die percelen, onder de vermelding "Mijn percelen" (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392), als ware dit/deze echt en onvervalst door deze in te dienen bij de RVO; 7.zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 juni 2019 te Heythuysen, Melick, Meijel en/of Neer , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door haar, verdachte, en/of [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit: het meermalen plege 4563/4503) en in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] , te vermelden dat de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] bij de [locatie] in gebruik waren (DOC-03844 – p. 4580/4520) en bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [adres 2] , onder de vermelding "Mijn percelen" een foto bij te voegen van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] (DOC-03850 – p. 4586/4526), met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 6. primairzij omstreeks 15 en/of 16 mei 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door: in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] , te vermelden dat het bedrijf percelen in gebruik had om mee te rekenen voor de gebruiksnormen, de mestverwerkingsplicht en de Wet grondgebonden groei melkveehouderij (DOC-05076 – p. 5438/5372) en in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] , [adres 6] , te vermelden dat de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] bij dat bedrijf in gebruik waren (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van de [bedrijf 3] , [adres 6] , onder de vermelding "Mijn percelen" foto's bij te voegen van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392), met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;7.zij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 juni 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door haar, verdachte, en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit: het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en/of het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of het veranderen van (de werking) van een inrichting zonder vergunning (strafbaar gesteld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en/of het vervalsen van een registratie die is vereist ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij (strafbaar gesteld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer). Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsmiddelenbijlage, die bij dit arrest is gevoegd. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt ook in zijn onderdelen slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bewijsoverwegingen Op 9 januari 2017 werd een voorbereidend onderzoek gestart door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (verder: NVWA) onder de naam Kievit. Dit onderzoek richtte zich op [verdachte] , een adviesbureau voor agrarische ondernemers onder meer op het gebied van mestwetgeving, alsmede op haar bestuurders. Het voorbereidend onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek waarbij telefoongesprekken zijn afgeluisterd en gegevens zijn gevorderd bij diverse bedrijven en instanties. Uit het onderzoek zijn negen zogenoemde ‘zaaksdossiers’ voortgekomen, die in meer of mindere mate ten grondslag liggen aan de in dit onderzoek uitgebrachte dagvaardingen. Ook de tenlastelegging van de verdachte komt hieruit voort. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft op d Uit de in dit verband voor het bewijs gebezigde tapgesprekken met [medeverdachte 4] komt onder meer naar voren dat [medeverdachte 6] in eerste instantie in zijn berekening tot 79 .000 kilogram melk kwam. Vervolgens uitte hij naar [medeverdachte 4] de noodzaak om nog 24.000 kilogram “weg te goochelen” en besprak hij met [medeverdachte 4] de optie om door middel van het aantal injectoren te goochelen met de getallen, (bijvoorbeeld) door voor een dier één injector met vijf dagen wachttijd op te geven in plaats van drie injectoren per dier te gebruiken. [medeverdachte 6] zei daarbij tegen [medeverdachte 4] : “hoe slim is die van RVO, want als je iemand hebt die er verstand van heeft, die zegt vriend je kan niet voor één injector vijf dagen wachttijd rekenen, want je moet drie injectoren gebruiken per ziektegeval, serveert hij mij ook af”. [medeverdachte 4] adviseerde daarop het “met die medicijnregistratie niet te bont te maken”. Daarnaast vroeg [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 4] advies over hoe hij het met “dat uitschrijven van dat geneesmiddelengebruik in handschrift” moest doen. [medeverdachte 6] vroeg of hij het moest “fotograferen en opsturen voor de echtigheid”, omdat het anders “niet geloofwaardig” zou overkomen. [medeverdachte 4] antwoordde daarop: “Ja, doe dat maar.” [medeverdachte 6] vroeg zich daarbij nog af hoeveel weggegooide melk van koeien met een hoog celgetal “redelijk is”, waarop [medeverdachte 4] antwoordde: “bij lange na niet dat soort hoeveelheden, normaal gesproken”. Op de vraag van [medeverdachte 6] of dit “geloofwaardig overkomt”, antwoordde [medeverdachte 4] dat dit afhankelijk zou zijn van de ambtenaar, dat hij er “vorige week een heeft gezien waarbij 2,5 ton melk is bij geplust” en dat ze dit ook “in één slag” geloofden. [medeverdachte 4] vermeldde daarbij dat “als die ambtenaar een goed weekend heeft gehad” dat allemaal kon schelen. Voor zover is betoogd dat de documenten niet valselijk zijn opgemaakt, omdat de berekening zou zijn gemaakt door dierenartsen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , mist dat betoog doel. Dat [betrokkene 2] de brief van 27 juni 2017 heeft ondertekend en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij of een collega heeft meegerekend aan de cijfers in die brief, betekent namelijk niet dat de in de bewezenverklaring genoemde documenten overeenkomstig de werkelijkheid zijn opgemaakt. Daarnaast is het hof van oordeel dat de documenten geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat zij zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Immers, [medeverdachte 6] heeft de documenten genoemd in de bewezenverklaring valselijk opgemaakt teneinde een beroep te doen op de knelgevallenregeling in het kader van de toekenning van fosfaatrechten door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Nadat [medeverdachte 6] op 13 augustus 2016 was geïnformeerd dat de RVO per bedrijf de fosfaatrechten ging vaststellen aan de hand van de bij de RVO bekende gegevens van het bedrijf van het jaar 2015, heeft [medeverdachte 6] met zijn gemachtigd bedrijfsadviseur [medeverdachte 4] van [verdachte] bij herhaling in 2016 en 2017 getracht de referentiegegevens voor de vaststelling van de fosfaatrechten voor het melkveebedrijf gewijzigd te krijgen. De referentiegegevens die oorspronkelijk bij de RVO geregistreerd waren voor het jaar 2015, te weten een totale melkproductie voor het melkveebedrijf in 2015 van 609.371 kilogram, zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de fosfaatrechten van [medeverdachte 6] . Daar was [medeverdachte 6] het niet mee eens, die registratie moest hoger, zo blijkt uit de bewijsmiddelen. Immers, de hoeveelheid fosfaatrechten bepaalt voor een melkveehouder de omvang van zijn melkvee; een melkveehouder mag niet meer fosfaat produceren dan hem is toegekend door de RVO. Voorafgaande aan de brief van [medeverdachte 4] van 28 november 2017 met de gewraakte bijlagen, bestaande uit de valselijk opgemaakte sp Ten aanzien van feit 2 primair (zaaksdossier 2) Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het vervalsen van een bouwtekening van een silo (feit 2 primair). Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) de bouwtekening genoemd in de tenlastelegging op verzoek van [medeverdachte 7] heeft vervalst of doen vervalsen en dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] als medeplegers daarvan kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De onder 2 primair bewezenverklaarde valsheid heeft betrekking op de vermelding op een bouwtekening van een silo van een inhoudsmaat van 2.485 m3. Deze bouwtekening was gevoegd bij een door [medeverdachte 7] ingediende melding wijziging bedrijf (inrichting) op grond van het toentertijd geldende en per 1 januari 2024 vervallen Activiteitenbesluit Milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Het Activiteitenbesluit was een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet Milieubeheer en de Waterwet. De voorschriften van het Activiteitenbesluit kunnen voorts relevant zijn voor de vraag of voor activiteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1. van de eveneens per 1 januari 2024 vervallen Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (de WABO) was vereist, zoals ook in dit geval aan de orde kwam. De vraag of sprake is geweest van valsheid in geschrift speelt aldus tegen de achtergrond van een (meldings)procedure in het ruimtelijk bestuursrecht. Het hof stelt voorts vast dat over de vraag wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een bouwwerk in zijn algemeenheid of van een silo in het bijzonder bij of krachtens de daarvoor in aanmerking komende ruimtelijk bestuurlijke wetten geen criteria zijn gegeven. Ook is niet gesteld of anderszins gebleken dat door het ter zake van de meldingsprocedure bevoegde gezag of anderszins beleidsregels zijn opgesteld of een vaste gedragslijn werd aangehouden met betrekking tot de invulling van het begrip inhoud in de hier bedoelde zin. Van jurisprudentie waarin het onderhavige begrip inhoud wordt ingevuld is het hof evenmin gebleken. Voor zover uit het dossier, meer in het bijzonder uit de verklaring van de getuige [getuige 1] , medewerker van de gemeente Venray, zou worden afgeleid dat van een dergelijke vaste gedragslijn wel sprake was, gaat die conclusie niet op. Uit deze verklaring kan naar het oordeel van het hof louter worden afgeleid dat door deze medewerker en mogelijk door andere medewerkers van die gemeente ‘praktisch’ werd omgegaan met eventuele verschillen tussen de daadwerkelijke inhoud van een mestsilo en de mate waarin deze inhoud werd benut (mits binnen redelijke grenzen). Daar komt nog bij dat niet duidelijk is geworden of deze wijze van omgang binnen de gehele gemeente werd gehanteerd, nog daargelaten de vraag of deze wijze van omgang dan ook door het college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag zou zijn goedgekeurd. Het hof acht het gelet op het voorgaande aangewezen om bij de invulling van het begrip inhoud aansluiting te zoeken bij wat in het algemeen spraakgebruik onder inhoud wordt verstaan. Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geeft als betekenissen van het woord inhoud, voor zover relevant in de gegeven situatie: ‘hoeveelheid ruimte binnen een lichaam, voorwerp’, alsmede ‘alles wat ergens in zit of in kan zitten’. De gemene deler van beide betekenissen is volgens het hof dat het gaat om wat een lichaam, een voorwerp of iets anders daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat. De wijze van berekening van deze inhoud, bijvoorbeeld op basis van de buitenmaten van een voorwerp of op basis van de binnenmaten ervan, kan verschillen, maar dit doet niet af aan het uitgangspunt dat de inhoud betreft wat een voorwerp daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat. Vertaald naar dit concrete geval betekent dat dat onder inhoud van de silo dient te worden verstaan dat wat de silo daadwerkelijk omvat of bevat. Uit de berekening aan d Daarbij blijkt uit het gesprek van [medeverdachte 8] met [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 8] in eerste instantie huiverig was een correctie voor de straal op de bouwtekening te vermelden, om de reden dat zij, het hof begrijpt [bedrijf 5] ., zelf ook in hele spannende situaties hebben gezeten. Daarbij meldde [medeverdachte 8] dat als het gaat om knoeien met de maten, je dat op je bordje kan krijgen en dat je daar niet vrolijk van wordt. Uit dit alles leidt het hof af dat [medeverdachte 8] de valse inhoudsmaat op de bouwtekening heeft doen zetten, dat hij daarbij ook (in plaats van de door [medeverdachte 3] voorgestelde correctie op de straal) de op de bouwtekening vermelde straal heeft laten verwijderen en dat hij van de valsheid van die inhoudsmaat op de hoogte was. Ten aanzien van [medeverdachte 7] overweegt het hof nog als volgt. [medeverdachte 7] was erbij gebaat om de silo onder de 2.500 m3 te houden, omdat wanneer de silo een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m3 had, hij in de veronderstelling verkeerde dat dan een omgevingsvergunning moest worden aangevraagd en dus niet kon worden volstaan met een melding. [medeverdachte 7] heeft [medeverdachte 8] om die reden aangestuurd de netto-inhoudsmaat op de bouwtekening van de silo te vermelden, zoals eveneens blijkt uit de e- mailcorrespondentie en de tapgesprekken. Uit de e-mailcorrespondentie in de periode van 17 april tot en met 30 mei 2018 komt naar voren dat [medeverdachte 7] in eerste instantie bij [bedrijf 5] . een offerte voor de bouw van een mestsilo van ongeveer 2.750 m3 vroeg. [bedrijf 5] . stuurde [medeverdachte 7] daarop een offerte van een mestsilo Muleby MST1, optie 54/5. In de bij de e-mail gevoegde brochure was vermeld dat dit type mestsilo een bruto inhoud van 2.726 m3 had. Later ontving [medeverdachte 7] een nieuwe offerte voor exact hetzelfde type mestsilo, maar nu stond daarop een netto inhoud van 2.485 m3 vermeld. Daarbij vermeldde [medeverdachte 7] in mails naar [bedrijf 5] .: “Let wel op dat de netto m3 vermeld worden 2.485 m3”. Daarop stuurde [medeverdachte 8] een opdrachtbevestiging naar [medeverdachte 7] , waarbij hij schreef dat de bouwtekening was aangepast zoals besproken. Bij de e-mail was een bouwtekening gevoegd. Op deze tekening neemt het hof waar dat rechts onderin de legenda stond: “Mestsilo type MST1, 54-5 (2.485 m3 netto inhoud)”. Voorts neemt het hof waar dat in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) “R12725” stond weergegeven. [medeverdachte 7] stuurde de ontvangen bouwtekening door aan [medeverdachte 3] en vroeg aan [medeverdachte 3] of dit voldoende was voor de melding bij de gemeente. [medeverdachte 3] liet daarop per e-mail aan [medeverdachte 7] weten dat de straal niet groter moest zijn dan 12,60 (nu 12,72) en dat dit dan wel op de tekening moest staan, omdat je boven de 2.500 m3 vergunningsplichtig wordt. Uit een tapgesprek op 30 mei 2018 blijkt dat [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 7] heeft gezegd dat ze rekenen boven de 2.500 kuub en dat het dan vergunningsplichtig is en dat moest je niet willen. Voorts zei [medeverdachte 3] in datzelfde gesprek: “Ik zou zeggen doe 12,50 of 12,55, dan hebben we 2.480 kuub, dan zitten we er mooi net onder”, alsmede dat hij de tabel eruit zou laten, want daar staat dat je 2.538 kuub hebt, dat je de silo niet tot aan de rand hoefde te vullen, maar ze wel zeggen dat is formeel vergunningsplichtig en dat als [bedrijf 5] . heel moeilijk zou doen zij wel zouden gaan knippen en plakken. [medeverdachte 7] stemde ermee in dat hij [bedrijf 5] . het zou laten aanpassen. [medeverdachte 3] zei daarbij nog dat hij een afdruk zou maken van de tekening en zou aangeven wat er moest veranderen, zodat [medeverdachte 7] dit kon doorsturen naar [bedrijf 5] . Op de bouwtekening die [medeverdachte 3] vervolgens naar [medeverdachte 7] stuurde, neemt het hof waar dat met pen de in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) weergegeven “R12725” was doorgehaald en i Die gemeente liet al op 19 april 2018 en 14 mei 2018 aan [verdachte] , in de aanloop naar die afspraak weten, dat de opgerichte silo groter was dan 2.500 m3 voor wat betreft de inhoud, terwijl in de melding destijds was aangegeven dat deze een maximale inhoud van 2.400 m3 zou hebben, waardoor sprake was van een vergunningplicht. Uit een mail van 12 juni 2018 blijkt dat dit ook op 17 mei 2018 was besproken met [medeverdachte 3] [DOC-02259, pagina 003738]. Ook hieruit valt aldus af te leiden dat [medeverdachte 3] ten tijde van het onderhavige bewezenverklaarde feit zeer wel op de hoogte was van wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een mestsilo en hoe deze door een gemeente wordt berekend. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [bedrijf 5] . en [medeverdachte 3] allen als medepleger kunnen worden aangemerkt van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde. Het hof acht overigens voor de bewijsvraag niet relevant of de in de bewijsmiddelen genoemde grens van 2.500 m3 inhoud van mestsilo’s daadwerkelijk van betekenis is voor de bepaling welk omgevingsrechtelijk traject (kortweg: het doen van een melding of het aanvragen van een omgevingsvergunning) met betrekking tot de mestsilo diende te worden gevolgd. Het hof zal dit punt daarom onbesproken laten. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan in elk geval worden vastgesteld dat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] allen toentertijd in de veronderstelling verkeerden dat deze grens van doorslaggevende betekenis was voor het te volgen traject en dat dit het motief heeft gevormd voor het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen. Ten aanzien van feit 3 primair (zaaksdossier 3) Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het vervalsen van de opdrachtbevestiging en factuur zoals tenlastegelegd (feit 3 primair). Het hof is van oordeel dat de zoon van [medeverdachte 9] samen met [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) en [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10] ) ten behoeve van hun vennootschap [bedrijf 2] de opdrachtbevestiging en de factuur heeft vervalst en dat een medewerker van [verdachte] , [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ), daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt. Dat de datum op de factuur van [bedrijf 1] en de datum op de daarbij behorende opdrachtbevestiging zijn vervalst staat niet ter discussie. Deze vervalsingen hebben plaatsgevonden door de zoon van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] , zoals blijkt uit de door [medeverdachte 9] afgelegde verklaring, die wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 10] . Het hof gaat hier vanuit. Ten aanzien van de medewerker van [verdachte] , [medeverdachte 11] , overweegt het hof nog het volgende. [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), ook een medewerker van [verdachte] , heeft op 11 januari 2017 ten behoeve van [bedrijf 2] een subsidieaanvraag gedaan bij de RVO voor het zogenoemde POP3 subsidieprogramma voor jonge landbouwers (hierna: POP3). Voor toekenning van de subsidie was – onder andere – vereist dat ten tijde van het aanvragen van de subsidie nog geen verplichtingen waren aangegaan. Op 20 maart 2018 stuurde [medeverdachte 10] de originele factuur (gedateerd op 31 december 2016) en opdrachtbevestiging (gedateerd op 28 december 2016) voor de aankoop van een mestscheider aan [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurde de op 20 maart 2018 ontvangen documenten op 23 maart 2018 door aan [medeverdachte 11] . Op 3 april 2018 stuurde [medeverdachte 10] wederom de opdrachtbevestiging en factuur van [bedrijf 1] aan [medeverdachte 11] toe. In de begeleidende e-mail schreef [medeverdachte 10] aan [medeverdachte 11] : “aanvulling zoals telefonische besproken”. Het hof stelt vast dat de opnieuw toegestuurde opdrachtbevestiging en factuur overeenkomen met de versies die op 20 maart 2018 aan [ Ten aanzien van feit 4 primair (zaaksdossier 4) Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de tabellen Administratie Stal. Het hof is van oordeel dat [betrokkene 5] en/of diens medewerker [betrokkene 6] de tabellen genoemd in de bewezenverklaring valselijk hebben opgemaakt en dat [medeverdachte 3] daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk in navolging van de rechtbank, als volgt. [betrokkene 5] was ingevolge de wet gehouden om voor zijn mestafvoersysteem de volgende gegevens te registreren: oplegdata van de gespeende biggen per afdeling; afleverdata van de gespeende biggen per afdeling; tijdstip aflaten mest per afdeling; totaal waterverbruik (inclusief reinigingswater) per afdeling. Van deze gegevens moest op het bedrijf een overzicht van de huidige (het hof begrijpt: de toentertijd actuele) en vorige productieronde aanwezig zijn. [betrokkene 5] was aldus gehouden om op zijn bedrijf zo’n overzicht paraat en aanwezig te hebben dat hij bij een controle kon tonen. De betreffende gegevens konden bijvoorbeeld worden opgehaald uit de administratie van een waterdoseercomputer of een logboek, maar ook via andere kanalen. Deze gegevens moesten uiteindelijk op het op te stellen overzicht worden opgenomen per afdeling ten behoeve van een zo gedetailleerd en volledig mogelijke controle. Het hof stelt vast dat bij het varkensbedrijf van [betrokkene 5] ten tijde van de controle op 11 oktober 2017 geen overzicht aanwezig was zoals hiervoor omschreven. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 3] een document (een lege tabel) aan [betrokkene 5] heeft toegestuurd, waarin alsnog de voornoemde gegevens door [betrokkene 5] dienden te worden ingevuld. Dit document werd vervolgens nagezonden aan de controleur. Uit de tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 5] de in te vullen gegevens – samen met zijn medewerker [betrokkene 6] – moest schatten en dat het waterverbruik moest worden teruggerekend. Ook het aantal gehouden gespeende biggen moest worden geschat. [medeverdachte 3] zei tijdens een telefoongesprek met [betrokkene 5] dat hij uittelde hoeveel kuub water er in een afdeling kon en dat [betrokkene 5] hiermee, door terug te rekenen, iedere keer een beginstand en een eindstand van de watermeter kon invullen op de lijsten. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zeiden tijdens een telefoongesprek dat [betrokkene 6] de opleg- en afleverdata van de biggen gewoon kon gissen, als daar maar iets op stond, de laatste vijf of tien rondes. [betrokkene 5] zei dat [betrokkene 6] met betrekking tot de watermeterstanden naar de watermeter moest kijken, vijf weken “terug moest tellen” en 13 kuub water per afdeling eraf moest halen en invullen dat dat toen de stand was. Ook vroeg [betrokkene 6] aan [betrokkene 5] hoe hij moest opschrijven dat biggen in twee dagen werden opgezet zodat het aannemelijk zou zijn. [betrokkene 5] zei daarop dat de afdelingen in tweeën konden worden gedeeld, waarop [betrokkene 6] zei dat hij dan nog beter op moest letten, omdat het in dat geval niet klopte met de afbeeldingen, wat gevaarlijk was. [betrokkene 5] zei dat hij het maar zo goed mogelijk moest opschrijven en het maar moest invullen, maar dat het niet precies 1067 plaatsen moesten zijn, omdat dat natuurlijk teveel zou opvallen. [betrokkene 5] zei dat een keer 1005, een keer 1030 en een keer 1120 perfect was. [betrokkene 6] zei dat hij er een keer 1035 en een keer 1080 had gedaan, waarop [betrokkene 5] zei dat dat goed was. [betrokkene 6] zei dat hij er nog een van 1090 had waar hij iets anders, 1070, van moest maken, vroeg aan [betrokkene 5] te bekijken of het logisch was wat hij had opgeschreven, zodat hij zichzelf daar niet mee zou vangen en zei tegen [betrokkene 5] dat zijn berekeningen er niet bij moesten staan. Uit deze gang van zaken maakt het hof op dat de gegevens die [betrokkene 5] ten behoeve van de controle aanwezig moest hebben, niet door hem In zijn e-mail aan de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant met daarbij in de bijlagen de ingevulde tabellen, schreef [medeverdachte 3] vervolgens: “zoals beloofd de laatste drie rondes van de biggen, waarbij alleen watergebruik handmatig is bijgehouden”. Aldus werd aan de controleur voorgewend dat de aangeleverde gegevens waren bijgehouden, terwijl die gegevens achteraf zijn geschat en teruggerekend. Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging met [betrokkene 5] en diens medewerker [betrokkene 6] de tabellen Administratie Stal zoals bewezenverklaard valselijk heeft opgemaakt. Zij hebben gedrieën overlegd over de totstandkoming van de tot dan toe nog niet bestaande registraties, gegevens hiervoor gefingeerd en daarin vervolgens nog de nodige aanpassingen aangebracht, voordat deze uiteindelijk aan de controleur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant zijn toegezonden. Op deze wijze werd het beoogde doel bereikt. Door het achteraf valselijk opmaken van de staladministratie en het voorwenden dat deze op 11 oktober 2017 ten tijde van de controle weliswaar aanwezig was geweest, maar niet aan de controleur was getoond, werd gedrieën voorkomen dat de controleur op dit onderdeel een bevinding in diens rapport plaatste, getuige het controleverslag. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 3] , [betrokkene 5] en diens medewerker [betrokkene 6] als medepleger kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 4 primair bewezenverklaarde. Ten aanzien van feit 5 primair (zaaksdossier 7) Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de Gecombineerde Data Inwinning (hierna: de GDI) 2018 van [bedrijf 6] (de V.O.F. hierna kortweg aangeduid als: [bedrijf 6] ) zoals onder 5 primair bewezenverklaard. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 4] deze GDI valselijk heeft opgemaakt en dat [medeverdachte 12] , als klant van [medeverdachte 4] van [verdachte] en vennoot van [bedrijf 6] , evenals [bedrijf 6] daarbij als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt. Het hof is van oordeel dat de GDI niet conform de werkelijkheid is opgemaakt, hetgeen blijkt uit de tapgesprekken, de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en de getuigenverklaring van de ambtenaar van de gemeente Helmond. [medeverdachte 4] heeft de GDI op 16 mei 2018 ingediend. Daarin was het volgende vermeld. [bedrijf 6] zou zes percelen met een oppervlakte van 5,75 hectare blijvend grasland in gebruik hebben. Voorts was in het “Overzicht percelen” bij de GDI vermeld dat dit de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] betroffen die bij [bedrijf 6] in gebruik waren als blijvend grasland. Bij de GDI was daarnaast onder “Mijn percelen” een foto gevoegd waarop het hof waarneemt een luchtfoto van een landschap (bovenaanzicht) waarop onder andere vijf percelen in rode kleur zijn omlijnd en in deze percelen zijn van links naar rechts de nummers [adres 4] , [adres 9] , [adres 7] , [adres 10] en [adres 5] vermeld. Echter, ten aanzien van die percelen [adres 4] tot en met [adres 5] stelt het hof vast dat deze niet in gebruik waren bij [bedrijf 6] en dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] daarvan in ieder geval op 15 mei 2018 (de peildatum van de opgave) op de hoogte waren én dat zij dus ook van de valsheid van de complete GDI, ingediend op 16 mei 2018, op de hoogte waren. Deze percelen [adres 4] , [adres 9] , [adres 7] , [adres 10] en [adres 5] waren eigendom van de gemeente Helmond en deze waren niet in gebruik bij [bedrijf 6] , noch waren deze percelen in gebruik gegeven aan [bedrijf 6] . [medeverdachte 12] en [medeverdachte 4] waren hiervan op de hoogte. Immers, in het telefoongesprek van donderdag 17 mei 2018 tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] zei deze laatste tegen [medeverdachte 4] dat hij een paar weken terug contact had ge Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 12] en [bedrijf 6] de bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI, valselijk heeft opgemaakt. [medeverdachte 4] heeft de percelen voor [medeverdachte 12] als vennoot van [bedrijf 6] ingetekend, de GDI is vervolgens door [medeverdachte 4] bij de RVO ingediend met als doel [bedrijf 6] een gunstiger positie te verschaffen bij het bepalen van de gebruiksruimte dierlijke mest, stikstof en fosfaat voor zijn bedrijf. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 5 primair bewezenverklaarde. Ten aanzien van feit 6 primair (zaaksdossier 9) Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 3] (hierna: de GDI MDB) zoals onder 6 primair bewezenverklaard. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 4] de GDI MDB valselijk heeft opgemaakt en dat [betrokkene 7] , als klant van [medeverdachte 4] van [verdachte] en handelend onder de naam [bedrijf 3] (een eenmanszaak), daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt. Het hof is van oordeel dat de GDI MDB niet conform de werkelijkheid is opgemaakt, hetgeen blijkt uit de tapgesprekken, de bevindingen van de verbalisanten en de getuigenverklaringen. [medeverdachte 4] heeft de GDI MDB op 16 mei 2018 ingediend. Daarin was het volgende vermeld. [bedrijf 3] zou 31 percelen van in totaal 63,34 hectare in gebruik hebben. Voorts was in het “Overzicht percelen” bij de GDI MDB vermeld dat dit gedeeltelijk de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] betroffen die bij [bedrijf 3] in gebruik waren. Bij de GDI MDB zijn tevens onder “Mijn percelen” foto’s toegevoegd waarop het hof voor zover hier relevant het volgende waarneemt. Het hof neemt waar vier zwart-wit luchtfoto’s van landschappen (bovenaanzichten), waarop telkens percelen zijn omlijnd en waarbij in elk van die percelen telkens een nummer is vermeld. Op de eerste foto [DOC-05091, p. 5387] neemt het hof vier omlijnde en genummerde percelen waar, waaronder een perceel met nummer [adres 7] . Op de tweede foto [DOC-05093, p. 5389] neemt het hof vijf omlijnde en genummerde percelen waar, die van links naar rechts zijn genummerde [adres 11] , [adres 12] , [adres 13] , [adres 14] en [adres 8] . Op de derde foto [DOC-05095, p. 5391] neemt het hof waar vijf omlijnde en genummerde percelen, waaronder de nummers [adres 15] , [adres 16] , [adres 17] en [adres 18] . Op de vierde foto [DOC-05096, p. 5392] neemt het hof vier omlijnde en genummerde percelen waar, die van beneden naar boven zijn genummerd [adres 10] , [adres 5] , [adres 19] en [adres 20] . Echter, ten aanzien van de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] stelt het hof vast dat deze niet in gebruik waren bij [bedrijf 3] en dat [medeverdachte 4] en [betrokkene 7] daarvan in ieder geval op 15 mei 2018 (de peildatum van de opgave) op de hoogte waren én dat zij dus ook van de valsheid van de complete GDI MDB, ingediend op 16 mei 2018, op de hoogte waren. Immers, in het telefoongesprek van donderdag 18 mei 2018 tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 7] heeft [medeverdachte 4] tegen [betrokkene 7] gezegd dat hij ze op woensdag – dus op 16 mei 2018 – allemaal had verstuurd, dat hij nog geschoven had met de betalingsrechten en hectares bij elkaar had gekrast. Uit het telefoongesprek van 15 mei 2018 tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 7] blijkt dat [medeverdachte 4] tegen [betrokkene 7] zei: “Ik wilde het zo doen”, waarna hij [betrokkene 7] voorstelde nog wat (betalings)rechten te schuiven en daarbij ook de geldelijke voordelen daarvan voor [betrokkene 7] schetste. [betrokkene 7] , het hof begrijpt [betrokkene 7] , gaf daarbij aan het risico wel te willen nemen het zo te De gegevens over oppervlakte en gewassen waren immers in ieder geval in 2018 van belang om te bepalen of een bedrijf meer dierlijke mest mocht gebruiken dan de standaard gebruiksnorm dierlijke mest in het kader van de zogenaamde derogatievoorwaarden. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover bij feit 5 is overwogen. Het hof acht aannemelijk dat dit stelsel van derogatie de reden is geweest waarom [bedrijf 3] in onderhavig geval meer percelen (waaronder blijvend grasland) als zijnde bij hem in gebruik heeft opgegeven dan in werkelijkheid het geval was. Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging met [betrokkene 7] en [bedrijf 3] de bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI MDB, valselijk heeft opgemaakt. [medeverdachte 4] heeft de percelen voor [betrokkene 7] ingetekend en heeft daarvoor de lijnen uitgezet. De GDI MDB is vervolgens door [medeverdachte 4] bij de RVO ingediend met als doel [bedrijf 3] een gunstiger positie te verschaffen bij het bepalen van de gebruiksruimte dierlijke mest, stikstof en fosfaat van het bedrijf. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 4] , [betrokkene 7] en [bedrijf 3] als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 6 primair bewezenverklaarde. Ten aanzien van feit 7(zaaksdossier 8) Het hof dient te beoordelen of de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, die het oogmerk had op, kortweg, het plegen van valsheid in geschrift, het veranderen van inrichtingen zonder vergunning en het vervalsen van een vereiste registratie, zoals bewezenverklaard onder feit 7, eerste tot en met derde gedachtestreepje (hierna tezamen ook wel te noemen: de doelmisdrijven). Het hof overweegt hieromtrent, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt. Voor beantwoording van de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een dergelijke criminele organisatie moet eerst worden vastgesteld of sprake is van een organisatie. Onder “organisatie” wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één (andere) rechtspersoon of natuurlijk persoon. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen. Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf/misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en naar het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf/misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven. Voorts hoeft de organisatie niet een louter misdadige (hoofd)doelstelling te hebben, deze kan ook mede een legaal doel hebben. Bij de vraag of sprake is geweest van deelname aan een criminele organisatie is niet vereist dat wordt vastgesteld dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten in het kader van de criminele organisatie verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelname bij de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld: of de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij Daarbij noemde zij voor wat betreft [medeverdachte 5] een voorbeeld van een bedrijf met een omgevingsvergunning, waarbij een tekening onderdeel uitmaakte van de omgevingsvergunning. Er was een wijziging op het bedrijf waarbij een melding had kunnen volstaan. Echter, de tekening die onder de vergunning viel werd aangepast, waardoor de aanvraag alleen via een vergunningprocedure kon worden gedaan. [getuige 2] deelde dit mede aan [medeverdachte 5] . Hij wilde dit toch via een melding doen, omdat dit makkelijker was, in de hoop dat de gemeente dit zou accepteren. In een andere notitie die aan [getuige 2] werd voorgehouden staat vermeld dat [getuige 2] de komende tijd zal gebruiken om na te denken over hoe ze aankijkt tegen eerlijkheid en of ze dat los wil laten. [getuige 2] verklaarde daarover dat de cultuur binnen [verdachte] was om niet altijd volgens de regelgeving te werken. Als het in het belang van de klant nodig was de regels te overtreden, dan hadden ze daar geen moeite mee. Tijdens gesprekken ging het over het opzoeken van grenzen en daar overheen gaan en [getuige 2] had het gevoel dat ze dit ook van haar verwachtten. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verklaring van [getuige 2] , zo begrijpt het hof, niet betrouwbaar is en dus niet tot het bewijs kan worden gebezigd, omdat deze verklaring wordt weersproken door andere medewerkers , gebaseerd is op [getuige 2] ’ gevoel en niet wordt ondersteund door enig bewijs. Hoewel het hof de verklaringen van de op verzoek van de verdediging in hoger beroep gehoorde (ex)-werknemers van [verdachte] in de kern als ontlastend waardeert, overtuigen deze het hof niet zoals reeds eerder is overwogen. Deze verklaringen, wat daarvan ook verder zij, doen geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] die zij reeds in 2019 heeft afgelegd. Anders dan de verdediging, die overigens de rechter niet in enig stadium na kennisneming van die verklaring heeft verzocht [getuige 2] nader te (doen) horen teneinde haar belastende verklaring te falsificeren, ziet het hof voor die verklaring verankering in de overige onderzoeksbevindingen. Het hof acht de verklaring van [getuige 2] wél betrouwbaar en zal deze tot het bewijs bezigen. Immers, de verklaringen van [getuige 2] over de bedrijfscultuur binnen [verdachte] worden ondersteund door de omstandigheid dat die cultuur ook lijkt te zijn ingebed bij andere (voormalig) werknemers van [verdachte] . Zo bestond ook bij andere werknemers (buiten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] ) weinig belemmering om controlerende ambtenaren of instanties op het verkeerde been te zetten ten behoeve van het dienen van de belangen van de klant. Daarnaast komt de door [getuige 2] geschetste bedrijfscultuur in meer of minder concrete mate tot uitdrukking in verschillende interne gespreksverslagen van [verdachte] . Zo is daarin (onder meer) het volgende gezegd door medewerkers/bestuurders van [verdachte] : [betrokkene 9] verklaarde dat zij het verrassend vond dat het werk bestond uit dingen op papier “passend maken”. [betrokkene 10] gaf aan het af en toe moeilijk te vinden, als besloten werd de mestboekhouding af te werken op een manier welke voor haar gevoel niet klopte. Hierbij zij nog opgemerkt dat het hof opvalt dat een van de bestuurders , [medeverdachte 2] , aanwezig bij dat gesprek, [betrokkene 10] aangaf hierop door te vragen waarom voor een bepaalde weg gekozen werd bij een bedrijf, terwijl van een leidinggevende als [medeverdachte 2] in een dergelijke situatie juist mag worden verwacht dat hij zou (laten) onderzoeken of en zo ja wat er dan niet klopte en indien nodig vervolgens passende maatregelen zou nemen. Uit het feit dat [medeverdachte 2] dit niet deed, leidt het hof af dat het binnen [verdachte] kennelijk niet uitzonderlijk was dat zaken passeerden die niet klopten, waarbij het hof ‘niet klopten’ begrijpt als in strijd met de werkelijkheid. [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] bespraken e Vastgesteld kan worden dat valsheid in geschrift werd medegepleegd door [medeverdachte 4] gericht op het verkrijgen van meer fosfaatrechten dan waarop de klant in werkelijkheid recht had (feit 1, zaaksdossier 1). Daarnaast werd door [medeverdachte 3] valsheid in geschrift medegepleegd om (verondersteld) een vergunningprocedure te voorkomen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat er inrichtingen zijn veranderd (feit 2, zaaksdossier 2). Ook werd valsheid in geschrift medegepleegd door een medewerker van [verdachte] , [medeverdachte 11] , in het kader van een subsidieaanvraag (feit 3, zaaksdossier 3). Verder heeft [medeverdachte 3] het vervalsen van een registratie die was vereist ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij medegepleegd (feit 4, zaaksdossier 4). Voorts heeft [medeverdachte 4] valsheid in geschrift medegepleegd door in de GDI van twee klanten van [verdachte] percelen op te nemen die in werkelijkheid niet bij die klanten in gebruik waren (feiten 5 en 6, zaaksdossiers 7 en 9). Uit de individuele zaaksdossiers blijkt aldus dat meedenken met de klant in die concrete situaties betekende het overtreden van de wet door het (mede)plegen van valsheden in geschrift. Van een professioneel dienstverlener mag in zulke situaties worden verwacht dat zij haar klant wijst op de geldende wet- en regelgeving en deze adviseert om anders te handelen. Van een dergelijke houding is het hof in de desbetreffende zaaksdossiers echter niet gebleken. Daarenboven stelt het hof vast dat het dossier, zoals beschreven in zaaksdossier 8, aanknopingspunten bevat dat binnen [verdachte] meer situaties aan de orde waren waarbij sprake was van het oogmerk tot dan wel het daadwerkelijk plegen van de doelmisdrijven. Mede hieruit leidt het hof af dat de samenwerking binnen de organisatie niet alleen was gericht op het plegen van deze misdrijven, maar dat deze ook een duurzaam en gestructureerd karakter had en dat binnen de organisatie stelselmatig activiteiten werden verricht gericht op het plegen van die misdrijven. Naast de bewezenverklaarde feiten blijkt uit zaaksdossier 8 dat in meer gevallen enige strafbare vorm van valsheid in geschrifte is gepleegd dan wel daartoe het oogmerk bestond. Zo is bij herhaling door [verdachte] in strijd met de werkelijkheid geschoven met percelen ten behoeve van GDI’s (in het kader van de zogenoemde meitelling, gelet op de peildatum in mei) waarbij [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] actieve bemoeienis had(den). Verder is gebleken dat veesaldoregistraties achteraf plaatsvonden. Hierbij had(den) [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] , medewerkers van [verdachte] namens deze, actieve bemoeienis. In dit verband merkt het hof nog in het bijzonder op dat het uitgangspunt bij een veesaldokaart is dat deze dient te worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen, omdat (mede) aan de hand van de op een dergelijke kaart (tijdig) geregistreerde gegevens wordt, althans kan worden, vastgesteld of de desbetreffende agrariër voldoet aan op hem rustende (wettelijke) administratieve verplichtingen. Niet is gebleken van enige grond die het hof noopt van dit uitgangspunt af te wijken. Dat een veesaldokaart (nog) niet is opgenomen in de administratie van een agrariër, acht het hof daartoe in ieder geval onvoldoende. In meerdere gevallen bleek voorts sprake van het vervalsen oftewel valselijk opmaken van de mestboekhouding, dan wel het daartoe adviseren van de klant, in welk geval het oogmerk in het oog springt. Zo werden volumes mestvoorraden niet (per kalenderjaar) zo nauwkeurig mogelijk, tijdig en/of volledig naar waarheid in de boekhouding verwerkt en werd daartoe geadviseerd. [medeverdachte 2] , [betrokkene 15] en/of [medeverdachte 4] , medewerkers van [verdachte] , hadden daarmee actieve bemoeienis. Ook werden gegevens vervalst of valselijk opgegeven teneinde een vergunning te verkrijgen dan wel kostbare (in tijd en geld) vergunningtrajecten te voorkomen, waarbi Dat medewerkers daaraan voorafgaand werden getraind in hoe ze weerbaar moesten zijn tegen lastige of ongepaste verzoeken van klanten, kan hooguit volgen uit de verklaring van [betrokkene 18] dat op een gegeven moment meer aandacht is gekomen voor een stukje vaardigheden, gesprekstechnieken en dat er veel mensen een adviesrol hadden, hoe ga je daarmee om en hoe ga je ermee om als iemand weerstand heeft of dat soort thema’s, maar niet dat dit gebeurde voorafgaande aan de periode waar de bewezenverklaring op ziet. Een dergelijke toegenomen aandacht is echter weer niet zonder meer als een effectieve maatregel in de hier bedoelde zin te beschouwen. Evenmin is gebleken dat [verdachte] de dienstverlening in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde heeft beëindigd aan klanten die er een twijfelachtige bedrijfsvoering op nahielden. Een brief van [verdachte] aan een klant van 3 april 2023 kan daartoe vanzelfsprekend niet dienen, nu dat was na de bewezenverklaarde periode. Niet is gebleken van brieven of andere stukken waaruit volgt dat dergelijke beëindigingen ook plaatsvonden binnen (of vóór) de bewezenverklaarde periode, zodat het hof niet aannemelijk acht dat deze beëindigingen toen ook al plaatsvonden. Dat medewerkers niet zijn gecorrigeerd en geen doeltreffende maatregelen zijn genomen, bevestigt wederom de bedrijfscultuur waarin het meedenken met de klant en het ten dienste daarvan plegen van misdrijven niet werd voorkomen of afgestraft, maar toentertijd veeleer gemeengoed was en werd gestimuleerd. Ten aanzien van [medeverdachte 5] overweegt het hof dat ook hij blijkens het dossier actieve bemoeienis heeft gehad bij de verwezenlijking van het hier bedoelde oogmerk. Immers blijkt uit de verklaring van [getuige 2] dat hij een wijziging bij een agrarisch bedrijf (een inrichting) via een melding wilde afhandelen, terwijl daarvoor een vergunning was vereist. Het hof is aldus van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een gestructureerd verband, met regels en afspraken, waarin werd samengewerkt, waarbinnen klanten werden gefaciliteerd en waarbij het plegen van de doelmisdrijven gemeengoed was. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben in de eerste plaats binnen de criminele organisatie zelf strafbare feiten begaan in de hiervoor besproken individuele zaaksdossiers, waarbij zij tevens handelden in hun adviserende rol namens [verdachte] . In de tweede plaats waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] (middellijk) bestuurder van [verdachte] en wisten de bestuurders en daarmee ook [verdachte] dat de organisatie (mede) het oogmerk had om misdrijven te plegen, alsmede was hun aandeel ook gericht op de verwezenlijking van dat oogmerk. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] hebben zodoende bijgedragen aan het creëren en in stand houden van de hiervoor omschreven pro-criminele cultuur binnen de organisatie. Toerekening aan de rechtspersoon ( [verdachte] ) Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang Inherent aan complexe wet- en regelgeving en een aan verandering onderhevig stelsel wendden agrariërs zich voor advies inzake hun bedrijfsvoering tot de verdachte, specialist in de materie. De bestuurders hanteerden binnen de sfeer van de rechtspersoon een werkwijze waarbij de grenzen van de wet werden opgezocht en niet werd geschuwd deze te overschrijden op het moment dat de situatie dat in het belang van de klant verlangde. Het stelsel moest het veelal doen met een papieren werkelijkheid die ook nog eens zeer omvangrijk is gebleken, gelet op alle toepasselijke regels. De complexiteit daarvan speelde in dat verband niet alleen de agrariërs parten, maar ook de opsporing van misstanden als de onderhavige, waarbij een papieren werkelijkheid bleek te zijn voorgewend. Het bleek dan ook zeer lastig handhaven. Door geschriften die een bewijsbestemming hadden te vervalsen dan wel valselijk op te maken werd wat krom was, rechtgetrokken en werden (financiële) voordelen voor klanten bewerkstelligd en werd voor hen een gunstiger positie verkregen dan concurrenten die een duurzame en eerlijke bedrijfsvoering nastreefden. De verdachte heeft voorts als rechtspersoon valsheid in geschrift medegepleegd (feiten 1 tot en met 6). Met het vervalsen en het valselijk opmaken van dergelijke geschriften zijn ook strafbare feiten op het gebied van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer gepleegd. Met deze werkwijze heeft de verdachte de integriteit van het systeem van regulering en toezicht op meerdere terreinen van de in de agrarische sector geldende regelgeving doelbewust aangetast. Toegespitst op de meststoffenwetgeving is door de gewraakte handelwijze voorts geen rekening gehouden met de schade die aan het milieu, volks- en diergezondheid door de niet-naleving van de meststoffenwetgeving kan ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat controlerende (overheids)instanties dienen te kunnen hebben in de werkzaamheden van professionele partijen zoals de verdachte, ernstig geschaad. De verdachte heeft samen met haar bestuurders het belang van de klant en van de door de verdachte gedreven onderneming boven deze belangen laten prevaleren. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat binnen het door haar gedreven adviesbureau voornoemde werkwijze actief werd uitgedragen door haar bestuurders en dat zij meerdere malen tezamen met haar medewerkers waaronder haar bestuurders en/of een of meer van haar klanten valsheid in geschrift heeft gepleegd. Daarnaast zijn de strafbare feiten die zijn begaan door de criminele organisatie gepleegd in 2016, 2017 en in 2018. Deze feiten zijn pas gestopt nadat het bedrijf verwikkeld was geraakt in het strafrechtelijk onderzoek Kievit, terwijl de verdachte en [medeverdachte 4] op 9 augustus 2017 onherroepelijk voor soortgelijke feiten zijn veroordeeld. De structuurwijziging die volgens de bestuurders sindsdien binnen de verdachte is doorgevoerd, heeft kennelijk toen niet geleid tot het verwerpen van de werkwijze waarbinnen het overtreden van de wet was genormaliseerd. Bij de positie van professionele tussenschakel tussen agrariër en overheid had een taakopvatting gepast die meer getuigt van afstand en integriteit dan is gebleken. Van een collectief bij de verdachte en haar bestuurders bestaand inzicht in de ernst van de feiten, is het hof niet gebleken. Het omzeilen in plaats van het naleven van geldende normen is voor de verdachte en haar bestuurders een geaccepteerde handelwijze gebleken bij het uitvoeren van de adviserende werkzaamheden. Al met al is bij het hof het beeld ontstaan van een, door de verdachte gedreven, agrarisch adviesbureau waarbinnen structureel en op professionele wijze frauduleus werd gehandeld. De bestuurders van de verdachte namen daarbij het voortouw, daarmee een ontluisterend gebrek aan normbesef tentoonspreidend. De omstandigheden van de rechtspersoon en justitiële documentatie Het hof neemt, in het nadeel van de verdachte, de Justitiële documentatie d