Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:359
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
10,834 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.349.893/01
arrest van 11 februari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende op een voor het hof bekend geheim adres,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. I. Bakker te Maastricht,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. R.H.L. van de Laar te Kerkrade.
Deze zaak gaat over:
- [kind A], geboren op [geboortedatum A] te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [kind A] ;
[kind B]
, geboren op [geboortedatum B] te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [kind B] ;
[kind C]
, geboren op [geboortedatum C] te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [kind C] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
op het bij exploot van dagvaarding van 14 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 januari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen in de zaken tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser (C/03/336102 / KG ZA 24-404) en de vrouw als eiseres en de man als gedaagde (C/03/336643 / KG ZA 24-435).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
de memorie van antwoord met producties;
het H12-formulier d.d. 24 januari 2025 van de zijde van de vrouw met producties 2 t/m 4;
de spreekaantekeningen van de advocaat van de vrouw.
2.2.
Op 29 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door mr. Bakker;
de man, bijgestaan door mr. Van de Laar;
de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie zijn [kind A], [kind B] en [kind C] geboren.
3.2.
De man heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.3.
Bij verzoekschrift van 7 november 2024 heeft de vrouw de rechtbank Zeeland -West-Brabant verzocht het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen te beëindigen en te bepalen dat het gezag voortaan alleen aan de vrouw toekomt.
4De omvang van het geschil
Procedure in eerste aanleg
4.1.
De man heeft in de zaak met zaaknummer C/03/336102 / KG ZA 24-404 gevorderd bij vonnis:
primair: de vrouw te veroordelen tot de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar het adres [postcode A] [plaats A] aan de [adres A] , althans de afgifte te gelasten van de kinderen aan de man, binnen één dag na het in deze te wijzen vonnis, althans de terugkeer van de kinderen te bevelen binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
subsidiair: in goede justitie en rekening houdend met alle omstandigheden van deze zaak vast te stellen een voorlopige zorgregeling waarbij de man gedurende een aantal dagen per week omgang kan hebben met de kinderen, totdat daarover nader is beslist in een nog aanhangig te maken bodemprocedure;
meer subsidiair: te bepalen dat de man drie keer per week middels videobellen, dan wel telefonisch, contact kan hebben met de kinderen totdat daarover nader is beslist in een nog aanhangig te maken bodemprocedure;
de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure;
de kinderen voorlopig, totdat de rechtbank daarover nader heeft beslist in de reeds aanhangige bodemprocedure, toe te vertrouwen aan de man.
4.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.
4.3.
De vrouw heeft in de zaak met zaaknummer C/03/336643 / KG ZA 24-435 gevorderd:
de kinderen toe te vertrouwen aan de vrouw;
de man te veroordelen tot het betalen van een voorlopig door de voorzieningenrechter vast te stellen of door partijen overeen te komen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen van € 600,- per maand, ingaande 1 november 2024, waar het de te verschijnen termijnen betreft maandelijks bij vooruitbetaling aan vrouw te voldoen;
kosten rechtens.
4.4.
De man heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw en geconcludeerd
tot afwijzing van de vorderingen, kosten rechtens.
4.5.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:
in de zaak met zaaknummer C/03/336102 / KG ZA 24-404:
de kinderen voorlopig toevertrouwd aan de man;
de vrouw veroordeeld tot afgifte van de kinderen aan de man, binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
afgewezen de meer of anders verzochte voorzieningen.
in de zaak met zaaknummer C/03/336643 / KG ZA 24-435:
- de gevorderde voorzieningen afgewezen.
in beide procedures:
- bepaald dat de door partijen gemaakte proceskosten voor eigen rekening van de partijen blijven.
Procedure in hoger beroep
4.6.
De vrouw kan zich met dat vonnis niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen. Zij vordert:
het vonnis te vernietigen;
en – alsnog rechtdoende – toe wijzen hetgeen is gevorderd zijdens de vrouw en af te wijzen hetgeen is gevorderd zijdens de man;
kosten rechtens.
4.7.
De man heeft verweer gevoerd en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Indien het hof de kinderen alsnog aan de vrouw zal toevertrouwen vordert de man om zijn subsidiaire vorderingen in het kort geding in eerste aanleg alsnog toe te wijzen.
Beoordeling
5.1.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw naar [provincie A] is verhuisd. De vrouw wilde aanvankelijk een weekend met de kinderen, zoals te doen gebruikelijk met medeweten van de man, naar haar ouders in [plaats B] , [provincie A] , gaan. Voor het eerst was de man het daar niet mee eens en hij ging verhaal halen bij de school van de kinderen. Hij raakte door het dolle heen waar de kinderen bij waren. Dit leidde tot een Veilig Thuis-melding door de school. De directe aanleiding van de vrouw om vervolgens na het weekend bij haar ouders niet terug te keren naar de woning in [plaats A] was het dreigement van de man dat de vrouw de kinderen niet meer te zien zou krijgen, anders dan met zijn schriftelijke toestemming. De man had in de maanden daarvoor de vrouw met geweld uit zijn woning proberen te krijgen.
De vrouw en de kinderen verblijven inmiddels in een blijf-van-mijn-lijfhuis in [provincie B] , niet in [provincie A] . Het is een instelling waar meerdere vrouwen verblijven en waar permanent medewerkers van de opvang aanwezig zijn. Dat de vrouw deze opvang – met code oranje – heeft gekregen zegt iets over de inschatting van de ernst van de eerdere en huidige situatie bij de man. De vrouw is ondanks de ernst van de situatie blij met de opvang, niet alleen vanwege haar vrees voor de veiligheid van haar en de kinderen maar ook omdat zij geen inkomen meer had doordat de man en zijn broer kort vóór het einde van de samenleving van partijen haar onderneming de nek hebben omgedraaid. Inmiddels heeft de vrouw een Participatiewet-uitkering. De vrouw heeft in het eerste weekend na haar vertrek videobellen mogelijk gemaakt tussen de man en de kinderen. Door de vrouw is tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling in eerste aanleg bovendien een aanbod gedaan om te komen tot fysieke omgang tussen de man en de kinderen, maar dat is door de man niet aanvaard. Inmiddels zijn er stappen gezet om begeleide omgang tussen de man en de kinderen op te starten.
Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, en dat daarom het uitgangspunt blijft dat de kinderen terug moeten naar de man. De onbehandelde alcohol- en drugsverslaving van de man, het feit dat hij als gevolg van een arbeidsongeval niet voor de kinderen kan zorgen en het feit dat de vrouw tijdens de relatie de zorg voor de kinderen droeg en nog steeds de stabiele factor in het leven van de kinderen is, is niet, althans onvoldoende, meegewogen. De man heeft zich pas in oktober 2024 – na het vertrek van de vrouw met de kinderen – ter behandeling aangemeld bij een verslavingsinstelling. De verslavingen beletten hem om voor de kinderen te zorgen en bedreigen de veiligheid van de kinderen. De man heeft op 25 maart 2017 een arbeidsongeval gehad waardoor hij 100% arbeidsongeschikt is. Hij kon feitelijk niet voor de kinderen zorgen omdat hij niet goed kon lopen / rennen / knielen / de trap of en af / accuraat handelen bij nood. Vrijwel alle zorg voor de kinderen kwam op de vrouw neer. Dat de man sinds het einde van de samenleving benadrukt het allemaal wel te kunnen terwijl hij eerder (tegen zijn letselschadeadvocaat, zijn voor het arbeidsongeval aansprakelijke werkgever, diens verzekeraar en de vrouw) verklaarde niets te kunnen en zich daar ook naar gedroeg, is veelzeggend over zijn geloofwaardigheid. De vrouw droeg ten tijde van de samenleving de volledige zorg voor de kinderen, aanvankelijk als gevolg van het arbeidsongeluk en later door het alcohol- en drugsgebruik van de man. Het spreekt voor zich dat de vrouw ook nu alleen de zorg voor de kinderen draagt. Het gaat goed met de kinderen.Inmiddels heeft de vrouw haar verzoek in de bodemprocedure ten aanzien van het gezag vermeerderd en alsnog wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen verzocht. Het zou voor de kinderen uitermate verwarrend en onwenselijk zijn om meerdere keren te moeten verhuizen en van school te wisselen.
5.2.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De vrouw moet stellen en onderbouwen dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat zij zonder toestemming van de man met de kinderen is vertrokken naar een voor de man onbekende locatie. De argumenten die de vrouw aanvoert, zijn volstrekt onvoldoende. Juist is dat de vrouw met de kinderen een weekend naar haar ouders zou gaan. De afspraak was echter dat de vrouw op zaterdag zou vertrekken en niet op vrijdag vanuit school. De man is daarom de kinderen op school gaan ophalen, waar de vrouw op dat moment ook aanwezig was en waarbij er tussen partijen een discussie ontstond. De man vreesde al langere tijd voor een vertrek omdat de vrouw haar wens om terug te keren naar [provincie A] meermaals had geuit. Omdat kennissen van de vrouw zich met de kwestie gingen bemoeien, is de zaak op school uitgelopen tot een ruzie in aanwezigheid van de kinderen. Het is niet zo dat de man door het dolle raakte zoals de vrouw beweert. De man betwist ook dat hij de vrouw heeft gedreigd dat zij de kinderen niet meer te zien zou krijgen en dat hij met geweld geprobeerd zou hebben om de vrouw uit de woning te werken. De spanningen tussen partijen waren de laatste weken voor het vertrek van de vrouw opgelopen, maar er is geen sprake geweest van geweld. Er is wel sprake van ‘scheidings’problematiek waarbij er over en weer ruzie is gemaakt. De vrouw heeft de man langere tijd geïntimideerd en de man heeft uit frustratie en onmacht onverstandige dingen gedaan, zoals het barricaderen van een deur en het leeg laten lopen van de autobanden van de gezamenlijke auto die de vrouw in gebruik had. In de beleving van de man was de vrouw een verhuizing aan het voorbereiden omdat zij alsmaar spullen uit de woning weghaalde. De man betreurt deze gang van zaken maar niets van dit alles rechtvaardigt het plotselinge vertrek van de vrouw met de kinderen om niet meer terug te keren. De kinderen horen niet thuis in een vrouwenopvang, zeker niet wanneer er geen sprake is van onveiligheid van de kinderen. Het verblijf van de vrouw in een blijf-van-mijn-lijfhuis zegt niets over de situatie van de man. De opname en toegekende codering is slechts gebaseerd op het eenzijdige verhaal van de vrouw. Uit het feit dat partijen hadden afgesproken relatietherapie aan te gaan en later samen een mediator bezochten, blijkt dat de situatie niet zo dreigend was als de vrouw voor doet komen. De vrouw heeft de kinderen plotsklaps uit hun leven en uit het leven van de man gerukt, weg uit hun sociale omgeving van familie, school, sportclubjes, vriendjes en vriendinnetjes, zonder dringende noodzaak. De man heeft slechts een aantal keren met de kinderen kunnen videobellen en heeft de kinderen sinds 11 oktober 2024 niet meer gezien. Het feit dat de vrouw videobellen mogelijk heeft gemaakt vergoelijkt geenszins dat ze met de kinderen is vertrokken. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de vrouw het aanbod gedaan dat de man de kinderen onder begeleiding zou kunnen zien. Dit voorstel heeft de man afgewezen omdat er geen enkele reden is dat de man de kinderen slechts onder begeleiding zou mogen zien, maar inmiddels – nu hij de kinderen al zo lang niet meer fysiek heeft gezien – staat hij hier wel voor open.
De man ontkent niet dat hij wiet gebruikte en dat hij alcohol dronk. Hij gebruikte wiet als pijnmedicatie en hij dronk alcohol als de kinderen op bed lagen. De situatie is nooit onveilig of onbeheersbaar geweest. Dat blijkt ook nergens uit, te meer omdat de vrouw ook de kinderen van haar gastouderopvang toevertrouwde aan hem als de vrouw weg moest. De man is enkele maanden geleden gestopt met drinken en hij start op 10 februari 2025 met een (ambulante) behandeling bij [organisatie A] voor zijn wietverslaving. Het klopt dat de man als gevolg van een arbeidsongeval blijvend letsel aan zijn enkel heeft maar het is onjuist dat de man daardoor in het geheel niet voor de kinderen kan zorgen.
Beoordeling
5.4.3.
De vrouw voert grieven aan die er in de kern op neerkomen dat er bijzondere redenen zijn die haar verblijf met de kinderen elders rechtvaardigen, zonder dat zij daarvoor toestemming nodig had van de man of vervangende toestemming van de rechtbank. Haar grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.4.4.
Duidelijk is geworden dat er sinds de zomer van 2024 spanningen zijn ontstaan tussen de ouders in het kader van de ophanden zijnde verbreking van de relatie. De vrouw is op 11 oktober 2024 met de kinderen vertrokken uit [plaats A] . Aanvankelijk heeft zij enige tijd
– te weten zo’n drie weken – bij haar ouders in [provincie A] verbleven en inmiddels verblijft ze sinds 31 oktober 2024 met de kinderen in een vrouwenopvang in [provincie B] . De kinderen zijn een periode niet naar school geweest en gaan nu naar school in de omgeving van de vrouwenopvang. Voorts staat vast dat de man de kinderen sinds het vertrek van de vrouw niet (fysiek) heeft gezien en er incidenteel contact is tussen de man en de kinderen via videobellen. Ook na het bestreden vonnis waarin de kinderen aan de man zijn toevertrouwd is er nog geen fysiek contact geweest tussen de man en de kinderen.
5.4.5.
Het hof heeft geen dan wel onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de kinderen bij de man in een onveilige situatie verkeerden, als gevolg waarvan de vrouw met hen naar een vrouwenopvang diende te vertrekken. Met de raad onderschrijft het hof dat niet is gebleken dat de vrouw op advies van Veilig Thuis of de politie naar de vrouwenopvang is gegaan. Vanuit de aandachtsfunctionaris op de school van de kinderen die aan de hand van de Meldcode kindermishandeling heeft gerapporteerd zijn geen zorgen naar voren gebracht, anders dan omtrent het vertrek van de vrouw naar [provincie A] . Het is duidelijk dat de spanningen tussen de ouders hoog zijn opgelopen in de periode voorafgaande aan het vertrek van de vrouw en het is aannemelijk dat de kinderen veel last hadden van de ontstane situatie rondom het uiteengaan van de ouders. Daarbij is echter niet duidelijk geworden dat er een dusdanige onveilige situatie voor de kinderen was ontstaan die maakte dat de vrouw – zonder toestemming van de man – met de kinderen genoodzaakt was om per direct te vertrekken en niet meer terug te komen. Concrete argumenten en voorbeelden van onveilige situaties, bij voorkeur onderbouwd met schriftelijke bescheiden, ontbreken. De kinderen zijn plots uit hun vertrouwde omgeving gehaald, verblijven inmiddels al meer dan drie maanden in een vrouwenopvang, gaan niet naar hun eigen school en hebben bovenal hun vader al ruim drie maanden niet gezien. Het hof acht deze situatie niet in het belang van de kinderen. Daarbij is het hof, anders dan de vrouw stelt, niet duidelijk geworden dat de kinderen niet aan de zorg van de man kunnen worden toevertrouwd. De man heeft aangevoerd dat hij sinds oktober 2024 geen alcohol meer gebruikt. Hoewel de man heeft bevestigd dat hij wiet gebruikt, is niet in geschil dat de man dit al langdurig doet en dat er tijdens de relatie van partijen geen onveilige situaties zijn ontstaan rondom de kinderen. De man heeft onbetwist aangevoerd dat de vrouw de man regelmatig alleen liet met de kinderen en met de kinderen van haar gastouderopvang. Uit het feit dat de man in het verleden een arbeidsongeval heeft gehad en nog kampt met lichamelijke klachten kan het hof niet afleiden dat de man niet voor de kinderen kan zorgen. Voorts is gebleken dat de man met ingang van 10 februari 2025 gedurende twee dagen per week ambulante hulp zal krijgen om definitief van zijn verslaving af te kunnen komen. Hoewel het in dit kader belangrijk is dat de man tijdens zijn traject voldoende belastbaar blijft, ziet het hof vooralsnog geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat de kinderen terug moeten naar hun vertrouwde omgeving. Er is niet gebleken van zodanig bijzondere feiten en of omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat dit strijdig zou zijn met de belangen van de kinderen. Nu de vrouw kennelijk niet bereid is om met de kinderen terug te keren naar (de directe omgeving van) [plaats A] maar in de omgeving van [provincie A] wil blijven, maakt ook de omstandigheid dat de vrouw tijdens de relatie mogelijk meer voor de kinderen zorgde dan de man, het voorgaande niet anders.
5.4.6.
Het hof is dan ook, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat [kind A] , [kind B] en [kind C] aan de man moeten worden toevertrouwd. De vrouw heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd tegen de veroordeling tot afgifte van de kinderen en de daaraan verbonden dwangsom zodat het hof, gelet op het vorenstaande, het bestreden vonnis zal bekrachtigen.
Het hof merkt daarbij op dat het wederom verhuizen voor de kinderen lastig zal zijn maar het hof acht het in hun belang dat zij zo snel mogelijk weer in hun vertrouwde omgeving zullen verblijven in afwachting van beslissingen in de bodemprocedure. Daarbij is het duidelijk dat de huidige verblijfplaats van de vrouw een tijdelijke is, dus ook in de situatie dat de kinderen bij de vrouw zouden blijven, zouden zij op enig moment opnieuw worden blootgesteld aan een verhuizing, en dan naar een wederom nieuwe verblijfplaats.
5.5.
Gelet op het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
6De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 januari 2025;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Bossink, E.M.D.M van der Linden en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2025
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.349.893/01
arrest van 11 februari 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende op een voor het hof bekend geheim adres,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. I. Bakker te Maastricht,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. R.H.L. van de Laar te Kerkrade.
Deze zaak gaat over:
- [kind A], geboren op [geboortedatum A] te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [kind A] ;
[kind B]
, geboren op [geboortedatum B] te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [kind B] ;
[kind C]
, geboren op [geboortedatum C] te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [kind C] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
op het bij exploot van dagvaarding van 14 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 januari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen in de zaken tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser (C/03/336102 / KG ZA 24-404) en de vrouw als eiseres en de man als gedaagde (C/03/336643 / KG ZA 24-435).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
de memorie van antwoord met producties;
het H12-formulier d.d. 24 januari 2025 van de zijde van de vrouw met producties 2 t/m 4;
de spreekaantekeningen van de advocaat van de vrouw.
2.2.
Op 29 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door mr. Bakker;
de man, bijgestaan door mr. Van de Laar;
de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie zijn [kind A], [kind B] en [kind C] geboren.
3.2.
De man heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.3.
Bij verzoekschrift van 7 november 2024 heeft de vrouw de rechtbank Zeeland -West-Brabant verzocht het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen te beëindigen en te bepalen dat het gezag voortaan alleen aan de vrouw toekomt.
4De omvang van het geschil
Procedure in eerste aanleg
4.1.
De man heeft in de zaak met zaaknummer C/03/336102 / KG ZA 24-404 gevorderd bij vonnis:
primair: de vrouw te veroordelen tot de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar het adres [postcode A] [plaats A] aan de [adres A] , althans de afgifte te gelasten van de kinderen aan de man, binnen één dag na het in deze te wijzen vonnis, althans de terugkeer van de kinderen te bevelen binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
subsidiair: in goede justitie en rekening houdend met alle omstandigheden van deze zaak vast te stellen een voorlopige zorgregeling waarbij de man gedurende een aantal dagen per week omgang kan hebben met de kinderen, totdat daarover nader is beslist in een nog aanhangig te maken bodemprocedure;
meer subsidiair: te bepalen dat de man drie keer per week middels videobellen, dan wel telefonisch, contact kan hebben met de kinderen totdat daarover nader is beslist in een nog aanhangig te maken bodemprocedure;
de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure;
de kinderen voorlopig, totdat de rechtbank daarover nader heeft beslist in de reeds aanhangige bodemprocedure, toe te vertrouwen aan de man.
4.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.
4.3.
De vrouw heeft in de zaak met zaaknummer C/03/336643 / KG ZA 24-435 gevorderd:
de kinderen toe te vertrouwen aan de vrouw;
de man te veroordelen tot het betalen van een voorlopig door de voorzieningenrechter vast te stellen of door partijen overeen te komen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen van € 600,- per maand, ingaande 1 november 2024, waar het de te verschijnen termijnen betreft maandelijks bij vooruitbetaling aan vrouw te voldoen;
kosten rechtens.
4.4.
De man heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw en geconcludeerd
tot afwijzing van de vorderingen, kosten rechtens.
4.5.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:
in de zaak met zaaknummer C/03/336102 / KG ZA 24-404:
de kinderen voorlopig toevertrouwd aan de man;
de vrouw veroordeeld tot afgifte van de kinderen aan de man, binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
afgewezen de meer of anders verzochte voorzieningen.
in de zaak met zaaknummer C/03/336643 / KG ZA 24-435:
- de gevorderde voorzieningen afgewezen.
in beide procedures:
- bepaald dat de door partijen gemaakte proceskosten voor eigen rekening van de partijen blijven.
Procedure in hoger beroep
4.6.
De vrouw kan zich met dat vonnis niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen. Zij vordert:
het vonnis te vernietigen;
en – alsnog rechtdoende – toe wijzen hetgeen is gevorderd zijdens de vrouw en af te wijzen hetgeen is gevorderd zijdens de man;
kosten rechtens.
4.7.
De man heeft verweer gevoerd en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Indien het hof de kinderen alsnog aan de vrouw zal toevertrouwen vordert de man om zijn subsidiaire vorderingen in het kort geding in eerste aanleg alsnog toe te wijzen.
Beoordeling
5.1.
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw naar [provincie A] is verhuisd. De vrouw wilde aanvankelijk een weekend met de kinderen, zoals te doen gebruikelijk met medeweten van de man, naar haar ouders in [plaats B] , [provincie A] , gaan. Voor het eerst was de man het daar niet mee eens en hij ging verhaal halen bij de school van de kinderen. Hij raakte door het dolle heen waar de kinderen bij waren. Dit leidde tot een Veilig Thuis-melding door de school. De directe aanleiding van de vrouw om vervolgens na het weekend bij haar ouders niet terug te keren naar de woning in [plaats A] was het dreigement van de man dat de vrouw de kinderen niet meer te zien zou krijgen, anders dan met zijn schriftelijke toestemming. De man had in de maanden daarvoor de vrouw met geweld uit zijn woning proberen te krijgen.
De vrouw en de kinderen verblijven inmiddels in een blijf-van-mijn-lijfhuis in [provincie B] , niet in [provincie A] . Het is een instelling waar meerdere vrouwen verblijven en waar permanent medewerkers van de opvang aanwezig zijn. Dat de vrouw deze opvang – met code oranje – heeft gekregen zegt iets over de inschatting van de ernst van de eerdere en huidige situatie bij de man. De vrouw is ondanks de ernst van de situatie blij met de opvang, niet alleen vanwege haar vrees voor de veiligheid van haar en de kinderen maar ook omdat zij geen inkomen meer had doordat de man en zijn broer kort vóór het einde van de samenleving van partijen haar onderneming de nek hebben omgedraaid. Inmiddels heeft de vrouw een Participatiewet-uitkering. De vrouw heeft in het eerste weekend na haar vertrek videobellen mogelijk gemaakt tussen de man en de kinderen. Door de vrouw is tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling in eerste aanleg bovendien een aanbod gedaan om te komen tot fysieke omgang tussen de man en de kinderen, maar dat is door de man niet aanvaard. Inmiddels zijn er stappen gezet om begeleide omgang tussen de man en de kinderen op te starten.
Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, en dat daarom het uitgangspunt blijft dat de kinderen terug moeten naar de man. De onbehandelde alcohol- en drugsverslaving van de man, het feit dat hij als gevolg van een arbeidsongeval niet voor de kinderen kan zorgen en het feit dat de vrouw tijdens de relatie de zorg voor de kinderen droeg en nog steeds de stabiele factor in het leven van de kinderen is, is niet, althans onvoldoende, meegewogen. De man heeft zich pas in oktober 2024 – na het vertrek van de vrouw met de kinderen – ter behandeling aangemeld bij een verslavingsinstelling. De verslavingen beletten hem om voor de kinderen te zorgen en bedreigen de veiligheid van de kinderen. De man heeft op 25 maart 2017 een arbeidsongeval gehad waardoor hij 100% arbeidsongeschikt is. Hij kon feitelijk niet voor de kinderen zorgen omdat hij niet goed kon lopen / rennen / knielen / de trap of en af / accuraat handelen bij nood. Vrijwel alle zorg voor de kinderen kwam op de vrouw neer. Dat de man sinds het einde van de samenleving benadrukt het allemaal wel te kunnen terwijl hij eerder (tegen zijn letselschadeadvocaat, zijn voor het arbeidsongeval aansprakelijke werkgever, diens verzekeraar en de vrouw) verklaarde niets te kunnen en zich daar ook naar gedroeg, is veelzeggend over zijn geloofwaardigheid. De vrouw droeg ten tijde van de samenleving de volledige zorg voor de kinderen, aanvankelijk als gevolg van het arbeidsongeluk en later door het alcohol- en drugsgebruik van de man. Het spreekt voor zich dat de vrouw ook nu alleen de zorg voor de kinderen draagt. Het gaat goed met de kinderen.Inmiddels heeft de vrouw haar verzoek in de bodemprocedure ten aanzien van het gezag vermeerderd en alsnog wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen verzocht. Het zou voor de kinderen uitermate verwarrend en onwenselijk zijn om meerdere keren te moeten verhuizen en van school te wisselen.
5.2.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De vrouw moet stellen en onderbouwen dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat zij zonder toestemming van de man met de kinderen is vertrokken naar een voor de man onbekende locatie. De argumenten die de vrouw aanvoert, zijn volstrekt onvoldoende. Juist is dat de vrouw met de kinderen een weekend naar haar ouders zou gaan. De afspraak was echter dat de vrouw op zaterdag zou vertrekken en niet op vrijdag vanuit school. De man is daarom de kinderen op school gaan ophalen, waar de vrouw op dat moment ook aanwezig was en waarbij er tussen partijen een discussie ontstond. De man vreesde al langere tijd voor een vertrek omdat de vrouw haar wens om terug te keren naar [provincie A] meermaals had geuit. Omdat kennissen van de vrouw zich met de kwestie gingen bemoeien, is de zaak op school uitgelopen tot een ruzie in aanwezigheid van de kinderen. Het is niet zo dat de man door het dolle raakte zoals de vrouw beweert. De man betwist ook dat hij de vrouw heeft gedreigd dat zij de kinderen niet meer te zien zou krijgen en dat hij met geweld geprobeerd zou hebben om de vrouw uit de woning te werken. De spanningen tussen partijen waren de laatste weken voor het vertrek van de vrouw opgelopen, maar er is geen sprake geweest van geweld. Er is wel sprake van ‘scheidings’problematiek waarbij er over en weer ruzie is gemaakt. De vrouw heeft de man langere tijd geïntimideerd en de man heeft uit frustratie en onmacht onverstandige dingen gedaan, zoals het barricaderen van een deur en het leeg laten lopen van de autobanden van de gezamenlijke auto die de vrouw in gebruik had. In de beleving van de man was de vrouw een verhuizing aan het voorbereiden omdat zij alsmaar spullen uit de woning weghaalde. De man betreurt deze gang van zaken maar niets van dit alles rechtvaardigt het plotselinge vertrek van de vrouw met de kinderen om niet meer terug te keren. De kinderen horen niet thuis in een vrouwenopvang, zeker niet wanneer er geen sprake is van onveiligheid van de kinderen. Het verblijf van de vrouw in een blijf-van-mijn-lijfhuis zegt niets over de situatie van de man. De opname en toegekende codering is slechts gebaseerd op het eenzijdige verhaal van de vrouw. Uit het feit dat partijen hadden afgesproken relatietherapie aan te gaan en later samen een mediator bezochten, blijkt dat de situatie niet zo dreigend was als de vrouw voor doet komen. De vrouw heeft de kinderen plotsklaps uit hun leven en uit het leven van de man gerukt, weg uit hun sociale omgeving van familie, school, sportclubjes, vriendjes en vriendinnetjes, zonder dringende noodzaak. De man heeft slechts een aantal keren met de kinderen kunnen videobellen en heeft de kinderen sinds 11 oktober 2024 niet meer gezien. Het feit dat de vrouw videobellen mogelijk heeft gemaakt vergoelijkt geenszins dat ze met de kinderen is vertrokken. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de vrouw het aanbod gedaan dat de man de kinderen onder begeleiding zou kunnen zien. Dit voorstel heeft de man afgewezen omdat er geen enkele reden is dat de man de kinderen slechts onder begeleiding zou mogen zien, maar inmiddels – nu hij de kinderen al zo lang niet meer fysiek heeft gezien – staat hij hier wel voor open.
De man ontkent niet dat hij wiet gebruikte en dat hij alcohol dronk. Hij gebruikte wiet als pijnmedicatie en hij dronk alcohol als de kinderen op bed lagen. De situatie is nooit onveilig of onbeheersbaar geweest. Dat blijkt ook nergens uit, te meer omdat de vrouw ook de kinderen van haar gastouderopvang toevertrouwde aan hem als de vrouw weg moest. De man is enkele maanden geleden gestopt met drinken en hij start op 10 februari 2025 met een (ambulante) behandeling bij [organisatie A] voor zijn wietverslaving. Het klopt dat de man als gevolg van een arbeidsongeval blijvend letsel aan zijn enkel heeft maar het is onjuist dat de man daardoor in het geheel niet voor de kinderen kan zorgen.
Beoordeling
5.4.3.
De vrouw voert grieven aan die er in de kern op neerkomen dat er bijzondere redenen zijn die haar verblijf met de kinderen elders rechtvaardigen, zonder dat zij daarvoor toestemming nodig had van de man of vervangende toestemming van de rechtbank. Haar grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.4.4.
Duidelijk is geworden dat er sinds de zomer van 2024 spanningen zijn ontstaan tussen de ouders in het kader van de ophanden zijnde verbreking van de relatie. De vrouw is op 11 oktober 2024 met de kinderen vertrokken uit [plaats A] . Aanvankelijk heeft zij enige tijd
– te weten zo’n drie weken – bij haar ouders in [provincie A] verbleven en inmiddels verblijft ze sinds 31 oktober 2024 met de kinderen in een vrouwenopvang in [provincie B] . De kinderen zijn een periode niet naar school geweest en gaan nu naar school in de omgeving van de vrouwenopvang. Voorts staat vast dat de man de kinderen sinds het vertrek van de vrouw niet (fysiek) heeft gezien en er incidenteel contact is tussen de man en de kinderen via videobellen. Ook na het bestreden vonnis waarin de kinderen aan de man zijn toevertrouwd is er nog geen fysiek contact geweest tussen de man en de kinderen.
5.4.5.
Het hof heeft geen dan wel onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de kinderen bij de man in een onveilige situatie verkeerden, als gevolg waarvan de vrouw met hen naar een vrouwenopvang diende te vertrekken. Met de raad onderschrijft het hof dat niet is gebleken dat de vrouw op advies van Veilig Thuis of de politie naar de vrouwenopvang is gegaan. Vanuit de aandachtsfunctionaris op de school van de kinderen die aan de hand van de Meldcode kindermishandeling heeft gerapporteerd zijn geen zorgen naar voren gebracht, anders dan omtrent het vertrek van de vrouw naar [provincie A] . Het is duidelijk dat de spanningen tussen de ouders hoog zijn opgelopen in de periode voorafgaande aan het vertrek van de vrouw en het is aannemelijk dat de kinderen veel last hadden van de ontstane situatie rondom het uiteengaan van de ouders. Daarbij is echter niet duidelijk geworden dat er een dusdanige onveilige situatie voor de kinderen was ontstaan die maakte dat de vrouw – zonder toestemming van de man – met de kinderen genoodzaakt was om per direct te vertrekken en niet meer terug te komen. Concrete argumenten en voorbeelden van onveilige situaties, bij voorkeur onderbouwd met schriftelijke bescheiden, ontbreken. De kinderen zijn plots uit hun vertrouwde omgeving gehaald, verblijven inmiddels al meer dan drie maanden in een vrouwenopvang, gaan niet naar hun eigen school en hebben bovenal hun vader al ruim drie maanden niet gezien. Het hof acht deze situatie niet in het belang van de kinderen. Daarbij is het hof, anders dan de vrouw stelt, niet duidelijk geworden dat de kinderen niet aan de zorg van de man kunnen worden toevertrouwd. De man heeft aangevoerd dat hij sinds oktober 2024 geen alcohol meer gebruikt. Hoewel de man heeft bevestigd dat hij wiet gebruikt, is niet in geschil dat de man dit al langdurig doet en dat er tijdens de relatie van partijen geen onveilige situaties zijn ontstaan rondom de kinderen. De man heeft onbetwist aangevoerd dat de vrouw de man regelmatig alleen liet met de kinderen en met de kinderen van haar gastouderopvang. Uit het feit dat de man in het verleden een arbeidsongeval heeft gehad en nog kampt met lichamelijke klachten kan het hof niet afleiden dat de man niet voor de kinderen kan zorgen. Voorts is gebleken dat de man met ingang van 10 februari 2025 gedurende twee dagen per week ambulante hulp zal krijgen om definitief van zijn verslaving af te kunnen komen. Hoewel het in dit kader belangrijk is dat de man tijdens zijn traject voldoende belastbaar blijft, ziet het hof vooralsnog geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat de kinderen terug moeten naar hun vertrouwde omgeving. Er is niet gebleken van zodanig bijzondere feiten en of omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat dit strijdig zou zijn met de belangen van de kinderen. Nu de vrouw kennelijk niet bereid is om met de kinderen terug te keren naar (de directe omgeving van) [plaats A] maar in de omgeving van [provincie A] wil blijven, maakt ook de omstandigheid dat de vrouw tijdens de relatie mogelijk meer voor de kinderen zorgde dan de man, het voorgaande niet anders.
5.4.6.
Het hof is dan ook, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat [kind A] , [kind B] en [kind C] aan de man moeten worden toevertrouwd. De vrouw heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd tegen de veroordeling tot afgifte van de kinderen en de daaraan verbonden dwangsom zodat het hof, gelet op het vorenstaande, het bestreden vonnis zal bekrachtigen.
Het hof merkt daarbij op dat het wederom verhuizen voor de kinderen lastig zal zijn maar het hof acht het in hun belang dat zij zo snel mogelijk weer in hun vertrouwde omgeving zullen verblijven in afwachting van beslissingen in de bodemprocedure. Daarbij is het duidelijk dat de huidige verblijfplaats van de vrouw een tijdelijke is, dus ook in de situatie dat de kinderen bij de vrouw zouden blijven, zouden zij op enig moment opnieuw worden blootgesteld aan een verhuizing, en dan naar een wederom nieuwe verblijfplaats.
5.5.
Gelet op het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
6De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 januari 2025;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Bossink, E.M.D.M van der Linden en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2025
griffier rolraadsheer