Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:356
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
6,217 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.750/01
arrest van 11 februari 2025
gewezen in het incident ex artikel 22 Rv in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] (België),
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: [XX] ,
advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,
tegen
1 [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,
hierna: [YY] ,
2. [ZZ] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A] ,
hierna: [ZZ] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. J.P.A.M. van Balen te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 maart 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [XX] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en [geïntimeerden] als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het anticipatie-exploot;
de memorie van grieven, tevens wijziging en vermeerdering van eis, met producties;
het incidenteel verzoek tot bevel om op de zaak betrekking hebbende bescheiden te overleggen (art. 22 Rv) van [YY] , met producties;
de memorie van antwoord in het incident ex art. 22 Rv van [XX] ;
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
[XX] is de dochter van [YY] en van wijlen [persoon A] (overleden op 1 augustus 2022), de twee vennoten van [---] VOF. [XX] heeft, in samenspraak met haar vader en diens financieel adviseurs, in 2012 het (bedrijfs)pand aan [adres A] (hierna: het pand) in eigendom verkregen tegen een koopprijs van € 585.000,-. [XX] heeft het pand verhuurd aan de VOF.
3.2.
Tussen [XX] en [YY] is (met name) in geschil de vraag of [YY] , zoals door deze gesteld, een beroep kan doen op de overeenkomst uit 2021 waarin, in navolging van eerdere overeenkomst(en) tussen die partijen, staat dat [YY] en [persoon A] desgewenst het pand van [XX] kunnen kopen tegen een koopprijs van € 585.000,- (de koopoptie) en dat op die koopprijs in mindering strekt het totaalbedrag van de kosten die [YY] en [persoon A] hebben gemaakt ter zake van de aankoop en verbetering van het registergoed. [YY] heeft op 1 november 2022 de koopoptie op het pand ingeroepen.
3.3.
Bij kortgedingvonnis van 24 januari 2023 (C/01/387370 / KG ZA 22-561) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, aannemelijk geacht dat [YY] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. De voorzieningenrechter heeft [XX] op vordering [YY] veroordeeld om mee te werken aan de levering van het pand aan [YY] tegen betaling van laatstgenoemd bedrag verminderd met de op het pand rustende hypothecaire schuld.
3.4.
Bij het in dit hoger beroep bestreden vonnis heeft de rechtbank in de eerste plaats de vordering van HB, die betrekking heeft op de huur van een ander pand te 's-Hertogenbosch, ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de kamer van de rechtbank Oost-Brabant die zich bezighoudt met de behandeling van kantonzaken. HB speelt in dit hoger beroep dus geen rol meer.
3.5.
Ten aanzien van de vordering van [YY] heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [XX] tegen de overeenkomst uit 2021 (de koopoptie) aangevoerde wilsgebreken (misbruik van omstandigheden, dwaling dan wel bedrog), evenals de overige door [XX] daartegen aangevoerde verweren, niet opgaan en dat [YY] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. Verder is de rechtbank in het bestreden vonnis tot het oordeel gekomen dat het totaal van de kosten die in mindering moeten worden gebracht bij het inroepen van de koopoptie, méér bedraagt dan de koopprijs en dat de koopprijs daarom per saldo op nihil moet worden gesteld.
3.6.
[YY] vordert in het incident [XX] op grond van artikel 22 Rv te bevelen om aan haar afschrift te verstrekken van alle bankafschriften over de periode 1 januari 2012 tot en met 17 februari 2023, zonder daarin wijzigingen of doorhalingen aan te brengen van de bankrekening van [bedrijf A] (de onderneming van [XX] ) en van twee bankrekeningen van [XX] zelf, waarvan de bankrekeningnummers in [YY] incidentele conclusie zijn genoemd, en om aan [YY] uitstel te verlenen voor het nemen van de memorie van antwoord in de hoofdzaak totdat [XX] aan de vordering in het incident heeft voldaan, dan wel totdat die vordering is afgewezen.
3.7.
[YY] heeft ter onderbouwing van haar vordering in het incident aangevoerd dat de gevraagde gegevens essentieel zijn voor de bepaling van de hoogte van de koopprijs zoals deze volgt uit de bepalingen omtrent de koopoptie. Het pand is destijds gekocht ten behoeve van de onderneming van de ouders van [XX] , die daarvoor zelf geen financiering konden krijgen, zodat het pand op naam van [XX] maar geheel voor rekening van de onderneming van de ouders van [XX] is aangeschaft. Alle eigenaarslasten en verbouwingskosten zijn steeds voor rekening van de onderneming van de ouders van [XX] gekomen. [YY] wenst met de gevraagde bankafschriften de hoogte van die kosten, die op de koopprijs in mindering strekken, aan te tonen.
3.8.
[XX] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Volgens [XX] kan [YY] aan artikel 22 Rv geen vorderingsrecht ontlenen. Ook heeft [YY] bij haar vordering in het incident volgens [XX] geen belang.
3.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv kan de rechter - in elke stand van de procedure - partijen, dan wel één van hen, bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Of de rechter van die bevoegdheid gebruik maakt is overgelaten aan zijn procesbeleid. Anders dan [YY] kennelijk meent, komt haar op grond van dat artikel geen vorderingsrecht toe. Op dit moment ziet het hof geen aanleiding om van bedoelde (discretionaire) bevoegdheid gebruik te maken.
3.10.
Voor zover [YY] heeft bedoeld een vordering als bedoeld in artikel 843a Rv in te stellen, overweegt het hof dat deze vordering, met inachtneming van de maatstaf van artikel 843a Rv, onvoldoende bepaald is. De vordering van [YY] , inhoudende dat zij over een periode van ruim elf jaar afschriften van alle bankafschriften van drie bankrekeningen wenst te verkrijgen, heeft naar het oordeel van het hof te zeer het karakter van een 'fishing expedition'. De vordering zal daarom worden afgewezen.
3.11.
Dictum
In de hoofdzaak
3.12.
De zaak is naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 18 februari 2025 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.750/01
arrest van 11 februari 2025
gewezen in het incident ex artikel 22 Rv in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] (België),
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: [XX] ,
advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,
tegen
1 [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,
hierna: [YY] ,
2. [ZZ] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A] ,
hierna: [ZZ] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. J.P.A.M. van Balen te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 maart 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [XX] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en [geïntimeerden] als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
het anticipatie-exploot;
de memorie van grieven, tevens wijziging en vermeerdering van eis, met producties;
het incidenteel verzoek tot bevel om op de zaak betrekking hebbende bescheiden te overleggen (art. 22 Rv) van [YY] , met producties;
de memorie van antwoord in het incident ex art. 22 Rv van [XX] ;
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
[XX] is de dochter van [YY] en van wijlen [persoon A] (overleden op 1 augustus 2022), de twee vennoten van [---] VOF. [XX] heeft, in samenspraak met haar vader en diens financieel adviseurs, in 2012 het (bedrijfs)pand aan [adres A] (hierna: het pand) in eigendom verkregen tegen een koopprijs van € 585.000,-. [XX] heeft het pand verhuurd aan de VOF.
3.2.
Tussen [XX] en [YY] is (met name) in geschil de vraag of [YY] , zoals door deze gesteld, een beroep kan doen op de overeenkomst uit 2021 waarin, in navolging van eerdere overeenkomst(en) tussen die partijen, staat dat [YY] en [persoon A] desgewenst het pand van [XX] kunnen kopen tegen een koopprijs van € 585.000,- (de koopoptie) en dat op die koopprijs in mindering strekt het totaalbedrag van de kosten die [YY] en [persoon A] hebben gemaakt ter zake van de aankoop en verbetering van het registergoed. [YY] heeft op 1 november 2022 de koopoptie op het pand ingeroepen.
3.3.
Bij kortgedingvonnis van 24 januari 2023 (C/01/387370 / KG ZA 22-561) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, aannemelijk geacht dat [YY] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. De voorzieningenrechter heeft [XX] op vordering [YY] veroordeeld om mee te werken aan de levering van het pand aan [YY] tegen betaling van laatstgenoemd bedrag verminderd met de op het pand rustende hypothecaire schuld.
3.4.
Bij het in dit hoger beroep bestreden vonnis heeft de rechtbank in de eerste plaats de vordering van HB, die betrekking heeft op de huur van een ander pand te 's-Hertogenbosch, ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de kamer van de rechtbank Oost-Brabant die zich bezighoudt met de behandeling van kantonzaken. HB speelt in dit hoger beroep dus geen rol meer.
3.5.
Ten aanzien van de vordering van [YY] heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [XX] tegen de overeenkomst uit 2021 (de koopoptie) aangevoerde wilsgebreken (misbruik van omstandigheden, dwaling dan wel bedrog), evenals de overige door [XX] daartegen aangevoerde verweren, niet opgaan en dat [YY] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. Verder is de rechtbank in het bestreden vonnis tot het oordeel gekomen dat het totaal van de kosten die in mindering moeten worden gebracht bij het inroepen van de koopoptie, méér bedraagt dan de koopprijs en dat de koopprijs daarom per saldo op nihil moet worden gesteld.
3.6.
[YY] vordert in het incident [XX] op grond van artikel 22 Rv te bevelen om aan haar afschrift te verstrekken van alle bankafschriften over de periode 1 januari 2012 tot en met 17 februari 2023, zonder daarin wijzigingen of doorhalingen aan te brengen van de bankrekening van [bedrijf A] (de onderneming van [XX] ) en van twee bankrekeningen van [XX] zelf, waarvan de bankrekeningnummers in [YY] incidentele conclusie zijn genoemd, en om aan [YY] uitstel te verlenen voor het nemen van de memorie van antwoord in de hoofdzaak totdat [XX] aan de vordering in het incident heeft voldaan, dan wel totdat die vordering is afgewezen.
3.7.
[YY] heeft ter onderbouwing van haar vordering in het incident aangevoerd dat de gevraagde gegevens essentieel zijn voor de bepaling van de hoogte van de koopprijs zoals deze volgt uit de bepalingen omtrent de koopoptie. Het pand is destijds gekocht ten behoeve van de onderneming van de ouders van [XX] , die daarvoor zelf geen financiering konden krijgen, zodat het pand op naam van [XX] maar geheel voor rekening van de onderneming van de ouders van [XX] is aangeschaft. Alle eigenaarslasten en verbouwingskosten zijn steeds voor rekening van de onderneming van de ouders van [XX] gekomen. [YY] wenst met de gevraagde bankafschriften de hoogte van die kosten, die op de koopprijs in mindering strekken, aan te tonen.
3.8.
[XX] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Volgens [XX] kan [YY] aan artikel 22 Rv geen vorderingsrecht ontlenen. Ook heeft [YY] bij haar vordering in het incident volgens [XX] geen belang.
3.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv kan de rechter - in elke stand van de procedure - partijen, dan wel één van hen, bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Of de rechter van die bevoegdheid gebruik maakt is overgelaten aan zijn procesbeleid. Anders dan [YY] kennelijk meent, komt haar op grond van dat artikel geen vorderingsrecht toe. Op dit moment ziet het hof geen aanleiding om van bedoelde (discretionaire) bevoegdheid gebruik te maken.
3.10.
Voor zover [YY] heeft bedoeld een vordering als bedoeld in artikel 843a Rv in te stellen, overweegt het hof dat deze vordering, met inachtneming van de maatstaf van artikel 843a Rv, onvoldoende bepaald is. De vordering van [YY] , inhoudende dat zij over een periode van ruim elf jaar afschriften van alle bankafschriften van drie bankrekeningen wenst te verkrijgen, heeft naar het oordeel van het hof te zeer het karakter van een 'fishing expedition'. De vordering zal daarom worden afgewezen.
3.11.
Dictum
In de hoofdzaak
3.12.
De zaak is naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 18 februari 2025 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:356 text/xml public 2026-05-08T09:00:22 2025-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-02-11 200.342.750_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:356 text/html public 2026-05-08T08:59:37 2025-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:356 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-02-2025 / 200.342.750_01 Op grond van artikel 22 Rv kan de rechter partijen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Of de rechter van die bevoegdheid gebruik maakt is overgelaten aan zijn procesbeleid. Op grond van dit artikel komt eiseres in het incident geen vorderingsrecht toe. Voor zover eiseres in het incident heeft bedoeld een vordering ex artikel 843a Rv in te stellen, overweegt het hof dat deze vordering onvoldoende bepaald is. De vordering die ertoe strekt om over een periode van ruim elf jaar afschriften van alle bankafschriften van drie bankrekeningen te verkrijgen, heeft te zeer het karakter van een 'fishing expedition'. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.342.750/01 arrest van 11 februari 2025 gewezen in het incident ex artikel 22 Rv in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] (België), appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, verweerster in het incident, hierna: [appellante] , advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam, tegen 1 [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , [gemeente A] , hierna: [geïntimeerde] , 2. [X.B.V.] . , gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A] , hierna: [X.B.V.] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, eiseressen in het incident, advocaat: mr. J.P.A.M. van Balen te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 maart 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en [geïntimeerden] als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/392671/ HA ZA 23-291) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het anticipatie-exploot; de memorie van grieven, tevens wijziging en vermeerdering van eis, met producties; het incidenteel verzoek tot bevel om op de zaak betrekking hebbende bescheiden te overleggen (art. 22 Rv) van [geïntimeerde] , met producties; de memorie van antwoord in het incident ex art. 22 Rv van [appellante] ; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3 De beoordeling In het incident 3.1. [appellante] is de dochter van [geïntimeerde] en van wijlen [persoon A] (overleden op 1 augustus 2022), de twee vennoten van [---] VOF. [appellante] heeft, in samenspraak met haar vader en diens financieel adviseurs, in 2012 het (bedrijfs)pand aan [adres A] (hierna: het pand) in eigendom verkregen tegen een koopprijs van € 585.000,-. [appellante] heeft het pand verhuurd aan de VOF. 3.2. Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is (met name) in geschil de vraag of [geïntimeerde] , zoals door deze gesteld, een beroep kan doen op de overeenkomst uit 2021 waarin, in navolging van eerdere overeenkomst(en) tussen die partijen, staat dat [geïntimeerde] en [persoon A] desgewenst het pand van [appellante] kunnen kopen tegen een koopprijs van € 585.000,- (de koopoptie) en dat op die koopprijs in mindering strekt het totaalbedrag van de kosten die [geïntimeerde] en [persoon A] hebben gemaakt ter zake van de aankoop en verbetering van het registergoed. [geïntimeerde] heeft op 1 november 2022 de koopoptie op het pand ingeroepen. 3.3. Bij kortgedingvonnis van 24 januari 2023 (C/01/387370 / KG ZA 22-561) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, aannemelijk geacht dat [geïntimeerde] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. De voorzieningenrechter heeft [appellante] op vordering [geïntimeerde] veroordeeld om mee te werken aan de levering van het pand aan [geïntimeerde] tegen betaling van laatstgenoemd bedrag verminderd met de op het pand rustende hypothecaire schuld. 3.4. Bij het in dit hoger beroep bestreden vonnis heeft de rechtbank in de eerste plaats de vordering van [X.B.V.] , die betrekking heeft op de huur van een ander pand te 's-Hertogenbosch, ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de kamer van de rechtbank Oost-Brabant die zich bezighoudt met de behandeling van kantonzaken. [X.B.V.] speelt in dit hoger beroep dus geen rol meer. 3.5. Ten aanzien van de vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [appellante] tegen de overeenkomst uit 2021 (de koopoptie) aangevoerde wilsgebreken (misbruik van omstandigheden, dwaling dan wel bedrog), evenals de overige door [appellante] daartegen aangevoerde verweren, niet opgaan en dat [geïntimeerde] gerechtigd was de koopoptie uit te oefenen. Verder is de rechtbank in het bestreden vonnis tot het oordeel gekomen dat het totaal van de kosten die in mindering moeten worden gebracht bij het inroepen van de koopoptie, méér bedraagt dan de koopprijs en dat de koopprijs daarom per saldo op nihil moet worden gesteld. 3.6. [geïntimeerde] vordert in het incident [appellante] op grond van artikel 22 Rv te bevelen om aan haar afschrift te verstrekken van alle bankafschriften over de periode 1 januari 2012 tot en met 17 februari 2023, zonder daarin wijzigingen of doorhalingen aan te brengen van de bankrekening van [bedrijf A] (de onderneming van [appellante] ) en van twee bankrekeningen van [appellante] zelf, waarvan de bankrekeningnummers in [geïntimeerde] incidentele conclusie zijn genoemd, en om aan [geïntimeerde] uitstel te verlenen voor het nemen van de memorie van antwoord in de hoofdzaak totdat [appellante] aan de vordering in het incident heeft voldaan, dan wel totdat die vordering is afgewezen. 3.7. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering in het incident aangevoerd dat de gevraagde gegevens essentieel zijn voor de bepaling van de hoogte van de koopprijs zoals deze volgt uit de bepalingen omtrent de koopoptie. Het pand is destijds gekocht ten behoeve van de onderneming van de ouders van [appellante] , die daarvoor zelf geen financiering konden krijgen, zodat het pand op naam van [appellante] maar geheel voor rekening van de onderneming van de ouders van [appellante] is aangeschaft. Alle eigenaarslasten en verbouwingskosten zijn steeds voor rekening van de onderneming van de ouders van [appellante] gekomen. [geïntimeerde] wenst met de gevraagde bankafschriften de hoogte van die kosten, die op de koopprijs in mindering strekken, aan te tonen. 3.8. [appellante] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Volgens [appellante] kan [geïntimeerde] aan artikel 22 Rv geen vorderingsrecht ontlenen. Ook heeft [geïntimeerde] bij haar vordering in het incident volgens [appellante] geen belang. 3.9. Op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv kan de rechter - in elke stand van de procedure - partijen, dan wel één van hen, bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Of de rechter van die bevoegdheid gebruik maakt is overgelaten aan zijn procesbeleid. Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent, komt haar op grond van dat artikel geen vorderingsrecht toe. Op dit moment ziet het hof geen aanleiding om van bedoelde (discretionaire) bevoegdheid gebruik te maken. 3.10. Voor zover [geïntimeerde] heeft bedoeld een vordering als bedoeld in artikel 843a Rv in te stellen, overweegt het hof dat deze vordering, met inachtneming van de maatstaf van artikel 843a Rv, onvoldoende bepaald is.